Uyt den name ende van vvegen des Doorluchtichsten ende Grootmachtichsten Heer ende Koninck, Gvstaff, den II. van dien name, der Sweden, Gothen, Wenden Koninck ende Erff-Vorst; Groot-Vorst in Finland; Hertoch tot Esthen ende Westmanland:
Residerende by de Hooge Mog. Heeren de Staten Generael†† der Vereenichde Nederlanden.
Myn Heer,
1Als ick waarde Heere met opmercken naaspuere de groote vrundtschappe1 2 en eer-bewysinghe die my door uwe E. aan-gheboren beleeftheden zyn2 3 betoont en bewesen: soo bevind' ick inder waarheyd myn selven heel 4 ellendich in 't vermoghen, om met volkomen danckbaarheyt uwe E. so wel4 5 lieffelycke als loffelycke goed-dadicheden te vergelden. En u myn Heere5 6 ryckelyck begaeft met alle Heerlycke en Princelycke Duechden, dies ver-67trou ick aan V.E. sonderlinghe groote bescheydenheyt dat ghy aan myne7
8 goede wille vernoeghen, en met myn Armoede van macht mede-lyden8 9 hebben sult; doch om dat ick met geen Hoofsche-praatjes my en wane te 10 ontschuldigen van myn behoorlycke plicht, so had ick ghedocht (hoe wel10 11 met weynich bevallicheyts) u eenighe erkentenis der weldaden over te11 12 stieren, maar so haast desen yver in my branden, soo flucx is sy oock12 13 wederom uytgeblust, niet door mangel van goet-ionsticheyt; maar door dat13 14 ick (ô waardige Mecenas van onse Tydt!) gewaare wierdt de treffelycke14 15 wercken en hooghe vereeringhe der dapp'rer geleerden Mannen en Meeste-1516+ren van verscheyden spraken; nietemin of sy in verwonderingh van ghe-1617leertheyt, en aansienlyckheyt van schenckagie my verwinnen, soo en sullen17 18 sy nu noch nimmermeer my in goedt-gunsticheyt tot uwaarts overtreffen: 19 Waaren (seydt L. Anneus Seneca) de weldaden gheleghen in de giften ofte19 20 uyterlycke dinghen, ende niet inde goedwillige ghenegentheydt om wel te 21 doen, soo moste de grootheydt der gaven oock de wel-daden te grooter 22 maken: 'twelck soo niet en is, want dickwils verbindt ons eenen meest die22 23 kleyne dinghen vrywillich geeft; die met zyn harte een Koninckx schat 24 gelijck is. Men moet niet anmercken hoe groot de giften zyn, maar van wie 25 die, en hoe die gegeven worden. My dunckt, Eerwaardige Heere, dat ick in 26 desen ghevalle mach spreken het gene dat die Edel-moedige Iongelingh26 27 sprack: Als veel andere Socrati groote gaven (na haar vermoghen)27
28 brachten, sprack AEschines zijn arme iongher: Ick en hebbe niet dat so28 29 goedt is, twelck ick u met eeren schencken mach, daer in ick sonderlinge29 30 myn Arremoede mercke: daaromme gheef ick u alle dat in mynder macht 31 is, dat is, myn selven, dese gifte (hoe wel die kleyn is) bidde ick u in't 32 goede te willen nemen, ende dencken dat andere u vele ghevende noch 33 meer behielden. Ick sal my waarlyc geluckich achten, indien ghy dese myne33 34 aanbiedinghe met blyder harten wilt ontfanghen: Wel is waar dat ick uwe E. 35 Groot-achtbaarheyt in sulcken achtinghe hebbe, dat myne gediensticheyt 36 my altoos te luttel vallen sal. O Nederlantsche Sonne! O blinckendt-Licht 37 van alle uytnementheydt! wiens sonderlinghe Wijsheydt en Wetenschap37 38 soo helder hebben geschenen, dat niet alleen Haerlem sich daerinne ver-3839heucht, maar verhoovaardicht, vermits dat selve uytheemsche Koninghen39 40 met gebeden en soete vryerijen dese Doorluchtighe Fackel van Holland te40 41 Leen verwurven hebben. Ghy zytet ô waardighe Man! Ghy zytet die alleen 42 +waardich zyt gekent boven alle de alderwyste In-gesetene van het Sweet-43sche Ryck, om de saken van die Grooten Heldelycken Vorst uyt te voeren,43 44 en zyn waardicheyt en aansien hier te vertoonen: En nademaal ick weet en44 45 bevroede door de ervarentheydt van V.E. dat de staten van Princen heel45 46 moeyelyck en lastich zyn te bedienen, en gemeenlyck met sware bekom-47meringh ondermengelt, waar uyt nootsaackelyck het verladen Gemoedt,47
48 door de ghewichticheyt der saken, na lustige verquicking yvert, pooght en48 49 iaaght: beneffens dien weet ick dat uwe seer Edele Heerlyckheyt, en over-50wackere gheest altoos een groot genoeghen en vermaken heeft ghehadt in 51 alle frayicheden; insonderheydt inde duytsche Poësie, het welck ick hebbe51 52 vermerckt als ghij met lust en vruechde anhoorden myne duytsche Leecke-5253Broeders Rymerijen, en overmits dat ick sach dat V.E. de soeticheden wel 54 gevielen: Hebbe ick niet kunnen noch willen na laten V.E. dit Boekxsken te 55 vereeren en toe te eygenen; versekert zynde dat het V.E. behagelyck zyn 56 sal, niet om de kunst die ick hier inne souw mogen hebben gebruyckt (die56 57 doch daar vvel in te soecken maar niet in te vinden is) maar om de genueghe-58lycke stoffe daar het van handeldt. Ick hebbe de Kartaginees Terentius58 59 after met loome schreden na gegaen, en evenvvel meesten tyt vvat wilt-5960weyich uytgeweydt, gebruyckende een Poëtsche vryicheyt, denckende dat 61 een getrouw oversetter niet gedwongen en is iuyst van woort tot woordt te 62 volgen. Heb ick zyn sluer, noch aardige geesticheyt niet voeglyck na-6263ghebootst, dat is mogelyck myn schult, dan doch de verscheydenheydt van63 64 tyden, van spreken, van plaatsen en persoonen hebben daar toe geen kleyne 65 oorsaken gegeven, vermits ick was belust het selve te maken als oft hier te65 66 lande en in myn Vaderlycke stadt over ettelycke Iaren ware geschiet, om dat66 67 +het so by de gemeente te kundigher en te angenamer soude wesen; So ghy67 68 myn Heere dese reden geloof, en macht geeft, so sal ick genoeg van myne68
69 dwaal-streken en faal-grepen ontschuldicht zyn. V biddende dat ghy myne69 70 vrymoedicheydt (die toch nieuwers toe en dient als om V.E. een vrolycke70 71 verlichtingh en verlustingh an te brengen, en myne goetwillicheyt tot 72 uwaarts te vertoonen), goedelyck nemen wilt. Daar en boven wensch ick72 73 uyt gantscher zielen eens de gelegentheyt te hebben om u E. een grooter73 74 vermaak, en waardigher dienst te doen. Hier mede sal ick endigen, en 75 Heylighen u toe de Offerhanden van myn gunstighe ghedachten, op den75 76 Altaer van het Goedt-vertrouwen, dat ick hebbe aan u E. reden-ryck en76 77 bescheyden oordeel, dat myne goede wille aanmerckende dese geringe gifte77 78 als of sy grooter ware met genegener herten an-nemen sult: Endelingh78 79 beveel ick u E. niet alleen inde gunste en ghenadighe beschermingh vanden 80 Sweedtschen, maar vanden Almoghenden Koningh aller Koningen, die u 81 E. wil verleenen een geluckigh en zaligh Nieuwe-Iaar, met al het gene dat81 82 zyn onuytsprekelycke Wysheyt tot een God-vruchtich en Christelyck 83 leven weet te behooren, hetwelck u E. wenscht uyt Amsterdam den lesten 84 December, int Iaar 1616.
85Vwen Dienst-willige Vrient en Diender85
86G.A. BREDERO.