terug  begin  verderprepost
[p. 156]

+Het tweede deel, het eerste uytkomen.

ritsart, Koenraat.
 
Flucx Koenraadt doet also gelyck ick u beval,
450
De Moris brengt terstont tot Moyaal.
koenraat
 
Wel ick sal.
ritsart
 
Maar strax.451
koenraat
 
Ick ga.
ritsart
 
Nu voort!
koenraat
 
Ick vlie.
ritsart
 
Wel an geringhe,
[p. 157]
 
Ist niet genoech getoeft?452
koenraat
 
'Tis nóólóós te dwinghen
 
Die van zyn selven is gewillich en bereydt,453
 
Als ick ben tot u dienst en tot gehoorsaamheydt:
455
Ach Ritsaardt hadt ghy maar Moy-Aalen jonst verkregen,455
 
Ghelyck ghy doet de myn, sy stont u nimmer tegen:456
 
Maar Hoeren-liefd is windt, sy hebben sin noch Siel,457
 
Niet langer duurt haar Min, tot dat ghy licht u hiel,
 
En inde drumpel treedt, ghy bent so haast niet buyten,459
460
Of huegenis en al sy teenemaal uytsluyten.460
 
Dier schuecken vindtmer veel; al schynen sy al vroom,461
 
En van een goedt Geslacht, haar hart en heeft geen boom.462
 
Haar minne is bedroch, en niet dan valsche kunsten,
 
En mommery geveynst, met móólicken van gunsten,464
465
Of schimmen sonder zyn.
ritsart
 
Koenraadt weest niet verstuert
 
Om dat ick gnortich spreeck, uyt yver ist gebuert.466
[p. 158]
koenraat
 
Neen ick geensins, myn Heer! dat kan lichtlyck geschieden:467
 
Gelieft u oock yets meer u dienaar te gebieden?
ritsart
 
Niet anders, dan dat ghy u woorden wel belecht,469
470
In aanbien van myn gift, en ionsticheyt oprecht.470
 
En maackt haar, so ghy kunt, met u geswindtheyt wacker,471
 
Den mallen Ruyter wars, myn Minne-maat en macker.472
koenraat
 
En sorght niet, ick sal 'tbeschicken inder daadt.473
ritsart
 
En ick ga op het landt.
koenraat
 
Vaart wel.
ritsart
 
Hóórt, eerje gaat:
475
Vertrouwdy dat ick daar my kunnen sal geneeren,475
 
Gedurende die Tydt, en hier niet wederkeeren?
[p. 159]
koenraat
 
Neen toch, ick denck het niet, want siet van ongedult,
 
En van jeloursheyt ghy stracx herwaarts keeren sult.478
ritsart
 
Ick sal daar Visschen, en gaan Schaak'len met lusten479
480
Myn selven moe en mat, om beter 's nachts te rusten.
koenraat
 
Ja doet al wat ghy wilt, u slaap sal zyn met smart,
 
De dróómen sullen u daar wringen by de start,482
 
Gelyckmen d'Ossen doet.
ritsart
 
'kMoet dees dwaasheyt veriagen,
 
Haar breydel ben ick lóóf, ick wilse niet meer dragen:484
485
'Tis kintsheyt dat ick my een slaaf maack van myn lust,485
 
En quijn, en slyt myn Tydt in quelling en onrust.
 
De Lely is het waardt, ick sal myn daar beproeven,487
 
En tuegen huech en muech drie dagen lang vertoeven.
koenraat
 
Drie dagen, 'tis te veel!
[p. 160]
ritsart
 
Het is so myn besluyt.
490
Gaat heen, en voert u last voorsichtelycken uyt.490
Ritsart binnen.
+koenraat
 
O help! wat sieckt is dit, die ons antast soo vinnich491
 
En maackt ons Edel breyn ghesondt zynde, krancksinnich?
 
Ist waar? ist moog'lijck! dat de krachten vande Min
 
De kloeckste soo verrockt, en wiss'len doet van sin494
495
Dat sy int alderminst haar selven niet ghelijcken?
 
Ick vindet inde proef, en moetet oordeel strijcken.496
 
Gheen Jonghelingh en was soo ijv'rich noch soo kloeck,
 
Steets was hy op't Kantoor en met de nues int boeck;
 
Syn mutsjen op zyn hooft, zyn mouwen an voort wrijven499
500
Want hy was besich staach met dit of dat te schrijven:
 
Dan sloot hy zyn ballans, dan sach hy nae de kas,
 
Ja wel, hy had soo veel te doen dattet wonder was!
 
Wat het hy in zyn hóóft winckeltjes, en kassen,503
 
En hockels en laadjes, dosijnen van Lyassen,504
505
Vol Assingnatie, vol Oblygatie, vol boomery,505
 
Vol Wissel-brieven, vol Retour, en vol Factory,506
[p. 161]
 
Vol Konnossementen, en vol Konvoy-biljetten507
 
En Kamers vol Journaals, Schuldt-boecken, alphabetten,508
 
En Riemen kladt papiers, van loopende uytgift,
510
En Tafels vol chijffers en schalien vol schrift.510
 
Staagh was hy op de brugh by de Negocyanten:511
 
Of op een Komparisy, by zyn participanten512
 
Van zyn Westersche, of van zyn Cypersche vaart.513
 
Hy rabatteert in kontanct teghens acht en een quaart.514
515
Hy wist stracx op een prick wat dit 's Jaars con belóópen,515
 
Hy verstondt hem, (te besucht!) op Acksjen te kóópen,516
 
En hy verassureert licht een heel schip met goet.
 
Noch heeft hy ('t is vreemt) niet eens ghebanckeroedt!518
 
En oft schoon soo gheviel dat hy quam te fallieeren;519
520
En loopt hy om een Ces, 't is weer een man met eeren.520
 
Als dese Koopluy doen, diemen naa's Keysers kuer,521
 
Souw hanghen by de keel, dat in haer eyghen duer,522
 
Vermits sy diefs ghewijs, veel goede luy doen trueren,523
 
Begonmen dit! het souw so dickwils niet ghebueren.524
Kackerlack en Katrijntje uyt.
[p. 162]
525
Maer wien komt doch daar gints? 't is Kackerlack, ontbeydt,
 
Wat schóónder Maghet ist die hy daar met hem leydt?526
 
Om aan Moyaaltje nu te schencken en vereeren,
 
Die sy in schóónheyt self schijnt varre te passeeren.528
 
Myn Moortje dat is swart en leelijck noch daar by,
530
Nu lech ick over staach, en dapper inde ly.530
katryntie, Kackerlack, Koenraat.
 
Wilt yemant het belóóp der tijttelijcke saaken,531
 
En haar beroerlijckheen, volkomelijck naamaaken?532
 
Die vecht teghen zyn schim: doch lust hem maar een deel533
 
Te sien ghetaeffereelt, op een bereydt panneel;534
535
+Die wert hier stof en saak om Schilderen ghegheven,535
 
An die veranderingh van myn rampsalich leven,
 
Door't drayen des Fortuyns haar suyssebollend wiel537
 
Dat nimmer is vermoeyt, noch nimmer op en hiel.538
 
De Stadt die met de glans haars Prinschen trost haar buuren,539
540
Die met haar burghers bralt, maar met gheen steene muure,540
 
Die Adel-rijcke plaats, 't Hollandsche Hof, den Haagh!
 
Is myn heer Vaders stadt, daar ick de naam of draagh,542
[p. 163]
 
Daar saachdy allereerst, ellendighe Katrijne!
 
Het helder Hemels licht in u ghesicht verschijne.544
545
Onghevaarlijck vier Jaer soo waardy vry van druck,545
 
In weelden soet en sacht: maar 't nijdighe gheluck546
 
Dit alderbeste goedt afgunstich u mis-gunden,
 
En trock u met ghewelt van Vader, en van vrunden,548
 
En bracht u een Maraan of Móórder inde handt549
550
Die; zynde rijck ghebuyt, u voerden uyt het landt550
 
Nae 't prachtich Spangjen toe: daar sach ick veel Neer-landers
 
Van licht alloy, ick quam by verlóópen Brabanders,552
 
En bleef aldaar een tijdt van thien of twaelf Jaar,
 
Doch ick verwisselde van d'eene plaats op d'aar,
555
Tot myn schijn-vader my uyt boose schelmerije
 
Vervoerden over Zee, naat diefsche Barberije,556
 
Dat Róóf-nest! ja de marckt van het ghestole goedt!
 
Daarmen nu daghelijcx een starcken handel doet558
 
Van reyne koomenschap, daar sy niet an verliesen,559
560
So gauw zyn haer Factoors, Doot-eters en Kommiessen,560
 
Of yemandt die daer me sich wel behelpen kan,561
 
Een smeerich Officy! daar kleeft te schendigh an.562
 
Maar waarom praat ick nu niet meerder van ons varen?
 
Dewyl wy onder seyl en voor de Haven waren,564
565
So koelt en went de windt, die ons int eerst was mee.565
[p. 164]
 
Daar komt een Oorlochs-bóódt ghevloghen door de Zee,
 
En set een styve kours, en komt so fel ansnuyven,567
 
Dat de baren met kracht op 't schip anstucken stuyven.
 
Hy viel ons op het lyf, en leyden ons anbóórdt:569
570
Och! wat gheschiede daer een schrickelycke Móórdt!
 
Twas wonder om te sien, hoe dat die fraye Mannen
 
En al dat Krijghs-volck haar so klackeloos liet spannen572
 
Van sulck gorle goy! van Jonges, en van Maats:573
 
Dat oolyck krombient goedt zyn vinnige Soldaats!574
575
De Spangiaerts konden dat niet eten noch niet kauwen575
 
Dat sulck ghepuffel snoodt, van wespen, en Rabbauwen576
 
Haar rockjes trocken uyt: en datter in het slaan577
 
Met sulck schip en volck, soo veel weers was ghedaen.578
 
Het most al over boordt wat zyn lyf niet kon koopen,579
580
En wie 't rantsoen op brocht, die lietmen naakt wech loopen.580
 
+De plunderinghe wert daar ande Kust ghebrocht,581
 
De menschen en haar goedt zijn meestendeel verkocht,
 
En myn schijnvader oock, en ick quam doe in hande,
 
Al vande Kapiteyn die brochtmen hier te lande:
585
't Is een ondraagh'lijck mensch, hovaardigh, quaat en sot,
 
Waarmen my brenghen sal, dat weet de goede Godt.
[p. 165]
kackerlack
 
Gants lyde! wat verscheelt de eene mensch by d'ander?587
 
D'een is een lompe loer, en d'ander die is schrander!588
 
d'Een weet hem by de luy wel moytjes te doen vóórt,589
590
En d'ander is een geck die weet niet hoe het hóórt:
 
Dit schoot my inde sin, iuyst als ick onder ander591
 
Een van myn kennis sach, myn lantsman, een wtlander;592
 
Die al zyn goedtje hadt verslampamt, en versluymt,593
 
En uyt onachtsaemheydt, verwaarlóóst, en versuymt,594
595
Ghelyck als ick, die 't heb vertuyswuyst, en verspeelt,595
 
Verhasardeert, versloert, verslemt, en verbourdeelt.596
 
Ick sach hem an, hy stont en was beroydt en pover,
 
Ellendigh, jichtigh, kranck, en had noch om, noch over,598
 
Wel Landsman (seyd ick,) hoe dus schamel en bedruckt?
600
Och! (sprack hy) al myn goedt is gants verongheluckt:600
 
De vleyers die wel eer myn ware vrienden schenen,
 
Syn als myn mid'len nu verdreven en verdwenen,602
 
Of isser yewers een, die scheert met my de geck.603
 
Myn Maachschap schuwtmen, en aansien my met de neck,604
605
Helaes! wat komt my op, de doot is al myn wenschen,605
 
My, die verlaten ben van God en alle Menschen.
 
Myn óóren wierden dol, myn tongh sprack seer verwoet,607
[p. 166]
 
Hebdy dan alle raadt verlooren met u goet?608
 
Slaa-loose traghe mensch, ist so verre ghekomen609
610
Dat u de wan-hoop heeft oock alle hoop benomen?
 
Dat is een oevelle saak, so bin g'er byster an,611
 
Ick ben van stadt en staat u gildebroer: een man612
 
Dien oock wel heb gheproeft verscheydenheyt in spoeden;613
 
Van ruyme weelden, en van schaarsche Arremoede,
615
Nochtans was ick ghetroost, en heb my gants gheset615
 
Nae 't avontuur my dwongh, 't was mager dan, of vet.616
 
Anschouwt nu eens myn staat, en myn welvarentheden,617
 
Van gladde lijf en leen, van propre nette kleden:618
 
Ick had niet als ick quam, het was al door de keel,619
620
Ick heb niet, en ick heb al evenwel noch veel:
 
Vermits my niets ghebreeckt (doe sprack hy) ach ick vreese!621
 
Dat ick der Rijcken-geck en Taeffel-sot souw wesen.622
 
Neen seyd' ick weer daar op, ick heb een seek're kunst
 
Daar ick my met gheneer, en krych een yders gunst;624
625
Hier is een slach van volck die doch in alle punten625
 
De meeste willen zyn met treflijck uyt te munten,626
[p. 167]
 
+Hoe welse plomp en plat en boers zijn van ghestalt;627
 
Dien blaes ick in het óór het geen hun best bevalt,
 
Dien prijs ick het verstant, en schóónheyt van Manieren629
630
En gróotheyt van haar gheest, al moet ick het versieren:630
 
Diens loven, loof ick oock ist recht, onrecht of bóós,631
 
Haar oordeel acht ick hóóch al waart gants rueckelóós;632
 
Ick schick my nae den tydt en na haer sotte grillen633
 
Ick doe al wat zy doen, en wil al wat sy willen,
635
Ist met der harten niet 'tis altoos nae de schyn,635
 
Dit doeter veel gheacht by gróóte Meesters zyn.636
koenraat
 
Waarachtigh dits een gheest in sonderlinghe saken637
 
Want hy van malle luy weet dolle luy te maken.638
kackerlack
 
Al dus praatende, siet, so quam ick inde Hal:639
640
Daer riepen de Vleyshouwers ghelijck van over al640
 
Hy sick! hem sick! hou sick, myn Heer selje wat kóópen?641
[p. 168]
 
Hier hy! ouwe kennis je moet van men banck niet loopen,642
 
Ick heb moy Kallef-vleys, Runt-vleys, Were-vleys, Schapevleys, hoort me Kaer!643
 
Siet dats een Wieringer sock-lam, dats een Schaeger-schaep, dats een Lang-start vannen Jaar.644
645
Wel gaeje op een aer? gy seltet iou seper beklagen.645
 
Doe quam myn Pietertje, en Wabbetje Gerrits vragen,646
 
Heerschip! sel ick wat dragen? en ick liep uyt de Hal vangt geraes,647
 
Op de Vuegel-marckt; daer kreten de wyven, hoort hier wat elenbaes!648
 
Schortje nou een exellenten Haes? of geerje nou gien reyne Kappoenen?649
650
Wel Vennitje, wilie gien Knynen, gien Duyven, gien Hoenders, noch Kalkoenen,650
 
Om inde Venesoenen te setten, te larderen of te bra'en?651
 
Van daar ben ick moytjes met hem op de Gaar-marckt egaen,652
 
By 'tvolckje die daar voort-staen, met huer ionge Biesten, en nochteren Kalven,653
 
Siet dats een Kruys schonckje, dats een Koocker-stickje, die voor Noos, om vier en ein halven,654
[p. 169]
655
En die Hals-knoock om dardalve stuyver: Wilje nou geen Pens, noch Koe-voet?655
 
Gien nieren, gien Lever, gien middel-rift, gien hooft-vleys, noch het smaackt so soet!656
 
Wilje gien warme Buelling, leverling, bloeling, pieperling hiel goet,657
 
Soeckje slabberaen Jasper Goedbloet? ick kanmen waar niet prysen658
 
Wat hadjegaeren goe Heer, gesalyde Worsten, Verckens-iues, of fyne Sausysen?659
660
Nou niet, seyd ick, Giertje Gysen, en so kuyerde wy vast voort,660
 
Verby de Speck-koopers, byde vreemde Vueghel-luy, die villen my anboort,661
 
Hier ouwe Koopman hoort, wel so verby? dat mach niet door de bueghel,662
 
Waer nae sieje? nae een overseesche Swan, een Rotgangs, of nae een Ent-vuegel?663
 
+Ick kreech vlus uyt de Kuegel een slee met Winders en Tayllingen, siet,664
665
Dat zyn Knobben, dat zyn Smienten, dats een vogel die Hans hiet.665
 
Dats een Pyl-start, 'teeltste beesje dat by de lucht vlieght, sulcx heb icker noch by paeren,666
[p. 170]
 
Wilje geen Kamper vuegels, al geplockt? neen seyd ick, die sie ick niet niet gaeren,
 
Se siender uyt soo smerich, al haddese voor Kocx ionghen inde kombuys evaeren,668
 
En al de aaren, die sin myn te paers en te groen, 'tis dat niet, seydy, gy hebt te vuel kuers.669
670
Nou Moncksuer Kackerlack, gheeft nu een reys een vaen inde Graef van Muers,670
 
By onse ouwe Kittebruers? nou niet seyk, ick moet duese wech kiesen,671
 
Doe ginge wy op Sinte Pieters Kerck-hof, ant kleyn Halletje by de Vriesen,672
 
Ick macher niet an verliesen sey Sieuken Sipkes van Fraanjer, soo waer ick leef,673
 
De hielle bouwt om ien ryaal. Ick docht dat morsige goedt, is duur enoch te geef.674
675
Mit sietmen de Wortel-teef, Tryn Dubbeldin van Bunschóóten,675
 
Wat selje hebben Liestentje, Pynsternaeklen, Bietwort'len of Kroten?676
 
Kyck dathartjen is esloten, ick heb Warmisje en groen toekruytje daer by,677
[p. 171]
 
En Horense Wortelen, en Raepjes, se smaeken as emmer-appelen en Rysen-bry.678
 
Doe gingen wy verby de Brouwery van't Jerusalems kruys,679
680
En iuyst most ick bloemen, en ick liep onger de Varcke-sluys:680
 
Daar sat Koren Jansz en vertrock van thuys en d'afcomst van Britten681
 
Mit dat hy men sach, nam hy zyn naers insen arm, hy rees en lietme sitten,682
 
Myn Lansman sach ditte, die ging vast pruetelen, en sprack:683
 
'Tmoet een groot Monsuer wesen desen verschreven kackerlack.684
685
Doe verlienden ickse daer een quack van ouwe kousjes Jaergetijen,685
 
Van 'teevangely van 'tspinrocken, van Waaren, en Spóókerijen,686
 
Die in hiel ouwe Tijen // hier dickwils plegen te geschien.687
 
De guesen moeten Duyvel iagers wesen (seyd ik) want hy laetum nou niet sien.688
 
Doe tegen wy op de bien, duer de Hal-steech, en onderwegen689
690
So groeten ons al de Arebeyers die ons quamen tegen.690
 
Ick schickte myn baert te degen // die myn schier inde mont quam,691
[p. 172]
 
En so stryke-baerdende, so quam ick in myn fasol op de middeldam:692
 
Doe Lysbet Fokels my vernam // seyse: Koopman ick gheefje schier de granje.693
 
Komt koopt nu Krenten, Mangellen, Garsynen, en Aplen van Jeranje,694
695
En nuwe Karstengen, uyt Spanje // die ons volck lest hebben evrybuyt.695
 
Doe quamen wy op de Vis-marckt, daer wast Pieter-Cely, dit uyt,696
 
Emmerlock, hoor hier Kornuyt // komt hier me vaer: koopt een sootje,697
 
Leest iou ga'ing uyt dit tobbetje, en schietse in dit Vlootje,698
 
+Ick hebse noch wel een schootje gróóter, komt hier! waer sinje Ot?699
700
Haelt een net met vis, wt de korf, of kaer by 't vlodt,700
 
Brengt doch gien wtschot, gaet heen mijn kóórentje van achtien Jaren.701
 
Al ree man (seyd hy) moer, ic selje dat wel opsen elvendartichst klaeren,702
 
Ick verstaeme op die snaeren // also wel als onse buurman Klaes Os.703
 
Y-bot, Hoeck-bot, dats blaeuwe Braet-spieringh, dat sin Melckbaersjes, en purmer-pos.704
[p. 173]
705
Kom heerschip, maacktme los // dats lustighe water-scheeps vis,705
 
Datsen rootschilde-braesem, en een Korper die inden Ysel gevangen is,706
 
Die muen-vóóren dobbelt die mis? siet, datsen lecker gelt-snoeckje,707
 
Hoort hier wat Lijsbet Leffers, hoort hier wat, wel moer wat soeckje?708
 
Mit snapten ic om't hoeckje // daer stonde die mossel-eters een hiel gerit,709
710
Hael mosselen, hael mosselen, Zeelantsche mosselen, varsch enne wit!710
 
Watte varsche mosselen benne dit // 't zijn mosselen as oesters seyden die kluyvers,711
 
Daer quam onse buurwijfs meyt, en haelden een emmer vol voor twee stuyvers.
 
Get hoe gluurden daer die snuyvers, na een tas van een parlde-pop,713
 
Daer quamen die Dief-leyers, en maaktent daer byt huysje so ruym op,714
715
Dien gaf de meydt een schop // die een kóóntje, en d'ander een klaater,715
 
En wurpen de maeten de matten, de paenders int waater,716
 
Plom verlooren vande sluys.717
 
Andre schortent onder haer arem, en brochtent moytjes 't huys,718
 
O docht ick dit ghespuys // wie mienese nou wel datse binne?
720
Se souwe de dieve vangen, en laete de schaemel-luy een duytje winnen,720
 
Wat selt volckje nou beginne // se hadde daer so moy voort edaen,721
[p. 174]
 
Ja docht ick in myn selfs 't is leelijck datse so op middel-straet staen.722
 
Doe saegen wy de vis-slaghers de vis of-slaen, doe sach ick na de Zeevis bancken,723
 
Daer stonden die brandewijn-drinckers, en droncken 't mutsjen om twee blancken,724
725
Met riep Jannetje vrancken // datsen stranckt-visje, datsen gul, dats schellevis!725
 
Ick hebse met lever en kuyt, die soo varsch als een wronghel is,726
 
Siet vryers hoe stijf datse is // s'is tangsjes ierst of eslaghen.727
 
Dat sin meysjes met blancke borsjes, muegese jou niet behaghen?728
 
Maer Aaltje van Schaghen // mijn kóópwijf, die weesme gaet verby.
730
Doen tradden wy na de ael-wijven, daer ande drie vijseltjes sy,730
 
By Griet Jan dicken, en Fy die soo ficks is op het vel te stróópen,731
 
Daer wast hoor hier vrient, selje neb-ael, grof-ael, of fijn-ael koopen?732
 
Soeckje puyt-ael, leb-ael, kat-ael, wilt niet veerder loopen, Ick heb vry wat keurs,733
 
Doe gingen wy de waech neer, 't water langes, over de koren-marckt nae de beurs,734
[p. 175]
735
Daer kregen wy so veel Bonsiours en Baeselmanis van de rijcke monseurs,735
 
En soo veel goen dach van pelsers en schruers, dat hy bril sach, en ick mostmen omkieren,736
 
+Om Godswil Landtsman, seyd hy: Ghy mochtmen dat oock wel lieren,
 
Strackx begon hy myn te vieren en te eeren als een groot Kaddet,738
 
Wel hoort hier seyd ick: en siet, dat ghy wel op myn woorden let;
740
Ghy moet pluym-strijcken, en schoon-praten, en liefkóósen
 
De groote rijcke luy, al warent Goddelóósen,
 
En smeeren haer het zeem van Honich om de mondt,
 
Dit is een nutte kunst, die mijn verstandt eerst vondt,743
 
Treet myn voetstappen na so salt u gaen na wensche,
745
En maackt afgoden van de veel vermoghen Mensche.745
 
Na dien ick dit gheslacht so aartich heb verweckt,746
 
Soo heb ick oock ghedocht te voeren in de Seckt747
 
Van myn eyghen naam, dats vande Kackerlackisten,
 
En waarom ick so wel niet als d'andere seck-tisten?749
750
Want yder die nu is een weynich wel bespraackt;
 
Een seckt, of aanhangh na zyn fantasye maackt,
 
Mits nueswijs misverstant der menschen dart'le óóren752
 
Meest altóós zyn belust om steets wat nieuws te hóóren,753
 
Maar ick verpraat myn tijdt, ick moet gaen doen myn last754
[p. 176]
755
En schencken haar de Maacht, en bidden haar te gast.755
 
Hola! 'ksie Koenraat daar, de Dienaer van de vryer,
 
Die staat daar voor de deur, bedroeft, ach arme strijer!757
 
Hy heeftet seecker slecht, daarom is hy beschruemt,
 
Hy sterreft schier van kouw, hy schijnt wel seer verkluemt,
760
Verkonckelt in zyn blaas, en knoffelt met zyn handen,760
 
Al was hy om de Noort an die Way-gatsche stranden.761
 
Syn Turf is hier te licht, ick moet met dese guyt762
 
Wat alven, wat boerten, en haelen hem wat uyt.763
koenraat
 
O desen sot die meent hy heeftet al ghewonnen
765
Met zyn schenckagie, en 'tis noch nauw begonnen.765
kackerlack
 
Hout! dat ick niet te slecht op zyn steeghjes volck groet,766
 
Maar als Grandisimo met vijf treen ande hoedt,767
 
Dus, een, twee, drie, vier, vijf, A la mode de Fransche,768
 
Moers volckje sal dit haast by Alterum Partum dansche.769
770
Met Eerbiedighe dienst, die u hoocheyt verdient,
[p. 177]
 
Wenscht Monsuer Kackerlack zijn aldergrootste vrient
 
Koenraat gesontheyt toe, en voorspoet in zyn saaken:
 
Hoe staje so en kyckt, wat meuchdy hier toch maaken?773
koenraat
 
Ick sta stil, en recht op, en doe ter weerelt niet.
kackerlack
775
Maar siet ghy hier niemant die ghy niet gaeren siet?
koenraat
 
Ja, u.
kackerlack
 
dat gheloof ick, maar noch gheen and're dinghen?
 
Hoe sie ick dan in u so veel veranderinghen?777
 
Ick spuer dat u ghemoedt sich t'eenemaal ontset.778
koenraat
 
Ick sie niet dat myn deert ontroert oft yet belet.779
kackerlack
780
Dit vuyltjen, wat dunckt u, sal sy oock wel passen780
[p. 178]
 
Tot een Dienst-maasen, om de schotelen te wassen?781
 
+En wat 't een, en wat aars?782
koenraat
 
'tis een meyt als een kruyt,
 
Ja wel s'is het waardich als een duyts broot een duyt,783
 
Sy souwtje op een stil watertje wel of klaaren.784
kackerlack
785
Men souw' een sieke bruydt daer kunnen me bespaaren.785
koenraat
 
Och lieve vaar, dat is met u toch al ghedaen.786
kackerlack
 
Komt tot myn ouwerdom, het selje oock vergaan.787
 
Hoe plech ick onse Trijn int langhe gras te graeslen.788
[p. 179]
koenraat
 
Nu gis ick ben jy al over 'tPocken en 't Maeslen789
790
En wat souw jy doch by een jongh Venus dier // doen?790
kackerlack
 
Haast soo veel als ghy, laatje hartje gien sier // doen;791
 
Ik ben een ouwt Soldaat, myn alderbeste maatje!792
koenraat
 
Wil ick u wat seggen, Speciaal? u schort een praatje,793
 
En 't komt my niet te pas met u hier langh te staan.
kackerlack
795
Hoe na sal jy yewers op de kittel-jacht gaan?795
koenraat
 
Daar en behoef ick u gheen bescheyt van te gheven.796
kackerlack
 
Souw dat dan d'eerste reys nu wesen van u leven?797
[p. 180]
koenraat
 
Ick loop so niet als ghy!798
kackerlack
 
Nochtans Koenraat ick gis
 
Dat gy al garen gaet daer wat te lacchen is.799
koenraat
800
Daar ben ick te vroom toe, te deeg'lijck, en t'oprecht.800
kackerlack
 
Ghy sult de kost wel krijghen, houtje maar wat slecht;801
 
Kuendy maar wat bangh sien, of na de mont wat spreken,802
 
Ghelyck u Meester, die de Meysjes kan bepreken,803
 
Siet, door de aable kunst van zijn geswinde geest,804
805
Want met een aardicheyt hy Weeuw en maacht beleest:805
 
Wanneerder yemant sit en naydt, of ployt haar doeckje;806
 
Hy vlijt hem neder tzeet, en haalt dan voort zyn boeckje807
 
Vande Nigromancye, en doetje daer een les,808
 
Die langher niet en duurt dan van een uyr vyf ses:809
810
Al sit de Meyt en wringt om op 'tghemack te wesen;810
[p. 181]
 
Wat duncktje kan hy dan de Meysjes niet belesen?812
 
En siet wat u belanght! ghy bent een zeer wijs knecht,
 
Ist dat ghy u verstant an dese kunst eens lecht,
 
Ick mien dat ghy u Baas haast over 'thooft sult leeren,
815
Want ghy sult dan de Droes beleesen en besweeren:815
koenraat
 
Gordt! hoe ga gy daar me duer!816
kackerlack
 
dat is so, dat blijckt.
koenraat
 
Wil ickje segghen, wat myn dunckt dat ghy gelijckt?
kackerlack
 
Wel wat doch?
koenraat
 
een werelt soS schoon en uytgelesen818
 
Sydy, en ghy hebt al wat inde werelt mach wesen;
820
Van schalckheyt, achterclap, en van pot-boevery,820
[p. 182]
 
Van haat, en van Italiaensche deuchnietery,821
 
Ick loof niet anders, dan de man van u komst geweeten // het822
 
Die de Mensch aldereerst een kleene werelt geheeten // het.823
 
Hoe voer je daar we'er geest?824
kackerlack
 
wel, jy kuntet uyt legghen,
825
Swijgen best! wy kenne melkaar geen eer opsegghen.825
koenraat
 
Ja ghy hebt schaamt en eer te Kercken al gebracht.826
+kackerlack
 
Ick gis dat ghy mijn, en meest al dit volck slacht;827
 
Die op een ander steets veel schrollen en veel spreken,828
 
En haalen telckens op van ellick-eens ghebreken.
830
Nu dat is daer Koenraat, geeft doch Moy-ael een praat.830
 
Bidt haer van uwent weghen datse mijn inlaat,831
 
Want siet om mynent wil: so begin ick te vresen,
 
Dattet mijn gaeren souw wel druets gheweyghert wesen.833
[p. 183]
koenraat
 
Daar is een seeker Radt dat aller weghen drayt
835
Dat schielijck werpt om hóógh, die gantschlijck t'onder leyt,
 
En 't smackt hem licht om laach die op haer macht hier trótse:836
 
So salt oock gaan met u! o ghy doortrapt en schótse837
 
Panlicker als ghy zijt! of ghy nu schóón de póórt838
 
Met u kleyn vingertjen, of't alderminste wóórt
840
Kunt op'nen als ghy wilt, by daaghen en by nachten;
 
Ick sal nu van't geluck nu oock mijn kans verwachten,
 
Dat toch by buerten gaat, en yder heeft zijn Tijdt.
kackerlack
 
Secht my de waerheyt eens, en doet u dit gheen spijt843
 
Dat voor u ooghen ghy dit dus moet sien geschien?
845
Siet vrijer datsje veur! maer hebdy oock t'ontbien845
 
Hier binnen in huys an Moy-ael, of an haer meysje?
koenraat
 
Nu niet Kackerlack, Ja hoort hier? soentse een reysje.
kackerlack
 
Dats garen e daen.
[p. 184]
koenraat
 
Ick kant hem nu niet beletten,848
 
Maer 'kwed ick eer yet langh hem sulcx sal ontsetten,849
850
En segghen: staeter nu buyten datje swiet,850
 
So en wayt u de róóck dan inde óógen niet,851
 
Tis sulcken kabouter, o mijn! 't is sulcken vrientje!852
 
Hy belooft alle dingh, maer hy mienter niet ientje,
 
Tis Jan allemans vrient, hy heeft ellick een lief854
855
Soo langh hyer by is: zijn heerschip het een brief855
 
Als de hielle Zuyer Zee; mit een groote zegel
 
Ghelijck de Diemer Meer, wat ick gun hem de negel857
 
In zijn klapmuts. Wel hy! wie kijckt daer gunts soo snel858
 
Exce komplurius, scheele luy sien niet wel.859
860
Aaris konicketutel stae gy so opje tóónen?860
 
Heer! wat het dat meysje twee bolle vette kóónen,
 
Maar sinjer mee booren, soo isset gangs geen nóót?862
 
Wel hoe! ben je mal? wel waerom worje root?
Kackerlack wt.
 
Siet hier! hier is hy weer, kijckt hoe gaet hy prijcken:864
[p. 185]
865
Had hy een beesem in zijn naers, hoe souw hy strijcken?865
 
O mijn! hy is so blijt, dat hy hem schier wilt // lacht.866
kackerlack
 
Wel borst sin g'er noch? hoe nae houje schilt // wacht?867
 
Of wil gy eens bespien wie dat hier al mach komen?
 
Oft vreest de vryer nu dat sy hem vande vromen869
870
En stoute Kapiteyn sal werden nu ontleydt?870
koenraat
 
Wel hoe kundijt soo raen? wie heeftet u gheseyt?
 
Sulcken ding is het, je hebt seeckere quinck-slaghen:872
 
+Gaat heen gy licht-schuyt! gaat vry deur gy leghe-waghen!873
 
Achter sie ickje lest, gaet heen ghy rechte guyt!874
875
Hoort hier! als ghy onder gaet soo blaest de kaers wt.875
 
Het is een fray ghesel die elck toet inde óóren876
 
Niet dat hem leet is maar dat hem lief is te hóóren.877
Writsart wt.
[p. 186]
 
Wel is dit Writsert niet? Jaat, 't is ons jonckste soon!878
 
Zijn vader had hem thans wel stricktelijck gheboon879
880
Dat hy de schipper, die op Lissebon sou vaeren
 
Souw schicken in het schip de alderbeste waeren,881
 
Eer dat de koude vorst met gront-ijs al het Y882
 
Beschiet, met schots op schots: waar door voorseker hy883
 
Sou blijven van zijn reys, met achterstal versteken,884
885
Behalven dat