terug  begin  verderprepost
[p. 127]

Het derde deel 'teerste uytkomen.

baron en Lucelle
 
Ick bidt u, vrouwelijn, dat ghy niet vreemt en vijnt1333
 
Indien men totter doot sich uytmergelt en pijnt1334
1335
Door 'tonkeerlijck gewelt der meer als sonderheden
 
Des Goddelijcken glans van u volmaackte leden,
 
Daar mijn te keurigh oog eerst hongerig op viel,1337
 
Maar meest verwan mijn hart de deugde van u ziel:1338
 
Waar met den Hemel u verciert heeft overdadich.
1340
Ick ben gedwongen door mijn lijden ongenadich1340
 
+Te vollegen het spoor des genen die ghewont
 
Is van een Scorpioen of van een dollen hont,
 
Dewelcke niet en kan gesontheyts kracht erlangen,
 
Als door de geen van wien hy't gift eerst heeft ontfangen.
1345
Daarom o schoone maacht, de wonden doch geneest
 
Die ghy gheschoten hebt in't binnenst van mijn geest.
 
Want ander hulp en raat en vind' ick in geen boecken,
 
Mijn doot en leven is alleen by u te soecken,
 
Door 't goed' of quade kruyt van't woortje ja of neen,1349
1350
Met vrundelijck bescheyt en antwoort op het geen
 
Dat u Heer Vader heeft verklaart van mijnen 't wegen.
 
Doch eer dat ghy't uytstelt, als voor u niet gelegen,1352
 
Soo bidt ick ernstelijck erlegt in u gemoet,1353
[p. 128]
 
Wien dat ghy u onthout, en wat ghy my al doet.1354
1355
Siet hoe ick selfs mijn selfs mijn selven heb ontstolen,1355
 
En u genadicheyt mijn selven gantsch bevolen.1356
 
Doch wildy niemant dan die juyst geheel is waart
 
U deuchts hoochvaardicheyt? g' en vint hem opter aardt.1358
 
Maar sydy eens belust u trouwtste slaaf 'taanschouwen?1359
1360
Siet hier siedy hem staan, o pronck van alle Vrouwen,
 
Hy smeeckt u goetheyt an. sijn bidden eens verhoort,
 
En geeft zijn harte hoop slechs met een gunstich woort.1362
lucelle tot de Baron
 
'tIs ongetwijffelt Heer, dat ons huys en wy souwen
 
Door u ghe-eert zijn, dies ben ick aen u gehouwen,1364
1365
Mits die seltsame jonst die my van u geschiet.1365
 
Ghy weet wel dat ick sta noch onder het gebiet1366
 
Mijns Vaders lief en waart, en dat my daar beneven1367
 
Met allen niet en voegt hier antwoort op te geven,1368
 
Door dien ick willeloos my selven noch bevijn,1369
1370
Of heb ick een'ge wil, sy hangt heel an de zijn.
 
En die, geloof ick vast, seyd' hij u wel voor desen,1371
 
Dien moogdy, soo ghy wilt, genoech u laten wesen.1372
 
Ick bid' u voor ditmaal en spreeckter niet meer van,1373
 
En doet u selven moeyt, noch my geen quelling an.
1375
Vaart wel mijn Heer, ick ga.
[p. 129]
baron
 
Ha bittre wreede woorden,
 
Die op een selfde stondt mijn lijf en siel vermoorden.
 
Komt heylicheden komt, slaat met een donderkloot1377
 
Tot pulver al mijn borst en al mijn leven doot.
 
Komt Susteren Fataal, komt wilt u doch verhaasten,1379
1380
En maackt dat desen dach mijns levens sy de laasten.
 
+Hoe sydy Minne doch soo wrevel, en soo vreemt,
 
Dat ghy geen ander vreucht dan in het pijnen neemt:1382
 
En hoe dat ghy te meer de uwe gaat beschaden,1383
 
Hoe dat ghy noch te min u selven kunt versaden?
1385
Al is het Ecchel dier een gulsich slockend' vraat,1385
 
Het wijckt doch van de wond, wanneer't sich voelt versaat
 
Met voetsel en met spijs. Den brassaart oock door t'eten:1387
 
Maar ghy Mensch-eter niet, die met heel groote beten
 
Uw' eygen dienaar schockt, en vreet haar vleys in't lijf,1389
1390
En doet de grootste moort slechts om een tijt-verdrijf,
 
Blijft even selde-sat, en wert vernoecht, noch dicker.1391
 
Ghy houwt van schransen op ghelijck de Lever-picker,1392
 
Die nacht en dach het hart van d'arme verscheurt,
 
Die 'tbreken van zijn eedt onmenschelijck betreurt.1394
1395
Lucelle kondy soo mijn liefde tot dy mercken,
 
Als ick u schoonheyts krackt voel in mijn siele wercken:
 
Ick wierde eyndeling van u wel eens bemint.1397
 
Veel beter waar 't geweest, waar ick geboren blint.1398
[p. 130]
 
Soo had den blixem van u glansen niet geslagen
1400
In mijn gesicht, en 't ooch en had my niet doen klagen.1400
Sijn vrient komt op het slach-.
 
Wel hoe mijn groote vrunt, wat staady hier en klaacht
 
Met Vrouwelijck geween, dat om een slechte Maacht?1402
 
Ghy die soo manlijck u in vreesselijcke strijden
 
Ten Oorloch hebt gehadt. ghy die daar dorst doorrijden1404
1405
De hoopen dicht gemengt: de dromels ysre lien,1405
 
Die koegels, noch geschut, noch niemant hebt ontsien.
 
Die Ridderlijck ten Hoof brocht de gesprengde vanen,1407
 
U Vaderlandt tot eer, u vyanden tot tranen,
 
U vrunden tot een prick, u selven tot een staat,1409
1410
Die van verdienden lof tot barsten swanger gaat.1410
 
Moet ick dien Eedlen heldt, die hem soo heeft gehouwen,
 
Een slaaf sien vande min, een lecker van de Vrouwen?1412
 
Al is sy schoon al schoon, al is sy wel geacht,1413
 
Wat is haar schat by d'uw? haar bloet by u geslacht?
1415
Komt by u selven eens, en stelt doch uyt u sinne1415
 
De sotte frenesy der breyneloose minne.1416
 
Ghebruyckt u goet verstant, ontweckt u, siet dit in.1417
 
Het kleene vonckje viers is lichter in't begin1418
 
Te dooven in de pot met sorrichvoude handen,1419
1420
Dan of men reuckeloos liet ons huys en hof verbranden.1420
 
Wildy dees rasery in 't eerste niet weerstaan,
 
Soo sal't met u in 't ent heel iammerlijck vergaan.
 
De loffelijcke faam door soo veel sweets ontfangen,1423
[p. 131]
 
Sult ghy die an de gunst nu van een vroutjen hangen?
1425
+O kunst-baarende hooft, van wiens Godlijck verstant
 
Trompetten wijdt en sijdt de grootste van het landt,
 
Die de Raadts-heeren, en de hooge-school-geleerden
 
Als een gebooren Godt en weerelts wonder eerden:
 
Ghy die 'tghemeene volck besadicht en vervaart1429
1430
Door 'tkrassen van u pen, en 'tblickren van u swaardt,
 
Waar is u dapperheyt en wetenschap ghebleven,
 
De klare spiegels en de sporen van ons leven?1432
 
Wat maact haar weerschijn dof? wat maact haar prickels plomp?1433
 
Of is de geest benart in den vleeschlijcken romp?
1435
Wel hoe dus moedeloos? wel hoe waarom versuchje?
 
Ick sie watter af is, de geest is om een luchje.1436
 
Maar wat heb ick gedaan, dat ghy u mijnder schaamt,1437
 
En snorden om de kop als ghy mijn tegen quaamt?1438
 
Dan dat is nu alleens, komt laat ons met malkandren1439
1440
Gaan buyten op ons lant, of na den boogaart wandren.1440

Het derde bedrijf.

Lucelle, Margriet, Lecker-beetje, Ascagnes
lucelle
 
Het geeft my al te vreemt, 'ken weet niet wat 'tbeduyt,1441
 
Dat my Ascagnes niet komt leeren op de luyt,
 
Gelijck hy gistren my in't uytgaan wis toeseyden,
 
En d'uur is lang voorby die wy te saam bescheyden.1444
margrieta
1445
O sekers zijn versuym is noch geen half kartier,
 
En had hy geen verlet hy waar gewislijck hier.1446
[p. 132]
lucelle
 
'Tis waar, Margrieta. Maar de recht verliefde sinnen
 
Valt het verwachten lang van dingen die sy minnen.1448
 
Waar blijfdy lieve lief?
margrieta
 
Ick loof niet of gy spot.1449
lucelle
1450
Spotten! o neen 'tis ernst.
margrieta
 
Soo sinneloos noch sot
 
En kan ick nimmermeer Carponys dochter achten,
 
Dat sy een vreemdeling van nederen geslachten,
 
Veracht, en onbekent, souw plaatsen in haar sin.
lucelle
 
En spreeckt my meer geen quaat van 'tgeen dat ick bemin.1454
1455
Mijn ziel siet op zijn ziels volwassene hoocheden:
 
Dies min ick blindling niet, maar door 'tbeleyt van reden,
 
Die mijn zijn deucht anprijst: sulcx dat niemant als hy
 
Soo grooten heerschappy sal hebben over my.
 
Och! had' ick maar 'tgeluck dat ick hem slechts mocht krijgen.
1460
Siet hier Margriet siet hier mijn blos vast opwaarts stijgen.1460
 
Mijn bloet bruyst in mijn lijf, mijn borst wert toegestopt.1461
 
Ick kan niet spreken. Ach! voelt hoe mijn hartje klopt.
margrieta
 
+U aangesicht dat geeft volle getuygenissen
 
Van d'innerlijcke ongesteltheyt uws gewissen,1464
[p. 133]
1465
Door de menichvoude verwisseling van kleur.
 
Maar doet al wat ghy doet heymlijck, op dat hier deur
 
U Vader out en kout geen mes en wert gegeven,
 
Dat hem afsnyd den draat van zijn geluckich leven.
lecker-beetje
 
Wel wat wil dit toch zijn, dit sta ick vast en peys,1469
1470
Dat ick Ascagnes sie van d'eene reys op reys1470
 
Soo snuyven heen ter sluyp op onse Juffers kamer?1471
 
Lucelle, datje't liet, het waar u veel bequamer,1472
 
Dan dus gemeen te zijn met dese vreemde knecht.1473
 
'tEn is geen deeglijck spel. de wagen gaat niet recht.1474
1475
Daarom loop ick ter schuyl ter syen vanden tooren,1475
 
Om 'tgat eens door te sien. gangs bloet koom ick te hooren1476
 
Dat hy. dan dats alliens, ick sweer't hem by men sier.1477
 
Ick sel hem soo knellis duyvelen. dan nou ick sech niet mier.1478
ascagnes
 
Mevrouwe syt gegroet, soo'ck langer heb gebleven1479
1480
Als de gestelde tijt, ay wilt my dat vergeven.
 
'Tquam door u Vader by.1481
lucelle
 
Ick neemt garen in't goet:
 
Wat kan men straffen hem die nieuwers in misdoet.1482
 
Ghy soudt u nimmer oock soo qualijck kunnen dragen,1483
[p. 134]
 
Dat ick mijn uwer souw verstooren of beklagen;1484
1485
Vermits u goede geest, en wackere aardicheyt1485
 
Van al u gantsche doen, d'welck my so heeft verleyt
 
Dat ick betovert ben, gelijck ghy meucht bemercken,1487
 
Gelooft mijn woorden niet, maar siettet an de wercken.
 
Mijn sinnen zijn beroert, en dwarlen vast door een,1489
1490
Mijn tong kleeft an mijn mont, ick haaper in mijn reen.1490
 
Mijn hart beeft in mijn lijf, en 'twil van vrese breken.
 
En immers moet ick nu een weynich met u spreken1492
 
Van saken die mijn self op't naaste aane gaan.
 
Wat komt mijn over? ach! het is met my gedaan.1494
1495
Ick ongeluckige, wat deed' ick oyt gebooren.1495
ascagnes
 
Ick bidde u mijn vrouw, so't bidden kan bekooren,1496
 
Secht my wat klaarder uyt het gene dat u let,
 
En op u dienaar trouw een vast betrouwen set:
 
Die om u wel te doen souw wagen duysent levens,
1500
Indien dat ickse had, ick schonckse alle tevens,1500
 
En eygendens' u toe uyt grontslach van mijn hart,1501
 
Als ick u mocht daar met verlossen van u smart.1502
 
Ach help! wat hebdy dat u verru soo verwandert?1503
 
O mijn! ghy bent soo bleeck, u wesen dat verandert,1504
1505
En over al breeckt uyt dat klamme koude swiet.
 
Sit neer, ick haal Azijn!
[p. 135]
lucelle
 
Ach neen, neen doet dat niet,
 
Maar laat my doch begaan, dat bidd' ick u, so lange
 
Tot dat ick weer bekoom, ach! my is noch so bange.
ascagnes
 
+Wel leent dan wat aan my, geeft u toch wat te vreen,1509
1510
Versterckt u swacke Geest, en rust u flauwe leen.1510
lecker-beetje
 
Wat droes! wat hoor ick hier? kan men hem so vergeten?1511
 
Foey Lucelle, foy. (sus) ick moet dat grontgat weten.1512
lucelle
 
Ick kan u langer nauw verbergen mijn verdriet
 
En innerlijcke pijn, vermits ghy selfs wel siet,1514
1515
Hoe dat de starcke Min so bloedich als tyrannich
 
Met krachte nederdruckt mijn willen wederspannich.
 
Mijn plicht door het gewelt van de bevallicheen1517
 
En hoflijckheyt uws aarts, die veer boven 'tgemeen1518
 
Doorluchtich in u blinckt; soo dat ick ben gedrongen1519
1520
My gants te geven op de soete sotte jongen,1520
 
Die my, ick wil of niet, doet seggen (laas!) met pijn,
 
Als dat ghy hebt so veel gewonnen nu op mijn,1522
 
Als minnaar oyt van lief mach eerelijck begeeren.1523
ascagnes
 
Soud u volmaacktheyt haar wel kunnen soo verneeren1524
1525
Om mijn te minnen? mijn? mijn, sech ick, die daar ben
[p. 136]
 
Een woeste vreemdeling van slechten huyse? en1526
 
Een die niet waardichs heeft, ick schaamt my te belijen.
 
Mijn Vader arme Man slooft in zijn visscherijen,1528
 
Mijn Moeder goede Vrouw die sit met kramery,1529
1530
En wint de schaamle kost. Hoe soudy dan op my
 
U oogen kunnen slaan? en dat my meer doet schricken,1531
 
Dat het u Vader wist, hy sloech myn 'thooft an sticken.1532
lucelle
 
Bruyckt sulcken redens niet mijn lief, mijn troost en vreucht,1533
 
Want liefde heeft geen wet, den eeldom spruyt uyt deucht.1534
1535
'k Heb goederen genoech, dat meen ick, voor ons beyden,1535
 
Mijn Vader is stock out, en sal wel haast verscheyden.1536
 
Ons schort maar lijdsaamheyt dien tijdt te dulden af,1537
 
Tot hy het eene been als 'tander heeft int graf.
 
En weest versekert vry dat nimmermeer de minne1539
1540
Eenich veroveraar sal maken van mijn sinne,
 
Die meerder is als ghy. dits een besloten saak,
 
Indien ghy swaricheyt niet meer als ick en maak.
ascagnes
 
Ick waar wel onbeleeft, waart dat ick ging ontseggen1543
 
't Geen daar veel Edellien te kost om souden leggen1544
1545
Haar eygen vleys en bloet. 'tgeluck dat ghy my biedt
 
En soud ick waarelijck verruylen willen niet
 
An 't hoochste Keyserdom of Koningrijck verheven.
 
Want ick wens in u dienst te sterven en te leven.
lucelle
 
'tWoortjen dat ghy daar spreeckt komt dat uyt's herten gront?
[p. 137]
ascagnes
1550
Mijn hart en tong zijn eens, noyt dacht ick dubble vont.1550
 
Maar waarom vraagdy dat.
lucelle
 
Om dat ghy jongelingen
 
Soeckt eerelijcken lof uyt schandelijcke dingen:1552
 
Voornamelijcken in der reyner Maachden val,
 
Het welck ghy u beroemt als treflijck over al,1554
1555
+Niet achtend' uwe ziel, noch de vervloeckte eeden1555
 
Op de verdoemenis van eeuw tot eeuwicheden,1556
 
Indien dat oyt u trouw of dat u jonst vergaat,1557
 
Die langer niet en duurt dan als de valsche praat,
 
Die men gesuyckert maackt met honich-soete woorden,
1560
Om 'tleven van de eer der Dochters te vermoorden,1560
 
Met tranen biglend' en met een geveynst gesucht,
 
Die met u vruntschap stracx verstuyven in de lucht,1562
 
Soo haast als ghy de vrucht (laas!) van het licht vertrouwen
 
Genooten hebt, en laat de Deernen droef in rouwen.1564
ascagnes
1565
Ick heb vermoeden dat, wien ghy't geluck toelecht1565
 
Om met u eens te treen in wettelijcken echt:
 
Dat die hem ymmers wel vernoecht sal kunnen houwen1567
 
Met d'eelste en de schoonst van alle aartsche vrouwen.
lucelle
 
De blonde Oenon, en suyvre Dido rijck,1569
1570
By wiens schoonheyt ick my in 't minste niet gelijck,1570
[p. 138]
 
Die hebben wel versocht, doch met haar schand en schade,1571
 
De fixe trouwicheyt en 't meyneedich verraden1572
 
Van haar versworen liefs, wiens jonst niet was dan wint.1573
ascagnes
 
Maar alle menschen zyn niet even eens gesint.
1575
Ofschoon daar een'ge zijn besmet met die gebreken,
 
Men moet de vromen om de boose niet versteken.1576
 
Want ick belooft u, siet, geeft mijn u rechterhant,
 
Uyt een verwonnen borst en by mijn goet verstant,1578
 
Dat ick u nimmer sal verlaten noch begeven,
1580
Noch ongenoecht aandoen in al mijn gantsche leven.1580
 
En soo ick anders doe, so moet het Hemels vier
 
Mijn lichaam heel tot as en stof verbranden hier.
 
Eer dat ick schend' mijn trouw die ick u nu belove,
 
Eer sullen ongeveynst de groote Heeren hoven,1584
1585
Eer sal de aard de zee, eer 'tlichaam sonder pijn,
 
En wat onmooglijck is dat sal eer mooglijck sijn.
lucelle
 
Wel aan, gedenckt altijt eer ghy komt t'overtreeden1587
 
Aan u beloofde trouw met overgeven eeden.1588
 
Ick weet niet wat ick u doch meer bevelen souw,1589
1590
Als dat ghy mijn o lief, oprecht zijt en getrouw.
 
Dat is d'eenige kroon en kransse van de Minne,
 
En die de Minnaars doet geluckelijck verwinnen.
 
En tot verseekring van mijn vriendelijcke ionst,
 
Hoefdy geen ander proef, als dat ick u sech op't ronst1594
[p. 139]
1595
Met dese mijne trouw, en houttet voor waerachtich,1595
 
Dat niemant anders mijns oyt wesen sal deelachtich.1596
 
Dees kus neemt tot getuych, en tot een soet gedenck,1597
 
Soo draacht dees eedle rinck, die'ck u op trouwe schenck:1598
 
Waar in dat ghy sult sien gegraven en gesneden1599
1600
Hoe veel de kunst vermach der geestige Goutsmeden,1600
 
+Oock hoe Cupido daar sit schrylincx op een hont,1601
 
En wijst te swygen met een vinger voor de mont.
 
Met welck' afbeelding dat ick heb beduyden willen
 
'Tgunt dat van binnen staat, siet leest, getrouw en stille.1604
ascagnes
1605
Mijn vrouwe, ach helaas! mijn macht is al te kranck1605
 
By de genegentheyt daar ick u met bedanck.1606
 
Ick sal die vingerling aan mijnen pinck nu steken.1607
 
Daarse geen levend' mensch met cracht my sal afbreken,
 
Ten waare na mijn doot. Nu dient ons te versien,1609
1610
Hoe, en wanneer, en waar ons houlijck sal geschien.
lucelle
 
Gaat heen mijn lief, gaat heen. daar is veel tijts verstreken,
 
T'wijl ghy hier zyt geweest. en komt my t'avont spreken
 
Ontrent de klocke tien, als vader is te bedt.
 
Wy sullen dan raatslaan, wat 'tbeste aansien het.1614
ascagnes
1615
Ick kus u handen lief, vaart wel dan tot tien uyren,
 
Die korte tijt helaas my hondert jaar sal duyren.
[p. 140]
lucelle
 
Vaart wel, mijn Bruydegom tot t'avont. wel hoe dus?
 
Het mach niet van mijn hart, komt geeft men noch een kus.1618
Binnen.
lecker-beetje alleen.
 
Ach wat heb ick gehoort? wat heb ick moeten hooren?
1620
Och had ick doof geweest, of had ick doch geen ooren.
 
Sy zijn t'samen getrouwt. de duyvel en de droes.1621
 
Ick byt mijn keel schier of. de kop is mijn soo kroes.1622
 
Mijn Heerschip heeft de guyt genomen van de straat,1623
 
En hy vergelt de deucht met sulcken snooden daat.
1625
Daar hy die weldaat hoort met dienst en danck te kennen,1625
 
Daar is hy over uyt zijn meesters eer te schennen,1626
 
Dat in zijn eygen huys, dat an zijn eygen kint,1627
 
Sijn een'ge dochter waart, soo schoon als wel bemint.
 
Maar ick belooft den boef, en die lichte Lucelle,
1630
Dat ick heur allebey een spulletje sal bestelle,1630
 
Dat heur wel heugen sal. Dat kost heen na den baas,1631
 
Ick sal hem lang en briet gaan doen sulcken relaas,
 
Dat hy hem met een streeck wel lichtelijck sel genesen1633
 
Van pocken, mocken, lempten, en wat in hem mach wesen.1634
1635
Mijn miester is een quaan Turck, soo fel ick weet niet hoe,1635
 
Ick mien gelijck een schaap. En dan voort na den Baron toe.1636
 
Want of hy den ouwe man ter vlucht quam t'ontloopen,1637
 
Soo sal de Baron en ick hem lustich t'samen stroopen,1638
[p. 141]
 
En peuluwen hem lustich of met wat ongebranden as.1639
1640
Ick souwt 'tseker niet doen, waer't dattet niet en was,
 
Om dat ick de Baron zijn koken sel bewaren.1641
 
O suycker eelekaerten, hoe lustich wil ick daar varen.1642
 
+Mijn tangden watren alries, mijn buyck bomt as een trom,1643
 
Ick kan soo lang niet wachten tot ick tot zijners kom.1644
1645
Mijn dunckt ick proef alries de propre teneetjes,1645
 
De Lambsboutjes, de kieckskens, en de leckerbeetjes,
 
De wijnsopjes, de doopjes, de droopjes, en,1647
 
Al de soete smullery, die ick niet noemen ken.
 
O hemelsche leckerny! o kost hoe wilje smaken.1649
1650
Nou ick mach binnen gaan het avontmaal reet maken.1650

Het vierde bedrijf, 'teerste uytkomen.

Baron, Panne-vet, Lucelle.
 
Komt hier Pannetje-vet, komt mijn getrouwe knecht,1651
 
En haalt men stracx mijn luyt, want ick ga regelrecht1652
 
Voor mijn Lucelles deur mijn droefheyt haar verklaren
 
Laas! met een jammer sang vermengelt met mijn snaren.1654
pannetje-vet
1655
Ick ga mijn Heer, siet daar, mijn bootschap is gedaan,
 
Gaan wy alst u belieft.
baron
 
Wildy wat achter gaan?1656
[p. 142]
pannetje-vet
 
Daar staat sy aan de poort. Gaat Heere by haar kouten.
 
Beschreumtheyt hindert vaak, 'tgeluck dat helpt de stouten
 
Door veel gevaarlijckheyts, en voor al in de min.1659
1660
Daarom mijn waarde Heer treet lustich daar op in.
 
Haar oogen staan soo soet. gaat, wilt geen tijt versuymen.
 
Veellicht heeft sy verkeert in 'tgoet haar quade luymen.1662
 
Want ongestadich zijn de vrou-lie van natuur,
 
En wisselen van sin wel tien maal in een uur.1664
baron
1665
Houdt daar bewaart mijn luyt, en wilt my hier verwachten.
 
Indien de Goden hier, o vrouw van mijn gedachten,
 
Soo veel gelucx en heyls den mensche geven wouden,1667
 
Dat sy haar sinlijckheyt gebreydelt kunden houden,1668
 
Ick soud' op heden nu niet smaken dese pijn,1669
1670
Noch u ten tweede maal so moeyelijck niet zijn,
 
Met mijn lastich gebedt te lemmen aan uw' ooren.1671
 
Gewaardicht u doch eens mijn bidden te verhooren,
 
En schuttet voor den doot, o uytverkoren vrouw,
 
U dienaer, die u mint gestadich en getrouw.
1675
Hebt doch melijden met m'ondracchelijcke smarte,
 
Leest in mijn aansicht doch de wedom van mijn harte,
 
Die door u schoonheyt in mijn ziel oorsproncklijck sproot,1677
 
Die s'weerelts Schepper tot verwondren in u goot.1678
lucelle
 
Mijn Heere ick en kan in 'tminste niet gelooven,
1680
Dat ick yets heb in mijn dat u persoon sou slooven1680
 
Of dus wanhopen doen. En aangesien oock dat
 
Hier soo veel Joffers zijn in dese groote stadt,
[p. 143]
 
+Die ongetwijffelt haar geluckich souden roemen,1683
 
Indien sy maar voor haar u liefde mochten noemen;
1685
Daarom dunckt my voor 't best, dat ghy u geeft tot die
 
't Meer waardig zijn, als ick my selven acht of sie.
 
Ick lyd' oock gaaren dat sy my ver overwinnen1687
 
In lichaams schoonheyt, en in schranderheyt van sinnen,1688
 
Oock in welsprekens kunst.
baron
 
Ick denck niet datter leeft
1690
Een schepsel dat by u in waardicheden heeft.1690
 
En hierom ist dat ick somwijlen onverduldich1691
 
De nootschicking wel trots en lasterlijck beschuldich,1692
 
Omdat sy heeft mijn sin op sulcken plaats geleyt,1693
 
Daar ick, noch levend' mensch, hoe groot van waardicheyt,1694
1695
Souw konnen by bestaan. Waar 't datmen u toeseyden1695
 
Dien u gewillich meest bewijst zijn diensticheyden,1696
 
Ick souw mijn selven dan beloven voor gewis1697
 
'tGeluck, dat niemant, noch de werrelt waardich is.1698
 
Want recht als de natuur u schoonheyt heeft gesondert1699
1700
Tot die volkomentheyt dat yder is verwondert:1700
 
Alsoo heeft sy aan mijn een dienaar u geiont1701
 
Die in getrouwe ionst noyt zijns gelijck en vont.1702
 
En nauwlijx ick geloof, straft my, soo ick't verschulde,1703
 
Dat sy u boesem schaars met soo veel deuchden vulde,1704
[p. 144]
1705
Als sy heeft in mijn hart gehoopt en toebereyt1705
 
Innige diensten vol van goe genegentheyt.1706
 
Daarom besluyt ick met Wet-stichters en verstandelen1707
 
Soo godlijck als waarlijck, die van de liefden handelen,1708
 
Dat ghy gehouden zijt, indien ghy zijt gesint1709
1710
Om wel bemint te zijn, dat ghy eerst recht bemint.
lucelle in haar selfs.
 
Ksie dat mijn Heer Baron begint alsulcken reden,1711
 
Waar in ick vruchtloos souw mijn schoone tijt besteden.
 
Zijn lellen haacht my niet, eer meerder pratery,1713
 
Soo vind' ick goet dat ick hem datelijck afsny.1714
1715
Ick bidd' u luystert eens, en komt een weynich nader,
 
Wien roept my daar? myn Heer! het is mijn eygen Vader.
 
Dus neem ick mijn verlof, soo 't u belieft ick ga.
Sy gaat wech.
pannetje-vet
 
Wel geeftse wat gehoors? oft seytse noch geen ja?
baron
 
Ick weet niet, soo ick souw in't ernste eerst beginnen,1719
1720
Soo riep de Vader haar, en voort so ging sy binnen.1720
 
Dan niettemin ick vond' haar wesen noch haar taal1721
 
Soo streng niet noch soo stuurs, als lest de eerstemaal.1722
 
Ick denck dat sy haar lief gesien heeft en gesproken.
Leck. wt.
 
Wel is dit Lecker niet het Heerschap van de koken?
[p. 145]

+'t Vijfde uytkomen.

Lecker. Baron. Pannevet.
lecker-beetje
1725
Goen avont Heer Baron.
baron
 
Wat tyding hebdy nu?1725
 
Segt brengdy ons wat goets?
lecker-beetje
 
In't minste niet voor u.
baron
 
Wat isset dan? secht op.
lecker-beetje
 
Maar Ascagnes dien bengel1727
 
Wort van u lief gelieft gelijck een aartschen Engel.1728
 
Sy acht hem als een Godt, en mint hem alsoo hooch,
1730
Dat sy hem liever heeft als d'appel van haar ooch.
baron
 
Maar sekers is het waar?
lecker-beetje
 
Ick heb't van daach vernomen,1731
 
En sal't morgen veel bet te weten kunnen komen.1732
 
Hy is u inde weech, ia sekers sonder iock.1733
 
Ick weet u goeden raat, wilt ghy myn maken kock,
1735
En heer en meester van iou broot en van iou suyvel,
[p. 146]
 
Ick sel iou stommelen op een sulcken dollen duyvel1736
 
Als ymmermeer de aard' hier an de weerelt brocht,1737
 
'Tis sulcken quaden droes, al had j'hem uytgesocht1738
 
Uyt al't Nickers gebroet. Eens als hy sou gaan varen1739
1740
Ten ooreloch ter zee, en soos' in 'tseylen waren,1740
 
Ontmoet haar onversien een Boot met lichte vracht,1741
 
Als van vyanden van het menschelijck gheslacht,1742
 
Te weten Zee-roovers en schuymers van de stranden.1743
 
Wel wat het hy te doen? hy neemt zijn swaart in handen,1744
1745
En sloech met een slach door last, door mast, door sack,1745
 
Door pack, door kat, door hongt, door man, door muys, door back,1746
 
Door kom, door tin, door bier, door broot, door wijn, door koorn,
 
Door sout, door smout, door teer, door smeer, door't splits en smeerhoorn1748
 
Door bacboort, door stuirboort, door after en voor het schip1749
1750
Door stroom, door zee, door lant, door sant, door berch, door klip,
 
En een stick van Neptunes neus, die wacker trock an't vragen,1751
 
Wat schricklijck onweer heeft my schielijck daar geslagen?
 
'Tis Bullebacx Jan seyd' een. mit dat Neptunes wist,1753
 
Soo sloot hy stracks zijn poort, en had hem schier bepist.1754
1755
Hy gaat wel goekoop mee, als hy de vrije slemp het,1755
 
En als m'hem niet en geeft, de felle karel nempt het.
[p. 147]
baron
 
By gans bloet, by gans doot, ick wil niet dat hy sterf1757
 
Door yemant als door mijn: mijn lust dat ick hem kerf1758
 
Gelijck een brasemvis. 'ksal hem dat kinnebacken
1760
Tot mortlen of tot gruys met desen houwer hacken.1760
pannetje-vet
 
Die moeyten is te groot oock ken ick wel vermoen,
 
Dat ghy hem noch u lief daar vrientschap souwt me doen.
 
Want siet Lucelle is te seer tot hem genegen.1763
lecker-beetje
 
O dats een kleynicheyt, wats doch an hem gelegen?
1765
Al sloechdy hem al doodt, verwacht geen meer gewach:1765
 
Want hy heeft vrient noch maach die hem vereysschen mach.1766
 
+En 'tis meer als gewis dat mijn vrouwe Lucelle
 
Door het afwesen hem wel uyt de sin sal stellen.1768
 
En let hier op mijn Heer, de Bloemkens die men siet,
1770
Die teelen alle iaars, en gaan allencx te niet:1770
 
Maar al de min en ionst die hier de Vrysters dragen,
 
Die hebben duur noch tijt, maar sterven alle dagen.
 
Heden beminnen sy en lieven boven maat,
 
En morgen is die Liefd al weer verkeert in haat.
1775
De Goden hebben dies haar lichtheyt ongeduurich1775
 
Verleken by de Maan: die Sweef-ster wispeltuurich1776
 
Heeft haar een plaats geiont in haar verkeerlijck rijck,1777
 
Want na het oude woort, gelijck bemint gelijck.
 
Of schoon de Maan verformt haar wolcken en haar ringen,
[p. 148]
1780
De Meysjes zijn niet min oock vol veranderingen.
 
Sy maken van haar hart een gasthuys, en een nest,1781
 
Schyt liefde, eer of eedt, de lest behaacht haar best.1782
 
Al ist dat u vertreck haar dapper schijnt te smarten,1783
 
'tIs al gelijck men seyt: uytter ooghen, uytter harten.
1785
Siet daarom so dunckt mijn behoort het Dochters gilt
 
Drye pluymen licht en kleyn te voeren in haar schilt.
 
Geen beter spreuck soud ick hier by te passen vinden,
 
Als dees so kort als waar, wy gaan met alle Winden.
 
Wt dese oorsaack Heer so maticht wat u druck1789
1790
Met lijdtsaamheyt, en hoopt op't aanstaande geluck:1790
 
En moedicht maar u hart, om saken te beleggen1791
 
Tot uwen hoochsten nut: door middel van mijn seggen,1792
 
Komt by mijn morgen vroech, in't kriecken vanden dach
 
Sal ick Ascagnes met een sonderlingen slach1794
1795
U levren in de handt, dan meuchdy hem soo smeeren,1795
 
Dat hem noch hooft noch hals, noch hant noch tant sal sweeren.1796
 
Bickter op, 'tis een wees, maar siet toch waar gy slaat,1797
 
Ick ben tot uwen dienst, so ghy't wat hebt te quaat.1798
baron
 
U Redens zijn geschickt, en ick sal sonder feylen1799
1800
Hier morgen uchtent zijn, eer Aurora sal deylen1800
 
De bloosde krieck, den dach.1801
[p. 149]
lecker-beetje
 
Wel an mijn heer ick ga.
 
Hem sick, hou, poep! hem sick! maar evenwel laat niet na1802
 
My te bestellen doch in een soo vette keucken,1803
 
Daar ick mijn gladde Kin mach in de Botter meucken.1804
baron
1805
Ick sal Lecker ick sal.
lecker-beetje
 
Wel daar me streef ick voort.1805
baron
 
O wat een knecht is dit!1806
lecker-beetje
 
E hem! maar houtie woort.
baron
 
Ongeluckige Min, hoe lang suldy benijden1807
 
Mijn goude vryicheyt? ick moet vermaledyden
 
De rampsalige uur en oorspronck van mijn smert,
1810
Doen ick ellendige u slaaf en dienaar wert.
 
Maar drye en viermaal zijn vervloeckter noch de schichten1811
 
Die ghy verborgen schoot uyt die soete gesichten1812
 
+Van mijn hoochmoedige en lieffelijcke Vrouw,1813
 
Die wederwaardelijck my dompelt in den rouw.1814
1815