terug  begin  verderprepost
[p. 129]

Namen der spellende personagien.

 Ritsart, een Ionghelingh.*
 Koenraat, de Vaders Makelaar.*
 Moy-aal, een Snol.
 Writsart, een Aankomelingh.*
5Katryntie, 'tHaagsche Dochtertje.*
 Kackerlack, de Panlicker.*
 Roemert, de Kapiteyn.*
 Angeniet, een Dienstmeyt.
 Frederyck, een Iongman.
10Reynier, een Vryer.
 Klaartie Klonters, een Morssebelletje.*
 Negra, de Moor.
 Ian-Neef, de Kock.*
 Geertruy, de Minne-moer.*
15Lambert, de Vader van Ritsart en Writsart.
NAMEN. Ritsart en Writsart heten in CD Ritsaert en Writsaert; in de tekst van het stuk wisselen deze vormen in alle drukken af met -aardt, -ert e.a. Achter Koenraat staat in het Leidse exemplaar van A (U.B., 1091 B 56) des Vaders Makelaar. Niet gecorrigeerd zijn ook daar de zetfouten Fredreryck en en Morssebelletje.
11 A Klont, 15 A Writ.
*Ritsart: naam, gebruikelijk voor een wellusteling, doordat men verband zocht met ritsig. Gelijk aan Fr. Richard, Fries Ritsert, Holl. Rijkert. Bredero zal Ritsart en Writsart hebben ontleend aan de geschiedenis van de Vier Heemskinderen.
*Makelaar: Koenraat is in het stuk geen makelaar in de moderne betekenis, maar een bediende, die voor zijn patroon van alles bezorgt.
*Aankomelingh: jongeling.
*Dochtertje: meisje.
*Kackerlack: scheldnaam voor allerlei minderwaardige personen, hier eigennaam.
Panlicker: klaploper; de parasiet in de Romeinse comedie.
*Roemert: lett. pocher, opschepper; tekenende naam voor de typische ‘miles gloriosus’.
*Klonters: veel gebruikte naam voor een morsig dienstmeisje (klonter = vod). De -s is de genitief-uitgang, die familienamen van vrouwen plachten te vertonen.
Morssebelletje: slordig dienstmeisje (bel = lap, vod).
*Ian-Neef: duidt niet op een familieverhouding. Neef werd aan allerlei namen toegevoegd als gemoedelijke aanspreekvorm (evenals vaar en oom).
*Minne-moer: voedster, namelijk van Frederyck en zijn zuster Katryntje.
prepostterug  begin  verder