terug  begin  verderprepost
[p. 151]

Het vierde deel, eerste uytkomen

ascagnes. Carponni. Lecker-beetje.
 
De glinsterige Son is onder't water duyck,1833
 
En laat zijn plaats de Maan, die met haar swarte huyck1834
1835
Beschaduwt en bedeckt d'Ultermarine salen1835
 
Des Hemels, want 't is nacht, waar in haar aasem halen1836
 
Het lastdragend' gediert, en 't afgesloofde vee,
 
De Vogeltjens vermoeyt, ja selfs de menschen mee.
 
De heele werrelt rust: alleenlijck uytgenomen1839
1840
Lucelle, die mijn wacht in dese uur te komen,1840
 
Om te voldoen mijn trouw met vruntschap ongeblust1841
 
In 't vrolijck Paradijs van ons vermaack en lust.
 
O onverlijckbaar uur van vreuchden en van vreden!1843
 
O geluckige nacht! o uur vol salicheden
1845
Voor my! siet daar, de deur is open, doch met wil,1845
 
Nu ick sal binnen gaan bequamelijck en stil.1846
Ascagnes binnen, lecker spreeckt.
 
O bloemer harten, foey! gans kruys ick mis mijn sinnen.1847
 
Waar bleef Ascagnes daar? o mijn! hy is daar binnen.
 
Gaat veugel daar gy gaat, je loopt selfs in u val,1849
1850
Gelijck de muys. Hy is al daar hy sterven sal.1850
[p. 152]
 
+Ick sal in aller yl mijn meester wacker maken,
 
Dat hy dit spul eens siet, maar 'kmoet voor alle saken1852
 
Bedencken eerst een vondt en loose schallickheyt:1853
 
Want hy houwt dese twee in sulcken achtbaarheyt,1854
1855
Dat hy het minste quaat van haar niet heeft te duchten;
 
En 'twyl ick't hem vertel, so mochten sy ontvluchten.
 
Op op myn meyster, op ter wapen, wapen, op.1857
carponny
 
Wel wat dolheden heeft den esel in zijn kop?1858
 
Wat rasery is dit, dat ghy my steurt in't slapen?
lecker-beetje
1860
Ick sech niet anders Heer, als haast u toch ter wapen,
 
En rijst, en laat u rust, of ghy wert dese nacht1861
 
De alderarmste man van u geheel geslacht.
 
Want siet twee dieven zijn in u kantoor geklommen
 
By't sydelvenster in, en rooven u rijckdommen,1864
1865
En die kleynodie en 'terf van Doctor Ian Baptist.1865
carponny
 
Wel wat? ist oock een droom? hoe? mijn heymlijcke kist,1866
 
Waar in ick heb geleyt mijn dierbaarste iuweelen?1867
 
Fluck haalt mijn kortelas. Ick sal haar leeren steelen.1868
 
Voor seker zijnt doo luy.
lecker-beetje
 
Ay maacktse niet vervaart.
1870
Was ick as gy, ick souw gaan halen mijn slachswaart,1870
[p. 153]
 
En die huysbrekers stracx met een scherm-slach afkloppen1871
 
Tien twintich armen, en een veertich vyftich koppen.
 
Gy souwt dan met een lust en met verwondren sien
 
Hoe dat dat lijfloos goet souw spartlen onder ien:1874
1875
Die hoofdeloose guyts hoe vreemt souwen die kijcken?1875
carponny
 
Maar Leckerbeetje hoort, gy moet my niet beswijcken.1876
 
Nu wacker als een man, siet dat ghy vroom u houdt,1877
 
Gaat toe, en vatse an, treet in.
lecker-beetje
 
Ghy eerst heer schout.1878
carponny
 
Voort wijst my dan de wech.
lecker-beetje
 
Gy selt dat selfs wel klaren.1879
1880
Ick sal hier blyven staan, en d'achtertocht bewaren.1880
 
Waar heen mijn Heer? houwt stil, en luystert an de poort,
 
U dochter wort verkracht, heb ick aars recht gehoort.1882

Tweede uytkomen of bedrijf.

Ascagnes. Lucelle. Carponi. Lecker-beetje.
 
Wel aan mijn lieve helft, dat wy geen tijt verspillen1883
[p. 154]
 
Met sloffen reuckeloos, maar ons vereende willen1884
1885
Bevestigen met doen, en nemen wat geneucht
 
In't speelhof van de lust en houwelijxsche vreucht.
 
Ick sal u wijngaart zijn, die woeckrend' u sal geven1887
 
Voor een verdrietig' uur een salich lustich leven.
 
Laat ons gaan plucken tsaam de soetste vruchten, daar
1890
De Liefde mede kroont haar gunstichste dienaar.1890
+
lucelle
 
Och mijn genegentheyt! hoe ben ick dus geluckich,1891
 
En krijch soo blyden loon nu in mijn minne druckich?1892
 
Mijn hartie klockt en slaat: ick ben ick weet niet hoe,1893
 
Ick geef mijn selven op, en u de zege toe.1894
1895
Doch evenwel mijn lief weest altoos toch gedachtich
 
Het woort getrouw en stil.
carponny
 
Ick sterf, ick sterf waerachtich.
 
Ick wort kranckhoofdich. och! ick beef, ick schud, ick schrick1897
 
Door't vreesselijck gesicht. maar raas ick? of sien ick?1898
 
Ick sien Ascagnes is by Lucelle gheleghen.
1900
Och of de Goden nu afsonden eenen regen1900
 
Van solpher, peck en vier, daar dees godloose twee1901
 
Mocht van der aarden of geblixemt worden mee.1902
 
Breeckt daatelijck de poort, slaat doot, en wilt niet schromen,1903
 
Op datse door de vlucht niet vande kamer komen.
[p. 155]

Het derde bedrijf in de vierde deeling.-

lecker-beetje
1905
Ha ghy bedrieger en ghy schender van mevrouw,
 
Geeft u gevangen, kort, eer ick u 'thooft afhouw.1906
 
Soo ick Ascagnes docht de kop te smijten stucken,1907
 
Of in zijn borst dit knijf tot an het hecht te drucken,1908
 
Soo schiet hy om geswint, verset dit met een treek,1909
1910
En sloech mijn aveshans recht voor mijn platte beck.1910
 
Wat drommel soud ick doen? ick sweech, ick dorst niet spreken.
 
Klopt so niet meer, docht ick, ick sel de klincksnoer uytsteken:1912
 
Maar hy ontsprong mijn stracx en vlooch voort met een wip1913
 
Na zijn slaapkamer toe, ('kversin me) na zijn knip.1914
1915
Want siet ick liep hem na, en ben flux toegeschoten,
 
En heb van buytene daar binnen hem gesloten.
 
Daar sit hy noch en kyckt. nu ty ick heen te haal1917
Car. uyt.
 
Mijn baas, die nu spreeckt met Lucell' in de zaal.
 
Holla daar is hy iuyst. ay hoort den grynsert morren,1919
1920
Dat hy Sint Teunis verckens op had, hy mocht niet meer knorren.1920
 
Hy knarst, hy knoeyt, hy hort, hoort knor, knor, knor knor knor.1921
 
Nu ick mach swijgen stil eer ick hem meerder por.1922
carponny
 
O schellemachtich kindt! de rampsaalichste Vader
 
Ben ick (laas!) van mijn eeuw, oft oock van allegader.
1925
O ongetrouwe knecht! o mijn bedurven huys!
[p. 156]
 
O mijn wreede Planeet! och fortuyn, wat een kruys1926
 
Lecht ghy mijn outheyt op? helas! ick mocht welseggen,1927
 
Dat mijn dit groot geluck een loose laach sou leggen.
 
Wat kan ter weerelt toch my swaarder komen op,1929
1930
Dat meerder prangen mach voor desen kalen kop,1930
 
Als dat mijn eenich kint, mijn dochter, na den bloede
 
(Dochter? neen Aaterling, en bastert van 't gemoede.)1932
 
+Verlaat het pat des deuchts, en slaat ter slincker om?1933
 
Mijn kint, mijn steunstock van mijn kromme ouderdom,
1935
Die heb ick moeten sien selfs voor mijn oogen schenden,1935
 
Niet van een Koninx kint, maar van een onbekenden1936
 
Verarmden Visschers soon. en sy is noch soo stout,
 
Dat sy mijn seggen darf, dat sy hem heeft getrout.1938
 
Oock dat sy was van sin om met hem wech te trecken,
1940
En had ick 't niet belet. dees woorden die verwecken1940
 
Een sulcken strijt in my, dat'ck twijffel wat ick wil.
 
De spraack begaf mijn. ach! 't scheen dat my 'thart ontvil,1942
 
Doen dit de Deeren sprack. ick ging beschaamt van boven,1943
 
En sloot het slot int slot, de grendels voorgeschoven
1945
Tot door de krammen heen. soo sal de deur oock staan,
 
Tot ick in dese saak my beter sal beraan.
lecker-beetje
 
Ascagnes sit oock vast, want soo hy mijn ontsnapten,1947
 
En sloop zijn Kamer in, die hy oock stracx toelapten,1948
 
Daar docht hem was hy vry. wat denckje deed ick doe?
1950
Ick ging en sloot de deur wel vast van buyten toe.
 
Nu overlecht mijn Heer wat dat u is van nooden,
 
En met wat doot dat ghy Ascagnes wilt doen dooden.
[p. 157]
De vader
 
Maar waarom suff ick dus, en wend mijn wijsheyt an1953
 
Een sake die ick doch geensins beletten kan?
1955
Want siet sy zijn getrout voor Gode met haar beyden,1955
 
En wat God t'samen voegt dat mach geen mensche scheyden.1956
 
O eer van mijn geslacht! adieu mijn suyvre staat.1957
 
De Kindren sullen my nawijsen by der straat.
 
'tGeselschap dat ick plach in eeren te behagen,
1960
Dat sal my schuwen trots, of spijtich van sick jagen.1960
 
Mijn vyant sal (o spijt!) noch spotten met mijn schant,
 
De vreemde speelders die soo loopen door het landt,1962
 
Die sullen over al op Kamers en Tonneelen
 
Dese geschiedenis afschildren en naspeelen.
1965
Ick sal het sproockje zijn van de gemeene lien,1965
 
Een yder sal my daar scheets lacchend op aansien.1966
 
De dieven, die de eer bedeckt van vrome steelen,1967
 
Die sullen mijnen naam met laster dichten streelen.1968
 
Men sal my over dis, op wagens, of in schuyt1969
1970
Tot een tijdtkorting dit vertellen als een kluyt,1970
 
Gelijck als voor wat nieuws, wat koddichs, of belachlijck.1971
 
Dit soude my (helaas!) doch zijn te onverdrachlijck.
 
Ick weet een beter raat, al is sy schoon wat wreet.1973
 
Daar is noch niemant die van desen handel weet,1974
1975
Dan ghy, van welckes trouw ick my wel vast verseker.1975
 
Gaat stracx tot mijn gevaar Meester Hans d'Apoteker,1976
[p. 158]
 
+En secht dat hy u doet twee oncen scharp Fenijn,1977
 
't Sy van Marmatica, of dat soo quaat mach zijn,1978
 
Dat een kleen greyns gewicht een mensche kan doen sterven1979
1980
In eenen oogen-blick.
Lecker in.-
De vader in zijn selfs.
 
O help? hoe menichwerven
 
Ben ick bedrogen door het uyterlijck gelaat!1981
 
Maar d'aldergoetste schijn is valscheyt inder daat.
 
Want op Ascagnes trouw soud ick hebben gesworen,
 
En op de Vaders liefd mijns Dochters uytverkoren,
1985
Die luttel tijts verleen wel heuschlijck heeft ontseyt1985
 
Den edelen Baron van hooger waardicheyt:
 
Om datse souw dan doch wat meer vernoegings geven1987
 
Mijn jaren afgement, en moe en mat van leven.1988
 
'tIs waar dat schijn bedrieckt, gelijck hier staat in schrift.1989
1990
Sy sullen alle bey sterven an dat vergift,
 
Dat Leckerbeetje stracx is heen geloopen halen.1991
 
Want na Ascagnes sal doch niemant niet eens talen.1992
 
Een snelle sieckt of pest mijn Dochter heeft gedoot,
 
Dat sal ick seggen wis, en voort en macht geen noot.1994
1995
Al doet het my al seer dat ick haar sal verliesen.1995
 
Men moet toch van twee quaan altoos het minste kiesen.
lecker-beetje
 
Siet daar is het vergif. hy seyt het is wel fijn,1997
[p. 159]
 
't Sal in een ommesien haar helpen uyt de pijn.1998
carponny
 
Hoe nypje so jou neus; wel wat beduyt doch datte?
lecker-beetje
2000
Mijn Heer, ick vreese seer dat het mijn oock sal vatten,2000
 
Gelijck de Mostert doet.
carponny
 
Wilt stracx mijn sinckroer laan,2001
 
En mengelt dit in een, en volcht mijn achter aan.

't Vierde bedrijf.

De vader, Ascagnes, Leckerbeetie.
 
Hout daar, Ascagnes, houdt, houdt daar ghy nuw-gehouden,2003
 
De morgen-gaaf die ick u geef met u getroude.2004
2005
Fluck neemtse dat ick 't sie, eer ick door gramschap dool.2005
 
Ick geef u keur van bey, de dranck of de Pistool.2006
 
Voort, kiest of deylt oock stracx wat u dunckt het gesienste.2007
ascagnes
 
Is dit de loon, mijn Heer, van mijn getrouwen dienste?
vader
 
Nu swijchtmen, sech ick, swijcht, en spreeckt mijn niet een woort.2009
[p. 160]
ascagnes
2010
Ick bid ootmoedich dat ghy doch een luttel hoort.
 
Mijn Heer aanschout u knecht, die met gevouwden handen
 
U om vergeving bidt.
vader
 
Wel an, ick sal afbranden,2012
 
Geeft mijn het sinckroer hier, ick los het in zijn krop.2013
ascagnes
 
'k Sal u gehoorsaam zijn.
vader
 
Drinckt de helft uyt de kop.
ascagnes
2015
Houdt daar, soo 't u belieft, ghy meuchtse weer wech leggen.2015
vader
 
+Blijft daar tot hy verscheyt, en komtet my dan seggen.
Vader binnen.
ascagnes
 
O barbarisch gemoet! o wreede tyranny!
 
Die nu soo onverhoet (helaas!) doet sterven my.
 
Wat heb ick jonger helt een leven moeten leyden2019
2020
Gestapelt en gepropt van alle swaricheyden!
 
Want het is seker dat van mijn geboortenis
 
'tRampspoedich ongeluck my staach gevollicht is,
 
En heeft my allesins bevochten en bestreden.2023
 
Maar dit sou zijn een lust in mijn ellendicheden,
[p. 161]
2025
En selve na mijn doot soo sou mijn vleesloos bien2025
 
Een sachter rust ontfaan, soo'ck haar noch eens mocht sien,2026
 
Om haar te spreken yets van sulcx, in dier voegen,2027
 
Dat haar niet anders souw als hartelijck vernoegen.
 
Ach Leckerbeetje doet soo veel om mijnent wil,
2030
En doet haar komen hier bedecktelijck en stil.2030
lecker-beetje
 
Hier komen? benje mal? wel wat mach de sot spreken?2031
 
Hoe na wouw gy weer jou sleutel in haar slot steken?2032
 
Neen, neen, sy het te doen, ten komter niet te pas,2033
 
s'Is besich by haar Vaar. my dunckt dat beter was,
2035
Dat ghy in u gemoet gingt nechtich overwegen,2035
 
Hoe dat u reekning staat. bedenckt dat eens te degen:2036
 
Op dat ghy niet met schrick voor 't Godlijck aanschijn vreest.
 
Spreeckt dan in uwen hant beveel ick mijnen Geest.
ascagnes
 
Patiency, secht haar dan, als ick ben overleden,2039
2040
Dat sy het bly cieraat verander in treur-kleden,
 
Doch datse duldich draach haar opgekomen kruys,2041
 
En dat sy weduw' is, die tsaarte dochter kuys,2042
 
Selfs van een Edeling', van 't adelrijcke huys2043
 
In Walachien 't groost van 't Coningrijck van Polen,2044
2045
Die om de achterklap (helas!) heeft moeten dolen
 
Tot in het Fransche rijck, tot Lyons inde Stadt
[p. 162]
 
'tVillicht dat sy eer lang hier breer bescheydt afhadt.2047
 
Vermits mijn Vader soeckt door mid'len en door kunsten
 
My weer te dringen in mijn Heer de Prins syn gunsten.2049
lecker-beetje
2050
Ghy rijmelt, ghy raas-kalt. hoe ist hier eelen baas?2050
 
Is dit uw' uyterste. hy is nescq of ick raas.2051
 
Maackt dat de kindren diets, hoe dat in ouwe tijen
 
De Mannen plegen op een beusem stock te rijen:2053
 
En dattet Vroutjen eerst ging wacker op haar hooft,2054
2055
Of andre beusling. gy liecht dat gy 't selfs gelooft.
 
O goetdunckende geck, wat laat ghy u doch veur staan?2056
 
Buuren kijck uyt, staat breet, laat d'Edelman doch deur gaan.2057
 
'tIs moog'lijck dat u Vaar hier voortijts is geweest
 
De Luytenant generaal van Ragot onbevreest.2059
2060
Waarom geen Koronel van 't Leger vande luysen?
 
Lest las ick in 't chronijck van een van hoogen huysen,
 
+Ascagnes oock genaamt. nu weet ick niet voorwaar,
 
Of het u oudtoom was, of bloetvrient, of Groot-vaar,2063
 
Die sulcken slagen sloech, dat hem niet een ontslipten
2065
Die hy niet met zijn duym of met zijn nagel knipten.
 
Schijt Samson, Hercules, ia al de reusen kloeck.2066
 
Dees neerlaach is geschiet in de naat van zijn broeck,2067
 
En dickwils in zijn Hemd, als hy 's nachts niet kon rusten,
 
Door die Mensch-eters wreet, die 't bloet suypen met lusten.
2070
O 'tis een vinnich volck, voorteelich en onkuys,2070
[p. 163]
 
Haar aansicht is van kleur niet anders als een luys.
 
Maar hy wasser te gau, hij wistse te betrapen,2072
 
Het was een oorlochs-man geboren met de wapen.2073
 
Na dit moeskoppen fel so lieper by de zoom2074
2075
Een stroock en streeck van bloet, gelijck een waterstroom.2075
 
Dat duurde wel een uur: en sint wert hy verheven,
 
De kalen adel heeft hem tot een eer gegeven
 
Van zijn heldachticheyt dit wijtberoemde schilt,
 
Drye grauwe luysen op een grys versleten vilt.2079
ascagnes
2080
O wreed en boose mensch! wat relt ghy voor mijn ooren?2080
 
Swijcht van u guytery, ick macht niet langer hooren.2081
 
Eylaas! hier is de stondt dat ick vergeten moet
 
Wat my ter werelt is behagelijck en soet.
 
Gedenckt Ascagnes nu aan 't eynde van u dagen,
2085
Aan 't eynde van u pijn, aan 't eynde van u plagen,
 
Aan d'alderleste weeck, aan d'alderleste dach.
 
Aan d'alderleste uur, daar niemant af en mach.2087
 
Want siet u doot genaackt, vermits dat ick bemercke,
 
Dat 't ingenomen gift met kracht begint te wercken.
2090
O vernielende doot! sult ghy dan vetter zijn,
 
Wanneer ghy hebt geschockt dit lichaam (laas!) van myn?2091
 
Neen neen ghy seker niet, maar ick sal zijn geluckich.
 
Door 't scheyden uyt dit dal der tranen droef en druckich,
 
Om deelachtich te zijn het alderhoochste goet,
2095
En 't Godlijck wesen van d'alwijse Schepper soet.
 
Al wat de Son beschijnt, en sich vertoont op aarden,
 
Dat is verganckelijck en van seer kleener waarden,
 
By't onverderflijck, dat hier boven is om hooch,2098
 
Van welcx opmercklijckheyt het alderscharpste ooch2099
[p. 164]
2100
So verre sich vergrijpt, so verre sich vergeet,2100
 
Dat het vant tydelijck noch van het aartsch en weet.
 
Dit is het gene dat d'aal-oude Dichters melden,
 
Dat onse schimmen gaan over d'Elysy velden2103
 
Tot aan Lethes rivier, welck is van sulcker kracht,2104
2105
Dat sy vergeten doet al't werreltsche geslacht.2105
 
De gryse Griecken, die van wijsheyt mogen roemen,2106
 
Die gaan niet ydelijck het smenschen lichaam noemen2107
 
+De kercker van de geest, vermits sy hem besluyt,2108
 
Dat hy niet mach na wil zyn vleug'len strecken uyt.2109
2110
Het schijnt dat ons geboort, die doch begint met treuren,
 
Ons propheteren wil wat ons hier sal gebeuren:
 
Dat 's weenen, ongeval. want die't al wel besiet,
 
Selden beleeft men meer als quelling en verdriet.
 
Geluckich synse die haar strijdt hebben gestreden,
2115
Haar loop hebben ge-ent, en slapen nu in vreden.2115
 
O doot! ghy die daar zyt de ruste van mijn ziel.
 
O doot! wiens naam dat my eertijts soo lastich viel.2117
 
O doot! geen doot, maar eer gemeene wech ten leven,2118
 
Door wien dat men ontgaat d'ellenden, daar beneven
2120
Het wissel waalbaar lot des rancken avontuurs.2120
 
O doot! o goede doot! die voor een weynich suurs
 
Eeuwige soetheyt geeft. de gelucksalige zielen,
 
Die in't hemelsche hof rontsom haar Koninck krielen,
 
Sy sien geen ongeluck, sy sien geen ongelijck,2124
2125
Want niemant is daar arm, maar alle zyn sy rijck.
 
Het schricken van de kans doet haar niet ancxstich swieten.2126
 
Onsterffelijcken God! laat my dit luck genieten.2127
[p. 165]
 
Gebiedt u knechten doch met Goddelijck bestier,2128
 
Dat bidd' ick innichlijck, dat zy mijn ziel van hier
2130
Doen vliegen opwaarts op, door wolcken en gewemel,
 
Tot voor u gouden throon en alderklaarsten hemel,
 
Dat sy de vruchten smaack, en het onentlijck licht,2132
 
Dat stadich flickert van u heylich aangesicht.
lecker-beetje
 
Sijn naars die is al kout, nou moet hy onder de kluyten,2134
2135
Maar holla, ick moet ierst gaan huylen tranen met tuyten
 
Na d'ouwe wet. och och! daar leyt hy soete vaar.2136
 
Och 'twas sulcken vrouwe man! och 'twas sulcken sneuckelaar!2137
 
Hy kon't soo moytjes doen, wie sel't nouw voor hem bewaren?2138
 
Staach sat hy en stelde: stronck strongt soo gingen al zyn snaren,2139
2140
Daar leyt die schoonpraat, och! daar leyt die schoon in't ooch,
 
Die valsch achter de rug, och daar leyt hy met de pisser vast om hoog!2141
 
Maar krijt ick al genoech? kijck hettet al wat gracy?2142
 
Och 'twas een bet vol stancx. och 'twas een straat vol stacy.2143
 
Och, 'twas een kerck vol volckx. och 'twas een huys vol wercx. och 'twas ick weet niet wat.
2145
Och ick verbly myn wel een ellen in mijn gat.2145
 
Hoe koom gy doch al weer doot myn lieve soete gecks-kuyf.2146
 
Adieu, och dat ick soo haast van iou scheyen moet speckstruyf.2147
Car. uyt.
[p. 166]
 
Maar waar sullen wy'er mee heen? hoe krijch ick hem buyten 'shuys?
 
Wil ick hem met een stien om zyn hals gaan werpen inde sluys?2149
2150
Of wil ick hem in de back, of in het kackhuys schieten?2150
carponny
 
Neemt ghy hem om de borst. komt hier voort Margeriete,
 
+En draacht hem op die leer die ghy daar ginder siet.2152
 
Brengt mijn kint dit juweel, secht haar, en latet niet,
 
Dat sy nu soo veel lust soeckt uyt zijn doot te scheppen,
2155
Als hy wel vreucht genoot doen hy hem plach te reppen,2155
 
En dat sy dese dranck alleen geniet van mijn,
 
Om eeuwelijck met hem vergaart en wel te zijn.
lecker-beetje
 
Siet hier Juffvrouw de vriendelijcke presentacy,
 
Die u u Vader sendt, vrouw van de lichte nacy,2159
2160
Mijn Meester stuurt u dit, en dese brave kroes,2160
 
Op dat gy al dit goet souwt drincken eens gaaroes2161
 
Op de gesontheyt van al die u hier in dienden,
 
Met al u bruylofts volck en aldernaaste vrienden.2163

'tVijfde bedrijf-

lucelle. Margarieta. Lecker-beetje
 
Komt sulpher-geesten vaal, komt spoocken snar en snel,2164
2165
Komt Eungers, komt geswindt, en klautert uyt de hel.2165
 
Komt Duyvels, Nickers komt, komt ysselijcke droomen,2166
 
Komt nachtgesichten, die daar waren aen de stroomen2167
 
Van den vervloeckten gront in 't naare heylloos rijck.
[p. 167]
 
Komt onder-aartsch gedrocht beklautert van het slijck.2169
2170
Loopt, blickert, blakert, brandt met u beteerde toortsen.2170
 
Komt dulheyt, rasery, komt sieckten, pesten, koortsen,2171
 
Serpenten, slangen, en giftige dieren wreet,
 
Die tot vernieling van den menschen zijn gereet,
 
En schent, en schiet, en scheurt de weerelt, is het doenlijck.
2175
Komt swarte Goden boos, komt Parcken onversoenlijck,2175
 
En ghy o blixem vlugg' vliet vluchtich ende ras,2176
 
Brandt huysen, toorens hooch tot pulver en tot as.
 
Wat toefdy, donder, die het trotste hart doet schricken?
 
Gaat baldert, klatert, klapt hemel en hel in sticken.2179
2180
Ick trots u guychel-spel, ick puff u grootste kracht,
 
Ick tart u allen uyt, komt hebdy hart oft macht.2181
 
Bortelt op dese borst, en knuest mijn kloecke leden,2182
 
En martertse tot stof. Ick wensch te sterven heden,2183
 
Om dat ick nu moet sien (o gruwel al te groot!)
2185
De huys-heer van mijn hart en al mijn blijschap doot.2185
 
O aarde luyckt doch op, barst open, neemt rechtvaardich2186
 
Wraack van 'tonnoosel bloet, gelijck de schelm is waardich.2187
 
Och ongeluckichste van al u levens tijdt!2188
 
Wat doedy felle doot mijn ziel een groote spijt?
2190
Mijn sinnen borlen tsaam, mijn harte schopt van vresen.2190
 
Margriet, ick sterf, ick sterf. ay helpt my in dit wesen.2191
[p. 168]
+
margrieta
 
Helaas! sy heeft voldaan en alles uytgevoert.2192
 
Ick sie niet dat sy lidt of leen of lichaam roert.
 
Sy haalt haar aasem noch, brengt mijn eeck. ach Lucelle2194
2195
Verpijnt, u, maackt wat moets, het lijfje mach haar knellen,2195
 
Ick sal't onthaken, en een weynich haar ontdoen
 
De koussebanden en de linten van haar schoen:
 
Op dat haar laffe hart, quackx van 't anborstich hygen,2198
 
Weer wat verquickins en wat vryer lucht mach krygen.
lucelle
2200
Wel aan geeft my de dranck van water en Fenijn,
 
Dat tegenwoordich sal het ware middel zijn,2201
 
Waar door ick heylichlijck met innerlijck verblijen2202
 
Mijn ionge leven sal dit koude Lijck toewijen,
 
En offren't op't altaar mijns ziels, een offerandt
2205
Van't suyverst' van mijn hart en't klaarst van mijn verstandt.
 
Ach edel lichaam, dat door u bediensticheden2206
 
Verdienden al mijn dienst en hoogste ionste mede.2207
 
Houdt daar, herneemt den Nap, en secht mijn vader danck
 
Van vaderlijcke gunst en van zijn lieve dranck:
2210
Die mijn veel waarder is dan al de Artsenijen.
 
Want hy souw mijn voorwaar met een verdrietich lijen
 
Gemartelt hebben, by so verre ick een nacht2212
 
Laas! na mijn Bruyd'goms doot, souw hebben doorgebracht.
 
Ghy meucht hem vryelijck oock wel te kennen geven,
2215
Dat mijn Ascagnes is noch levendich gebleven,
 
Al leyt hy uytgestreckt aflyvich in de schijn,2216
[p. 169]
 
Siet hier zijn eygen helft, hy leeft hier noch in mijn.
 
Ach glory van u tijdt! die staat-sieck, noch eer-suchtich2218
 
Manhaftelijck verkreecht den tytel van doorluchtich,2219
2220
De bloem des Edeldoms en welgeboren ieucht,
 
Door anders daden niet, maar door u eygen deucht.2221
 
Ach schoone oogen! ach de sonnen van mijn leven!
 
En soud ick niet voortaan in't duyster moeten streven,2223
 
Dewijl een staage nacht verdooft u glansen blont?2224
2225
Ach soete lippen bleeck! ach liefelijcke mont!
 
Wiens wyse redens my bekalden vaack in't hooren,2226
 
En trockt ten lichaam uyt mijn ziele door de ooren,
 
Vermits 'tbewegen van u heusche toover-taal.2228
 
Ick moet u soenen (ach!) hondertich hondertmaal.2229
2230
Ach! ist gelijck men seyt, dat als twee Liefjes kussen
 
Den ander voor de mont, dat twijlen ondertusschen
 
De sieltjes spreken tsaam, als door de vensters van
 
Het ongevoelijck lijf: siet ick besweer u dan2233
 
O alderbraafste ziel, hebdy eenige krachten,2234
2235
Of kunst, of wetenschap, so wilt mijn niet verachten.2235
 
Maar secht doch nu Adieu slechts eensjes noch een reys
 
U mistroostige lief. ach vleysje van mijn vleys,
 
+Ach mijn waardige ziel, mijn leven, en mijn lusten,
 
Hoort mijn klachtige stem. Hoe moochdy doch so rusten?2239
2240
Siet u bedroefde Bruyt is moedeloos en swack.
 
Mijn troost secht my Adieu met d'alderleste snack.2241
[p. 170]
margrieta 'in haar selven.
 
Ach wat een wangelaat! ach wat weemoedich treuren!2242
 
Ach sietse 'tschoon aanschijn, heur hayr en kleeren scheuren,
 
Gelijck de dolle luy, sy krabt haar wangen op.2244
2245
Hoe schricklijck branden nu de oogen in haar kop?
 
Ick darf niet bij haar gaan, sy mochtmen oock verderven.2246
 
Ach susje moet ick u sien voor mijn oogen sterven.
 
Lucelle, ach ick sterf, of maticht wat u druck.2248
lucelle
 
Ick sal geen slaaf meer zijn van't hartneckich geluck.2249
2250
Want siet de doot die komt, die mijn de deur maeckt open
 
Ten blyde boogaarts daar de saligen naar hopen.2251
 
Adieu, ick kus voor 't lest u koude handen tsaart,2252
 
O lichaam dat alleen is 't eewich leven waart,
 
De witte Engeltjens die zijn misschien onledich,2254
2255
En leyden nu dijn ziel voor't Godlijck aanschijn sedich2255
 
Onder 'tverkoren tal, daar ghy mijn plaats bewaart
 
En wacht my swoegend' van u hooge hemelvaart2257
 
Door wolcken en door lucht. Goon doet mijn vader smarten2258
 
En leet zijn onse doot: die'ck hem vergeef van harten.
margrieta
2260
Helas! daar leyt sy doot gelijcken of sy swymt,2260
 
Haar mont schijnt an haar lief Ascagnes mont gelymt.
 
Ach onbillijcke doot! ghy toont aan al u wercken2262
 
De wreetheyt van uw' aart door moortdadige mercken.2263
[p. 171]

De seste handeling.-

De verliefden baron ende Margareta.
 
Hola ick wacht te lang. de roode dageraat2264
2265
Die kundicht dat de Son zijn flucksche paarden slaat2265
 
Ten gulden wagen in, en smoort de donckre lampen
 
Zijns susters, hy treckt op de nevelige dampen,2267
 
En geeft het vrolijck licht, den aangenamen dach,
 
Den dach (segh ick) dach die Ascagnes vloecken mach.
2270
Om dat hy my met list de hoop soeckt af te snijen
 
Door de verwaantheyt van zijn ongeoorloft vrijen,
 
Soo sweer ick hem de doot. Ick spouw mijn gal van spijt,2272
 
Waar sydy Lecker nu? die my op dese tijt2273
 
Den schellem hebt belooft te leveren in handen,
2275
Dat ick mijn wreken mocht van de geleden schanden.
 
+Ick hield'hem arm en been ja 't hooft wel van zijn lijf.2276
 
Wat houwt my dat ick hier dus samelende blijf?2277
 
Wel ick gaader na heen, gelijck als na een Kopper.2278
 
Hoe nu? de deur is toe, dan doch hier hangt de klopper.2279
2280
Goeden dach Jofvrouw, is heer Ascagnes t'huys?
margrieta
 
neen,
 
Hy heefter al geweest.
baron
 
Hoe? is hy overleen?
[p. 172]
margrieta
 
Helaas! weet ghy 't alrees?2282
baron
 
Ach ick kom om te wreken
 
Van sulcken trotsen trots, die ick niet mach uytspreken,2283
 
Wat souw hy? is hy doot? wel hoe kan dat geschien?2284
2285
Ist moochlijck? is het waar? dat moet ick eens besien.
 
Ach! most ick hier in treen, op dat ick souw anschouwen
 
Dit deerlijck schouwspel? hoe? wel wat is dit? mijn Vrouwe
 
Lucelle die is doot, en siet Ascagnes an,
 
Waarachtich het is meer als ick begrijpen kan.
2290
Ick twijffel in dit stuck. misschien ist by gekomen,2290
 
Dat van haar beyder liefd de Vader heeft vernomen2291
 
Te vrye vruntschap, die oock mooglijck was so groot,2292
 
Dat hyse daarom heeft vergeven, of gedoot.
 
Noch gistren heeft u Knecht my yets daar van vertrocken.2294
2295
Ach! ick swem in een zee van gulle ongelocken,2295
 
Hoe'ck meer dees Frenesy wil smijten uyt mijn sin,2296
 
Hoe ickse verder laat ter zielen kruypen in.
 
Ick slacht 't gewonde hart, dat met zijn snelle voeten2298
 
Zyn eygen doot verhaast, of wanneer alst met vroeten
2300
De welgetroffen pijl wil wriblen uyt zijn sy,2300
 
En drucktse dieper in, recht gaat het so met my.
 
O Schepper, Bouw-heer van de eeuwige woonsteden,2302
 
Tot wat ramp heeft de noot myn toch geroepen heden?
 
Mijn sech ick, die versocht heb met de starckste mans2304
[p. 173]
2305
Hoe vele dat vermocht de treffing van de lans:
 
Dan (laas!) ick arme sot en heb niet konnen dencken
 
Dat my een teere Maacht mijn moedicheyt sou krencken,2307
 
En rucken uyt mijn borst het harte sonder slach,
 
Maar met een lieve lonck en lodderlijcke lach.2309
2310
Ick die heb uytgestaan soo veel hazaards en lijden,2310
 
In tochten prijckeloos, in slachten en in strijden,2311
 
In het beleegren en verwinnen van de steen,2312
 
En heerlijckheyden groot: sal ick eylaas alleen2313
 
So bitter zyn onthaalt van die al-waarde Vrouwen,2314
2315
Die al de mannen doch voor 's werrelts suycker houwen?
 
Ick souw met meer gedult vergeten noch mijn leyt,
 
Indien dees schoone Vrouw so dreuts niet had ontseyt2317