[p. 207]
tekstkritische noten
+
Het derde deel, het eerste uytkomen.
Roemert
,
Kackerlack, Koenraat, en de stomme Moor Writsart
roemert
Maar seecker isset waar, bedanckte sy mijn seer?
kackerlack
Gheweldich!
roemert
Wat sechdy wasse wel in haar schick?
kackerlack
Ja Heer!
Dan doch so seer niet om die seer schoone schenckagie,
1148
Als om datse haar wert geschoncken van so grooten personagie!
1150
En dat is 't eerst daar sy haar hooghe moedt op draacht.
1150
[p. 208]
tekstkritische noten
koenraat
'k Sal letten op mijn tijdt misschien of het soo slaacht,
1151
Dat ick mach an
Moyaal
dees mijn Mooriske schencken:
Dan siet den Hopman daar, hy sou licht arch dencken.
1153
roemert
Ja die gracy heb ick; dat al wat ick begin
1154
1155
Dat heeft een aart, soo dat ick over al wellekom bin!
1155
kackerlack
Als gy wat brenght denck ick, dats mijn genoech bekent.
roemert
Daarom sey den Hartich: Hopman ghy bent excellent!
1157
En hy bedanckt mijn staach om dat ick soo kan leven.
1158
Sonder dat, hy hadme de Kornet niet ghegheven.
1159
kackerlack
1160
O dat gheloof ick wel, ghy verwerft door u gheest
En door u groot verstant dat elck u eert en vreest,
't Is wonder hoe dat gy met wijsheyt en met reden,
En woorden schoon gepronckt u saken kunt bekleden,
1163
Het volck is verbaast wanneer ghy kickt of bremt,
1164
[p. 209]
1165
En wat ghy eens versoeckt wert stracx u toeghestemt;
1165
Ghy krijcht meer door u tongh, en geesticheyt bescheyden,
1166
Als and're met haar dienst en bloedich arrebeyden.
roemert
't Is de fijne waarheyt.
1168
kackerlack
Sijn hoocheyt bruyckt u raat,
Om dat ghy't recht van 't landt so wonderlijck verstaat.
1169
roemert
1170
Wel bescheyelijck.
1170
kackerlack
Hy most het ooch seer op u houwen.
roemert
Ick wasset dien hy 't woort en 't Legher dorst vertrouwen.
1171
[p. 210]
tekstkritische noten
kackerlack
Dat kan ick wel dencken.
roemert
Wat dunkje?
kackerlack
Een groote saak.
roemert
En als hy somtijts wouw eens nemen zijn vermaack
In jacht, of in bancket, of dat hy wouw wtspannen,
1174
1175
Soo koos hy mijn alleen wt soo veel hondert mannen.
kackerlack
't Is wonder! wat een geck?
roemert
En als 't volck hem verdriet
Door al haar tuyldery, recht alliens weetje niet?
1177
kackerlack
Ick weet, ick weet: of hem de walch hadt ghesteken
1178
[p. 211]
tekstkritische noten
Van al haar honniesnap, dan gingh hy met u spreken
1179
1180
Van saaken van belangh.
roemert
Ja seecker dat gaat vast,
1180
En daarom noot hy mijn oock mennichmael te gast.
kackerlack
Een eellenbaas van een prins, vintmen sulcke Heeren?
1182
roemert
Sijn hoocheyt! die sel by gheen slechte luy verkeeren.
1183
kackerlack
Ghelijck soeckt zijn ghelijck, besonder wijse lien
1184
1185
Die sullen aldermeest na haars ghelijcken sien.
+
En gaat hy met u om (hoort: onder reverency)
1186
Soo verkeert hy by de anderde Sapiency.
1187
roemert
De geest spreeckt uyt u mont!
1188
kackerlack
Wat sotter vent is dit?
[p. 212]
tekstkritische noten
roemert
So komtet dat ick staech het hoochst' an tafel sit.
kackerlack
1190
De garde. het komt u toe!
1190
roemert
So wy lest int gespreek // tradden
Ick sprack, sy sweghen ofse een lap in haar beck // hadden.
Den Hartich sachmen an, ghelijck zijn Magisteyt,
1192
En hy ontsetten hem van mijn welsprekentheyt.
1193
kackerlack
Een mirakel van een Man! ist so?
roemert
'tIs waar ick sech // het
kackerlack
1195
't Is met al 't Hof gedaan, so hy de smaack eens wech // het
Van u groote wijsheyt: u woorden hebben kauw.
1196
Schijt
Cicero
! Siet, siet nu treet hy als een pauw,
1197
[p. 213]
tekstkritische noten
Ja lieve Neskebol; hoe swiert en swayt den geckert!
1198
roemert
Wat seyt den Rekel, he!
1199
kackerlack
Den Hartoch is verleckert
1200
Op u gheselschap: Want seker als hy u mist,
So mist hy al zijn vrolijckheyt en vreucht.
roemert
So ist,
Ick tast niet an myn hoedt wien my oock mach gemoeten,
Ten sy de grooten my met blooden hoofde groeten.
1203
kackerlack
Ghy bintet waardich, ick mien een voet in jou gat,
1204
1205
Wijstme sulcken dwaas eens inde heele stadt!
roemert
Wat vraagh ick na de luy, of syter wat antrecken,
1206
Ick doet wanneert mijn lust.
1207
[p. 214]
kackerlack
Men vindt veel sulcke gecken!
Den Hertoch is verciert als ghy hem doet de eer,
1208
Dat ghy eens met hem gaat de straat op ende neer.
roemert
1210
Hy steekt zijn borst op als een Gans.
1210
kackerlack
Ja gy bent heerlijk,
roemert
Door mijn deucht maack ick hem en al de zijnen eerlijck,
1211
En daarom set hy mijn staach aan zijn hoogher sy.
1212
kackerlack
De gallich om u hals.
1213
roemert
Al de werelt gingh my
Achter mijn rugh hierom beschimpen en besmalen,
[p. 215]
tekstkritische noten
1215
En al mijn leempten schots en bitter op te halen.
1215
Ick lietet onghemerckt doorslippen voor een tijdt,
Sy pruylden, en pratten, en borsten schier van spijt.
1217
Maar ick sets' in mijn deer met al wat sy verschaffen,
1218
Sy sullen an mijn stock niet eensjes komen blaffen,
1219
1220
Want ick souse straffen // al waren sy so koen,
1220
Dan niemant wil van haar de kat de bel andoen,
1221
't Hart sinckter inde schoen // so vreesen sy mijn tooren,
1222
Wat seggen sy,
Roemer
het bloedt in zijn ooren
1223
Quam hy het te hooren // het lieper heel slecht // of
1224
1225
Ick hielder wis de neus en 't goedtje soo recht // of
1225
Sneedt ick een meyts vlecht // of, met de hiel vanner bien,
1226
Ick lietet te kermis hier inde kramen sien.
En spracker yeuwers ien, dat an mijn eer mocht raaken;
1228
Een dubbelden Aernt souw'k van zijn lichaam maaken
1229
1230
En spouwen hem het hooft tot daar toe, en 't resje van mel kaar
1230
En voeghen d'armen en de sijen eens te gaar,
+
Of setten kop op kop, een been boven en onder
En stuuren hem soo duer de werelt voor een wonder.
Rodrigo de Malta
die maackteme lest soo quaat,
[p. 216]
tekstkritische noten
1235
Mits hy soo permantich en pruets gaat by de straat,
1235
Om dat hy nu as kacx konstapel int leegher // is!
1236
Weet hy wel (sey'ck) datsen vaar een stille vegher // is?
1237
kackerlack
Gants lijden! dats een streec!
1238
roemert
Korts geschach mijn een trots
Vanden Hertochs koetsier! ick reedt hem weer op schots,
1239
1240
Wel seyd' ick, wat is hier? hoe komt dat ghy dus wildt // krijt,
Of ist, om dat ghy Overman van't slepers gildt // zijt?
1241
kackerlack
Dats waerachtich aardich! wat een geest heeft de man!
1242
De Droes souwt niet sinnen, dat hy versieren kan,
1243
'k Wedt hy stondt en sach of hy het hoorde donderen.
1244
[p. 217]
tekstkritische noten
roemert
1245
Hy sweech as een pissebet!
1245
kackerlack
Dats niet te verwonderen:
Sou hy niet?
koenraat
Dats een lichtmis, dats een guyt, en d'ander
Is een Zee-roover!
kackerlack
Hoe quelle schaamle luy menkander?
roemert
Heb ick u wel vertelt hoe'k de brabler quam anboort?
1248
kackerlack
Noyt niet, secht op: ick hebt wel duysent maal ghehoort.
1249
roemert
1250
Dees brabbelaar die quam in een kuf over tafel
1250
Daar een Snol bymen sat, stracx gingh hem daar de wafel
1251
[p. 218]
tekstkritische noten
Wt de kerf, lief say da'k mayn stooter t'ouwent brocht?
1252
Hangt vande banck seyd' ick, jongen 't vleys is verkocht,
1253
Wat doeje int pardiel? je souwtje nae de Kerck // spoen,
1254
1255
Gaat leest jou getijen! en laat jou vaar dit werck // doen.
1255
kackerlack
Ha ha hay!
roemert
Wel wat ist?
kackerlack
Kluchtich! ghy weter van,
1256
Wtghenomen aardich, daar is gheen verbeteren an,
1257
Ist een spreeck-woort, of hebdijt uyt een boeck ghesocht?
roemert
Hebdijt meer gehoort?
kackerlack
Dick.
roemert
Ick hebbet oppebrocht.
1259
[p. 219]
tekstkritische noten
kackerlack
1260
't Most den dartelen lecker wel schrickelijcken spijten.
1260
koenraat
Dat jou de Nicker haal!
1261
kackerlack
Trouwen ghy kunt verwijten!
Hoe hield' hy hem doch al? Maar kreech hy soo koel // slip?
1262
roemert
Wat souw hy doen goet man! hy keeck als een Poel //-snip,
1263
Hy wist niet waar hy best zijn weesen soude laten,
1264
1265
Sy lachten haar schier doot die inde kamer saten,
Somma; ick had daar mee de schrick in al de rest.
1266
kackerlack
Het was gheen onghelijck:
1267
roemert
Maar wat houje voor best?
Sal ick
Moy-aal
't vermoen nu wt den hoofde drijven
[p. 220]
tekstkritische noten
Van dat ick 't meysje min?
kackerlack
Neen: wilt haar eerder stijven
1270
In dat achterdencken.
1270
roemert
Waarom?
kackerlack
En weet gy niet
Als sy van
Ritsart
rept, hoe bril dat ghy dan siet?
1271
roemert
'k Weetet.
kackerlack
Let op mijn raat, als sy
Ritsert
gaat noemen;
So moet ghy van
Katrijn
haar soete vrientschap roemen:
Seyt sy, laat ons
Ritsaart
noo'n te gast, so beveelt
1275
Datmen het meysjen haalt, op dat sy u eens speelt.
1275
Soo sy zijn wijsheyt prijst, en hoe hy haar gaat vieren:
So looft haar schoonheyt, en bevallige manieren.
+
Roemt sy van
Ritsaarts
Duecht, so bóógh ghy weer van haar.
1278
Somma speelt leer om leer, en gheeft haar waar om waar.
1279
[p. 221]
tekstkritische noten
roemert
1280
Waar sy verlieft op myn, so souwt wat moghen baten.
1280
kackerlack
Als sy u gift ontvanght, en die niet wil verlaten
1281
Om datse dat bemindt uyt jonst die ghy haer droech:
1282
Wat klaghen hebt ghy dan, is dat niet lief ghenoech?
En onghetwijfelt 'tsal haar dapper oock verdrieten,
1284
1285
Dat dan een ander sal de lieve lust ghenieten,
En het ghenot, dat sy dus langh van u ghenoot,
Indien ghy u verstuert.
1287
roemert
't is wel geseyt, maar 'tschoot
My juyst niet inde zin.
kackerlack
Dats wat nuws, bymen sonden
Ghy dochter niet om, aars ghy haddet licht ghevonden.
1289
moy-aal
,
Roemert, Kackerlack, Koenraat
1290
En heb ick niet terstondt gehoort myn Hopmans stem?
1290
Mijn dochtet, ja wel siet, hoe schoon, hier vind ick hem,
Myn
Roemert
weest gegroet.
1292
[p. 222]
tekstkritische noten
roemert
Myn boeltje, kanjewieltje!
Heb jy myn nu niet lief? het dienst-meysje gevieltje?
1293
koenraat
O wat behendicheyt! o wat een heusche groet
1294
1295
En wat eerbiedicheyt hy an zyn liefste doet!
O wat bevallicheyt van intre! wat aardicheyt!
moy-aal
So seer niet om haar selfs als om u hooghwaardicheyt!
kackerlack
Ay gaewe eten stracx, ick heb soo langh ghevast?
koenraat
Ja wel het is een volck dat op malkander past.
1299
roemert
1300
Als ghy wilt, ick ben ree.
koenraat
Nu ick wil haar gaan teghen
1300
Als of ick quam van Huys: waar is de reys gheleghen?
1301
[p. 223]
tekstkritische noten
moy-aal
Wel
Koenraat
sydy daar?
koenraat
Ay lieve hoort een woort?
moy-aal
Dat deed' ick garen: maar ick moet voor dees tijt voort.
1303
koenraat
Waar?
moy-aal
Waar! en siedy niet den Hopman en den desen?
koenraat
1305
Gewisselijck ick siet, met spijt en met leetwesen,
Ghy moocht soot u ghevalt ontvanghen nu de Moor.
1306
roemert
Wel waar na wachtmen nu? waarom gaan wy niet door?
[p. 224]
tekstkritische noten
koenraat
So de beleeftheyt oyt had plaats in u myn Heeren,
So laat my an
Moyaal
myn schenckingh nu vereeren
1310
Met woorden van bescheyt.
1310
roemert
Ho! dat moet al wat zyn,
Ick gis datse doch is veel schoonder als de myn!
koenraat
Ick weet niet wat het is, het dinghen salt bewijsen;
1312
Ick houw van pocchen niet, het moet zijn selven prijsen.
Moortje komt voor den dach!
roemert
dees kost een spaensche kluyt:
1314
kackerlack
1315
Secht een vaan Delfs-enghels!
1315
koenraat
Hoe nu, wat seyt de guyt?
Komt herwaarts Moortje! dees sy u vereert myn vrouwe.
Haar gaaf en glat aanschijn dat muechdy wel beschouwe
Besiet een weynich doch haar lieffelijck ghelaat.
Haer fiere, frische jeucht is in haer beste staat.
[p. 225]
roemert
1320
Waarachtich sy is eel!
koenraat
Wat segh gy
Kackerlackje
?
+
Wat schorter an? Het sy een rimpel of een vlackje?
1321
En ghy Hopman
Roemert
! wat dunckter u toch van
Siet ghy't nu, dit of dat, secht mangelter wat an?
1323
Sy swijghen alle beyd' dat is ghenoech ghepresen.
1325
Sy schrijft goet vaerdich schrift, sy kan oock lustich lesen,
1325
Sy handelt braaf de Luyt, sy singt heel soet Mussyck,
Sy doet oock wat sy doet, sy doet het meesterlijck;
Voor een seer geestich mensch so wort sy u ghegheven
1328
Die opghetrocken is om voor een Prins te leven
1329
1330
So kuys en 'tzaart is sy gemaniert, ick sech, dat
1330
Haar zedicheyt beschaamt de Dochters van de Stadt.
1331
roemert
Sy is seecker wel moy: en gingt niet na de Vasten,
Ghelijck het doet, ick vrees, ick soumer an vertasten.
1333
koenraat
Der geender dies u schenckt en wel vrywillich gheeft
1334
1335
Die wil niet dat ghy juyst alleenich by hem leeft:
Noch alst hem komt te pas dat ghy dan and're buyten
[p. 226]
tekstkritische noten
Om zynent wil alleen souwt voor de deure sluyten;
So honts en is hy niet: hy stelt u los en vry,
1338
Hy roemt sick nimmer van zijn stoute vechtery!
1339
1340
Hy soeckt gheen yd'le eer, ghelijcken veel groot-spreeckers,
Dat niet dan Guyllen zijn, en Blaffers, en Wint-breeckers,
1341
Die brommen met haar schandt, en toogen borst en hooft,
1342
Waer sy gheteeckent zijn, ghehouwen en gheklooft.
Noch hy belet u niet dat ghy met eenighe Vryers
1345
U lusten souwt voldoen, als sommighe benijers,
Maar alst u wel behaaght dat hy u eens gherieft,
1346
Ontbiedt hem, waar ghy wilt, en wanneert u ghelieft.
roemert
Dit is een lust te sien! en 'tblijckt dat dit een knecht // is
Van een beroyden baas, myn dunkt dat dit wel slecht // is.
1349
kackerlack
1350
Dats waar! dat weet ick wis, en hy't om 'tgelt niet liet
Hy leedt hem andersins met sulcken pracher niet.
1351
koenraat
Swijcht wayfler, swijgh ghy: O ghy schuym van alle boeven,
1352
Want na dat ghy 'tproffijt van 'tvleyen quam te proeven,
So hebdy al u gheest, en al u kunst gheset
[p. 227]
tekstkritische noten
1355
Om te panlicken steets, dees dolle droncken slet:
1355
Want ick acht datmen u, met een taart, of een struyfje;
1356
Sou kryghen waarmen wouw: 'tOuwerkerck om een schuyfje:
1357
Want met een tooghje Wijns, of met een beker Bier
So soumen iagen u door Water en door Vier.
roemert
1360
En wanneer gae wy voort?
moy-aal
'kSal dese binnen leyden,
En bestellen met een eenige nootlyckheyden,
1361
Dan koom ick u strax by.
roemert
Kackerlack
ick gae vuer,
Verwacht ghy
Moyaal
hier, en vollicht my met huer.
koenraat
Neen; dats behoorlyck en 'tsouw niet mogen sloeren,
1364
1365
Dat een Hopman by daagh sou sling'ren gaan met hoeren.
1365
[p. 228]
tekstkritische noten
roemert
Wat sal ick meer seggen? het spreeckwoort is oprecht:
+
Sulck Man, sulck vis, sulck Meester, sulck knecht.
1367
kackerlack
Ha hay.
roemert
Hoe lachje dus?
kackerlack
Om dat gy schempt so schrander
1368
Nu weer met
Koenraat
, en vlusjes met den Brabander;
1369
1370
Maar siet daar komt
Moy-aal
.
roemert
gae gy u gangh al voort,
Bereyt de maeltijt stracx met al zijn toebehoort.
1371
kackerlack
Ik gae!
moy-aal
Angniet
hoort hier!
[p. 229]
tekstkritische noten
angeniet
Wat ghelieft u mijn vrouwe?
moy-aal
Doet alle dingh soo wel als ick u toe vertrouwe.
Soo
Vrederijck
hier komt, so geeft hem goet bescheydt,
1374
1375
En bidt hem vriendelijck dat hy een weynich beydt,
Doch heeft hy yets te doen, of zijn orber te besorghen,
1376
Verdachvaart hem op nieuw, dan weder teghen morgen:
1377
En wil hy daar niet an, en weyghert hy dit gants
Soo doet hem brenghen voort ten huyse des Hopmans.
1379
angeniet
1380
Ick salt doen.
moy-aal
Maar houwt! 'k beveel u sonderlinghen
1380
Dat ghy de jonghe Maacht bewaart voor alle dinghen;
1381
Op dat haar suyverheyt van niemant wert besmet
Siet toe dat ghy een voet niet buyten 'thuys en set.
roemert
Nu gaan wy het is tijd. hoe langh suldy noch marren?
1384
[p. 230]
tekstkritische noten
moy-aal
1385
Gaat binnen ghy lie, of vervolcht ons van varre.
Het derde deel, het derde uytkomen.
frederyck
de Broeder van 't Haechsche Meysie
.
WAarlijck hoe ick mijn meer bepeyns en wel versin
1386
Dit gaan en komen heeft al veel bedenckens in.
1387
Nochtans soo isser yet dat my 't hart kan beroeren
En doet mijn sinnen al een heftich oorloch voeren,
1389
1390
De leydtslie vande strijdt, die zijn voornaemlijck dees,
Ter eender sy de hoop, ter anderer de vrees:
Want van
Moy-aal
en kan my anders niet gheschieden
Als schaad' en schand, en opspraack by de vrome lieden,
Die als sy 't sullen sien, stracx vraghen, en vermoen.
1394
1395
Wat dat
Frederijck
heeft met dese hoer te doen?
Nochtans sach ickse noyt als dese reys verlede,
1396
Als sy my met haar meyt tot harent halen dede,
En nae dat ick daar quam, sy vant wel haast een saack
1398
Om my te houden daar een wijltijdts met der spraack.
1399
1400
Met schijn-heylich ghelaat soo heeft sy haar ghelaten
1400
Ghelijck of sy met my yet sonders had te praten,
1401
Van saaken van ghewicht: maar stracx docht ick, dat sy
Bemantelde met schijn van deucht, haar boeverij,
Recht als my was geseyt, dat sulcke loose vrouwen
1404
[p. 231]
tekstkritische noten
1405
Die trecken bruycken, om de Jonghmans an te houwen.
1405
Sy schickt haar an't buffet, verciert op zijn ghesienst,
1406
En treckt my neffens haar, en biedt my alle dienst,
En socht soo middel en loose gheleghentheden
+
Om my te vraghen uyt met d'een en d'ander reden:
1410
Int kort, so vraaght sy myn met een te dub'len gheest,
1410
U Ouders
Frederijck
, zyn sy langh doot gheweest?
Ick noemden haer den tijdt, helaas! van haar verscheyden.
Voort vraecht sy na myn goedt, en meer omstandicheyden:
Hoe, waar myn Vaders Huys ghestaan had in den Haagh;
1415
Ja duysent dingen meer, int lest doet sy een vraagh
Of ick gheen Suster noch jongh zynd had verlooren
Inden Troubel? en oft aan haar niet was ghebooren,
1417
Waar an datmense mocht bekennen? en midtsdien
1418
Of ickse kennen souw, als ickse quam te sien?
1420
Waarom soo vraacht sy dit? hier staat my op te letten,
1420
Misschien of dit de pry met valscheyt uyt gaet setten,
1421
Om my te maken diets, dat sy myn Suster is,
Die yewers is vervoert van eenige lichtmis;
1423
Doch so myn Suster leeft, door Godts krachtich bewaren,
1424
1425
So is sy oudt ontrendt haar ses of achtien Jaren.
Moyaal
is wel so ouwt, of minder niet als ick,
1426
Oock ken ick haar voorstel wel dóóden schriftelick,
1427
Sy heeft my we'er ontbo'on, dies ben ick onverduldich;
1428
Ick sweert de dardemaal blijf ick de reys haar schuldich.
1429
[p. 232]
tekstkritische noten
1430
Hou sick houw!
1430
angeniet
wien is daar?
frederyck
de gheen die ghy ontbiet.
angeniet
Myn Jofvrouw is niet t'huys!
frederyck
Ja wel docht ick het niet?
Of hebdy t'saam bedocht om my eens te bedrieghen?
1432
angeniet
Ay lieve komt in huys, en hoort eens sonder lieghen;
Moyaal
die bidt u, dat het u ghelief, myn Heer,
1435
Te komen morgen eens, om harent wil hier we'er.
frederyck
'kHeb anders wat te doen.
1436
[p. 233]
angeniet
Ay wilt toch so langh blijven
Tot dat sy weder comt.
frederyck
Ick moet myn handel drijven,
Dus haaltse of ick ga.
angeniet
Blijft doch ick bidder om.
frederyck
Ick wil een Schellem zyn, soo'ck wacht of wederkom.
1439
angeniet
1440
Meendij't waarachtich Heer, ick sal u stracx doen leyden
1440
Ter plaatse daar sy is.
frederyck
Laat my niet langer beyden.
angeniet
Klaartje Klonters
laat staan de schoot'len die gy wast,
Brenght dese fijn-man daar ons Joffvrouw is te gast.
1443
[p. 234]
tekstkritische noten
Het vierde uytcomen, het darde bedrijf.
reynier
een Ionghelingh
.
Nu
gist're middach soo wy gingen op den Dam,
1444
1445
Daar d'een en d'ander lanst vast by de borsten quam:
1445
So maackte wy een ringh ghelijck de Poortegysen,
1446
Den een die begon dit, en d'ander dat te prijsen:
Wat seyde Licht-hart, 'tis hier lange noech estaan,
1448
Goemannen wat raat, waar selle wy toch gaan?
1450
+
Komt gae wy op de Hal en sien de geesten speelen.
1450
Maar packe-bier die sey ick mach geen schempen veelen,
1451
'k Ben liever inde kroech by een excellente Trijn;
Ick mach so langh oock by gheen Redenrijckers zyn:
Want dit volckje wil steets met alle Menschen gecken,
1455
En sy kunnen als d'Aap haar afterst niet bedecken;
1455
Sy segghen op haar les, so stemmich en so stijf,
Al waar gevoert, gevult, met klaphout al haar lijf!
1457
Warent de Enghelsche, of andere uytlandtsche
1458
Die men hoort singhen, en so lustich sien dantse
1460
Dat sy suysebollen, en draeyen als een tol:
1460
Sy spreeckent uyt haar geest, dees leerent uyt een rol.
1461
'tIsser weer na (seyd ick). alst is, sey Eel-hart schrander,
1462
[p. 235]
tekstkritische noten
Dat verschil is te groot besietmen 't een by 't ander!
1463
D'uytheemsche die zyn wuft, dees raden tot het goedt,
1464
1465
En straffen alle quaat bedecktelijck en soet:
1465
'tWas moy sey schalcke Jan, dat sy lieten haar ghekibbel:
1466
Maar 'tis telckens weer-an met een hibbel en dribbel.
1467
Noch leeren sy de luy te laten nijdt en twist,
1468
En 'tis een volck dat selfs staagh buyten de pot pist.
1469
1470
Wat schaat dat? seyden ick, of sy somwijls wat twisten,
Dat doen wel fijnder lien, al zynt gheen Kameristen.
1471
Doe sprack daar op Klaas Kluft, ick ben dees praat al wars,
Mesjeurs wat nieuws, daer zyn nu Oesters kars en vars,
1473
En nuwe Rijnsche wijn gints op de Hantbooghs Doelen,
1474
1475
Komt gawe seyd hy, en laat ons dit eens doorspoelen.
Wy ameldent al: maar Piet recht-uyt wouw na de Kerck,
1476
Ick doe oock goet sey'ck, als ick in 's Lants mid'len werck;
1477
Want waar souwen de Waarden, Pachters, en Penningmeesters tgelt haalen,
Daar de Staten de Steden me versien, en de Soldaten me betaalen?
1480
Wat sinje een nuw-man sey Melicker, die wouw na de vrijsters,
1480
Wel seyd ick benje mal, als dese Amsterdamsche Asse-vijsters:
1481
[p. 236]
tekstkritische noten
Die een heele uytstrenghen dach gaen loopen by de meyt,
1482
Ghelijck als men van Dirick-door tot een geggetje seyt,
1483
Die niet troeven en kon, maar dat hy eerst lierde // dat
1484
1485
Bij Lysje met een oor, dan 'tkosten hem wel een half vierde // vat
1485
Rabbauwen, met een beniste Koeck, en dardalfpont karstengen.
1486
Wat noch prijs ick myn selfs, ick weetmen tijdt beter door te brengen
Met een pasdijsje, een trocentje, een ticktackje en een verkeertje,
1488
Wat seghje daar of eellegeest? kuen gyt niet, hoort hier! ick leertje;
1489
1490
Waarachtich ick sech eer ick de meyt wou loopen na haar gat
1490
Ick wouw liever dat sy de fransoysen of sintvelten hadt,
1491
Komt gaat met ons en drinckt een kannewijns, of anders wat sel icker
Meer of segghen? als Melckert is een rechte meyde-melcker:
1493
Loopt schijten met de meysjes, ick ry liever te Paart,
1494
1495
Een singeltjen eens om, dat is toch de moeyten waart.
+
Ick wouw liever een roosenobel verrosesoolesen en vertabacken,
1496
Eer ick by dat geschuerde goedt sou praeten alderleye quacken.
1497
Of ick ga so lief in een Kaatsbaan en haal een warm lijf,
Dat komt so nauw niet, al verspeul ick hondert gulden vier vijf,
1499
[p. 237]
tekstkritische noten
1500
Wilje me so gaet me (seydese) wy sellen om 'tgelach maer spuelen,
1500
Wy willen hier niet langher gaen als een Paert in een rosmuelen,
1501
En blijven hier int óóch van het graeuw, of dit ghespuys.
Doen seydese:
Writsaart
ghy bent op de Doelen een kijnt ten huys,
Wilt so veel doen en gaender heen en segghen:
1504
1505
Dat sy voor ons sessen dry Kapoenen, en vijf Snippen anleggen,
1505
Met een deel Vincken, en Lijsters, met een delickate Bouwt,
1506
En seght Heereman en Ariaantje, dat sy ons de beste kamer houwt:
1507
Siet
Writsert
wy maken u Heer enne Voocht van morgen avent,
Maacktet so bont als gy wilt, 'tis toch alle daagh gien Vastelavent,
1510
Schaft louter vol op, voor een Prins, het moeter nu op staen,
1510
Al souwen wy te nacht de klapmuts en de botter op een róóster braen.
1511
Wel
Writsert
namt an, dat hy dit teghen nu t'avent sou beschicken;
En nu wy daer komen en isser te bancken noch te bicken:
1513
Wy keken op menkaer, want wat souwen wy toch doen?
1515
Wy wisten niet wat wy souden dencken of vermo'en:
Dan ick denck dat hy van sijn laagenóóts heeft vernomen,
1516
Datter weer een nuwt haertje, of swaentjen is gekomen
1517
Yewers in een kufje, daer hy hem by vergeet.
1518
Daar is niet een kamer-katje, niet een stijfstertje dat hy niet en weet:
1519
[p. 238]
tekstkritische noten
1520
Want hy het de besteetsters, en rofsters, en koppelsters op sijn hant,
1520
So datter niet een nuw snofje komt van óósten of van brabant,
1521
Of hy heefter sijn Kouranct of, hoe wel s'et niet luyt roepen.
1522
'Tis een goet schic van een knecht, tis jammer dat hy so loopt snoepen:
1523
Ten is geen wonder al is hy jongh dat hy alree brilt:
1524
1525
Want van sijn vijftien of sestien Jaer so raackten hy op het wilt
1525
Door sijn Bierdragers, waagdragers, Kóórendragers daer hy me uyt ree,
Die lierden hem alle schellemerij als hy slechs de witten uyt dee,
1527
En spueldent Heerschip. Hoe souwen vuel koopluy huer goet niet mind'ren
1528
Diens sonen so diep gaen, en teren aars noch aars als grave kindren,
1529
1530
Die 'tachten vuer een truesnues datmen duysent kroonen opset,
1530
En so komt datter mennich haar goedtjen en huer koeck
op
op het.
1531
Nu, mijn Spitsbroers die hebben de last geleyt op mijn
1532
Om
Writsert
te vinden, ick vind' óóck waer ick hem vijn.
1533
Gordt vondt ick hem nu t'huys, ick sou hem lóós uyt haelen.
1534
1535
Wat die ick ginder? wel wie komt daer van Moyaalen?
1535
Is hy't? neen hy! 'Tis hy! wat souw hy? Hy ist! ick ghel&