[p. 251]
tekstkritische noten
Het vierde deel, het eerste uytcomen.
Klaartje Klonters
,
de Dienstmaacht
.
Maar wat een Vent is dat? de Karel siet so fel
1712
Ick vrees dat dit Bancket niet wel aflóópen sel,
Want Hopman
roemer
is gestuert, maar al te dapper
1714
1715
Die seyt vast binnensmonts, gants lyden! ick kapper
1715
En hacker lich'elijck op. O bloedt! hy wierdt so gram
1716
Met dat daar
Frederijck
de Magets broeder quam,
By men Vrouw, hy gaf haar een gesicht, die de neghen
1718
Een dóót-slach soude doen, en voort heeft hy ghesweghen,
1719
1720
En broeden eenen wraak met morren in zyn bloedt
1720
+
En luypten als een fiel bedeckt onder zyn hoedt
1721
Op 'twesen en gelaat dat
Frederyck
mocht houwen,
1722
En dan we'er diefs-gewys na d'óógen vande Vrouwen.
1723
Myn vrouw die nóóden hem wel vriendelyck, dat hy
1724
1725
An Tafel komen souw, en sitten me wat by:
1725
Hy weygerdent wel sterck met schrueppelóóse grillen.
1726
[p. 252]
tekstkritische noten
Den Hopman sprack in't lest (doch om
Moy-alen
willen)
1727
Hier hy gy Slocker-hals! durfje niet? doetet vry
1728
En komt hier by den back en hebt so goedt als wy.
1729
1730
Hy sprackt met geen gemoedt, maar met jaloursche sinnen,
1730
En veynsden sich vol ionst, en vloeckten hem van binnen,
1731
Van binnen in zyn hart: Voorders scheent dat myn Vrouw
Den Jong-man
Frederyck
yet sonders seggen wouw
1733
Van zyn Suster
Katryn
: sy wees hem swyght met wencken;
1735
Den Hopman sacht, dit steef zyn vorigh' achterdencken,
1735
Dies borst hy toornich uyt na
Kackerlax
vermaan;
1736
Strax trock hy ande schel, en wouw datmen souw gaan
1737
In alder yl geswindt, om
Tryntje
daar te bringen:
Want hy belust was haar een duentje te doen singen.
1740
Dit heeft myn Vrouw terstont wel tegen lang gestaan,
1740
En sprack: O
Roemert
! dit en dient toch niet gedaan
Datmen de ze'ege maacht op vrolycke maaltyen
1742
Sou roepen, dat en mach haar kuyscheyt doch niet lyen:
Sy schuwt de dartelheyt. ghy weet wel dat de Wyn
1744
1745
Niet matichs in hem heeft, en hoe de Mannen zyn.
Hy brulden als een Stier, en voer voorts uyt met kyven,
En zy en sweegh niet stil, ick dorst niet langer blyven;
Doch eer dat ick verliep, heeft my
Moy-aal
dit gouwdt
1748
Van acht'ren, met een treck heym'lyck in d'handt gedouwt
1749
[p. 253]
tekstkritische noten
1750
Dat ick 't t'huys brengen souw. sy sal hem óóck ontsluypen
Indiense kan; sy vreest dat op haar kap sal druypen.
1751
Het tweede uytkomen, van 't vierde deel.
ritsart
wederkomende van Sloten
.
So ick na Sloten ging door myn bekommert-he'en,
1752
So misten ick de wegh, en liep na Amsterveen.
Ick volchden 'twagen-spoor, myn sinnen onbescheyden
1754
1755
Selfs sporelóós en wuft myn domme siel verleyden.
1755
Ick ging in myn gemoedt en stapelde met kracht
1756
Veelderley schocken van gedachten op gedacht:
1757
Ter harten trocken uyt de klachten droef met hóópen
Dies my een Bronne is van Tranen afgeloopen;
1759
1760
Ick sprack myn selven an, hier ben ick, waar is sy?
Ach lacy! inde Stadt en
Roemer
isser by,
+
En ick ga hier alleen myn suchten wijdt verspreyden,
Verselschapt van myn sorgh, en sware swaricheyden,
Ick sackten in myn leedt, en welden in myn smart;
1764
1765
Het alderswaartst, helaas! dat viel my op het hart:
Ick seefden mijn gepeyns, het kaf daer uyt ghewannen,
1766
Wat bleeffer in myn breyn? maar:
Ritsaart
is ghebannen,
1767
De troetelinghen van den Hopman haar verleydt,
1768
[p. 254]
tekstkritische noten
En de verkeerde sin van haar lichtvaardicheyt.
1769
1770
Ick stamten met myn voedt, myn ooghen opgheslaghen
Ten Hemel! en ick staar: een Rotterdamsche waghen
1771
Met rinckelend' geraas, en krakende ghekras
Verschoot my, en ick sach dat ick by 'tlóóptvelt was;
1773
Daar scheldt ick en verfoey flux myn onachtsaamheden,
1775
En heb vóórts met een sprongh de wech te rugh getreden,
1775
Tot dat ick wel besweet by 't Overtoompje kom,
1776
Dat over, en ick sla de Leydsche schinckel om,
Voort tel ick al myn schreen tot dat ick coom te Sloten,
Daar myn ghetal is uyt, en dit in't hooft gheschoten:
1779
1780
Ach ick ellendige! sal ick twee daghen hier
Verslyten gants alleen? of wil ick gaan te bier
1781
By onbevoelijck volck, van onbevallijcke Boeren?
1782
Myn steeckt de wallich van het leven datse voeren.
1783
Nu ick mach wederom gaan wand'len na de stadt,
1784
1785
Neen dat is niet met al: waarom niet, wat schaat dat?
1785
Ist dat myn lichaam haar niet daad'lijck mach anraaken,
1786
Ick sal met myn ghesicht ten minsten haar ghenaaken:
1787
En waarlijck het ghesicht in saken vande Min,
1788
Is al een treffelijck dingh! met dat my dit viel in
1790
Besloot ick so terstont my na de stadt te spoeden
[p. 255]
tekstkritische noten
Ghelyck ghy siet. wats dit? dit gheeft my quaat vermoeden,
1791
Dat
Angeniet
dus snel, dus besich en verbaast
1792
De vlucht neemt uyt haar huys, met sulcken grooten haast.
Het derde uytkomen, van 't vierde deel.
Angeniet
,
Klaartje, Ritsart
Waar sal ic die rabbaut, dien schellem doch verschalcken?
1794
1795
Maar zynder sulcke guyts ooc onder de schyt-valcken?
1795
Nu sie ick dat Damast, Fluweel noch schoon Sattijn,
De lieden niet maackt vroom, alst snoode guyten zyn.
1797
Hoe heeft hyt durven doen, een Knapelijn te senden
In Vrouwelijck gheweydt, om 'tmeysje so te schenden?
1799
1800
O schantvleck, o bedroch! o gruwel boos en fel!
Afgryselijcke daadt! past dit een jongh-gesel
Als u! of uws ghelijck, al waarmen sou op bouwen
+
Een Kerck? men mach voortaen noch man noch mensch vertrouwen.
ritsart
O Godt! wat wil dit zyn?
angeniet
Hadt hy noch maar geblust
1805
Syn moetwillighe wil, en eer vergheten lust;
1805
Maar wat; hy heeft daar toe de Magets kleedt gheschonden,
[p. 256]
Gesletert en geschuert, en om zyn handt ghewonden
1807
De tuyten van haar hooft, en trockse by den haar
1808
Langes de harde vloer, en lietse legghen daar.
ritsart
1810
Och!
angeniet
Och had ick hem hier! ick souwt hem so uytdróóghen,
1810
En krabden hem zyn licht met naghels uyt zyn ooghen!
ritsart
Warachtich ick gheloof en ick denck anders niet
Of daar moet vry wat vreemts tot harent zyn gheschiet;
Vermits dat sy dus baart: wel wat doet u dus klaghen?
1814
angeniet
1815
Schaamdy u
Ritsaart
niet? maar durfdy dat noch vraghen?
Ghy bóóswicht als ghy bent, wech gaat van hier al stil,
1816
Ghy en 't Moortje zyt waart dat ick niet segghen wil.
1817
ritsart
Waarom? wat isser gaans?
[p. 257]
angeniet
Vraaght dat u ouwe schoenen,
1818
Men hoort u allebey te ruynen en Kappoenen.
1819
ritsart
1820
Waar over? en om wat?
angeniet
Ick spuw van spijt myn gal
Om u bedriegery.
ritsart
Hoe ist hier, sinje mal?
angeniet
Neen dat en schort myn niet.
1822
ritsart
Gy doetet myn gelooven
Door dese sotte praat.
angeniet
De Maacht haar eer te rooven
Met openbaar gheweldt.
1824
[p. 258]
tekstkritische noten
ritsart
Gy bent werentich sot!
1825
Wat pratery is dit?
angeniet
Men hoort hem opt Schavot
Te vierendeelen!
ritsart
O
Angenietje
gy bint droncken,
Heb gy te gast geweest?
angeniet
Ick ben seker niet beschoncken,
Maar 'thooft is opter loop.
1828
ritsart
Bedaart u als een Meyt!
En slaaptet moytjes uyt.
angeniet
Wat foey u listicheyt!
1830
Dat ghy ons voor een Vrouw also een man gaat stuuren.
1830
[p. 259]
ritsart
Gaat en benochtert u, wat schaamt u voor de buuren;
1831
Tis wonder dat de wyn de Menschen so verdwaast.
angeniet
Ick ben niet droncken, so!
ritsart
Myn lieve kint ghy raast.
1833
angeniet
In waarheyt ick en doe.
ritsart
Hoe is dit toegekomen?
1834
angeniet
1835
Om dat u Swartin heeft dat meysjes eer benomen.
ritsart
Kindt mydt u voor den dranck, wat doe g'er me int lijf?
't Staat lelijck voor een man, noch lelijcker een wijf.
[p. 260]
tekstkritische noten
angeniet
Ick heb gheen noodt vanden dronck, ick macher oock niet tuegher
1838
Ick drinck maar maattelijck en dat maar tot verhueghen.
1840
Och had ick oyt gedacht dat ghy so valsch souwt zyn?
Maar
Ritsaart
sydy oock so onghelijck u schijn?
1841
Die u int aansicht siet en hoort u deftich spreken
1842
Die valtet niet eens in, dat in u borst souw steken
1843
Sulck een verraders hart, als gy an ons betóónt.
1845
Tis wreetheyt dat ghy niet d'onschuldighe verschóónt,
Of u myn Vrouw onlanghs also ter luere stelden
1846
Moet dat d'onnoosel maacht so jammerlijck ontgelden?
1847
ritsart
Ghy raaskalt, wel hoe nu? ick kan u niet verstaen:
+
Waar van beticht ghy myn? of wien heb ick misdaan?
angeniet
1850
Vergroot de sonde niet, met u ontijdich lieghen,
1850
Men souw de wijsste Mensch ter werelt so bedrieghen:
Ghy schenckt ons een Moris, men hadt geen achterdacht,
1852
Of sulckx als ghy spraackt so was ons voortghebracht;
1853
Maar so wy nu bevroen en klarelijck bemercken,
1855
So ist een man gheweest an zyn schellemsche wercken.
1855
[p. 261]
tekstkritische noten
ritsart
Ghy liechtet stuckevleys: want ick weet seecker, dat
1856
De Schipper heeft by huer een kindt of twee ghehadt.
angeniet
Hoe 'tis of niet en is, het werrick sal ons schrayen;
1858
Watmen de Dochter vraecht, sy antwoort slechs met schrayen.
1860
De schaamt sit op haar tongh, die 'tspreken haer verbiedt.
1860
De schandt die knaacht haar hart en kluyftse met verdriet.
1861
Ick sorich de Deeren sal dit al te seer inbinden,
1862
En dese Vrouw of Man is nerghens niet te vinden;
Dit doet myn vresen noch dat daerenboven, hy
1865
Int vluchten heeft ghepleeght eenighe dievery.
Ick heb een groote pleyt ter vierschaer van myn sinnen:
1866
Want ist een Vrouw gheweest, hoe souw sy dat beginnen?
Tis teghen de natuur: ist een Man van een swart?
1868
De vrees die souw de lust hem drijven uyt het hart.
1870
Ick weet niet hoe ick stae, so dut ick om dees schennis.
1870
ritsart
Waar sal sy loopen doch? sy heeft hier gants geen kennis
Ten waar sy by geval nu weer tot onsent was.
1872
[p. 262]
tekstkritische noten
angeniet
Ay sietet eens ick bidts.
ritsart
Ick sal seecker so ras
Alst my maar mog'lijck is.
klaartje
Wat dunckt u myn Vriendinne?
1875
Wat sullen wy bestaen? wat raadt is doch hier inne?
1875
Ick hebbe noyt ghehoort so schandelijcke daat,
Die het verhalen self voor ons niet toe en laat.
1877
angeniet
My was wel eer geseyt (in ick recht heb onthouwen)
1878
Dat die Moorianen zyn genegen seer tot Vrouwen.
1880
Maar oft haar hart en sin wel tochtich daar toe track,
1880
De angst voor doot of straf haar gayle lust wel brack.
My quam het minste quaat niet eens in myn ghedachten.
1882
klaartje
Angnietje
wel wie sou eens dencken om verkrachten?
[p. 263]
tekstkritische noten
angeniet
Ja had ick dat ghedocht ick had hem wel geset
1885
Daar hy zyn ziel noch Maacht sou hebben so besmet.
Het vierde uytkomen, van 't vierde deel.
ritsart
,
Negra, Klaartje, Angeniet
Komt uyt ghy lelyck panckt! hoe langh suldy vertoeven?
1886
Komt voort ghy bavyaan, de droes moet u bedroeven.
1887
negra
Och Heere! genaed och!
ritsart
swijcht, swijcht, dat is te vroech,
Als u de Buel wat gispt dan ist noch tijdts ghenoech.
1889
1890
+
Wat beduyt dit? secht teef! dat gy durft wederkeeren?
Wat wil dit, dat ghy u verandert dus van kleeren?
Angnietje
! had ik noch een weynich maar ghebeydt,
Sy waar ons wis ontsnapt haar vlucht was al bereydt.
angeniet
Och heb gy daar de gast?
[p. 264]
ritsart
Ick hebse al ghevonden.
klaartje
1895
Och dat is wel gedaan!
angeniet
is hy al vast gebonden?
klaartje
Waar is hy?
1896
ritsart
dats een vraagh! hier heb ick huer, o die!
angeniet
Ay
Ritsart
wyckt wat op, op dat ick hem besie;
Te degen int ghesicht.
ritsart
Wel
Angeniet
komt hender,
1898
Besiet en oordeelt selfs, is dit de Vrouwe-schender
1900
Die t'uwent is ghebracht?
[p. 265]
tekstkritische noten
angeniet
Wou jy ons so ontvlien?
Hoe nu? ick heb dees mens myn daghen noyt ghesien!
ritsart
Hebdy hem noyt ghesien?
angeniet
O neen! het was een ander.
ritsart
Ick hebber anders geen.
1903
angeniet
'tGhelijckt niet by malkander,
Wat dit is maar een fayl, d'aar was van stal, van staat
1904
1905
Heel fier, heel fris, heel fray, en eerlijck van ghelaat:
1905
Gans voeghlijck van bestuur, en zedich van manieren.
1906
ritsart
Dat dunckt u, en misschien dees kleeren hem ontcieren,
Want gist'ren had hy an een schoon Oostindisch kleedt,
Gheschildert met een Kunst die'ck selver niet en weet,
[p. 266]
tekstkritische noten
1910
Want hoement rolt en vouwt 'tsal barsten noch verslenschen,
1910
Veel Indianen zyn kunstighe kloecke Menschen:
1911
Voorts wat het kleet angaat, dat verciert vaak de Man,
Of het ontciert, naa't is den ghenen die 'theeft an:
1913
En waar sy weer ghepronckt, sy souw u licht bevallen.
angeniet
1915
Maar
Ritsaart
wat een klap? 't ghelijckt hem niet met allen,
1915
Ghy maackt men dat niet diets, daarom so swijcht vry stil,
Wat tusschen dees en die, is toch te groot verschil:
Want d'andere die was int hartje van zyn Jaren,
1918
Wiens nues, wiens wangh en kin, al even kaluw waren;
1919
1920
Het lyf stont hem so quicx, hy had so soeten lach,
1920
Ick worde selfs schier groen als ick zyn ooghen sach
1921
Die hy wel vriendelijck verroeren kon en reppen,
1922
Dat ghy zyn aansicht saacht ghy souwter lust uyt scheppen.
1923
Wat desen die is lomp, maniereloos en grof,
1925
En slaperich, en luy, en kruepel, ouwt, en of.
1925
Wiens beck en noos is plat, en van wiens dicke lippen
Men eenen afval souw met een scherp schaartje knippen.
1927
Haar óóghen die zyn gróót, en 'twit is Zeeltich gheel,
1928
Dat glinstert als een kat by nacht, 'tvel is ten deel
1930
Appelgraauw, en 'thayr is grijs ghelijck een Wesel.
1930
[p. 267]
tekstkritische noten
ritsart
Wel hey wat spul is dit? meen gy dat ick een Esel
Of sulcken grooten geck, of sulcken bottert ben,
Die niet weet wat hy doet? noch dat ick niet en ken
Wien dat ick heb ghekocht en t'uwent heb ghesonden?
1935
Ick salt u uyt haar mondt, nu selven doen oirkonden,
1935
+
Komt hier, segh ick, komt hier, heb ick u niet ghekocht?
negra
Ja myn Heer.
angeniet
'kwouw ick heur oock wat afvragen mocht.
ritsart
Wel vraacht heur wat ghy wilt.
angeniet
Sydy van desen daghe
Tot onsent oock gheweest? Neen seyt hy op myn vraghe,
1940
Ick wist voorseeker wel dat dees het niet en waar;
En d'ander is op t'hoogst achtien oft twintich iaar
Die
Koenraat
'tonsent brocht.
ritsart
Komt hier na myn begheeren:
Hoe quaamdy, en van wien so kreechdy dese kleeren?
Wel swijchdy nu ghy beest? en spreeck gy myn niet aan,
1945
Ghy monster van een mensch, of moet ick u wat slaan?
[p. 268]
negra
Writsert
quam.
1946
ritsart
wie, myn broer?
negra
ja.
ritsart
wanneer quam hy?
negra
heden.
ritsart
Hoe laat wast?
1947
negra
de kloek tien.
ritsart
met wien?
negra
Koen
wasser mede.
[p. 269]
ritsart
Hebdy myn broer gekent?
negra
myn leven niet.
ritsart
dats mis,
Hoe weet ghy Meer-aap dan, dattet myn Broeder is?
1949
negra
1950
Koenraat
gaf my dit kleet, die seyt.
1950
ritsart
'tis ommekomen.
negra
Hy ruylde pack om pack, en heeftet myns ghenomen,
En gingen't samen uyt.
1952
ritsart
O menschen ick wordt dol!
[p. 270]
tekstkritische noten
angeniet
Ben ick nu droncken, he? of heb ick myn gat vol?
1953
Nu sie jy ymmers wel dat ick niet heb gheloghen.
1955
Och! 'tis maar al te waar het meysje is bedroghen.
ritsart
Wat swijght ghy malle meer! hoe komt dat ghy dus schreyt?
1956
Ghelóóf gy dan so licht, wat dat dit vercken seyt?
angeniet
Ick ghelóóf dat ick sie, laas! aande droeve dinghen.
1958
ritsart
Komt hier, noch nader, so, wel secht myn nu geringe:
1959
1960
Myn broeder
Writsert
, hoort, trock die u 't kleetjen af?
negra
Ja Heer, en dese vod hy my in mangel gaf,
1961
En hy gingh tot
Moyaal
.
ritsart
En hy gingh tot
Moyaalen
1962
[p. 271]
In u plaatse?
negra
ja heer,
ritsart
dit doet myn kennis dwaalen,
1963
Wat schelmery is dit?
angeniet
ghy twijffelt ymmers niet,
1965
Of dese vrouwe kracht is van u broer gheschiet?
1965
ritsart
Hoe sydy doch so sot dat ghy noch meucht ghelooven
Dat dese
Nigra
praat: ick kanse niet verdooven,
1967
Ick weet nau hoe ick wil: hoort lochent het nu al,
Dat ick in huer by-zyn u hier afvragen sal.
1970
Sal ick van desen dach gheen waarheyt werden vroeder?
1970
Saachdy u daghen oyt, of kendy wel myn broeder?
1971
negra
Neen ick.
[p. 272]
tekstkritische noten
ritsart
nu seyt sy neen daar sy vlus anders sey.
Ick sie watter of is, sy moet eens ande pley,
1973
Daar Meester Farel huer also langhe sal recken,
1974
1975
Tot hy de waarheyt haar wel uyt de mont sal trecken.
negra
Gy nyptmen, och houwt op! o myn gy doet myn sier!
1976
ritsart
Fluck in!
1977
negra
O myn! o myn!
ritsart
'kwist niet op wat manier
Dat ickt ontkomen sou dat eerelyckst souw tóónen
1978
De saak die is so vuyl ick kanse niet verschóónen:
1980
Spot met u Meester weer als hy u yet ghebiedt,
Sit daar en koekeloert, en pronckter dat ghy swiet.
1981
[p. 273]
tekstkritische noten
+
angeniet
Ick wetet
Klaartje so
waarlijck als wy leven,
Dat
Koenraat Writsaart
heeft dees snóótheyt ingegheven.
klaartje
Dat gaat vast, 'tis gheschiet.
1984
angeniet
dats over, 't heeftet al,
1985
Ick wedt dat icket hem te pas weer brenghen sal.
1985
Maar wat dunckt u
Klaartje
, hoe sal ick 'tbest anlegghen?
klaartje
Waar in
Angnietje
? o van
Trijntje
wilje segghen:
Ghelaat u, recht of ghy noch nergent of en weet,
1988
Rept van het bedroch, noch van 't geweldt niet en beet:
1989
1990
So blijft
Moyaal
gerust en 't meysje by haar eere.
angeniet
't Sal tot etter en bloedt dien
Koenraat
noch uytsweere!
1991
klaartje
Secht die Moris is wech.
1992
[p. 274]
tekstkritische noten
angeniet
Wis, dat sal ick wel doen.
klaartje
Siet daar is
Frerijck
weer, dat doet my nu vermoen,
Dat onse Joffrouw hier terstonden an sal wesen:
1995
Want eer ick gingh van daar, was daar een twist gheresen
Tusschen den Hopman en myn Vrouw.
angeniet
Gaat veeghtet stof
Van 't Staat-tresoor, en vóórt so wascht u Vaten of.
1997
't Vijfde uytkomen, vant vierde deel.
frederyck
STae vast als een Man, so: ick heb seecker wel stro-bienen,
1998
Ick tre sulcke kruys-treen, wel hey! springe de stienen
1999
2000
Overeynt? hoe ist hier so doncker? of ist myn oogen schult dat ick dwaal?
After in myn kap, margen weerkomen, ja alst is
Moyaal
!
2001
Wat een Eerelijcke Juffer, wat een dappere Joncker!
Hoe nouw dats dollemans praat, ick ben geen fraey droncker.
2003
Daer sinder niemes te na esproken al beter inde Stadt,
2004
2005
Die een vaan met een toogh drincken, en in een nacht een hallifvat.
2005
[p. 275]
tekstkritische noten
Ick sie'er daar wel een diel, maar ick selse niet noemen,
2006
Die voor een frayicheyt huer beestich drincken beroemen:
2007
Wat dunckje gemannen, dattet gheen rustighe baasen zyn
2008
Die onder hun drien, op een sitten, droncken twintich kannen wijn?
2009
2010
Ja seker sulcke zynder al, diet huer wel hartich soude belghen,
2010
Dat sy de Oóstersche kop met geen Pomersche sluerip souwen kunnen uytswelghen,
2011
Dat is by gedt geen kinder-werck, het is een mannelijcke daat:
2012
Wat ick houw noch vuel van en man die hem op den dronck verstaat,
2013
En stadich daar by blijft, en hem niet en laat verguysen noch verbluffen:
2014
2015
Al ben ick maar een slecht Burgher, ick souw noch voor geen
Haarlemer
suffen:
2015
Om d'eer van
Amsterdam
, daar souw ick noch al vry wat om doen,
Al souw ick een water-galletje te veynster uytwerpen, of moytjes in myn schoen:
2017
Neen ick gaf het noch gheen kamp, dat hy myn braveerden of trosten,
2018
Al souwt noch sie daer, een gelach van vyfentwintich guldens kosten,
2020
+
Wat rydt myn dat gladde speck, ick houwt seecker met de koeck,
2020
En alsment seggen mocht, de koeck is 'tspeck nou al ver te kloeck:
Al mienen de dróógers dat sy allienich 'tventje bennen,
2022
[p. 276]
tekstkritische noten
Wy hebben hier oock noch volck die lustich drincken kennen.
Dat bleeck wel an dat uytgelesen vaandel vanden Dam,
2025
Dat met sulcken grooten eer van't trotsche Wtrecht quam,
Ghelijck als onse maats met groote smaack vertellen:
Siet daarom wy
Swijght Wtert
voor onse Doele stellen.
2027
Wat onse volck, dat is volck sy blyven even fris:
Het wel drincken is een kunst die elck niet egeven is.
2030
So ick in huys quam daar sy an tafel waren geseten,
Sy noode myn alle bey, wel ick gingh daar sitten eten
Uyt een goet hart, 't was telckers weer an nou vryer eet // wat:
2032
Maar die gesontheyt van zijn
Excellency
! o die weet // wat.
2033
Het was by get sulcken kellick met nuwe Spaensche Moskedel,
2034
2035
Ick roock, ick proefde, ick dronckse, o myn het smaakte so wel!
Dan wast met een beniste bóórtje, en dan met een Rondeeltje,
2036
Dan de
Santé
vande Matres, dan een klaverblaatje met een steelte,
2037
Dan konfloribus, dan met een óóchje, en dan met een Snaers,
2038
Stóót die Beker niet om vryer, wat so! veeght dat kynt zyn naers,
2039
2040
Onthouwtje natuur niet: schiet inje rop, prop inje darmen.
2040
Och docht ick hoe weynich so dencken wy nu om den Armen,
2041
Die oudt en dóóf, en slap, en sieck, en suchtich zyn;
2042
[p. 277]
tekstkritische noten
Hoe souwen die snacken hadden sy een kroesje wijn?
2043
En men ken hier op een Burghers-maeltijdt wel so veel verteeren,
2045
Daarmen 't ouwde Mannen Gasthuys me sou konnen stofferen.
2045
En alsmen inde Kerck, of voor yemants duer schelt en luyt,
2046
Dan geven dese slempers wel een God helpje, of een óórtje, of een duyt.
2047
Men mach wel vrolijck zyn: maar wilmen Krist'lijck leven,
Men souwse noon te gast die niet weder kunnen gheven.
2049
2050
Of gafmen een Bancket, men hóórde 'toverschot
Te deelen hier en daar, den armen om Godt.
Met nam den Hopman drie roemers in zyn handen, en twee in zyn armen.
2052
Avous duytsch-bloet, seydy, op 'twelvaren vanden Prins van Parmen,
2053
Hy veeghdese louter uyt, en maacktese boven dicht:
2054
2055
En trouwen, ick oock, gants lichters myn kop is so licht,
2055
Ick voeldent eerst niet, so ick noch ande tafel // sat:
2056
Ick wasser arch op, mit dat ick somwijls een wafel // at,
2057
Maar doe ick inde lucht quam, en wouw na huys toe gaan
Ick suysebolden, en ick kon op myn biennen niet staan;
2059
2060
'tVerstant wasse wech, ick knickebienden, en bleef roncken
2060
Ick heb al een poos eslaepen, en noch ben ick moytjes droncken.
[p. 278]
tekstkritische noten
angeniet
Waar mach myn Vrouw zyn?
frederyck
Angnietje
! maar wat sin gy een tas,
2062
Gy bint nou wel hellifte goelicker as gy tangsjens was:
2063
+
Komt hier gy katte-quaatje! gaat mitmen om ien langetje:
2064
2065
Gy Hagedisje, gy Addertje, gy Serpentje, gy Slangetje.
angeniet
Nu
Frederijck
staat stil, het! gy bint wel goet soens,
2066
Heer, hoe rydt myn ien knecht? wel jou lust wel wat groens.
2067
frederyck
Gy Slackje, gy Spinnetje, gy Poddetje, gy kickertje,
2068
Gy Kockedrilletje, gy Baseliskisje, gy Nickertje.
2069
angeniet
2070
Fyn gesel praat gy dus als gy by jou Vrysters bent?
So ist gien wonder dat gy niet an-raken kent.
2071
[p. 279]
tekstkritische noten
frederyck
Gy schyt-venyntje, gy Monsterumje, gy Schorpioentje
2072
Gy Nachte-merytje, gy Gras-duyveltje, gy Griffioentje.
2073
angeniet
Hoe ist hier Kees-quyl? speul-op met Jan Vlassen Harp.
2074
frederyck
2075
Wel hay! moer worje quaat? so komtit jou wel scharp:
2075
Binje quaat, so blijft quaat, en loopt vry voor de pocken.
2076
angeniet
Nu
Frederijck
laet staan, nou seker sonder jocken,
2077
Nou tis hoogh genoech: en niet te veel dat is soet.
2078
frederyck
Ba nues, kyck moer, wel hey sy is niet welle moedt.
2079
[p. 280]
tekstkritische noten
angeniet
2080
Maar Monsuer
Frederijck
en hebdy niet vernomen
2080
Van myn Vrouw?
frederyck
angnietje
, is sy noch niet ekomen?
Dat geeft my al te vreemt: 'tis wel een uyr gheleen
2082
Dat sy van daar verliep, en liet my gants alleen.
2083
angeniet
Wel hoe quam dat toch by?
2084
frederyck
Sy worden t'samen twistich
2085
De kapiteyn en sy; doch sy ontsloop het listich.
angeniet
En gaf sy u gheen lues te volghen met een winck?
2086
frederyck
Sy deed een teycken, maar wel vluchtich met een swinck.
2087
angeniet
Wel was dat niet genoech?
[p. 281]
tekstkritische noten
frederyck
Jaat: maar ick en cont niet vatten,
Den Hopman begon stracx op myn pruylend' te pratten,
2089
2090
Doen verstondt ick eerst recht dat sy myn schichtich wees,
Want hy stiet my voor duer: ick nochterde van vrees
2091
Al wat, en ick gingh duer: daer komt de uytgelesen,
2092
Ick docht seker niet voor haar an huys te wesen.
2093
Het vierde deel, de sesde handelingh.
moy-aal
,
Frederyck, en Angniet
.
WArachtich ick ghelóóf dat hy hier stracx sal zyn
2094
2095
Om met gheweldt de Maacht te rocken nu van myn:
2095
Maar dat hy komt, ick pas op hem noch op zyn gasten:
2096
Ick wouw dat hy 'thart hadt dat hy'er dorst antasten,
Ick souw hem by men sier, gaan vliegen in zyn licht
2098
En krabben uyt zyn kop zyn wrevelich ghesicht.
2099
2100
Ick sal hem met die reekx so wieck kloppen en cleunen
2100
Alsmen de stockvis doet, wie souwt verdraghen kuenen,
De trotsche woorden die de rekel myn toesnaeuwt?
Of ick een vercken was so leydt hy staach en graeuwt,
2103
Alst nieuwers voor en komt tyt hy ant hasebassen:
2104
[p. 282]
tekstkritische noten
2105
+
Soo hy myn stoot of slaat, dat mes sal op hem passen,
2105
Al ben ick maar een Vrouw, laat mynder me betien,
2106
Ick heb wel eer een man in zyn ooghen esien,
Oft sulcken honts-klinck was, hoe seer oock dat hy pochten.
2108
Doen ick een meysje was, doe heb ick wel ghevochten
2110
Teghen een groote knecht, souw hy myn nu dan slaan?
2110
<