terug  begin  verderprepost
[p. 44]

Afbeeldingen

Scènes uit het stuk zijn in de 17de eeuw betrekkelijk vaak in beeld gebracht. Dat is meer in overeenstemming met het aantal herdrukken dan met wat we weten over het aantal vertoningen, zoals in de volgende paragraaf zal blijken.

Het oudst is de bekende ets door Willem Buytewech, die door J.G. van Gelder met ons stuk in verband is gebracht1. De prent stelt een ontspannen zittende en vrolijk kijkende jongeman voor, naast wie een jonge vrouw naar hem toegewend zit, met een gebaar van haar linkerhand op zijn arm, terwijl ze hem met de rechter een schaal of kom aanbiedt. Onder de stoel van de jongeling ligt een hond: verslindt hij, of wacht hij op, etensresten? Van een derde persoon ziet men alleen het hoofd, men kan zich voorstellen dat hij zich ineengedoken schuilhoudt. Heeft hij misschien een flesje met vergif of een zinkroer in de linkerhand? Het kunnen inderdaad Ascagnes, Lucelle en Lecker-Beetje in III, 3 zijn. Maar de toneelvoorstelling moet er heel anders hebben uitgezien. Inplaats van op Lucelles ‘zaal’ plaatst Buytewech de figuren in de buitenlucht, met een onduidelijk aangegeven hoog gebouw op de achtergrond. De luit ontbreekt, evenals Margriet. Het paar wordt omgeven door voorwerpen die op emblematische wijze overvloed kunnen suggereren: vaatwerk, geldstukken, druiventrossen. De emblematische waarde van de ets heeft Van Gelder zelf in zijn baanbrekende artikel verduidelijkt2. Hij veronderstelde voorts dat de prent bedoeld was als titelprent voor de eerste druk van Lucelle, maar dat de combinatie met boekdruk onoverkomelijke technische

[p. 45]

moeilijkheden had opgeleverd1. De geringe overeenstemming met de bedoelde scène kan echter ook het motief zijn geweest.

Beter past bij de tekst het medaillon dat Jan van de Velde, naar een tekening van Buytewech die in het Prentenkabinet te Leiden bewaard wordt, gegraveerd heeft voor de verzamelbundel Alle de Spelen van G.A. Bredero2. De twee jongelui zijn daar in een interieur afgebeeld, met Margriet en met een luit.

Van Jan Miense Molenaer zijn twee schilderijen bekend die V, 2 voorstellen, gedateerd resp. 1636 en 16393. De gelieven liggen in hun schijndood verenigd terneer, terwijl Baustruldes, Carponny, de Baron, Lecker-Beetje en Margriet er in passende houdingen bij staan; de Apteker is nog geen redding komen brengen. Een enkele figuur op de schilderij van 1636 is moeilijk te identifiëren. De achtergrond leert ons niets omtrent het toneel van de Oude Kamer: de schilderijen dagtekenen van twee decennia later, en niets suggereert dat de scène zich in een bovenzaal afspeelt, want de beschouwer ziet neer op een (geplavuisde) vloer. In beide gevallen is er links achter een openstaande poort, met uitzicht op een landschap! De schilderij van 1639 vertoont rechts achter een soort troonhemel met gordijn, die een geschikte oplossing biedt voor de bruidsnacht in IV, 24.

We kennen een schilderij van Hendrick Martensz. Sorgh en twee van Jan Steen die men zou kunnen rekenen tot een genre ‘de galante muziekles begluurd’. Vooral een van beide Steens5, waarop ook een duègne afgebeeld is, lijkt verband te houden met II, 2.

[p. 46]

Aan Cornelis Jansz. Steen wordt een schilderij van 1678 toegeschreven, V, 4 voorstellende1. Een drukke vertoning: het gerecht met zijn manschappen dringt binnen door een poort, midden achter, terwijl de intimi al lachende gezichten vertonen, blijkbaar omdat Meester Hans de Apteker bezig is, de doodgewaanden te doen herleven. De spreuk ‘Schijn bedriegt’ staat op een papiertje dat op de voorgrond ligt.

Men moet uit de overgebleven afbeeldingen concluderen dat enerzijds de verrassende ontknoping in het slotbedrijf van Lucelle indruk heeft gemaakt op het toneelpubliek, en dat anderzijds de begluurde of beluisterde muziekles een geliefd onderwerp van 17de-eeuwse kunstenaars en kunstkopers is geweest. Dat in een veilingcatalogus van 1767 een dergelijke schilderij wordt aangeduid met ‘Ascanius en Lucilla’2, hoeft niet te bewijzen dat men toentertijd het stuk van Bredero nog kende. De verklassiekte resp. veritaliaanste vorm van de namen kan wijzen op een verwaterde familietraditie bij de eigenaars.

1‘De etsen van Willem Buytewech’, in Oud-Holland XLVIII (1931), blz. 49-72. De auteur heeft de voorkomendheid gehad, zevenendertig jaar na dato in een uitvoerige brief enige toelichtingen te geven ten behoeve van onze uitgave.
2Van Gelder, aangeh. art., blz. 58: ‘toen Jan van de Velde deze ets omzette in een soortgelijke voorstelling, met den dood op den achtergrond (...) (gaf) hij dit blad een algemeene strekking en deed (het) voorzien van het volgende onderschrift:
 
In weelden sijn wij dickwijls geseten
 
De Doot veel naeder dan wy weeten.
En inderdaad kan men deze strekking aan Buytewech's ets geven’. Verdere gegevens over litteratuur en bewaarplaatsen ald., blz. 70.
Op het voetspoor van Van Gelder heeft E. Haverkamp Begemann (Willem Buytewech, Amst. 1959, blz. 24 e.v.) de ets zelfs gemaakt tot ‘een uitbeelding van het thema De liefde en de dood’ en ‘Het paar door de Dood verrast’.
De ets is onder meer afgebeeld in de Platenatlas bij de Nederlandsche Literatuurgeschiedenis van M.A.P.C. Poelhekke, C.G.N. de Vooys en G. Brom (vierde druk, Gron. enz. 1933), blz. 36, bij een verderop aan de orde komend artikel in het Nederlandsch kunsthistorisch jaarboek 1947 op blz. 189 aldaar, en in de catalogus van de Bredero-tentoonstelling in het Amsterdams Historisch Museum, 26 sept-25 nov. 1968, als afbeelding 8.
1Van Gelder, aangeh. art., blz. 59.
2Het getekende ontwerp voor het titelblad is gereproduceerd in de zoëven genoemde catalogus van 1968, het Lucelle-medaillon eruit bij het artikel van S.J. Gudlaugsson, ‘Bredero's Lucelle door eenige zeventiende eeuwsche meesters uitgebeeld’, in Nederlandsch kunsthistorisch jaarboek 1947, blz. 190. Ten onrechte betwijfelde Gudlaugsson (ald., blz. 186, noot 5) dat de afbeelding betrekking heeft op Lucelle. Op het gegraveerde titelblad (gereproduceerd als afb. 22 van de genoemde tentoonstellingscatalogus) zijn de medaillons genommerd, en wel in de volgorde waarin de stukken in de verzamelbundel (‘By Pieter van Waesberghe tot Rotterdam’, 1622) zijn opgenomen. De 3 van het medaillon in kwestie klopt met de plaats van Lucelle in de bundel.
3Die van 1636, aanwezig op het Muiderslot, is gereproduceerd bij het artikel van Gudlaugsson, ‘Twee uitbeeldingen van Bredero's “Lucelle” door Molenaer en Cornelis (?) Steen’, in Oud-Holland LXIX (1954), blz. 53-56, en als afb. 9 in de tentoonstellingscatalogus van 1968. Van de schilderij van 1639 (verz. M.F. Rappe, Stockholm) staat achter de bijdrage van Gudlaugsson, in de vorige noot genoemd, een niet overduidelijke reproduktie (Ned. kunsthist. jaarb. 1947, blz. 192).
4Men zie de veronderstelling van Kalff, hierboven blz. 29, noot 1.
5Verz. H. Hengel, Parijs; gereproduceerd evenals de beide andere schilderijen bij het genoemde artikel van Gudlaugsson (Ned, kunsthist. jaarb. 1947, blz. 190-191). Men zie voorts S.J. Gudlaugsson, De komedianten bij Jan Steen en zijn tijdgenooten (Den Haag 1954), blz. 46 en noot 40 aldaar. Opmerking verdient, dat de daar besproken en als afb. 44 gereproduceerde Steen op de voorgrond rechts een gamba of dergelijk strijkinstrument vertoont, die wel met een muziekles, maar niets met Bredero's Lucelle te maken heeft.
1Afgebeeld bij het hiervoor genoemde artikel van Gudlaugsson in Oud-Holland LXIX.
2Gudlaugsson, Nederl. kunsthist. jaarb. 1947, blz. 178, met noot 6 op blz. 187. Hij verwijst naar Hofstede de Groot, Beschreibendes und kritisches Verzeichnis der Werke der hervorragendsten holländischen Maler des XVII. Jahrhunderts I, nr. 70 en 408, en A. Heppner, ‘The popular theatre of the Rederijkers in the work of Jan Steen and his contemporaries’, in Journal of the Warburg and Courtauld Institutes III (1939/'40), blz. 47. Hofstede de Groot deelt op grond van de namen de schilderij systematisch in bij Mythologie; zie blz. 19 en 247 van zijn genoemde standaardwerk. Inmiddels blijft het opmerkelijk dat Gerard Hoet, in Catalogus of Naamlijst van Schilderijen, met derzelver pryzen (...). Tweede deel (Den Haag 1752), op blz. 265 als nr. 26 vermeldt: ‘Ascagnes en Lucelle, door Jan Steen’.
prepostterug  begin  verder