[p. 176]
+
Het vijfde deel, het eerste uytkomen.
De Capiteyn
baustruldes
'kHeb sedert myn vertreck uyt
Polen
soo gereen,
2368
Gereyst, gerotst, gerunt door wegen, bergen, steen,
2369
2370
En dach noch nacht gerust, maar naarstich doorgetogen,
Op hope of ick souw te vinden komen mogen
2371
Myn Heer de
Casteleyn
van't
Posnanische
slot,
2372
Vermits het machtige en dwingende gebodt
2373
Van de Prins en Palsgraaf van 't landt van
Walachyen
,
2375
Sijn Vader, die my dwang op dese tocht te tyen,
2375
Om dit packetje flux te brengen aan zijn soon,
Den armen Prince, die uyt vreese sich ter woon
In ongewoone dienst vrywillich heeft gegeven,
En slijt in slaverny 'tKeurvorstelijcke leven.
2380
Den eedlen Heere dient een minder Heer als hy,
Hier binnen in
Lyons
, tot eenen
Carponny
,
2381
Banckhouder van de Stadt, daar hy om te verbloemen
2382
Sijn Princelijcke naam,
Ascagnes
hem laat noemen:
2383
En wacht daar met gedult het eynde van zyn druck,
2384
2385
En van zyn ballinckschap en spytich ongeluck.
2385
Maar houwt! siet hier het huys daar men my seyd' voor desen
2386
Dat sich de Prins onthoudt (laas!) in het knechtsche wesen.
2387
[p. 177]
De deuren staan op. hou! niemant komt voor den dach,
2388
Noch niemant antwoort my. ick hoor een swaar geklach.
2390
'Tis best dat ick mijn gang daar lijslijck ga na vlijen.
2390
Wat deerlick schouspel! ach! ick smelt van medelijen.
Maar is het oock een droom? of is het oock een schijn?
'Tis leven in der daat, dat moet waerachtich zyn.
2393
Hier staat een Edelman kranckhoofdich en gewapent,
2394
2395
Daar leggen twee gedoot, of zijn ten minsten slapendt,
Het sy dan een van twee, gins sit een schoone maacht
2396
Die met een groot misbaar ellendich schreyt en klaacht.
Wel aan, ick ben gemoet den Elinck an te spreken,
2398
'kSal met een heusche groet zyn dulle gramschap breken,
2399
2400
En vragen hem met een na tyding en bescheet,
2400
'Tis moog'lijck dat hy van mijn Heer de Slot voockt weet.
Tweede handeling in 't vijfde bedrijf.
capiteyn
,
Baron, Lecker-beetje
.
Vergeeftet my mijn Heer, ist dat ick buyten reden
2402
Vrypostich en te stout tot u hier binnen trede,
+
Na dien ick heb geklopt, geroepen en gesocht,
2405
En vand'ick niemant die myn vraachd' of antwoort brocht.
En soudy my myn Heer niet sekers kunnen seggen
2406
Waar dat
Ascagnes
is?
baron
Daar suldy hem sien leggen,
Met vergift omgebracht van zyn Heer
Carpony
,
Om dat hy met zyn kindt en dochter was te vry
2410
In handel van de min, die hy oock van gelijcken
2410
Vergeven heeft, gelijck ghy selve moocht bekijcken.
2411
[p. 178]
tekstkritische noten
capiteyn
Ach hemel wat ick sie! hy ist. wie heeft gehoort
Van sulcken moordery? van sulcken Princen moort?
Ontfermharticheyt brengt voort van alle kanten
2414
2415
'Tgerecht, de Maarschalck met zyn dienaars en sarjanten:
2415
Op dat sy wreken stracx de manslacht en de doot
Des eedelen Eerentfest Landtdrost, en bontgenoot
Selfs van de Poolsche kroon, en Princen vanden bloede.
2418
O moort! o moordery om uytsinnich te woeden!
2420
Ach waar blijft doch de wet, de Marckgraef en de Schout?
2420
Ach! komt myn Heeren komt.
lecker-beetje
Ick sweer't soo waar as gout,
Dat dese selfde man wat met de kop equelt is,
2422
Of met de lepelsucht. ick denck 't rabbat ontstelt is.
2423
Hoe ist Jan kurckevaar? hoe ist man van deus aas?
2424
2425
Waar schortet iou toch? in je buyck? of in je blaas?
capiteyn
Ach help myn Heeren help, helpt burgers ende buuren,
En wilt myn het Gerecht doch stracx te hulpe stuuren.
lecker-beetje
Hoe raast dus karel soo? hoe ist hier? binje mal?
Of quelje de keyseroen? o vaar se licken iou al.
2429
[p. 179]
tekstkritische noten
2430
Ba neus, o mannetje mug,
2430
Sy klimmen iou al by de rug,
Sy byten iou puysten as vuysten,
En gaten als half vaten.
capiteyn
Wat let u stucke boefs? wat drijfdy noch de spot
2434
2435
Met de doot van een Prins? gaat wech vervloeckte sot,
Of ick sal u terstont die boose keel afsnijen.
lecker-beetje
Dat gat en boorje niet, 'kmach dat peutren niet lijen.
2437
De keel of? ia wat haast. snijen? ick schey'er uyt:
2438
Snij gy iou buyck vol, en laat my myn hiele huyt.
2439
Lecker
treckt zijn Meester an een sy
.
2440
O watte duyvel baas? nou is het ommekomen.
2440
Och had'jer geen van bey het leven doch benomen:
2441
Soo waar ick sonder vrees van vangenhuys, of gevaar
Voor pijnbanck of voor doot. want dese man seyt waar.
Ascagnes
als hy starf die heeftet myn gesworen,
2445
Als dat hy was een Prins gewonnen en geboren;
In't rijcke van de Pool. daarom mijn meester gaat,
En vraacht wat meer bescheyts van hem en van zyn staat.
2447
+
carponny
En maackt geen swaaricheyt mijn heer om te vertrecken
2448
U last, en wien u stuurt: ick sal u dan ontdecken
2450
De oorsaack van zyn doot en d'uytvoerders van dien.
[p. 180]
capiteyn
De
Palatijnsche
Prins van
Walachijen
, wien
2451
Wiens Heer en Vader is de hals-heer der heerdijen
2452
Van't vlacke platte lant en't huys van
Pesnanijen
,
2453
Die gaf mijn volle macht te soeken dien beroemd'
2454
2455
En hooch verheven heldt, die ghy
Ascagnes
noemt:
Om hem in aller yl de tydinge te dragen,
Hoe dat
Vladislaus
de Coninck is verslagen,
(Die hem gebannen heeft) alsoo hy op een tocht
2458
Van't Turcxsche leger is beklipt en omgebrocht.
2459
2460
En om de sekerheyt des lants niet te verliesen,
2460
Sijn't de Keurvorsten eens, een ander hooft te kiesen,
En hebben t'saam beraamt, waar, en wanneer, en hoe
De kiesing sou geschien. daar is de Paltz na toe,
2463
Al waar twee duysent man te paarde hem geleyden,
2465
En ter bestemder plaats zyn wederkomst verbeyden.
2465
Daar wil ick nu na heen: haar sal te wreken staan
De schrickelijcke moort aan haren Prins begaan.
baron
Maar isset soo, mijn Heer?
capiteyn
'tis seker als myn ziele,
Of God moet mijn zyn rijck niet weygeren te dielen.
2469
baron
2470
Soo ist mijn bloetverwant van myn grootvaders sy,
Die oock van afkomst was vant huys van
Walachy
.
[p. 181]
tekstkritische noten
Maar mits zyn oudste soon het stieren wert bevolen
2472
Van't vaderlijcke goet, vertrock hy voort naer
Polen
:
En gaf sich in den dienst des Franschen Conincx wijs,
2475
In't welcke dat hy sterf bekindert, rijck en grijs.
2475
Maar d'afgehouwen boom die bloeyt noch door zijn loten,
Van dees loflijcke stam is myn persoon gesproten.
carponny
Mijn beenen trillen, en myn oude borst die slaat.
Ick weet niet hoe ick ben, ick sie myn gants geen raat.
2480
Ick moet dees vreemdeling een weynich meerder vragen.
Ach! 't is met my gedaan, ick mach my wel beklagen.
Ach! ellendiger mensch ter weerelt niet en leeft.
Ick biddet u mijn vrunt, dat ghy myn antwoort geeft
Op 't geen dat ick u vraach. Segt wast om scha of schande
2485
Dat hy moest ballingslants soo swermen achter lande?
2485
capiteyn
Eer ick't u seggen souw ghy styven ouden bloet,
Ick sloech u liever met de hamer onder voet.
2487
Vertreckt vervloeckte grijs nu daatlijck uyt myn oogen,
Want myn gedult en kan u langer niet gedoogen.
2490
Sijn vader de Pals-graaf spits van beleyt en raat
Die hielt hem soo geschickt en dapper in zyn staat,
Dat Koninck
Vladislaus
en oock de Koninginne
Tot hem en tot zyn soon droech vrundelijcke minne,
+
In dier manieren, dat dees Prince op dat pas
2494
2495
De welgesienste vande
Poolsche
jonckheyt was.
Hy was het! die gewoon de prijsen wan vant steken
En 't rinnen met de Speer. hy was het! die met spreken
En minnelijck gelaat der Vrouwen harten stal,
[p. 182]
tekstkritische noten
En dwangse tot zijn liefd': maar meest en boven al
2499
2500
So nam de Koningin in hem so groot behagen
(Vermits de eerbaarheyt) dat sy hem alle dagen
2501
Ten hove riep, en sprack wel lieffelijck, maar heus,
2502
Soo dat de suyverheyt de alderminste kneus
2503
Noch quetsinge en leet. maar siet de felle spinnen
2504
2505
En bittre nijdicheyt der booser menschen sinnen,
2505
Die suygen haar fenijn daar de voedtsame by
En d'alderbeste mensch treckt soetheyts leckerny.
2507
Want een'ge boeve-jacht, of van zijn valsche vrunden,
2508
Die dese vryicheyt en vruntschap hem misgunden,
2509
2510
Die deden aan haar man de Coning dit verstaan,
Dat sy haar echt met hem te buyten had gegaan.
2511
De Coning, die voorheen jaloers was op zijn Vrouwe,
Heeft dees beschulding snood voor waarheyt stracx gehouwe,
2513
En sonder ander proef, als op zijn slim vermoen
2514
2515
Heeft hy den jongen Heer door al 't hof soecken doen:
Sijn Vader voort ontboon, die by gestaafden eede
2516
Van zijn kint niet een mijt te weten heeft beleden.
2517
Waar op hy heeft terstondt de trompet flucx doen slaan,
En door het gantsche Rijck de wete voort gedaan,
2519
2520
Wien dat den eedlen Prins souw brengen om het leven,
Of wien hem brocht zijn hooft, dien souw de Coning geven
Een heele tonne gouts, zijn goederen, en schat,
En 't Casteleynschap dat te voren hy besat.
Uyt dese oorsaack liet hy Vaderlant en vrienden,
2525
En doolden achter landt, tot dat hy quam, en dienden
2525
[p. 183]
Alhier in dese Stadt in onbekent gewaat,
2526
Al waar 't hem is gegaan, recht alst die gene gaat
Die de vreeslijcke smuyl
Charybdis
willen schuwen,
2528
En vallen
Schilla
wreet bedoven inde kuwen.
2529
2530
Maar zijt versekert vry, dat zijn onschuldich bloet
Den Hemel bidt om wraack; al is sy lauw te voet,
2531
So sal zijn droeve doot niet blijven ongewroken.
Want ick ga voor het recht de sake so bestoken,
2533
Dat my de Gouverneur sal komen haast te baat,
2534
2535
En dat de moorders hy niet ongestraft en laat.
Binnen
.
carponny
Hoe dickmaals seyd mijn hart inwendich my te voren,
2536
Dat van so kleenen volck hy niet en was geboren,
+
Als hy mijn wel beleet. Gaat sadelt 'tSpaansche paart,
2538
So rijd ick over al, 't is my wel rijdens waart.
2539
2540
O Aarde scheurt en gaapt, en slockt mijn leven binnen
U holle ingewant, want ick sie in mijn sinnen
2541
Dat nu het oordeel Gods een straffe my toeschickt,
2542
Vermits mijn felheyt, daar de helle voor verschrickt.
2543
Ick die den vromen Prins doen sterven heb onschuldich,
2544
2545
Mijn Dochter van gelijck, uyt eer-sucht onverduldich,
2545
Of uyt kleynmoedicheyt. dies werd ick op een tijdt
2546
Mijn lieve kindt, mijn eer en al mijn goedren quijt.
Ach! ick geloof voor vast, dat mijn quaat gaat te boven
2548
[p. 184]
tekstkritische noten
De geesten lang vervloeckt, verworpen en verschoven.
2549
2550
Flux brengt mijn paart, mijn paart.
lecker-beetje
Wel meester wel ick sal.
Maar Heere ick geloof men eet niet over al:
Daarom soo vind' ick goet dat ghy eerst tijdt an't eten
2552
En peuselt een dicht lijf: want dit moet ghy wel weten,
2553
Dat wie hem in zijn tijdt een weynich doet te goet,
2554
2555
Die het dien lust voor uyt, als hy toch sterven moet.
2555
En die een uyrtjen soets in 't leven mach genieten,
Die sal zyn sterrefdach in't minste niet verdrieten.
De vierde uytkomst, in't vijfde deel
Meester Hans de
apteker
,
en de Vader alleen uyt
.
Ick weet niet wat mijn Heer
Carpony
heeft gedacht
Te doen met dat fenijn daar hy om sont te nacht
2560
Door
Leckerbeetje
, die geen rust en kan gedoogen.
2560
Mijn jongen met de vaack noch hallif in zijn oogen
2561
Die heeft hem wel vertast, en gaf hem juyst twee loot
2562
Van
Mandragora
fijn, die slapen doet als doot.
2563
Het welck my niet en rouwt, want wie weet tot wat ende
2565
Dat hy't gebruycken wouw. 't en waar dat ick hem kende
Voor degelijck en vroom, ick souw voor wis vermoen,
Dat hy daar yemant me gesocht had te verdoen.
Ick moet hem vragen eens, waar toe dat hy 't liet halen.
Hier staat hy al gelaarst, en doet zijn paart vast salen.
2569
2570
Goe Vader goeden dach, waar heen dus vroech, dus snel?
[p. 185]
tekstkritische noten
carponny
Ick treck eens op mijn lant, ick heb nu haast, vaart wel.
apteker
Vertoeft een weynichjen, 'k heb wat met u te slechten.
2572
Wat wouwt ghy doch te nacht met dat slaapkruyt uytrechten
Daar ghy om sont so laat?
carponny
Wel hoe? ist geen fenijn?
apteker
2575
Neen't Heere, doch de knecht die eyschten 't wel van mijn,
Maar ick heb mijn versint alwillens om te missen,
2576
Niet uyt onwetenheyt, gelijck men licht souw gissen.
+
Want siet het vil mijn in, houwt mijn ten besten vrunt,
2578
Dat ghy yet quaats te doen op yemant hadt gemunt.
2580
So mach het toch geen noot, al waar't al ingenomen,
2580
Ick kan de lieden stracx wel weder doen bekomen
2581
Met dese bus niet salf, en opdat ghy't gelooft,
So strijckt haar met dit smeer in't slapen van haar hooft.
2583
Sy sullen voort opstaan, 't sy beesten of't sy menschen.
2584
carponny
2585
Ick schonck u al het geen dat ghy van mijn souwt wenschen,
Al waar 't mijn halve goet, al wasset oock noch meer,
Kont ghy mijn dese twee in't leven brengen weer.
2587
[p. 186]
tekstkritische noten
apteker
'tWaar jammer en 't waar scha dat dese jongelingen
2588
So vroech en voor haar tijdt de snelle doot ontfingen.
2590
Siet daar me ick begin eerst aan u kint terstont.
2590
Carponny
O wonder overgroot! mijn dochter wert gesont,
2591
En staat op van de doot, dies moet ick Heer u loven,
Dan doch u groote kracht gaat ver mijn danck te boven.
2593
Vijfde handeling in 't vijfde deel
Lucelle
.
de Vader. Apteker. Ascagnes. Capiteyn
.
O Hemel suldy staach inbinden tegens mijn?
2594
2595
Mijn dwingen weer te sien 't licht van de sonneschijn?
Och sydy niet vernoecht met wreedelijck te schenden
En scheyden onse jonst door een mistroostich enden?
2597
Wildy noch andermaal in d'ander werrelt my
2598
My rucken van mijn Liefs seer lieve lieve sy?
2600
O Heylige Godtheyt! bewoonders des besonden
2600
En luyster-rijcken throons, ach! siet op mijn geschonden
En afgescheurde helft des ziels, van die hier leyt,
Anschouwt mijn droeve druck doch met medoogentheyt.
2603
Ach sydy wel so wreet, dat ghy een schaamle Vrouwe
2604
2605
In een gedurich leet en lijden steets wilt houwen,
Alleen om datse mint? neen neen, dat denck ick niet,
En sekerlijck mijn jonst is suyverlijck geschiet
Aan mijn getroude man. u bid' ick nu met knielen
[p. 187]
tekstkritische noten
Dat ick hem volgen mach by d'uytgelesen zielen
2609
2610
Aan de vergetel-beeck, daar hy de mijn bedroeft
2610
Met groot verlangen sit weemoedelijck en toeft.
2611
Doch so gh' uyt lust of nijdt snackt na mijn qualijck varen,
2612
Tot meerder tegenspoet en kundy mijn niet sparen,
Als dat ick Tortelduyf souw van mijn gaye zijn
2614
2615
In stage treuricheyt en endeloose pijn.
Maar so u goetheyt u beweechlijck gaat ter harten,
2616
So kort mijn leven en de grootheyt van mijn smarten.
vader
+
Neen neen mijn Dochter neen, bedaart u, 'tis geen noot,
2618
Mijn Heer
Ascagnes
slaapt, hy is voorwaar niet doot.
lucelle
2620
Vertreckt, so 't u belieft, en laat mijn duldich wachten
'tEndt van mijn levens loop en al te luyde klachten.
vader
Maar hoort ons spreken eens, wy sullen u dan siet
Verlossen uyt u rouw en pijnelijck verdriet.
lucelle
Indien u woorden zijn als
Basiliskus
oogen,
2624
2625
Die 't aansien vande mensch niet kunnen wel gedoogen,
Maar doen hem sterven stracx, so hoor ick u met lust;
Vermoortmen, brengtmen om, so krijcht mijn ziele rust.
[p. 188]
tekstkritische noten
apteker
De seeckre schijn zijns doots sal haar 't geloof beletten,
Tot dat ick met mijn kunst daar tegen my versetten.
2630
Siet hoe hy sich verroert, en in den yl verrijst.
ascagnes
Ick bidt u dat ghy my so veel heusheyts bewijst,
2631
Dat ghy o schoone ziel my toelaat te ontdecken
2632
'tVerborgenst van mijn hart. ay hoortet myn vertrecken,
2633
Eer ick te grave vaar gelieftet u myn Heer
2635
Aan my onwaardige te gunnen dese eer,
Dat ick mijn waarde Vrouw vertelle voor u allen
Mijn afkomst, staat en landt, en hoe ick ben vervallen
In dese knechtsche dienst.
vader
Ick bid ootmoedelijck
Mijn Heer den Paltzensoon van 'tmachtich
Poolsche
rijck,
2639
2640
Dat ghy dees oude man genadich wilt vergeven
De misdaat die ick heb aan u persoon bedreven.
Ick sondichde, ick ken't, doch uyt onwetentheyt,
2642
Maar Heere dits u schult, dat ghy dus hebt verdrayt
2643
U naam en waardicheyt. want had ick die geweten,
2645
Ick had mijn tegens u soo groflijck niet vergeten.
Dan daar de schijn bedriecht daar oordeelt men verkeert,
2646
En sonder dat myn Heer ick had u gefesteert,
2647
Gelijck ghy waardich waart in't eten, gaan, en leggen.
2648
ascagnes
Wel hoe? hoe kendy mijn? of hebdy 't hooren seggen?
[p. 189]
tekstkritische noten
vader
2650
Stracx quam hier inder yl den reysiger gerost,
Te weten die de Paltz houwt voor zijn eygen post,
2651
Welck brieven van belang te brengen was bevolen
Aan u, en dat ghy nu moet keeren weer na
Polen
,
Dat Koren-rijcke Rijck, u lieve Vaderlant,
2655
Want de Koning is doot, en leydt nu al in't sant,
Die u gebannen heeft (so hy vertrock) onschuldich:
2656
Doch mits dat hy u sach, hy raasden onverduldich,
2657
Door dien hy niet en kon gelooven dat ghy sliept,
Maar hielt u vast voor doot, hy baarden en hy riep,
2659
2660
Dat ick myn kint en u so wreet als ongenadich
Met schadelijk fenijn vergeven had moortdadich.
Hy liep voort na 't Stadthuys, en klaacht de Heeren daar
De schrickelijcke moort, en my als moordenaar
+
Van u vernaamde Prins, ick heb geen ander vresen
2664
2665
Als dat hy hier terstont met al 'tgerecht sal wesen,
En met de Gouverneur.
capiteyn
Ach wat een schelmery!
Ick ben betoovert door haar loose tovery.
2667
Maar dat sy doen haar best om my te doen gelooven
2668
Het geen der niet en is: sy spreken voor een dooven.
2670
Men weet wel als de Ziel de holle romp verlaet
Dat sy niet wederom in't koude lichaam gaat.
Want niemant en vermach te rugge weer doen varen
De schuyte voerder van de helsche water-baren.
2673
Eneas
die zijn vaar droech uyt de
Troysche
brant,
2675
En kan
Anchises
hier niet schicken weer ter hant.
2675
[p. 190]
tekstkritische noten
Noch
Orpheus
kan de vloet des afgronts so niet dwingen,
2676
Dat hy zijn vrouw krijcht weer: hoewel hy alle dingen
2677
Beweechden door zijn Liers leer-lieffelijck geluyt.
2678
Wie eens ter zielen vaart, en komter niet weer uyt.
2679
2680
Hoe souw mijn Heer de Prins dan weder zijn verresen?
Misschien door swarte kunst en Duyvels te belesen
2681
So heeft dien ouden dwaas een boose geest verweckt,
Die schijnend in hem leeft, en valslijck in hem spreckt:
2683
Op dat hy souw also versussen en versachten
2685
De strengicheden van mijn suchten en mijn klachten.
2685
Neen neen falsaris, neen: siet hier de Gouverneur
Met al zijn lijf-wacht en de stoepjes noch by heur,
2687
Die sullen u terstont vast knevelen en knellen,
Gebonden en geboeyt den Hencker stracx bestellen.
2689
2690
Dus denckt niet anders dan als op u sonden swaar,
2690
Want daatlijck salmen u doen sterven openbaar.
De Prins van Posnanien, hier voor genaemt
ascagnes
.
Weet ghy niet Capiteyn
Bastruld
' dat de ziel-loose
Lichamen, die ghy secht vervult te zijn met boose
En swarte geesten verruweloos en vol pijn,
2694
2695
En lacchen nimmermeer? daar tegen siedy mijn
2695
Gebloost en wel gedaan van wesen en van wangen.
2696
Gelooft dan 'tgeen ghy siet, en doet my voorts ontfangen
Mijns Vaders brieven met volkome bescheyt.
2698
Hier lees ick, Lief, God lof! in aller eewicheyt,
2700
Hoe dat van ongeluck en ramp wy zijn ontbonden,
[p. 191]
tekstkritische noten
En dat mijn Vader heeft om mijn te haal gesonden.
2701
'tIs noodich dat ghy u oprust en toebereyt
2702
Om nu met my te gaan. doch met eerbiedicheyt
+
Vraech ick oft u gelieft mijn overwaarde vrouwe.
lucelle
2705
Dies ben ick o mijn Prins grootlijcx in u gehouwen
2705
Van so veel eers als ghy my heuschelijck aenbiedt.
2706
Hemel-gewenster saack en macher komen niet.
2707
Ist dat ick in u doot u wilde niet begeven
2708
Het sal my lusten meer met u in vreugt te leven.
2710
Maar u sal voegen best een vrouw wel opgevoet,
Groot van aansien, en staat, en u gelijck in goet:
Die ick nedrige dienst sal toonen al mijn dagen,
2712
Het sy oock waar ghy zyt, so ick u mach behagen.
2713
ascagnes
So waar ick lieve helft wel dorper van gemoet,
2714
2715
Indien ick u verliet om't werelts wanckel goet,
En stelden dreuts ter sy d'oprechte vruntlijckheden
2716
En suyvre jonsten van noch gisteren verleden,
2717
Als ick knecht zynde, ghy o alder maachden son,
Mijn verkoost, en verliet den edelen
Baron
.
2720
Ick sal om uwent wil mijn woort stantvastich houwe,
En weygren, mocht ick schoon, de Koninglijckste vrouwe,
2721
En vollegen den wech dien ghy mijn hebt gebaant
Door u genegentheyt en op dat ghy niet waant
Als dat ick met u duen, so gaa ick u besweeren
2724
[p. 192]
tekstkritische noten
2725
Voor u maegschap en bloet, en voor dees vrome Heeren,
2725
Voor wien ick hier getuyg, dat ick de oude trouw
2726
Voor bondich en voor vast en noch van waarden houw,
2727
En hoopse noch daar by mijn vader te doen kennen
2728
Voor heylich en voor goet, als wy in't lantschap bennen.
2729
vader
2730
'Tsal dan voor u vertreck, u zyn een noodich werck
Dat ghy den anderen trouwt in Margarieten Kerck
2731
Met een staatlijcke sleep van voorbarige lieden,
2732
Op dat u bruylofs-vreucht so blijdlijck mach geschieden,
Als wel u beyden groot de droefheyt is geweest.
2735
Ick souw u altesaam hartgrondich noon te feest,
2735
Maar mits mijn groot geslacht van vrienden my beletten,
2736
Dus neemt dit dan voor lief, want ick mach u niet setten.
2737
lecker-beetje
Mannen men miester het iou drie tonnen biers besproken,
2738
En ick sel iou alle geuse gaar beschaffen en bekoken,
2739
2740
Jou Baal-sack een hiel schaep, en iou Pieter proper en half lam,
2740
En iou Kees kluyf wat schaepsvoetjes, en iou dicke Melis een ham
Met negen schoone pekelharingen, en seven soute varsche Mackerielen.
2742
ian-neef
Ick ben gien fray eter: Ick houw't al met halven en hielen.
2743
Het eten lieve man dats met my nou alle daan,
2744
[p. 193]
tekstkritische noten
2745
Ick wodder niet eens een voet-stap om buyten gaan.
2745
Een goe toog, moer, liechter niet om, als ic 'smargens so wat peusel,
2746
En daar een paar vaan Delfs bier toe, liefste dan groey ick wel een hangt dick reusel.
2747
+
Daar achter de waach in de kelders reeckentmen geen quaat gelach,
Ick giet altemets een reys, en so blijf men keel so fix assen vierslach.
2749
2750
Ick moetse toch doorspoelen van de stien kalck en stof.
lecker-beetje
Ja neen neef niemant wort vet of grof, of hy weet waar of.
2751
Gaat heen gy goet slocker, gaat heen gy buyckje vol zielen,
2752
Men sousen dicke darmen om het smier wel schielen.
2753
Kom hier mager-heyn, lang-neus, dicklip, en gy hang-lijf,
2754
2755
Gy selt onger iou vieren kluyven een kleyn groot swart wit kort lang wijf,
2755
Ick salje dat koken uyten eeckje, want een bottertjen is te vet.
2756
En gy slockspeck bint wel te vreen, denck ick, as gy een kabeljau het.
Hier gy Hoorensche wortelen en gy Rouwaensche kammen,
2758
Kom iou bespreeck ick wat varckens ooren en wat osse-mammen.
2759
2760
Wel Dirckje drol komt by den back, hoe blijf gy so after of staan?
2760
Kom an mijn groote maat, wy sellen tavont geweldich grof gaan,
2761
Met Gosen, met Floris, met Jochem, met Meles en met Frans
Dit is by gut gien kijeren spul daar gaan ouwe hoeren aende dans.
2763
Hoe? ist heerschip alle wech? wel hoe sel dat tieren?
2764
[p. 194]
tekstkritische noten
2765
Nochtans hy eet soo gaern haenekammen, poddestoelen en ramsnieren,
En Papegays tongetjes, en de stuyt van een goe phasaan,
2766
En de gayle manlijckheytjes van een groote kalkoensche haan.
Maar gy Jan after-lam, gy pleegt wel een goet smuller te wesen,
2768
Hoe vaart? souje nou oock voor een deel kappoenen vresen?
2769
2770
Wat heb gy een man eweest in iou tijt, gy en e nop?
2770
Want Harmen laadje-koken die schiet noch altemets wat in zijn rop.
2771
Hy is een man as speck: Hy weet die Overtoomer boeren
2772
Asse maar vis schaffen te besuckt elements te loeren.
2773
Gy Jan neef gy meucht een man prijsen die hem op den dranc verstaat,
2774
2775
Maar seker een goet eter en is oock voor al niet quaat.
En warachtich onse Stadt en is gien hoyschuur, s'is soo niet uyt esturven,
2776
Of men vyntse noch wel die een hiele harst allien opschillen durven.
2777
O't eten is een fray ding! tissen treffelijcken kunst!
Het staat so wel an een tafel dat men wat eet voor de qua gunst,
2779
2780
Al sien't sommige karige sparige luy niet garen,
Ick sie nochtans datter veel menschen wel of varen.
2781
'Tis loflijck, 'tis hoflijck, 'tis groflijck, datmen wat te stuwen weet
Dan 'tis prijslijck, 'tis wijslijck, 'tis afgrijslijck dat men gulsich eet,
2783
Al het men onse gierige peete-griet lest so ongnaertich verweten,
2784
2785
Heer seyse
Leckerbeetje
, gy souwt een mensch de ooren wel van't hooft eten
Kynt seyse koken kost, ast is, seyd' ick soo, petegriet,
2786
Het best is de beste koop, wat niet en kost seyd' ick, dat deucht niet.
2787
[p. 195]
tekstkritische noten
ian-neef
Mijn keel smacht van dorst, men souw hier 'tvleys wel gaar braan en niet droopen.
2788
Wilje me, so gaat me, of ick sel al mijn best na de keucken loopen?
2789
lecker-beetje
2790
Hola gy muege-veul! waar heen? wel hey wilje soo deur?
2790
Nou fraytjes schicktje after menkaar, nou mannen datsje veur,
2791
+
Gaat nou en reys op iou safst, nou en reys op iou harsten.
2792
Gans lijden nou willen wy drincken en eten, al souwer een Darm barsten.
2793
ian-neef
Ick sel by get suypen en swelgen datmen buyck as een trom geschoren staat,
2794
2795
Wat 'tis beter datter een darm barst, dan dat de dronck verloren gaat.
Nu hoort, ghy Heeren hoort: Heeft iou dit spel verheucht,
Beweecht, of wel gesmaackt? bewijset ons met vreucht.
2797
Met hant-geklap verblijt, en doet mijn alle nae,
En soo't u wel behaecht, soo roept een-stemmich Jae?
overgeset en gerijmt door
G.A. BREDERO.
't Kan verkeeren
.
t'
Amsterdam
,
Ghedruckt by Paulus van Ravesteyn.
Anno
1616.
+
H 3 v
o
2368
gereen:
gereden.
2369
gerotst:
gerost;
gerunt:
gerend;
steen:
steden.
2371
Op hope
enz.: in de hoop dat ik zou kunnen komen te vinden.
2372
Casteleyn:
slotvoogd, burggraaf.
2373
Vermits:
op grond van.
2375
tyen:
gaan.
2381
tot:
ten huize van.
2382
Banckhouder:
pandhuishouder;
verbloemen:
verbergen.
2383
hem:
zich.
2384
druck:
leed.
2385
spytich
; smartelijk.
2386
houwt:
wacht, stop.
2387
sich onthoudt:
verblijft;
in het knechtsche wesen:
als bediende.
2388
op:
open;
hou:
heedaar.
2390
mijn gang ... vlijen:
me daar stilletjes heen begeef.
2393
leven in der daat:
werkelijkheid.
2394
kranckhoofdich:
buiten zichzelf.
2396
Het sy
enz.: wat het dan moge zijn.
2398
gemoet:
van plan;
Elinck:
edelman.
2399
heusche:
beleefde;
dulle:
dolle.
2400
bescheet:
inlichting.
2402
ist dat ick
enz.: als ik ongepast.
+
H 4 r
o
2406
niet:
niets (tenzij
sekers
een bijwoord is).
2410
handel van de min:
minnehandel.
2411
moocht bekijcken:
kunt zien.
2428 A B dus Karel C den Karel D E dees Karel
2414
Ontfermharticheyt:
grote genade (?);
voort:
hiernaartoe.
2415
Maarschalck:
officier van justitie (? verg.
Rodd. ende Alphonsus
, vs. 1657).
2418
Selfs:
niet minder dan.
2420
wet:
‘het collegie van schepenen’ (Oudemans,
Woordenboek ... Bredero
).
2422
met de kop equelt:
niet goed wijs.
2423
lepelsucht:
voedselgebrek (
hier:
krankzinnigheid?);
't rabbat ontstelt is:
‘er is een steekje los’ (Heeroma in WNT XII kolom 116).
2424
Jan kurckevaar:
‘spotnaam voor een drogen, suffen vent’ (Heinsius in WNT VIII kolom 601);
van deus aas:
van niks.
2429
quelje de keyseroen:
heb je last van ‘de kei’ (?)
*
;
licken:
houden voor de gek (?).
2436 die boose B D E de boose - 2440 C watten - 2447 A B
leesteken ontbreekt
2430
Ba neus:
snotneus (?)
*
;
mannetje mug:
nietig kereltje.
2434
let:
scheelt;
stucke boefs:
boef.
2437
Dat ... niet:
dat zal je niet lukken.
2438
of:
af(snijden);
wat haast:
waarom zo'n haast;
schey'er uyt:
doe niet mee.
2439
iou buyck vol:
naar hartelust.
2440
ommekomen:
mis, uit.
2441
had'jer:
had u hun.
2447
staat:
positie, functie.
+
H 4 v
o
2448
te vertrecken:
mee te delen.
2451
Palatijnsche Prins:
paltsgraaf;
wien Wiens ... is:
(ongeveer:) die tot zijn heer vader heeft (verg. 2520 en 2521).
2452
hals-heer:
gebieder, drager van de hoogste (rechterlijke) bevoegdheid;
heerdijen:
heerlijkheden, gebieden.
2453
huys:
kasteel (en dus: stad?).
2454
volle macht:
volmacht, opdracht.
2458
alsoo:
toen (of: aangezien).
2459
beklipt:
gevangen genomen.
2460
sekerheyt niet te verliesen:
veiligheid te handhaven.
2463
Paltz:
paltsgraaf.
2465
zyn:
nl. Ascagnes'.
2469
Of God
enz.: of (zo waar als) ik wens dat God mij de eeuwige zaligheid moge schenken.
2475 hy
volgens
B C D E; A
heeft
gy (
zetfout
) - 2453 A C D E Pesnanyen, - 2497 rinnen E runnen
2472
mits:
zodra (of: daar);
stieren:
bestier.
2475
In't welcke:
waar (
nl.:
in Frankrijk, tenzij
in d' welcke
bedoeld mocht zijn).
2485
hy:
nl. Ascagnes.
2487
onder voet:
neer.
+
I 1 r
o
2494
op dat pas:
toentertijd.
2502 A B spraack C D E sprack - 2513 A B beschuldich (
zetfout
) C D E beschuldingh
2499
dwangse ... liefd':
hun harten veroverde.
2501
Vermits:
onverminderd.
2502
heus:
beleefd.
2503
suyverheyt:
kuisheid.
2504
spinnen:
gifzuigende roddelaars.
2505
nijdicheyt ... sinnen:
afgunst eigen aan het denken der slechte mensen.
2507
treckt:
puurt.
2508
boeve-jacht:
gespuis.
2509
vryicheyt:
privilege.
2511
echt:
huwelijkstrouw.
2513
beschulding snood:
laaghartige beschuldiging;
stracx:
direct.
2514
proef:
bewijs;
slim vermoen:
kwaad vermoeden.
2516
voort:
vervolgens.
2517
niet een mij