terug  begin  verderprepost
[p. 123]

[Lofdichten]

Sonnet.

 
Wanneer de Ram, en Stier, Sons omme-treck opstooten:1
 
Het dor geboomt' bot uyt zyn bloz, en blaed'ren teelt;2
 
Het bloeysel schoon geset, door Somers-son bestreelt,
 
Doet d'hoop van vruchtbaer oechst, en smaeck-ryck Ooft vergrooten,4
5
Het schieten breed en groot der weelderige Loten
 
Uus Lentens, schrandre ieuchts, met Somers dauw vere'elt:6
 
(Van reden-rype vrucht) een groot verwacht verbeelt,7
 
Dat van u levens Herfst sal werden noch genooten.
 
Soo seer als Romen oyt roemruchtich heeft geboocht,9
10
Van haer tonneelen groot, en spelen groots vertoocht:10
 
So seer mach Amsterdam met reden (door u) roemen;
 
Want 't geen den africaen had in Latyn gedicht,
 
Hebt ghy in duytsche taal ons bredenroo gesticht:13
 
So datmen u ons duyts terentius moet noemen.
 
 
 
Non Nobis.*
[p. 124]

Clinkdicht aen den Leser.*

 
Beschouwt in dit Panneel der hertstochten afbeelde1
 
Gantsch kunstrijck afgemaalt, gul en stantvaste min,2
 
Eens trouwe knechte raat, eens Hoeren loose sin,
 
(Die om het sno genot heur warsche pol oock streelde.)4
5
Des malle roemers trots met hoochdravende woorde,
 
(Daar syn verbaesde ziel heel angstich self voor beeft,6
 
Welk puft de fluckse vrouw, als sy 'taas van hem heeft,7
 
Waarom sy syn gerel en vuyl gesnap aanhoorde.)8
 
De macht van heete lust, (die schielijck 'thert doet branden,
10
Van die te gierigh eens het schoon ter sluyck bespiet)
 
De lichte vleyers aart, (die daar heen wort gedreven),
 
Waar dat de slemp verhuyst) en meer, 't geen bred'roos handen12
 
Hier cierlyck bootsen af: so dat die dit doorsiet,13
 
Ken, dat der dicht'ren prijs hem waardichst wort gegeven.
[p. 125]

Klinck-dicht

 
Alleen is het voor u, ô kloeke rype sinnen!1
 
Dat dit vermaklyk Spel in 't licht gegeven wort:
 
Maer geensins voor de geen die Neus-wys krom opschort3
 
't Voorhooft, wanneer een stuck heeft oock wat lachens binnen.4
5
Want hoe gevaerlyk dat de ieucht valt 'troekloos minnen,
 
En hoe der Hoeren gonst met schant en scha verdort,6
 
Oock hoe ellendich hy sich selven doet te kort
 
Die Pluymstrykers gelooft, geeft u dit Boek te kinnen.
 
En d'wyl dat cicero so waert oyt heeft gehadt9
10
De Werken van terens, 't sy waer hy reysde, dat
 
Hy die steeds by hem droegh. Vereert ook Nederlanders11
 
Breroo, die zyn eunuch in duyts so heeft vervat,
 
Dat om verbet'ren sulkx, in Spreuken ryk van schat,
 
In Dicht, en Geesticheyt, men niet weet ymand anders.
 
 
 
Qui-na DIEU, n'a rien.*
[p. 126]

Sonnet.

 
Waer het ghevoelen van pythagoras waerachtich,
 
En dat de ziel van 't een verhuysd' in't ander lijf,2
 
Ick sou ghelooven vast, en staende houden stijf,3
 
Dat plautus geest in u o breroo waer wonachtich.
5
Of dat aristophaan, van nieus gheworden machtich5
 
Te handelen de pen, sich in u kloeck gheschrijf6
 
Liet hooren op't Bataefs Tooneel voor man en wijf,
 
'Twelck noch Athenen nu en wijckt, noch Roomen prachtich.8
 
Terentius voorwaer, indien hy weer mocht leven,
10
En grondelyck verstaen de Nederduytsche tael,10
 
Sou sijne thais haest niet kennen uyt moy-ael,
 
En thraso vaeck den naem van Hopman roemer gheven,11-12
 
So wordt hy nagebootst in uwe soete dichten,13
 
Die den Aenschouwer bey vermaken ende stichten.14
 
 
 
lijdt en hoopt.-
[p. 127]

Sonnet.

 
Aenschout Lief-hebbers dees cloecke versierde reden,1
 
Die met een kunst gewracht is op de Franse maet:2
 
Nochtans die alle taal in boert te boven gaet,
 
En met sijn kunst verryckt onse Hollantse Steden.
 
 
5
Siet hoe ghetrou een Knecht al by syn Heer hier dede,
 
'Twelck bredero te recht met rymery omvaet:6
 
En hoe een Vader trou syn kint oock niet verlaet,
 
In 'tuyterst' van syn noot, maer doet syn liefd' besteden,8
 
 
 
Den hoomoedighen mens beeldt hy seer cunstryck voort,9
10
En hoe de vleyery de mensche dick bekoort,
 
En den Liefhebber wel te rechte hier mach lesen.
 
 
 
Hierom machmen met recht u schrand're gheest beooghen,12
 
Die ons Hoomoedt, en Trou, en Liefde doet vertooghen,13
 
En doet ons twijffelen dick, oft inder daedt mach wesen.14
 
 
 
't Lijen verwint.-

LOFDICHTEN. De sonnetten zijn in CD achter het spel geplaatst; in D ontbr. daarbij het eerste.
Sonnet. 1 A kleine sierletter W; tekst cursief, namen kapitaal - 8 A*B leven

1opstooten: voortdrijven. In mei staat de zon in de tekens van Ram en Stier.
2Het ... bloz: laten de dorre bomen hun bloesems en blaren uitbotten.
4oechst: oogst.
6Uus: Uw, van Uw; schrandre ieuchts: (van) uw scherpzinnige jeugd.
7Van... verwacht verbeelt: roept voor de verbeelding een verwachting op van rijpe vruchten van de geest.
9heeft geboocht: heeft geroemd van, zich trots heeft getoond op.
10spelen groots vertoocht: luisterrijk vertoonde spelen.
13gesticht: tot stand gebracht, gedicht. (Bredenroo is aangesproken persoon.)
*Non nobis: zinspreuk van de kluchtschrijver Jan Franssoon. Het vijfde lofdicht ondertekent dezelfde met 'tLijen verwint.
*Dit niet ondertekende drempeldicht kan wel van Karel Quina zijn, de dichter van het volgende.
Clinkdicht. 1 A kleine sierletter B, tekst fractuur, eerste woord en naam cursief
1afbeelde: afbeeldsel.
2gul: ongeveinsde, ongeremde.
4sno genot: lage, gemene voordeel; warsche pol: afstotelijke minnaar.
6verbaesd: bang.
7puft: veracht, niets geeft om; fluckse: bijdehante; aas: buit, prooi.
8gerel en vuyl gesnap: geklets en onbehoorlijk gepraat.
12de slemp: het brassen.
13af (Hier eindigt de opsomming van alles wat de lezer moet ‘beschouwen’ volgens vs. 1.)
Klinck-dicht. 1 A kleine sierletter A, tekst romein, 4 namen klein kapitaal, zinspreuk cursief - 2 B vermakelyck CD vermaecklijck - 12 A*B Brederoo
1kloeke rype sinnen: verstandige, rijpe geesten.
3krom opschort: fronst.
4heeft binnen: bevat.
6verdort: te niet gaat.
9d'wyl dat: omdat; Cicero: (Dat hij op reis steeds Terentius bij zich had, vond Bredero bij Van Ghistele); waert gehadt: gewaardeerd; oyt: steeds.
11Vereert ook Nederlanders: vereert daarom, Nederlanders, ook.
*Qui-n'a Dieu, n'a rien: zinspreuk van Karel Quina, vriend van Bredero. (Zie G. Stuiveling, Memoriaal van Bredero (1970), blz. 239.)
Sonnet. 1 A vette kapitaal W; tekst fractuur, eerste woord en 9 namen cursief, zinspreuk romein - 7 B Tonneel - 11 D zijn Thaïs
2En: (ongeveer) namelijk.
3stijf: onwrikbaar.
5machtich: in staat.
6handelen: hanteren.
8wijckt: onderdoet voor.
10grondelyck: volledig.
11-12Thais, Thraso: personages in de Eunuchus (hier: Moy-aal en Roemert).
13soete: mooie, fraaie.
14bey ende: zowel als.
-Lijdt en hoopt: zinspreuk van Reinier Telle. (Zie Stuiveling, Memoriaal, blz. 243.) Als classicus was hij bekend met de leer van Pythagoras aangaande de zielsverhuizing, op zijn minst uit Ovidius, Metamorphoseon XV, 158 en vlgg.
Sonnet. 1 A kleine sierletter A; tekst romein, naam klein kapitaal, zinspreuk cursief - CD zeden, - 9 A*B hoochmoedighen D hoogmoedighen - 13 D Hooghmoedt
1versierde reden: verdicht verhaal.
2gewracht: gewrocht, gemaakt; Franse maet: zie de Inleiding, blz. 74 (Slaat misschien hierop het prijzende ‘cloecke’ in vs. 1?).
6met rymery omvaet: in verzen samenvat, uiteenzet.
8doet besteden: schenkt; doen is hier omschrijvend hulpww., zie ook vs. 13.
9beeldt voort: beeldt uit.
12beooghen: gadeslaan.
13doet vertooghen: laat zien.
14inder daedt: werkelijk; mach wesen: kan bestaan.
-'tLijen verwint: zinspreuk van Jan Franssoon, schrijver van de klucht Giertje Wouters (1e druk Amst. 1623).
prepostterug  begin  verder