Bredero's Lucelle werd voor het eerst gepubliceerd in 1616. Het titelblad van deze editie is hierna op de oorspronkelijke grootte gereproduceerd. Terwille van onze uitgave zijn de vijf bereikbare exemplaren gecollationeerd: een in de bibliotheek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, twee in de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam, een in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, en een in eigen bezit. Geen enkel typografisch verschil viel te constateren, behalve dat op het titelblad van enkele exemplaren het wit tussen de vierde en de vijfde, en dat tussen de vijfde en de zesde regel, iets smaller is dan in het hierachter afgebeelde, Leidse exemplaar (sign. 1091 B 34).
Het boekje bestaat uit negen katernen A-I, waarvan het eerste twaalf pagina's telt, alle volgende acht. Behalve enkele regels en een woord op het titelblad, de ‘Toe-eygeningh’ aan Tesselscha, de drie lofdichten en de lijst van ‘Persoonagien’ is het in fractuur gezet, met uitzondering van het lied vs. 1027-1096, de aanwijzingen tussen de verzen, de rolaanwijzingen - die meest in klein kapitaal vóór of in de versregels staan - en voorts de eigennamen, benevens enkele citaten, staande uitdrukkingen en vreemde woorden in de dialoog zelf. Deze uitzonderingen zijn in de hierbij aangeboden uitgaaf in de tekst aangegeven door klein kapitaal, en waar nodig aan de voet verantwoord. Na het voorwerk komt in de oude druk maar twee keer cursivering voor: O schoonste Persoonage, &c. boven vs. 1027 en 't Kan verkeeren en Anno 1616 op de laatste bladzij.
In Ungers bibliografie (1884) vindt men behalve deze eerste druk (A) er nog zeven vermeld: 1619 (B; het jaartal is dat van het titelblad, op de laatste bladzij staat: Anno 1618), 1622 (C), 1632 (D), 1638 (E), 1644 (F), 1645 (G) en 1678 (H). De later aan het licht gekomen druk van 1621 voegt hij toe in de ‘Bijlage’ achter de Bredero-editie 1890 (deel III, blz. 599) met als aanduiding B*.
Het leek ons ongewenst, deze toevallige situatie te bestendigen. De opeenvolgende drukken zijn dus als volgt aangegeven:
| A | Amsterdam | 1616 | |
| B | Amsterdam | 1619 |
| C | Amsterdam | 1621 | (Unger B*) |
| D | Rotterdam | 1622 | (Unger C) |
| E | Amsterdam | 1632 | (Unger D) |
| F | Amsterdam | 1638 | (Unger E) |
Aangezien F, behalve het eerste katern, geen nieuwe druk is maar identiek met E, is na vs. 88 de aanduiding F, als zinloos, weggelaten.
Het weergeven van de tekst uit 1616 biedt geen bijzondere problemen, behalve voorzover druk A maar éen teken gebruikt als hoofdletter van de i en van de j: een oud-hollandse kapitaal, die visueel tussen beide in staat, terwijl de moderne I en J onderling sterk verschillen. Aangezien noch de consequente toepassing van de I, noch die van de J tot een bevredigend resultaat leidt, is in dit geval gebruik gemaakt van beide kapitalen, met dien verstande dat de J systematisch vóór een volgende klinker is geplaatst. Dit betreft dus alleen de kapitalen; bij de onderkast, waar het gebruik van de i en de j niet steeds consequent blijkt te zijn, is niet genormaliseerd, zo min als bij andere lettertypen dan oud-Hollands. Op soortgelijke wijze is gehandeld met de gotische hoofdletter van u en v; die is door een U weergegeven waar thans een klinker, door V waar een medeklinker geschreven zou worden.
Voor het overige gelden de onderstaande richtlijnen, zoals die in onderling overleg door de tekstverzorgers van deze Bredero-editie zijn vastgesteld:
Evidente drukfouten worden in de tekst verbeterd, maar met verantwoording dienaangaande in de voetnoten.
Een lange ʃ wordt vervangen door een s, een ronde r door een gewone.
Een schuine streep, in gotisch schrift, wordt vervangen door een komma.
De weinig talrijke afkortingen worden aangevuld.
Wisseling van lettertype bij gehele reien of liederen wordt niet gehandhaafd, maar wel in een voetnoot vermeld.
Romeins lettertype bij eigennamen, vreemde woorden, korte citaten enz. in de gotische tekst wordt steeds aangeduid door klein kapitaal.
Namen van sprekende personen worden zowel naar de spelling als in typografisch opzicht genormaliseerd door ze steeds voluit in klein kapitaal boven de versregels te plaatsen.
Toneelaanwijzingen worden eveneens genormaliseerd door ze steeds cursief, met de eigennamen voluit, en zonodig door een punt afgesloten, tussen de versregels te plaatsen.
Bij een toneelaanwijzing die tevens de aankondiging van een volgende spreker betekent, wordt de eigennaam in klein kapitaal gedrukt, de rest cursief.
De oorspronkelijke aanduidingen van bedrijven en tonelen blijven gehandhaafd. Indien ze kennelijk ergens ontbreken of in enig opzicht foutief zijn, wordt zonodig een regel wit in de tekst tussengevoegd, met verantwoording dienaangaande in een voetnoot.
Om het oorspronkelijke versbeeld zoveel mogelijk te behouden, worden in de tekst geen verwijzingstekens geplaatst. Wel worden de versregels per vijftal genummerd.
De noten die de weergave van de tekst betreffen, worden op iedere bladzijde direct onder het tekstgedeelte afgedrukt.
Varianten uit andere vroege drukken, in dit geval tot en met 1638, worden vermeld, tenzij ze alleen de spelling betreffen.
De noten ter verklaring van bepaalde woorden en zinswendingen, worden onder aan de bladzijde in twee kolommen afgedrukt.
Indien uitvoeriger verklaringen nodig zijn, worden deze afgedrukt achter de gehele tekst. Naar deze Aantekeningen wordt verwezen door middel van een sterretje in het voetnotenapparaat.