terug  begin  verderprepost
[p. 66]

Klinck-dicht

 
Konst-lievend' Geesten, die steets lust hebt in het Lesen1
 
Van eenich trefflijck dicht, waar door t'gemoet verblijdt,
 
Dit Boecxken neemt ter handt tot kortingh van den tijt,
 
Die ghy spilt om 't gedacht van sorghen te genesen.4
5
Niet minder sult ghy sien Catonis stemmich wesen5
 
Dan 'tboertich aansicht van de lachent Demokrijt,6
 
Venus sorgh'lijcke min, Saturnus wraack uyt spijt,7
 
Iupijns bestiering, en Marcuri tongh gepresen.8
 
Noch magre haat, noch qua-gewoont van outs pertijdich,9
10
En sullen soo ick schat niet konnen lastren nijdich
 
Dit werck, daar 'tmergh der konst voor Rijmers is te leeren.
 
Want siet Apollo selfs, speelt op zijn harpe vreuchdich,12
 
Vermits dat Brerood' doet, zyn Caliope deuchdich13
 
Nu over tijt en doot seer heerlijck triumpheren.
 
 
 
qui-na dieu, na rien.-

Tekst in cursief; opschrift en eigennamen in romein; zinspreuk romein, klein korps. - Dit sonnet ontbreekt in E F, in C staat het op de laatste bladzij.
1Geesten: rederijkers; hier eerder: poëzieminnaars.
4spilt om 't gedacht te genesen: aan uw werk onttrekt ten einde uw hersenen te bevrijden.
5Catonis stemmich wesen: het ernstige gezicht van Cato maior.
6Demokrijt: Democritus, de Griekse natuurfilosoof (ca. 460-ca. 370 v.Chr.), gold als de lachende wijsgeer.
7Saturnus wraack: de vijandige eigenschappen van de god en vooral van de planeet Saturnus karakteriseren vader Carponny.
8Marcuri tongh gepresen: de prijzenswaardige welsprekendheid van Mercurius (de god die de rederijkers als de hunne beschouwden).
9magre haat: de haat, verbonden met afgunst (nijdich uit de volgende versregel), werd voorgesteld als een magere vrouwengestalte*.
12selfs: zelf; zyn harpe vreuchdich: zijn vreugde, genot, schenkende lier.
13Caliope: de muze der (epische en lyrische) poëzie.
-Qui-na Dieu, na rien: zinspreuk van Carel Quina*.
prepostterug  begin  verder