terug  begin  verderprepost
[p. 109]

Tweede bedrijf

De Vader en Lucelle
 
Waar sydy lieve kint, mijn dochter-lief, komt nader,
980
Komt hier mijn halve ziel, komt by u eygen vader:
 
Op dat ick met u spreeck van een saak, die ick weet
 
Dat u verheughen sal, en my sal wesen leet.
lucelle
 
Wel hoe, mijn Heer? wel hoe? de schakels van u pijnen
 
En zyn die dan niet vast gekloncken an de mijnen?984
985
Wat ist dan, dat u smart, en dat my niet en deert?
 
Seght op, soo't u gelieft, wat ist dat ghy begeert?
 
Ick snaker na, mijn Heer.987
vader
 
Wel luystert op mijn seggen:
 
Mons Henry de Baron die quam my vooren leggen
 
Met statelijcke reen, of ick niet was gesint989
990
Te geven u aan hem? het welck ick, o mijn kint,
 
+Heb an, noch of geseyt: doch dat ick u behagen991
 
En uwe wil en raat een antwoort soude vragen.
 
Ick denck, dies ben ick droef, dat ghy 'tsult slaan ter handt,993
 
Want hy van Adel is de treffelijcxst van 'tLandt.994
lucelle
995
Tgebieden staat aan u, en my sal't gehoorsamen
 
Van uwen wil en raat gevoegelijcxst betamen.
[p. 110]
 
Maer mijn Heer vader-lief, ick ware meer verblijdt,
 
Indien ick by u mocht noch blyven voor een tijdt:
 
Op dat ick mocht mijn dienst en vlyticheyt besteden
1000
In't gereckelijck onthaal van u verstramde leden.1000
 
Want hoe ghy meer den loop uws levens hier vervult,
 
Hoe ghy my meer van nood gewislijck hebben stilt.
vader
 
Soudy dan waarde kint, wanneer ghy quaamt te trouwen,
 
U voldoende gewoont niet willen onderhouwen?1004
lucelle
1005
Mijn Heere, ick geloof, dat ick in sulcken schijn1005
 
Niet beter moog'lijck souw dan al de vrouwen sijn.
 
Die als sy zyn gehout, door liefde tot haar mannen
 
En kleene kindertjes, het medelijden bannen
 
Uyt haar gemoet en hart, en laten d'oude lien
1010
In haar ellendicheyt, daar sy niet eens na sien.1010
 
Maar dat sy var van my. Ick sal, ist u behagen,
 
U dienen nacht en dach, en bet als oyt mijn dagen.1012
 
'Tis my van harten leet, dat ick niet dencken ken1013
 
Meerder eerbiedicheyt, als ick u schuldich ben.1014
1015
Dus bidd'ick vriendelijck met oogen neergeslagen,
 
Dat ghy den Heer Baron wilt desen antwoort dragen.
vader
 
Warelijck in dit stuck soo speur ick, o mijn kint,1017
 
De goe genegentheyt, daer ghy my met bemint.
 
Dies 'tvaderlijcke hart dat brandt my lancx hoe heeter,1019
1020
En 'tdistilleert myn liefd van beter in noch beter.
[p. 111]
 
Ick sal hem uwe wil beleefd'lijck doen verstaan,
 
En dancken hem met een van d'eer aan ons gedaan.

Tweede uytkomen-

lucellemet haer Spelinne Margriet-
 
Margrietgen singt my eens mijn droevich treurich liedt
 
Tgeen dat ick heb gemaackt gelijck ghy selfs wel siet,1024
1025
Ick sing mijn droefheyt, ick verbly mijn in mijn klachten
 
Om te versoeten het verdrieten van mijn wachten:
+Op de Wijse: O schoonste Persoonage, &c.
 
Lof Moeder vande Minne,1027
 
Met u geswind en schutterlijcke iongen,1028
 
Die mijn verneerde zinne1029
1030
Wel eer, met eer en achtbaarheyt ontfonge.
 
Ghy die 'tgemoet
 
Soo vrolijck voet,
 
En zalicht steets met vreuchden.
 
Kompt daalt hier bymen,1034
1035
En leert my konstich rymen
 
Myn liefs deuchden.
 
 
 
2. O schoonheyt net besneden1037
 
Van leest, van schick, van swier, van stal, van standen,1038
[p. 112]
 
Van uytgelesen leden,
1040
Van hooft, van hals, van heupen en van handen,
 
Niet rang noch vet,1041
 
Maar wel gheset,1042
 
Bevallich, en behendich.
 
Doch grooter gaven
1045
Syn in u ziel gegraven,1045
 
Noch inwendich.
 
 
 
3. Och wat volmaackte reden1047
 
De wyse mont met val en vlot ontslippen,1048
 
Die met verstandelheden,1049
1050
Eerst zijn gekleynst door 't breyn en lieve lippen.1050
 
In sonderheyt,
 
Met onderscheyt1052
 
En kennisse der dinghen,
 
Door dit opmercken,
1055
Geen woorden, noch geen wercken
 
Hem ontspringhen.1056
 
 
 
+4. Sijn hooghe geest doorluchtich1057
 
Weet met de Pen te schildren en te schrijven:
 
Soo aardich en soo kluchtich,1059
1060
Dat ons gemoet en sinne 'tsamen kijven,1060
 
Of'tware sijn,1061
 
Of stoffeloos schijn
 
Voor onse geesten sweefde.
 
Hy maalt het vrijen,1064
[p. 113]
1065
Het rechten en het strijen,
 
Of het leefde.
 
 
 
5. Ick prijs Lief u manieren.
 
Ick roem in rijm van u hoochdragend wesen,1068
 
Al wat ghy keunt versieren,1069
1070
En wat ghy looft, het wert van mijn gepresen.1070
 
Ick lees en schrijf,
 
Om tijt verdrijf
 
Lust my te Reden-rijcken,1073
 
Ick soeck in vele,1074
1075
Maar hope dy ten deele
 
Te gelijcken.
 
 
 
6. Ghy die my plach te leeren
 
Het Goudt-Gemijnt, uyt 'tlichaam vander aarden,1078
 
Los-hartich te ontbeeren,1079
1080
En 'tsienlijck goet te achten na zijn waarden.
 
Maar boven al
 
In't aartsche dal
 
Het Hemelsche te wenschen:
 
Want sulck verkiesen,
1085
En baart geen swaar verliesen,
 
Voor de menschen.
 
 
 
+7. Wat baat my nu dit weten,
 
Mijn kloecke kunst, u leerelijcke Lessen1088
 
Als ghy mijn wilt vergeten,
1090
O Toveraar van Ioffers en Princessen!
[p. 114]
 
Die mijn bekolt,1091
 
Ia rolt en solt1092
 
Besweert en keunt belesen,
 
Moogdy myn haten,1094
1095
Of dus ellendich laten
 
In dit wesen?1096
margrieta
 
Beginnen niet, Gespeel, u aderen te rijsen?1097
 
Siet daer Ascagnes al gereet om u te wijsen
 
De grepen op de luyt? Wilje dat ik eens brem1099
1100
En wenck hem hier by ons?
lucelle
 
Och neen, och ia, roept hem.
margrieta
 
Ascagnes komt om hoog ter kamer van lucelle,
 
Haar luyt is wat ontsnaart, ghy moetse wat verstellen.1102
lucelle
 
Ascagnes sydy daar? Godt geef u goeden dach,
 
Met al wat men een vrient ter weerelt wenschen mach.
1105
Het schijnt ghy syt beswaart met sorgen, die ick achte
 
Dat van de liefste komt, die u misschien mach wachten.
 
Waer sydy doch altijt, dat m'u soo luttel siet?
ascagnes
 
Vergeeftet my Iofvrou, 'kben so geluckich niet
 
Dat yemant my bemint: oock heb ick niet verkooren.1109
1110
Want ick denck dat mijn lief noch niet en is gebooren.
[p. 115]
lucelle by haar selven.
 
Ach suldy jonge maacht soo stout wel sijn van sin,
 
Dat ghy soo onbedocht verklaren soudt u min1112
 
Een slecht man? een vreemdeling? een gants onbekende?1113
 
Ick moet. Ach! 't is gewelt, mijn raat is al ten ende.1114
Sy gaat by hem.
1115
Ist mooglijck Ascagne, dat ghy noch niet en vrijt,
 
Daar ghy nu in de bloem van uwe ionckheyt zyt?
 
Ghy die soo wel gheschickt en aardich weet te leven,1117
 
'Tis vreemt dat ghy u niet tot minnen kunt begeven1118
 
Eenige groote Vrouw, of Jouffer van de Stadt,1119
1120
Die hier niet weynig zyn, waar saachdy, segt mijn, dat
 
Hem eenigh Edelman soo koel oyt heeft gehouwen,1121
 
Dat hy, ghelijck als ghy, 'tgheselschap schouwt van Vrouwen?1122
 
Den Adel is voorwaar al heel van ander stof,
 
Sy sijnder liever by, ghy sijtter liever of.1124
1125
Wie weet hoe dick dat sy versierde namen dichten,1125
 
Als van gebuur, gevaar, speelnootjes, en na-nichten?1126
 
Onder welck decksel dat de Hovelingen bly1127
 
Gebruycken onbenijdt haar soete vrijery.1128
 
+Maar ghy treckt niet ter hant als een deel muffe boecken,1129
1130
En wilt iuyst op een prick der dingen gront opsoecken.
 
Laat voor de suffers grys het kibblen in schriftuur,
 
En vollicht ghy den loop van d'edele natuur.
[p. 116]
ascagnes
 
Mijn vrouw, soo'ck immer kreech gedachte soo hoovaardich1133
 
Dat het om minnen docht, ick achte my niet waardich
1135
Dat my van eenich vrouw yet goets souw mogen schien.1135
 
Maar dat het soo geviel dat ick het quam te sien1136
 
Dat sy mijn ionst toedroech, het souw veel-licht geschieden1137
 
Dat ick wierde soo stout myn dienst haar an te bieden,
 
Op hope of sy haar mocht komen eens te pas,1139
1140
In sulke saken daar sy wist des noodich was.1140
 
Doch 'tmeestendeel waarom ick't hebbe laten drijven,1141
 
Dat was uyt vreese dat verachtert soude blyven1142
 
Den handel van u Heer u Vader. Die den loop
 
Der minnen wil voldoen, haalt niet veel over hoop.1144
1145
Want veel die reuckeloos haar het selfd onderwonden,1145
 
Die hebben sich int lest qualijck geloont gevonden.
 
Daarom docht myn, Me-vrouw, 'tis beter stil gestaan,
 
Als arbeyt te vergeefs met kleynen danck gedaan.
lucelle
 
De vergelding bestaat in 's gevers onderscheyden,1149
1150
Die merckelijcke let op 'spersoons waardicheyden.1150
 
Mijn dunckt het souw voorwaar wel zijn een lompe vrouw,
 
Die u minlijcke ionst afslaan of weygren souw,
 
En soo veel myn belangt, ick kender heden eenen1153
 
Die om u liefde lang en bitter heeft gequenen.1154
[p. 117]
ascagnes
1155
Boert vry, soo't u belieft. want ick ben te gering,1155
 
Dat yemant minnen sou dees arme iongeling.
 
Genomen oft soo waar, soud'ick niet mogen weten,1157
 
Waar dat dees Jofvrou woont? of hoe sy is geheten?
lucelle
 
Ascagnes sydy dom? kendy de maget niet?
1160
Het is Lucelle selfs, de gene die ghy siet1160
 
Ick bent helas! ick bent, ick bent die u beminne.
 
Ick bent die't Nood-lot noyt gedoochden, dat mijn sinnen,
 
Noch dat mijn weecke breyn in't minsten was beroert
 
Met liefd of sinlijckheyt. maar ghy hebtse vervoert1164
1165
Door u geswinde geest: en dat in sulcker voegen,1165
 
Dat ick u selve moet, hoewel met ongenoegen,1166
 
Verklaren al myn min en lieffelycke pyn,1167
 
Die voor myn eygen hart geswegen hoort te syn.
ascagnes
 
Mevrouwe, ick en weet te dencken noch bemoeden,1169
1170
Of ghy dit segt tot proef, of dat ghy't doet ten goeden.1170
 
Maar immers houd ick my dobbelt geluckich, ach!1171
 
Indien ick maar u slaaf eeuwelijck wesen mach.
 
En denckt niet dat ick oyt belooning sal begeren,
 
Den Hemel sy mijn tuych, voor wien ick u besweren,1174
1175
+Dat ick my gants en al u eygen maack van nu,1175
 
Van nu tot in mijn doot, en voorts soo sweer ick u,
 
Ist dat het blint geluck mijn quade kans wil keeren,1177
[p. 118]
 
Of soo't my mid'len sendt om u na wensch te eeren,
 
Ghy sult u dienaar sien ootmoedich en bereyt
1180
Tot u dienst, na mijn macht, niet na u waardicheyt,1180
 
Want die is my te groot.
lucelle
 
Lief u lust wel te spreken,
 
'Tis noodich, soo mijn dunckt, dat wy dit laten steken
 
Tot morgen voor de noen op dese selfde tijt.
 
Wy sullen voorts te saam wat praten wijt en sijdt.1184
1185
Vaart wel mijn lieve helft.1185
ascagnes
 
Ghy ook mijn welbehagen.1186
lucelle
 
Ach gaat, vertreckt mijn lief, Vader mach na u vragen.1187

Derde uytkomst int tweede bedrijf.

De baron met zyn Lackay Pannetje-vet.
 
O Vonnis al te hart! de afdanck is te straf,
 
Die mijn van desen dach Lucelles vader gaf.
pannetje-vet
 
Wel hoe, mijn Heer! wel hoe?
baron
 
S'is niet gesint te trouwen.
[p. 119]
pannetje-vet
1190
Dat is geseyt in duyts, ghy meugt u rust wel houwen.
baron
 
Het is wel waar dat ick haar selven noyt en sprack.
 
Ick laat my duncken, dat ick mondling haar vertrack1192
 
Een deeltjen van mijn leet en overgroote smarten,
 
Dat haar het ander deel souw dapper gaan ter harten.1194
1195
Daarom ghy Pannevet loopt heen, siet datje raackt
 
By Leckerbeetje stracx, en segt hem, dat hy maackt,1196
 
Dat ick gelegenheyt mach krijgen om Lucelle
 
'Tsy morgen of van daach veel saken te vertellen.

'tVierde uytkomen, tweede bedrijf

pannetje-vet, Lecker-beetie.
 
O Leckerbeetje hou, mijn groote kamer-raat!1199
1200
Waar loopt gy doch na toe, dat gy soo besich gaat?
lecker-beetje
 
Gy steurt myn met iou praat, en let mijn wel een roccheltje,1201
 
Ick stick schier an de fluym, wat brabbelt myn dit boccheltje?1202
 
Siet tegen wien ghy spreeckt, as ick mijn dingen doe,1203
 
Of as ick hoest oft fnies dan spreeck ick niemet toe.1204
1205
O dit wanschapen ding! wat is dit, lier gy dit van iou ouwers?1205
pannetje-vet
 
Wat schort iou op myn bult? ick draachse op mijn schouwers,1206
 
S'is iou niet in de weech, of gy'er wat op schiet,1207
[p. 120]
 
Daar ickse heb gekoft, daar krijchtmense wel om niet.1208
 
Maar dats al even eens, Leckerbeetje, nu dat overgeslagen,1209
1210
Mijn heer en meester de Baron die doet iou vragen
 
+Of gy geen middel weet te brengen an den dach,
 
Waar door dat hy Mevrouw Lucelle spreken mach?1212
 
Soo gy hier in iou dienst gewillich wilt betoonen,
 
Hy sal't u na u wensch en na u wil beloonen.
lecker-beetje
1215
Ick houw van woorden niet, al synse noch soo schoon.
 
Hoort hier eens Fyllebaart, voor mijn verdiende loon1216
 
Soo sou iou meester myn, die doch soo wel kan hoven,1217
 
Het hovenierschap van zijn Koken moeten loven.1218
 
Want siet ick kan hovenieren by avont en by noen.1219
pannetje-vet
1220
Wy hebben over Disch geen Hovenier van doen.
 
Vraacht na een ander staat, dits te kleyn en oneerlijck.1221
lecker-beetje
 
Wel maackt iou Meester dan niet veel bancketten heerlijck,
 
Noch waerdschappen, noch kostelijcke malen groot,1223
 
Daar hy den Adel en het Juffermarckt op noot?1224
1225
Schickt niemant dat daar 'thoort dat daar niet wert op gesproken?1225
pannetje-vet
 
Gy wilt Hofmeester zijn en heerschip vande Koken.1226
 
Nu versta ick iou eerst. Wel Lecker, dat is recht
[p. 121]
 
Een dingen dat iou past. Ick moet met dese knecht1228
 
Wat alven, wat gecken, wat lacchen, boerten, iocken,1229
1230
'tIs sulcken mallen bloet. O gy kock aller koeken,
 
O komt hier voor den dach. Gy verstaat iou immers wel1231
 
Op de saussen van een saussys, of van een moye frickedel,
 
Gefricasseert in de bruyne brande graaf mouweris,1233
 
Of op een snipie met zyn dreckie? also wel denck ick als Louweris,1234
1235
Op de vreemde Composten en sopies van de vossen dans?1235
 
Vande Almangie quapaart van een vette Gans?1236
 
Van de Struyven en Taarten, van galliaarde Spaenjen?1237
 
Van de sinckepas over 'tgebraen? van appelen van Oraenjen?1238
 
Van de Bergomaskes en de maskarades van een hoen?1239
1240
Van het droopen en de capriolen van een kappoen?1240
 
Van de bisarde grimassen van de Artisocken?1241
 
Van toekruyt, van gecoockte Salm, en Engelsche bocken?1242
 
Over de pasteyen, met sla, van quins parlement?1243
 
Ick gis datie de quaterbranckt lavagotte en peck in de ton wel kent.1244
lecker-beetje
1245
Ick kan geen van al die toerientayen, noch snorrepypen.1245
 
Waar haaljet al van daan? hoe kant iou verstant begrypen?1246
[p. 122]
 
Ja wel gy bint een man als morch. vaar gy hebt een ysere hooft:1247
 
'Tis vreemt dattet Iupiter niet met zijn diamanten byl op klooft,1248
 
Voor seker souwer een Pallas van de koken uyt komen.
1250
Ja wel speciaal, gy hebt de kunst geweldich innenomen.1250
 
Gy moet met veel Heeren en Princen hebben verkeert.
 
Niettemin ick ben in de koken oock geweldig gevexeert,1252
 
Entrouwen de 9. vrye kunste oock, wil ick seggen: als in lastrolagie,1253
 
Natimatica, ramatica, de gigromance, lusica, petorica, frobentomie.1254
1255
Maar insonderheyt sin ick baas uytgenomen in een stuck,1255
 
Dat is, ick weet de luy te seggen veel goeder geluck,1256
 
+En wat avontuur dat sy sullen krygen in haar leven.1257
pannetje-vet
 
Wel siet eens in de myn, ick sel een vaan ten besten geven,1258
 
En soo ick niet betaal, soo haalt de duyvel stracx.1259
lecker-beetje
1260
Wil ickje wat segge Pannetje-vet? ick ben niet goet bullebacx.1260
 
Ay staat wat van mijn of, de duyvel die mocht falen,1261
 
Hy sou mienen dat hy iou had, en hy sou mijn halen.1262
 
Daar houw ick mijn geck me, ick heb geen sin in die geck.1263
 
Maar om datje wilt vervullen mijn ellendig gebreck,1264
1265
Want siet mijn holle maagh en al mijn lege darmen
[p. 123]
 
Die kryten in mijn buyck, dattet een mensch sou erbarmen.
 
Vermits ick niet en heb genut, noch kouwe schaal, noch onbyt,1267
 
Noch brandemooris, extract, noch borstwater, noch taback, noch nietemit.1268
 
Komt geeftmen nou iou hant, op dat ick u seg te veuren,
1270
Op dat ick iou vertel, wat iou noch sel gebeuren.
pannetje-vet
 
Siet daar Leckerbeetje, en seght my 'tgoet en 'tquaat
 
Dat mijn hangt over 'thooft, wat mijn te wachten staat,
 
Praat mijn niet na de mont.
lecker-beetje
 
Ick sie hier in de strepen
 
En vouwen van iou hant veel wonderlijcke grepen.1274
pannetje-vet
1275
Hoe stajy doch so lang? verteltmen hoe en wat.
lecker-beetje
 
Ten eersten sie ick, dat ghy hebt maar een moer ehadt,
 
En de Vaars die gy hebt, die schynt datter so veel bennen,1277
 
Dat gy den een voor den ander qualijckt keunt bekennen.1278
 
Ist niet waar?
pannetje-vet
 
Spreeckt daar niet of, spreeckt van mijn.
lecker-beetje
1280
Staat stil Pannetjevet. Hier staat in dese lijn,
 
Dat gy een oolycke guyt bent, en wert dagelijx slimmer,1281
[p. 124]
 
En dat gy een laccher bent op straat, en binnens huys een grimmer.1282
 
Ist niet waar? Hier blyckt dat gy altijt sondaechs iou gelt verpoyt,1283
 
En dat gy niet gaarn iou Roosen voor Verckens stroyt.1284
1285
Ist niet waar? Hier staat datje noch passelijck by 'tgehoor bint,1285
 
En datie wat murw en wat dick achter iou oor sint.1286
 
Hoe nou? staet stil. wat so. datsen vryer, soo dat is fraytjes,1287
 
Gy drinckt gaern Antwerps bier, gy eet gaern bestaytjes.1288
 
Gy hebt altoos snoepery in iou diessack, seg ist niet soo?1289
1290
Gy bent gaern op de Rederijckers kamer, en thuys benje noo.1290
 
Gy lecht gaern een blaetje, dat kan ick uyt iou duymen sien.1291
 
Aj Japickje, gaat van mijn hartje, of ick vijst een pruyme stien.1292
 
Ick sie, dat gy liever een vrouw in 'themt siet,1293
 
As een man in 'tharnas. ist niet waar?
pannetje-vet
 
Ick bent alleen niet.
lecker-beetje
1295
Noch sie ick in de vouwen en kreucken van iou vingeren,
 
Dat gy snachts gaern wat loopt byder Straten slingeren.
 
Ist niet waar? en daar sie'ck in iou Borgoense kruys,1297
 
Dat gy met de ionge maats veel tijts loopt in't Olykoekxhuys.
pannetje-vet
 
Hy dat is al geschiet, gy meucht daar wel van swygen.
1300
Secht my wat avontuur dat ick hier noch sal krygen.
[p. 125]
lecker-beetje
 
Twee dingen ken ick iou noch toe te komen sien,1301
 
Dat is, iou sal een goet gelock, en een ongeval geschien.
 
+Want 'ten sy dat gy geen soberder leven wilt verkiesen,1303
 
Soo suldy haast iou neus tusschen iou wangen verliesen:
1305
En dat souw my van iouwent wegen dapper moeyen.1305
 
Siet iou wangen die sellen over iou neus heen groeyen,
 
Soo gy dat brassen en bruysen en slempen niet en laat.1307
 
En nou Pannetjevet, wat dat het geluck angaat,
 
Dat staat in jou eygen hant, kundyt maar wel beleggen,1309
1310
En vollich gy de wech die ick jou wel kan seggen.
pannetje-vet
 
Ay secht het myn doch knap, segt mijn de raat mijn vaar.1311
lecker-beetje
 
Maar gy selt noch een koopman werden van veugels, of een veugelaar1312
 
Doch gy moet u geen moeyten ontsien, noch an u niet laten gebreken,
 
Gy moet iou hooft inden grooten hoenderkou steken,1314
1315
En roepen, wie wil mijn veugelen, wie wil mijn,1315
 
En soo gy iou selfs verkoopt, sel gy dan geen koopman sijn?
pannetje-vet
 
Dat iou de pocken haal met iou liegen.1317
lecker-beetje
 
O lieve soetert, 'kben niet vervaart voor driegen.1318
[p. 126]
pannetje-vet
 
Hoort eens Leckerbeetjen hoort, laat ons dit overslaan,1319
1320
Wanneer en waar sal mijn Heer best by Lucelle gaen?
lecker-beetje
 
Maar nou van avont spaa dan sal sy gaan ter kercken,1321
 
Laat hyse nemen waar, niemant sal daar op mercken.1322
 
Hy kanse dan na wensch daar komen wel ter spraack.1323
 
Maar seght hem oock van mijn, dat ick mijn reeckning maack,1324
1325
Om heer en baas te zijn van zijn kelder en koken,
 
Gelijck het in't verdrach te samen is besproken.
pannetje-vet
 
Ick sal dat seer wel doen, stelgy iou maar gerust.
lecker-beetje
 
Eeleman hout iou woort. Och, ick heb soo soeten lust.1328

De vijfde uytkoomst in het tweede deel.

pannetje-vet en Baron.
 
Lecker heeft mijn geseyt, dat sy sal gaan te preken1329
1330
Nu 'tavont, en dat ghy haar veylich daar meucht spreken,1330
 
In't in of uyt gaan. Na dattet komt te pas.
baron
 
Ja mijn Pannetjevet, ick wouwt al avont was.
984de mijnen: mijn smarten, moeiten.
987snaker na: smacht ernaar.
989statelijcke reen: plechtige woorden.
+D 3 ro
991an, noch of geseyt: aanvaard noch afgeslagen; doch dat: maar (waarop ik geseyt heb) dat.
993dies: daarom; slaan ter handt: in (gunstige) overweging nemen.
994Want hij enz.: want hij is van de voornaamste adel in het land (?).
1020 in noch beter C noch in beter
1000gereckelijck: gemak of gerief verschaffend; onthaal: verzorging.
1004voldoende: voorkómende.
1005schijn: staat, omstandigheden.
1010niet eens na sien: volstrekt geen oog voor hebben.
1012bet ... dagen: beter dan ooit in mijn leven.
1013dencken: bedenken.
1014Meerder eerbiedicheyt enz.: een groter betoon van eerbied, zoals ik u verschuldigd ben*.
1017in dit stuck: hierin.
1019Dies: daardoor.
1027 Het lied, met opschrift, in romein, tweede regel van het opschrift cursief; Lof met sierletter L. Het komt ook voor in Het Daget uyt den Oosten (vs. 295-350) en in het Groot Lied-boeck: De Groote Bron der Minnen, blz. 44-45. - 1028 geswind C geswinde - 1030 ontfonge C ontfonghen D ontfongen E ontfinge - 1038 stal, in A B D ontbreekt de komma

-Uytkomen: toneel. Hier begint het tweede toneel van het tweede bedrijf.
-Spelinne: speelgenootje, vriendin.
1024gelijck ghy selfs wel siet: blijkbaar geeft Lucelle hier aan Margriet een blad met het door haar geschreven lied.
+D 3 vo
1027Moeder vande Minne: Venus.
1028schutterlijcke: boog en pijlen gebruikende.
1029verneerde: nederige (mijn zinne verschilt weinig van ‘ik’).
1034bymen: bij me.
1037net besneden: fraai gevormd.
1038schick: bouw; swier: bewegingen; stal: gestalte.
1054 A op mercken - 1055 noch geen C nochte
1041rang: mager.
1042wel gheset: goed gevuld.
1045gegraven: besloten, verborgen.
1047reden: woorden, conversatie.
1048met val en vlot: bevallig en vloeiend.
1049verstandelheden: wijsheid.
1050gekleynst: gezift.
1052onderscheyt: onderscheidingsvermogen.
1056Hem ontspringhen: ontsnappen aan zijn aandacht, zijn verstand te boven gaan.
+D 4 ro
1057doorluchtich: heldere (of: verheven, edele?).
1059aardich: geestig.
1060sinne: verstand.
1061't ware sijn: de concrete werkelijkheid.
1064maalt: schildert af.
1070 van mijn B D E van my - 1072 A C E hebben punt achter verdrijf - 1077 C placht - 1079 Loshartich C los-hertich E lof-hartich - 1080 En 'tsienlijck B D En 'tsienelijck
1068hoochdragend wesen: fiere aard (of: gelaat).
1069versieren: verzinnen.
1070wert van mijn: wordt door mij.
1073Reden-rijcken: een gedicht maken.
1074soeck in vele: tracht in veel opzichten (?).
1078Het Goudt-Gemijnt: het goud, gedolven.
1079Los-hartich: met een niet aan het materiële gehecht hart*.
+D 4 vo
1088kloecke kunst: gedegen bekwaamheid (in het ‘reden-rijcken’).
1102 A punt ontbreekt - 1106 A punt ontbreekt - 1109 bemint B D bemin
1091bekolt: betovert, behekst. (Ongeveer hetzelfde als wat met vs. 1093 wordt bedoeld*).
1092rolt en solt: maakt dat ik heen en weer geslingerd word.
1094Moogdy: kun je.
1096wesen: toestand.
1097rijsen: zwellen (of: kloppen).
1099brem: kuch.
1102verstellen: in orde brengen*.
1109niet verkooren: nog geen keus gedaan.
1117 leven, A leven. - 1125 dick dat sy C dick sy - versierde B D E vercierde - 1131 in schriftuur C E int schriftuer
1112onbedocht: onbezonnen.
1113slecht: eenvoudig van stand.
1114't is gewelt: ik kan er niet tegenop.
1117wel gheschickt: keurig; aardich: volgens je (goede) natuur (of misschien: elegant?).
1118u niet tot ... begeven: niet ertoe kunt komen lief te hebben.
1119Jouffer*.
1121Hem heeft gehouwen: zich heeft gedragen.
1122schouwt: schuwt.
1124of: vandaan.
1125dick: dikwijls; versierde: verzonnen; dichten: bedenken (of: voorwenden).
1126gevaar: mede-doopheffer (vroeger een tamelijk vertrouwelijke betrekking); speelnootjes: speelkameraadjes; na-nichten: volle nichten*.
1127decksel: dekmantel, voorwendsel.
1128Gebruycken: genieten.
+E 1 ro
1129treckt niet ter hant: neemt niets ter hand; een deel: een hoop, aantal.
1135 yet D yets - 1154 u liefde C liefde
1133immer: ooit.
1135schien: geschieden, ten deel vallen.
1136dat: als; geviel: geschiedde.
1137ionst: genegenheid; veel-licht: misschien.
1139Op hope of: in de hoop dat (zwakker: voor het geval dat); sy: mijn dienst.
1140des noodich was: (dat) daaraan behoefte was.
1141laten drijven: op zijn beloop gelaten.
1142verachtert blyven: benadeeld worden (of: achterop raken).
1144haalt over hoop: maakt drukte, onderneemt dingen.(?)
1145reuckeloos: roekeloos, ondoordacht; haar ... onderwonden: dit ondernamen.
1149's gevers onderscheyden: het (belonende, vererende, boven anderen uittillende) onderscheid dat degene maakt, die wederliefde schenkt.
1150merckelijcke: duidelijk merkbaar.
1153belangt: aangaat.
1154gequenen: gekwijnd.
1161 ick bent, ick bent die E ic bent die - 1162 gedoochden B D gedoochde - 1170 ghy't doet B ghij doet
1155Boert vry: maak gerust grapjes.
1157Genomen oft: verondersteld dat het.
1160selfs: zelf.
1164sinlijckheyt: genegenheid; vervoert: meegesleept.
1165in sulcker voegen: zo, zodanig.
1166met ongenoegen: aarzelend, met tegenzin.
1167lieffelycke pyn: minnesmart.
1169bemoeden: vermoeden.
1170tot proef: om mij op de proef te stellen; ten goeden: ten bate van mij.
1171immers: in ieder geval.
1174tuych: getuige.
+E 1 vo
1175u eygen: u onderdanig, toegewijd (niet uitgesloten is: uw eigendom).
1177mijn quade kans keeren: een eind maken aan mijn tegenspoed.
1183 de noen B die noen
1180na (tweemaal): volgens.
1184wijt en sijdt: uitvoerig, over allerlei onderwerpen.
1185helft: wederhelft (maar veel inniger; zie de aant. op vs. 1883 en verg. vs. 2217).
1186mach na u vragen: vraagt misschien naar u.
1187afdanck: afwijzing; te straf: wel heel onbarmhartig.

1202 brabbelt D drabbelt - 1204 niemet C niemant
1192laat my duncken: verbeeld me; dat: als; vertrack: zou verhalen.
1194dapper: krachtig, zeer.
1196stracx: dadelijk; maackt: zorgt.

1199hou: wacht, stop.
1201let mijn een roccheltje: belet me, een fluim kwijt te raken*.
1202dit boccheltje: zo'n bultenaar.
1203mijn dingen doe: bezig ben.
1204fnies: nies; niemet: niemand.
1205lier: leer.
1206schort jou op: heb je voor aanmerkingen op.
1207weech: weg; of ... schiet: al schimp jij erop.
1208Daar: daar waar, nl. bij de geboorte.
1209dat ... eens: dat doet er helemaal niets toe; overgeslagen: daargelaten.
+E 2 ro
1212mach: kan.
1216Fyllebaart: vernederlandsing van de naam Philibert tot een met fiel (ons fielt) beginnend scheldwoord*.
1217hoven: feestmalen aanrechten (maar ook: feestvieren).
1218Koken: keuken; loven: beloven.
1219hovenieren: bedoeld als hoven, vs. 1217, maar het betekent ‘tuinieren’.
1221staat: functie; oneerlijck: onaanzienlijk.
1223waerdschappen: gastmalen; kostelijcke: weelderige.
1224het Juffermarckt: de jongedames.
1225Schickt: regelt; dat ... gesproken: zo dat er niets op te zeggen valt.
1226heerschip: baas.
1228dingen: ding*; knecht: jongen.
1229alven: gekheid maken, de spot drijven (de volgende infinitieven zijn ongeveer synoniemen).
1231komt hier voor den dach: toon nu wat je waard bent; verstaat jou wel op: hebt veel verstand van.
1233Gefricasseert: gestoofd; brande graaf mouweris: naam van een dans (branle), evenals sommige van de volgende namen van niet bestaande gerechten.
1234snipje met zyn dreckie: ‘snip met de ingewanden toebereid’ (WNT XIV kolom 2362); Louweris: Laurens (misschien een tijd- en stadgenoot).
1235Composten: compotes; sopies: sausjes.
1236Almangie: verbastering van allemande (naam van een dans); quapaart: kwajongen (-streek).
1237galliaarde Spaenjen kan een verbastering van een dansnaam zijn: gaillarde d'Espagne.
1238sinckepas: weer een dansnaam (cinq pas?), maar blijkens over enz. bedoeld als naam van een saus.
1239Bergomaskes: dansnaam, maar die aan de naam van de bergamot-peer doet denken.
1240droopen: bedruipen.
1241bisarde: bizarre.
1242boeken: bokking.
1243quins parlement: Engelse dansnaam (misschien queen's parliament).
1244quaterbranckt: ‘quatrebrande’ (Kn.); lavagotta: ‘la gavotte’ (Koll.)*; peck in de ton: ‘de danswijze Peckington's pound’ (Kn.).
1245kan: ken; toerientayen: ‘tierlantijntjes, rare dingen’ (Koll.).
1246begrypen: omvatten.
1253 lastrolagie E rotagie - 1259 in E ontbreekt de - duyvel in alle drukken: duyve
1247als morch: geweldig knap; vaar: vriend, kerel.
1248op: open.
1250speciaal: goede vriend; innenomen: in je opgenomen.
1252gevexeert: gekweld (foutief voor geverseert: ervaren).