terug  begin  verderprepost
[p. 69]

+Eerste handelinge, eerste deel--

Baron en zyn vrunt Adellaar.
 
Na dat ick 't in de schaal mijns kennis heb gewoegen,1
 
Vind ick hier voor de mensch, het opperste genoegen
 
Gelegen int gesicht: want huyden morgen heeft
 
Oochschijnlijck my vertoont de schoonste die daar leeft.4
5
O ongelooflijck ding! die swinck die gaf my tevens5
 
In een blick tijts meer vreuchts, als al de lust mijns levens.6
 
Onmogelijck is het my, uytdrucklijck met bescheyt7
 
Te schilderen het beeldt van haar uytnementheyt.
adellaar
 
Alwaar genegentheyt het oordeel is bevolen9
10
Siet men de oordelaar int vonnis dickwils dolen.
 
De Minne die is blint, en oordeelt onvertsaacht
 
'Tgoet voor quaat, 't lelijck schoon, na dattet haar behaacht.
baron
 
Neen't is geen onverstant dat my verkeert doet roemen.
 
Sy is gelijck de roos onder de schoone bloemen,
15
S'is als een Diamant uytmuntend en verweent,15
 
Die door haar deucht verwint al't edele gesteent.16
 
Recht soo als dese twee al d'andre gaan te boven,
[p. 70]
 
Soo moet men dese Maacht boven de Maachden loven.
 
Het Eylandt Kossen roem, en Prins der Schilders eel19
20
Apelles diergelijck noyt maalden met pinceel.20
 
Haar hayr, soo ick haar sach, lach saartelijck gevlochten,21
 
Wiens blickeren en glans de goude Son verpochten22
 
Door kracht van't levend gout, en weerschijn gaf het gloor23
 
Op't hooge voorhooft, blanck als mellick wit yvoor.
25
Ick gis dat van zyn Moer de schutterlijcke jongen25
 
Dit gout-draat tot een net der Minnaars heeft bedongen.26
 
Den uchtent root-gekaackt, die ons den dach aen brengt,
 
Is met soo helder blos, als sy is, niet besprengt.28
 
Roosen en Lelien, en een bevallich wesen,29
30
En al het menschlijck soet, dat kan men in haar lesen.30
 
O schoonheyt ongemeen! onder wijnbrauwen net
 
Staat dat behoorlijck goet, die oogjes schoon geset:
 
Wat sech ick, oogen? neen, twee tintelende starren,
 
Waar de beschouwers haar onwetend' in verwarren.34
35
Mits daar de kleene Godt al steels-gewijs bespiet35
 
En vangt de gene die te nechtich haar besiet.36
 
Haar Neus is soo beknopt, geschickt en wel gemeten37
 
Dat niet daar op de Nijdt te schrollen soude weten.38
 
Haar lipjes van Koraal die geven soetjes uyt
[p. 71]
40
Een lieffelijcker lucht dan't voor-jarige kruyt.40
 
En wanneer syse stelt om lieflijck te ontfoncken
 
Betoovert sy het breyn, en maackt de ooren droncken
 
+Door duysent treeckjes vol van schrandre boertery43
 
En aarticheytjes loos, met een gelaat daar by,44
45
Dat niemant wie hy zy, hoe oudt of jong van iaren,45
 
Of hy snackt na een kus, of wenscht met haar te paren.
 
De kin, de keel, de krop, ia beyde borstjes mee47
 
Die zyn soo wit, dat sy beschamen selfs de snee.48
 
Van't ander swijch ick, als van onbekende dinghen.
50
Daarom sal ick u lof, tot drie en viermaal singen,
 
O Minne! die mijn sin gheleyt hebt op een Maacht51
 
De schoonste van Lyon, of die de aarde draacht.
 
Dies ick door mijn geluck my meerder mach verfroyen,53
 
Dan om de Griecksche vrouw de Konings soon van Troyen.54
55
Want siet myn Nimphelyn is suyver, ongheschent,
 
Wiens maachdom dat ick hoop te plucken op het endt
 
Door trouw of andersins.
adellaar
 
Ghy roept alre gewonnen,57
 
En hebt noch slach noch stoot, noch niet met al begonnen.58
 
En ymmers weet ghy wel, wie eenich Stadt of plaats
60
Innemen wil met kracht van ruyters of soudaats,60
 
Dat diese moet voor eerst opeysschen oft ontseggen61
 
Ten viere of ten swaard, eer mense gaat beleggen:
[p. 72]
 
Maar weygert men verdrach van vruntschap of van vree,
 
Dan wert benadert en becingelt stracx de Stee64
65
Met loopgracht en met schans, met weeren en bolwercken:65
 
Dan kat men kat op kat. Sta vast dan Toorens kercken,66
 
Het grof geschut dat komt. dan treet men in de strijdt
 
En hitte des gevechts, om eens te zyn verblijdt
 
Met seeges lauren kroon, met ware rust, en reden69
70
Der ouweling lijfs gevaar, en sware moeyelickheden.70
 
Dit is de naaste wech die ghy moet wandlen in,
 
In 'tstuck van u Belech en soete vyandin.
baron
 
Haar schoonheyt heeft myn ziel alrede so gedwongen,
 
Dat ick de Min de plaats te laten ben gedrongen:74
75
Daar heerschapt hy na lust soo treffelijck in mijn,75
 
Dat soo'k den strijdt God was, sy souw myn Venus zijn.76
adellaar
 
Doet wech dat misverstant, weecht over in u sinnen77
 
Met wien ghy hebt te doen: 'tis d'al te stercke Minne,
 
De meester van de Goon, de dwinger van de mensch,
80
Die onse sinlijckheyt bestuurt na wil en wensch.80
 
De min is sichteloos, kindts, veynsend', logenachtich,81
 
Wetteloos, trouweloos, onsuyver, onwaerachtich.82
 
Sijn pijltjes zyn gedoopt in gift, in bloet, of smeer,83
 
Het wondt al wie het raackt, wie't raackt die heeltet weer.
[p. 73]
baron
85
De alderbeste lien, voornamentlijck de Grooten,
 
De koude suffers meest verwerpen en verstooten,86
 
Als ongeestich en boers, sy dencken in haar sin,87
 
Dat sy zyn onbequaam tot sake vande Min.
 
+Sy oordeelen, dunckt my, om reden, seer rechtvaardich,
90
Want hy is Godlijck, meer als menschen eere waardich.90
 
Vermits den Chaos eerst hem in de weerelt bracht,91
 
Geboren met ontsach van heerlijckheyt en macht,
 
Gelijck een overheer en vader van de Goden.
 
Syn grootheyt sonder maat, syn eeuwige geboden
95
Werden gehanthaaft steets van al de Burgery
 
Des gulden hemelryckx, van welcken tijt, dat hy96
 
Van eeuw tot over eeuw en eeuwicheyts verouden97
 
Tot heden op den dach de voochtschap sal behouden.
 
Het sterffelijck geslacht der aarden, dat ontsiet99
100
Syn heylicheyt, syn kracht, syn mogende gebiet.100
 
Want als een aardtsche Godt wert hy hier aangebeden,
 
Tot een erkentenis van syn grootdadicheden.
 
Ick tart de gene die haar moeder op de test103
 
Branden en blakeren, sy doen vry al haar best,104
105
Met al de lange sleep van de neuswyse kloeckers:105
 
Van woorden-sifters, en van scherpe ondersoeckers
 
Des vruchtbaren Natuurs, dat sy met reden, my107
 
Eens seggen, wat de Min in eygen wesen sy.
[p. 74]
adellaar
 
Ick ben verheucht en blijdt om dat wy syn getreden
110
In een so nutten als vermakelijcke reden:110
 
Ist dat u heusheyt my soo veel gehoors verlient,111
 
Ghy wert na krancke kracht van my hier op gedient.112
 
Dat uyt den Chaos eerst de Liefde is ghekomen,113
 
'Tis waar, maar vaack wert de Min voor de Liefd' ghenomen;114
115
En dat wert by't verstant voor een faal-greep ghedoemt.115
 
De Liefde die is Godt, of Godlijck, na men 't noemt,
 
En hoort veel hoogher 'thuys als in die beuselinghen.
 
De Liefde is de strick en d'eendracht van de dinghen,118
 
'Tsy Hemelsch, oft t'sy Aardtsch. Maar de Liefd' die ghy raamt,119
120
Die wert van yeder een Cupido meest ghenaamt,
 
Dat is gheseyt soo veel als dierelijcke lusten,
 
Of redeloose wil, veroorsaackt met onrusten
 
In 's Menschen teder hart, door't peynsen dach en nacht,
 
Op het geminde ding, datmen ter weerelt acht.
125
De Min berooft de mensch van vreuchden en vryheyden,
 
Hy swackt de kracht des lyfs en doet de geest verscheyden,126
 
Hy is der ouden doot, en vyandt van de ieucht,
 
Hy ist die't goede hart afleydt van't perck der deucht128
 
In eenen moortkuyl woest van sonden ongenadich,
130
Hy is en blijft in ongestadicheyt gestadich.130
 
Hy wert geschildert vaack kints, moedernaackt en blint,131
 
Om dat hy niet en weet wat dat hy wil of mint.
 
Maar andren om hem meer en beter te vertoonen,
 
Die doen hem schijnen een seer lieve, overschoone,
[p. 75]
135
+En kuysche jonge Nimph, van't hooftscheel af, tot daar135
 
De buyck syn eynde neemt: het ander deel daar naar,
 
Als achterlijf en start, is van een draack fenijnich.137
 
Dit Dier, of ongediert, lieflockend' en schoonschijnich,
 
De menschen bloemtjes en de soete honich biet,
140
Maar wie dit bittre soet eens proeft of inne giet,
 
Die voelt zijn ingewant verscheuren en verschenden,141
 
En hy besluyt zijn tijdt met een ellendich ende.142
 
Wie dat de Min zyn hart op hoop van loon verhuurt,143
 
Tis selden dat hy niet zyn suycker stracx besuurt,144
145
Syn vreucht met droeve druck, syn winst met schand' en schade,145
 
Syn weelde niet verdriet, syn jonst met ongenade.
 
Wel dunckt u noch de Min als ghy u inne beelt?147
 
Wie meest de Min inruymt, zijn selven meest ontsteelt,148
 
En ruylt zijn menschlijckheyt en edeldom grootgeestich149
150
Aan boersheyt onbeschoft en woesticheden beestich.150
 
Homerus heeft daarom versiert en toebereyt151
 
De lichte Circe Vrouw van d'ongebondenheyt,152
 
In dartelheden gayl en wellust opgetrocken:153
 
Wie sich met haar vergreep veranderde in Bocken,154
155
In Beeren, Swijnen, en dus ander dom gediert.155
 
Hier door ist sproockje eerst van Iö oock versiert,
 
Die in een witte Koe al stommeling bequeelde157
 
Het ongeoorloft werck dat sy met Iupijn speelde.
 
Maar doch dit fabel-boeck, dat ons dien Heyden gaf,159
[p. 76]
160
Dat soeckt den Mensch door leer, van't quaat te leyden af.160
 
Alexander, de grootste die d'Aard' heeft gedragen,
 
Als hy het Persisch heyr en Darius had geslagen,
 
En wilde t Vrouw volck niet, hoewel gevangen, sien,
 
Maar groetse want siet, hy docht misschien,164
165
Soo ick haar schoonheyt wil wat deeger gaan beschouwen,165
 
Villicht werdt ick een slaaf van mijn gewonnen Vrouwen.166
 
Daarom seyt eener wel: het sien en is niet goet,167
 
'tAnspreken dat is quaat, noch slimmer die wat doet.168
 
Amjanus Bisschop heeft zyn oogen uytgesteken,169
170
Om dat hy al te nauw de Vrouwen had bekeken.170
 
Een Roomsche Leo Paus hield af zijn eene handt,171
 
Om dat hy had daar me de Vrouwlien aengerant.172
 
In't kort de Minne doet verwelcken en verslenschen
 
De jonckheyt en de jeucht en wackerheyt der menschen.
baron
175
Ghy neemt der Minnen gront, dunckt my te qualijck in.175
 
Maar my wispelt de spreuck des Schrijvers in mijn sin,176
 
Die ick u heden wil verkonden en verklaren:
 
Die seyt, de liefde komt als twee op d'ander staaren,178
 
En dat het swinckje recht elckander wel gemoet,179
180
En springt van oog in oog, en sackt in beyder bloet,
 
+Tot binnen in de maach, en prickelt voort het harte
 
Vol nuwe wonden en vol angename smarte.
 
O soete bitterheyt! o heugelijcke pijn,
 
Ghy kunt door ander raadt (ach!) niet genesen zijn,184
185
Dan door't genaken van twee liefjes gelijcksinnich
[p. 77]
 
Die d'ander lieven soet recht vriend'lijck en aanminnich.
 
Al spraackt ghy scharsend laast dat spreeckwoort overluyt,187
 
De Liefd' gaat boven in, seyt ghy, en onder uyt.
adellaar
 
Ick heb mijn dagen noyt niet beters noch gelesen,
190
Als hem die daar beschrijft de liefde dus te wesen,190
 
Een ding, ick weet niet wat. het komt, ick weet niet hoe,
 
En 'tgaat, ick weet niet waar, waar door, of waar na toe.
baron
 
Ghy spot noch met de Min, soo ick u hoor vermanen,193
 
En over wijl en tijdt d'oude Athenianen194
195
Die vondense so goet, so heylich, ja so dat,195
 
Dat sy hem joegen uit de vryheyt van haar Stadt196
 
Die niet beminnen wou, de burgerlijcke Rechten
 
Die dwongen tot de Min, Mans Maachden ende Knechten.
adellaar
 
Ick sech niet dat de Liefd' is scheldens waart of quaat,
200
Maar dat haar wegen zijn vol nevels in der daat:
 
En dat de gene die haar waanden best te kennen,
 
Haar lieten aldereerst bedriegen ende schennen.202
 
Als Adam, David, Salomon, Absolon, Samson,203
 
Hercules, Achillis, ia Paris en Iason,204
205
En ontallijck veel meer van die vermaartste Helden
 
Der eeuwen afgeleeft: die al ter neder velden206
 
D'ondrachelijckste Beul, de Minne, die Tyran.207
[p. 78]
baron
 
Met oorlof Adelaar, waarom vervolcht ghy dan208
 
Met sulcken naarsticheyt de jente valleriecke,209
210
Om wien ick u so dick sach blosen en verbliecken?210
 
Wanneer sy onversiens u ergens quam te moet,211
 
Sach ick een groote storm en onweer in u bloet.
 
Hoe dick sack ick u staan gelijck als uytgetogen,213
 
Ontreddert en ontmant van menselijck vermogen,214
215
Als ghy de schoone saacht, de vrouwe van u siel,
 
Daar hart en harsens bey soo heftich op an viel,
 
Dat ghy noch lijf noch le-en noch spieren niet en roerde,
 
En niet dan het gedacht zijn ambacht uyt en voerde,218
 
En staarden al gelijck als levendloos, tot dat219
220
De sinnen uytgedacht van't wondren waren sat.220
adellaar
 
Tot mijn leetwesen, laas! soo maackt ghy u vertooning,221
 
En bruyckt tot voorbeelt my, want ick heb geen verschooning,
 
Vermits ick al te diep hier in getreden ben,
 
Soo dat ick nu te ruch niet weder komen ken.
baron
225
Wel mach men dan de Min niet bruycken na u seggen?225
adellaar
 
Men mach, maar men moet sien waar datmen die gaat leggen.226
 
+Beneffens dien acht ick het raadsaamste te zijn,227
 
Dat men-se besicht als de vreuchtmakende wijn,
 
Die soberlijck genut versterckt des Lichaams krachten,
[p. 79]
230
En weckt de doffe geest tot schrandere gedachten,
 
Vol snelheyt des vernufts: maar wies' in tegendeel231
 
Heel gulsich innegulpt, en swellicht door de keel,
 
Die smoort sijn sin en wet, en d' alder-eelste geesten233
 
Veraarden onbesuyst in onreedlijcke beesten.234
235
Waar van ons namentlijck dees twee voorschriften zijn,235
 
Actaeon door de min, Alxander door de Wijn.236
 
Daarom so moetmen sich na wijsheyts maat beheeren,237
 
En doen voorsichtich als die't swemmen willen leeren,
 
Die nimmer verder in het water sullen gaan,
240
Als daar sy inde noot wel seecker kunnen staan,240
 
Of daar sy gants vermoeyt van't woelen mogen rusten,
 
En tre'en te landewaarts, na 'tboeten van haar lusten.242
baron
 
Wy zijnt dan nu gants eens, Heer Adelaar mijn Vrundt,
 
Ick ben op 'thoochst verlieft, en wil het minste punt
245
Voor u verswijgen niet. want ick vont niemant trouwer:
 
De Raadts-heer Karponi, de groote Wissel-houwer,246
 
Dat is de Vader van de welgheboren Maacht
 
Lucelle, die mijn hart verholen liefde draacht.
 
Doch k'minse suyverlijck die Parel aller Vrouwen,
250
En hoopse tot mijn Bruyt oock wettelijck te trouwen.
 
Ofschoon de Vader haar rijcklijck uytgeven sal,251
 
Wat is zijn macht by't mijn? Och lacy niemendal.252
[p. 80]
 
Mijn waardicheyt, mijn goet, mijn edelheyt van bloede
 
Doen ongetwyffelt my gelooven en vermoede,
255
Dat ick so kleynen saack, of hoe groot sy oock sy,255
 
Versoecken sal aan kem, of hy en sal het my,
 
Om mijn grootachtbaarheyt toestemmen en vergunnen.
adellaar
 
Sy souw geen meerder eer waarlijck ontfangen kunnen.
 
Daarom soud' ick u raan
260
Eens mondeling te gaan
 
Den Vader selfs te spreken.
 
Soo hoefdy niet te smeecken,
 
Te vleyen. 'tis te kints263
 
Te breken so veel wints264
265
Om't Meysje te behagen.
 
Ick salt de Ouders vragen,
 
Soo haast als ick het mien267
 
Een endt daar af te sien.268
 
Want als die willen lijen269
270
Dan ist geen kunst te vrijen.270
 
Al waar de dochter schier271
 
Het aldertrotste dier,272
 
+Haar strafheyt is te breken
 
Met lang en lieff'lijck preken.
275
Maar buyten vrienden raat,275
 
Hoe schoontjes dat men praat,
 
Hoe wel datmen can veynsen
 
En decken zijn gepeynsen,278
 
Hoe seer de ionge Lien
[p. 81]
280
Malkander mogen sien:280
 
Of beyder sinnen vallen,281
 
Het is al niemendallen.
 
Al hebmen 'twoortje Ja,
 
Het blijft al even na:284
285
Dat weten sy die't proeven285
 
Met hartelijck bedroeven.
 
Maar trecktmen opter loop287
 
So raacktmen wel goet koop,288
 
Ten aldereersten swanger,289
290
Dat maackt dan noen veel banger.
 
Elck kijckt den ander an,291
 
Sy hebben niet waar van292
 
Om eerelijck te leven,293
 
Die 'theeft en wilt niet geven.294
295
Is yemant so voldoent295
 
Dat hy het huw'lijck soent,296
 
So wert het hem verweten,
 
En op sijn broot gesmeten.298
 
Maar trefmen dan een man
300
Die of, noch an en kan,300
 
Al doetmen hem versoeken
 
By Grooten, en by kloeken:302
 
Zijn Deensche kop Eenrins303
 
Verstaatter toe geensins,304
[p. 82]
305
Dan looptmen af syn schoenen,
 
Slechts om een buyck vol soenen:
 
Ick heb oock in dat gilt
 
Veel tyts onnut verspilt
 
Met loopen en met iachten
310
By dagen en by nachten,
 
In hagel, en in snee,
 
In wint, en winter mee,
 
Maar dit heb ick onthouwen,
 
Datmen niet mach vertrouwen
315
De aldergrootste vrient,
 
Die schoonst voor oogen dient,
 
Diens snootheyt is te vresen:317
 
Want met een vruntlijck wesen318
 
+En met de schoonste schijn
320
Zy vaak vyanden zijn:
 
Maar God moetse so schennen,321
 
Dat men-se mach bekennen322
 
Die vrient zijn in't gelaat,323
 
En vyant inder daat.
325
Mijn Lief swoer my in't leven325
 
Te laten noch begeven.326
 
Daar op is noch geschiet.327
 
Maar hola! hooger niet.328
 
Dan seker 'twaar te byster.329
330
De lichtheyt van een Vryster330
 
Is 'tlichtste datmen vint.
 
Ja lichter als de wint
 
Bevind ick nu de woorden
[p. 83]
 
Dien ick hier voormaals hoorden.334
335
Maar nu het heeftet al,335
 
Het is soo't blijven sal.
 
Ick loop myn spoor te buyten.
 
Maar endelijck in't sluyten,338
 
Gaat by de Vader selfs, en vraacht bescheyt met reen.339
baron
340
Die raat die is seer goet, kom gaan wy t'samen heen.
De vader en Lecker-Beetie
 
'tIs acht maal seven Jaar in Sprockel darden dagh341
 
Dat ick eerst 'tgroote licht des lichten fackels sagh.
 
Van dien dach tot op nu, dat 's tegenwoordich heden,
 
Ben ick van ongeluck noch eenig ramp bestreden.
345
Maar het beleeft geluck heeft al zijn loop bereyt345
 
Gants na mijn wensch en wil, om mijn Godvruchticheyt.
 
En 'theeft aan alle ding volkomelijck gescheenen347
 
Dat sy niemant meer gunst dan my en wil verleenen.348
 
Al kruysten ick de Zee, al drieschten ick de wint,349
350
Al puften ick de storm, al liep ick dol en blint350
 
Door lagen roovers heen met koopmanschap geladen,351
 
Ick quammer altoos door behouwen sonder schaden.
 
Ick heb so varr gereyst dat icker of verschurck,353
 
Van d'een tot d'ander Pool: gehandelt met den Turck,
355
En met den Persiaan, met diefsche Arabesen,
 
Met Mooren geel en swart, met schrandere Chinesen,
[p. 84]
 
Aan Sarmaters en Schyt myn waren wel verkocht,357
 
En goede wisseling altijts van daar gebrocht.358
 
Mijn Schepen diep gelaan van boven tot de bomen359
360
Zijn reys op reys gewenscht ter haven ingekomen.360
 
+Mijn schulden stracx ge-int. noyt leet ick banckeroet361
 
Aan Wissel buyten 'slants, noch achterstal aan goet.362
 
Noch selfs den heeten loop der woeste Fransche muyters,363
 
Dat wilt versamelt volck van Knechten en van Ruyters,
365
Die't oude Vrancken-rijck afwurpen tot in't zandt,365
 
Die Steden roofden uyt en staken in den brant.
 
Die Heeren huysen groot en Dorpen streng afliepen,367
 
Die de Mannen schatten, en Vrouw en kint besliepen,368
 
Die hebben van mijn haaf my niets onbruyck gemaackt.369
370
Ick ben geluckich door soo veel gevaars geraackt.
 
Ick ben schatrijck van gelt, en groot van vrienden machtich,
 
In Stadt treflijck behuyst, op't lant noch wel soo prachtich.
 
Ick heb een eenich Kint, die al de weerelt seyt
 
Te wesen een Thresoor van ware suyverheyt.374
375
Sy is alleen de stock van mijn verloopen dagen,375
 
s'Is al mijn raat en rust: meer souw sy mijn behagen,376
 
En waar sy niet soo stuurs, noch afwysich van sin377
 
Aan een'ge Edellyen, die ick van harten min,
 
En die om mynent wil haar eerlijck komen vryen.379
380
Maar sy schijnt niet verkuyst met hoofsche klappernyen.380
[p. 85]
 
Noyt sach ick haar in't minst yet vry of vrolijck zijn.381
 
Sy heeft anders geen wil als in de wil van mijn.
 
Sy oeffent de Musyck, maar boven alle leering383
 
Acht sy de Rymery de Goddelijckste neering,384
385
De Rederijcke kunst sy alsoo deftich pleecht,385
 
Dat sy de grooten schrickt en innerlijck beweecht.386
 
Een ding leyt op mijn leen dat my noch yets sal rucken387
 
Van dese zegening in sware ongelucken:
 
Want in de Poësy heb ick gelesen, dit,
390
Dat Iupyn in't gewelf des hoogen Hemels sit
 
Tusschen twee vaten in, d'een is vol heyls en goede,391
 
En d'ander is vervult met ramp en arremoede,
 
Uyt wien dat hy gelijck besproeyt dach ende nacht393
 
d'Inwoonders van der Aardt, dat sterffelijck geslacht.
395
'tIs daarom dat Philips vader van Alexander
 
Hem noyt verheugden in de neerlaach van een ander,
 
Of hy en badt de Goon, sy wilden doch dat soet397
 
Vermenglen met yet suurs, op dat geen hoogemoet
 
Zijn edelharticheyt verwaandelijck sou schenden.
400
De Vorst van Samos die geen ongeluck en kenden,400
 
Die noyt ter weerelt sach dat hem misluckten yet,
 
Noch geenich ding dat hem brocht treuren en verdriet,
 
Maar wat is hem geschiet in zijn geluckich leven?
 
Hy werdt schandtlijck gehenckt tot schande van zijn Neven:404
405
Zijn rijck wert hem ontruckt, zijn goederen, en al.
 
Hoe hooger in't geluck, hoe nader an de val.
 
+Niemant en is soo wijs die hier weet van te veuren,
 
Wat ongeval dat hem noch namaals sal gebeuren.408
[p. 86]
 
Op d'alderhoochste berg stuyt meest de wint op aan,
410
De alderrijckste man mach hier niet seker staan.410
 
Daarom leef ick altoos in hondert duysent vresen.
lecker-beetje
 
En niemant wil nochtans, rijck zijnde, arrem wesen.
 
Ick houdt met de rijckeluy, de beste van de Stadt,
 
Al syn't maar plompe bloets en platters in haar gat.414
415
Of sy van dit of dat, of nieuwers of en weten,415
 
Wat baat de wetenschap? ja gaatter wat van eten.
 
Als had een man Salomons wijsheyt, of Samsons kracht,
 
Het hy geen geldt of goet, wat is hy toch geacht?
 
Ick segh noch, ick prijs de Klay daarmen de Botter om koopt.419
420
Wat schaatet een man dat hy wat met de lymstang loopt?420
 
En offer schoon een huys vol malle ky-eren of komen,421
 
Se worden allegaar noch wel ten houwlijck genomen.
 
Want binje geck, binje vreck, binje geel, binje scheel,
 
Binje dol, binje vol, binje slof, binje grof, binje schrael, binje kael,424
425
Binje dof, binje doof, binje blint, binje nes, binje bles,425
 
Binje boos, binje loos, binje voos, binje out, binje kout,426
 
Binje hoer, binje dief,
 
Heb je Geldt, ick hebje Lief.
 
Had ick maar wat van dat goet, daar men de handen me salven,429
430
Ick souw soo wel een wijf krijgen als deuse ionge kalven.
 
Neen miester, 't gelt is de leus: 't gelt is de bruyt daarmen om dangst.
 
Gants suycker elekaarten, had ick gelt, ick was een langst.432
 
Het Geldt dat stom is
 
Maackt recht dat krom is:
435
En gelt, gewelt, en gunst
[p. 87]
 
Breeckt recht, zegel, en kunst.
 
O baas, dat gelt dat weet wat, die daar heeft datter klinckt,437
 
Die is over al wellekom, en krijght datter springt.438
 
Daar is nu geen meer schand, noch oock geen grooter sonden,439
440
Als datmen geldeloos en arrem wert bevonden.
 
Al leeft nu noch so wel een eerlijck arrem man,441
 
Zyn rijcker sal hem nauw eens willen spreken an.442
 
De vrome kaalis mach wil hy alleenich loopen:443
 
Maer de rijckeluy hebben vrienden met hoopen.
445
En die den armen over mach445
 
Biedtse selden goeden dach.
 
O dat gelt, dat noble gelt, dat maackt een man ontsien,
 
En doet hem met een graviteytse toorneteyt gebien:448
 
Want elck groet bloots-hooft een machtige Ryckert,
450
En selfs staat zijn hoet vast op zyn kopp 'espijckert.450
 
Hy laatet soo met een verwaande grandissimo deur staan:451
 
Maar koomter dan een schytbien of sulcken leur gaan,452
 
+So nycht hy met de hoet en knye schier aan de aardt453
 
Voor die op tsestiende deel so veel niet en is waardt.
455
O Heerschip dat ick maar een weeck liep met iou brieven,455
 
Terstont souwen my wel dapper achten een deel groote dieven.456
 
Of had ick maer iou specioen, ick sou datelijck strack457
 
Gaan hylicken metter vaart aan een moeye jonge sack.458
vader
 
Wel wat souw g'er me doen?
[p. 88]
lecker-beetje
 
Dat wil ickje wel seggen,
460
Maar ick wouse soenen, en moytjes weer wech leggen.460
vader
 
En dan daar na wat meer?
lecker-beetje
 
Wel dat komt seker kloeck,461
 
Wat meer? ick wodse sparen als begyne koeck,462
 
Ick souse fijntjes in een schoon pampiertje rollen,
 
En sluytense voort wech, so souse mijn niemant of pollen.464
465
Ick souse altemet by hoy en by gras, gy weet wel hoe,465
 
Goeden dach hofstee, was ick byje, ick sprackje toe.466
 
Ick souwer ten minsten niet op een heele Vaam genaken,467
 
So souw ick immers niet diep in de kyeren raken.468
 
Daar ben ick voor vervaart, want 'tis maar slaverny,
470
Die stroy-stronckjes met een feyl na te loopen, als ons Buurwijf Fy470
 
Die altoos arme sloof sit rontom inde ayeren,471
 
En waarse gaat of staat, komt met dat krijtend goet an bayeren.472
 
Maer of ick schoon so mal noch worden alsen mens,473
 
Ick hadder haast genoech an een rijckeluyer wens.474
vader
475
Ja Lecker dat waar goet, kon gy dat so bespreken.475
[p. 89]
lecker-beetje
 
Wel ken men niet? so wil ick daar een speltje by steken.476
 
Wel sommige luy doent nochtans so, is mijn geseyt,
 
Hoe komt dat? of hebben sy heur ayeren eerst uytteleyt?478
 
Gy hebter ientje, en Dignum Fockels hetter twietjes,
480
En jou moers bestemoers moers susterlinx recht susterlinckx,
 
Afters kynts kynts Meutje Marties, petemoeys, nichts dochters
 
Dochter, Anne Koomen rijns hetter dryetjes.480-482
 
Heb gy tsamen so oppeset? of ist geslachts schult?483
vader
 
Een ygelijckx getal wert van den Heer vervult.
485
Kindren zijn gaven Gods, hoewel veel rijcke wijven
 
Om kinder vruchtbaarheyt de arremen bekijven:486
 
Gelijck of de natuur haar dese vruchten gaf
 
Tot een vervloecking, of tot haarder sonden straf.
 
Tkomt door Godts schicking, niet door het beleydt van menschen:
490
Tgeluck geeft wat het wil, en niet na dat wy wenschen.490
 
Ick heb al wat ick denck, ick sie al wat men lust,491
 
Ick krijch al wat ick droom, dus is mijn hart gerust.
lecker-beetje
 
Ja dat geloof ick wel, 'k souw oock wel zijn te vreden,
 
Had ick dat gy hebt. Lest had ick fortuyn gebeden,494
495
Dat sy mijn doch ien reys wat gunstich wou gebien,495
 
En mijn bequaamheyt met een smerich officy versien496
[p. 90]
 
Hier yeuwers in een vette gladde kostelijcke koken,497
 
Want ick verstaamen geweldich op't koken en smoken,498
 
+Doch ick vaar nimmer beter dan als ick wat eet,
500
Dan denck ick om geen lijen, om geen lief, noch om geen leet.
 
Soo haast en hoor ick niet de Ketels en potten preutelen,501
 
Of mijn darmen beginnen van honger te rasen en te reutelen.
vader
 
Schaamt u ghy meuge-veel, mijn dunckt dat het geluck503
 
Voor u maar doet te veel int tegenwoordich stuck.
505
Foy 'tis een gulsich ding soo gulsich staach te soppen,505
 
En tot den naars den darm soo beestich vol te proppen.506
 
Men overlaadt de maagh, men vult daar me de pens,507
 
Men wert op 'tlest in als een vercken van een mens.508
 
Men set een rifjen uyt, men gaapt en blaast onlustich,509
510
Men kan noch gaan noch staan, men droomt en slaapt onrustich.
 
De sinnen syn bedampt, het hart swemt in het smeer,511
 
De ooren groeyen toe, men weet van God noch leer.512
 
Ofschoon daar veel door 'tswaardt een vroege doot verwerven,
 
Men siet door overdaat noch meerder menschen sterven.
515
Ick leef op mijn dieet.515
lecker-beetje
 
Ghy versint u mijn borst.
 
Die daar drinckt sonder dorst,
 
Die daar mint sonder lust,
 
En sonder liefden kust,
 
En die daer eet sonder honger,
520
Die sterft wel seven jaar te jonger.
 
En dat ick snacken kon op zijn Hoogduyts, ick sou bewijsen,521
[p. 91]
 
Dat de Kooken-kunst boven alle Konsten is te prijsen.
 
Want wat doet datmen sich in 's Princen dienst begeeft?523
 
Maar datmer een groote tafel houdt, en lecker leeft.