[p. 308]
tekstkritische noten
Het vijfde bedrijf, 't eerste uytkomen.
moy-aal
,
Angeniet
.
moy-aal
Eerloosde stucke vleys! wel wat sal u ghebreken?
2403
Hoe langh suldy dus dwars en twyfelachtich spreken?
2404
2405
Wat gemoffel is dit? ghy staemert in u praat,
2405
Angniet
spreeckt uyt u mont op datmen u verstaat.
2406
Ick wetet; 'k wetet niet, sach icker hem by legghen?
Ick was daar niet ontrent: wel wat is dit te seggen?
En sal ick dan niet eens de waerheyt recht verstaan?
2409
2410
Waarom is de Moris so steel-wijs duer gegaan?
2410
Hoe komt
Katrijntjen
doch so bitterlijck te trueren?
Wien heeft haar kostel kleedt so schendich durven schueren?
2412
angeniet
Wat sal ick seggen? ick rampsalige! men seyt
De swarte die hier was, en was noch Vrouw noch meyt.
[p. 309]
moy-aal
2415
Wat drommel was sy dan? maakt my de saak eens vroeder.
2415
angeniet
Een Man.
moy-aal
Een mans persoon!
angeniet
Ja
Writsert Ritserts
Broeder.
moy-aal
Wat segdy doch sottin?
angeniet
Myn Vrouw ick heb geseyt
Het ghene dat ick weet, uyt wisse sekerheyt.
moy-aal
Maar
Angenietje
, secht hier eens tusschen ons beyden
2420
Waarom souw
Writsert
hem tot onsent dus doen leyden?
angeniet
Ick weetet niet myn Vrouw, of mogelijck ten waar
2421
+
Dat door haar schoonheyt hy verslingert was op haar.
[p. 310]
tekstkritische noten
moy-aal
Helas ick sterf! ach ramp! myn siel sal noch verscheyen,
Ist seeckers als ghy segt, so mach sy doch wel schreyen.
angeniet
2425
Ja daarom weentse, en siet, daarom kermtse vast.
2425
moy-aal
Ghy Meer! had ick u niet haar gaad' te slaan belast?
2426
angeniet
Ghy bevaalt haar de
Moorin
.
2427
moy-aal
'kben oorsaack van dit dolen;
Want ick heb selfs de Kat de soete-melck bevolen.
Wat voor een mensch komt hier?
angeniet
ay sus myn Vrouw, verwis
2429
2430
Wy zyn gebercht, hier is de valsche schijn-Mooris
2430
Siet aen myn slinckerhant: waer na staen wy en drieghen?
2431
Laet ons die stuckedrochs ghelyckerhant toevlieghen,
2432
En slaen hem so muruw en so plat als een Schol.
2433
[p. 311]
tekstkritische noten
moy-aal
Wat kunnen wy hem doen? sottinne zydy dol?
2435
Dat hy maer eens begon, hy sou ons onder smijten.
2435
angeniet
Ick sou hem krabben, en die diefsche keel af bijten,
2436
Dien eer-vergeten loer!
2437
moy-aal
Nu
Angenietjen
houwt.
angeniet
Wat onbeschaamt ghesicht, hy is noch even stout.
2438
Het tweede uytkomen, int vijfde deel.
writsart
,
Moy-aal, Angeniet
.
Alsoo
Reynier
en ick te samen ginghen wand'ren
2439
2440
Na zynent, op dat ick van kleed'ren mocht verand'ren,
2440
So gaat hy eerst in huys, en liet my staan voor duer;
En juyst so 't wesen wouw, zyn Vader die was vuer
2442
Inde winckel, besich om de lieden te gerijven;
2443
En siet zyn Moeder stont en buurden met haar wijven,
2444
[p. 312]
tekstkritische noten
2445
So dat ick onbesien daar niet wel kon ingaan:
Terwijl ick op de straat dus guwende bleef staan,
2446
So sach ick d'eene vrient, en d'andre van myn kennis
Verby myn snuyven heen, ick vreesde voor een schennis:
2448
Dies streefden ick myn best, al wat ick loopen mocht,
2449
2450
De flouweele Burghwal langs tot ginder ande bocht
2450
Na 't Water-poortje toe: doen achter byde vesten,
2451
Tot ande Bosjes-brugh, en hier en daar ten lesten,
2452
So dat ick moe en mat, en t'eynde van men aam
2453
Tot hier geloopen ben, vermits dat ick myn schaam
2455
Dat my of Man oft Vrouw mocht komen dus te kennen,
2455
Het welck myn achtbaarheyt niet luttel soude schennen.
Maar hola! wie zyn dit? 't is
Moyaal
met haar meyt;
Wat sal ick doen? de Hane-voet is myn ghebreyt.
2458
Wat pas ick oock op haar? ick kan my wel verweeren.
2459
moy-aal
2460
Komt gae wy na hem toe: goeden dach vrouw met eeren.
2460
Syt ghy het dienst-wijf niet, die eer datmen u joegh
Wech liept?
writsart
Och ja Jufvrou.
[p. 313]
tekstkritische noten
moy-aal
Wel is dat nu ghenoech?
2462
+
writsart
Och neent lieve Jofvrouw, wilt ghy myn dit vergheven,
Ick salt warachtelijck niet meer doen van myn leven:
2465
Vildtme doen ick het weer.
2465
moy-aal
Hoe quaam 't dat ghy wech liep?
Hieldt ick u al te ruym, of te kort onder swiep?
2466
writsart
Neen ghy.
moy-aal
Wel waarom dan?
writsart
maar ic vloot haastelicken
2467
Uyt vrees om dat ick docht, dat sy myn souw verklicken.
moy-aal
Wat hebdy dan gedaan?
[p. 314]
tekstkritische noten
writsart
Ick weet niet, niet en myt.
2469
moy-aal
2470
Is dat dan niet met al, ghy schender als ghy zyt!
2470
Ghy bedriegher, ghy fiel, is dat maar een kleynicheyt?
Datmen een goet mans kint ontset van haer reynicheyt?
2472
En dat noch met ghewelt, foey! wat een gruw'lijck stick.
2473
writsart
Ick meenden dat sy was een Meyt ghelijck als ick.
angeniet
2475
Een meyt ghelijck als ghy! o doot! wat houdt myn achter?
2475
Dat ick u niet en vat in't hayr? ghy vrouwe-krachter!
Ghy schellem! ghy eer-dief! ghy boos-wicht in u huyt!
2477
Ay siet; de guytery siet hem ten ooghen uyt.
Ja wel dese schavuyt komt hier noch met ons gecken:
2480
Mocht ick begaan ick souw de ooren hem of trecken.
moy-aal
Hoe ist hier, sydy mal? gaat wech stracx an een sy.
2481
[p. 315]
tekstkritische noten
angeniet
Om die galligert niet; ick ben so goet als hy,
2482
En vry wat beter oock als hy of syns gelijcken,
Krijgh ick u op den Dam, ick salje so uytstrycken;
2484
2485
Dattet u huegen sal, hóór ghy dat wel rabbauwt?
moy-aal
Gaat heen en doet u werck, hoe leyt dit wicht en snaeuwt?
2486
't Is langh genoech getwist,
Angnietje
laat dat dryven,
2487
En staat wat achter of, laat my met hem hier blijven.
2488
Voorwaar
Writsert
ghy hebt hier angerecht een daat
2489
2490
Die oevel souw vergaan wistet de Magistraat:
2490
Een dingen sekers die u aansien sal vermind'ren,
2491
Dat ghy te schande brenght de goede lien haar kind'ren:
2492
Want dese schendery, en boose Vrouwe-kracht,
Sal seer ontsuyveren de eer van u gheslacht;
2494
2495
Met lachter en met smaat: oock sullen alle Vromen
2495
U schuwen als de pest, en nimmer met u komen
In handelingh te treen: waarlijck het is een dingh
2497
Dat gants niet voeghlijck is voor sulcken Jongelingh,
Ghelijck ghy wesen wilt: ghy hebt my so warachtich,
2500
Als ick hier levend sta gemaackt so twijffelachtich,
2500
Dat ick noch sin, noch wit, noch reden heb, noch raat
2501
[p. 316]
tekstkritische noten
Om te besluyten tot verschooningh van dit quaat.
Kan de besinningh so schoon van een Mensch vervremen?
2503
'k Weet inder waarheyt niet wat dat ick voor sal nemen,
2504
2505
Myn sinnen zynt niet eens, maar kib'len met melkaar,
2505
Den een die wil het een, den ander wil het aer
Ten opsicht vande Maacht, die ick voor dese mienden,
2507
Eer sy was geschoffiert te brengen an haar vrienden,
2508
+
Om my te vord'ren met dit kost'lijck present,
2509
2510
In haar geduurige jonst en vrientschap sonder ent;
2510
Myn opset en myn hoop die zijn my nu ontschoten,
Mits ghy uyt snoode lust haar Maachdom hebt ghenoten.
2512
writsart
Maar ick verhoope nu, en 'tvalt my schierlijck inne,
2513
Dat tusschen u en my met onverwachte minne,
2515
De hartjes onderlingh sal worden t'saam genaeyt
2515
Met ontarnbare trouw, en goe genegentheyt.
2516
Het villicht dat dit stuck en lelijckheyt der saken,
2517
Een gront-vest, en een boom van sulcken jonst sal maken
2518
Als oyt beschreven is: 't is mooghlijck oock voorsien
2519
2520
Dat door dit quaet begin een grooter goedt sal schien.
2520
[p. 317]
tekstkritische noten
moy-aal
Ghewis ick houwter voor, en wil oock vruntschap houwen.
2521
writsart
Doch siet, dit bid ick u, dat ghy maar wilt vertrouwen,
Dat 't gheen hier is ghebuert uyt quaat-doens luste niet:
Maar door myn sinlijckheyt, en liefden is gheschiet;
2525
Mits d'onbedachte jueght en rypheyt my andreven.
2525
moy-aal
Voorseker ick gelooft, dus wertet u vergeven
Met een goetwillich hart, en neemt oock an in't soet,
2527
'k Ben so onmenschlijck wreet noch hart niet van gemoet,
(O
Writsart
!) noch so slecht oft weynich niet ervaren,
2529
2530
Of 'k weet wel wat voor kracht de stercke Min kan baren.
writsart
Veel-waarde brave Vrouw ick sweert u op een nie,
2531
Hoe ick u meerder hoor, hoe ick u liever sie.
angeniet
Myn Vrouwe siet voor u, en wilt hem niet gelooven;
2533
Hy heeft u lief, waarom? maar om u eer te rooven,
[p. 318]
tekstkritische noten
2535
Gelijck hy
Trijntje
deed: ay spiegelt u an huer:
Siet ick waarschuwje noch.
moy-aal
Nu snaversnel gaat duer.
2536
writsart
Al hadt ick om te doen gelegentheyt verwurven,
En wouw ick willen schoon, ick soudt niet dencken durven.
2538
angeniet
Neen ick geloof u niet.
moy-aal
Swijght stille mach het zyn.
writsart
2540
Met alle nedricheyt so onderwerp ick myn
In u beschermingh, en hoop u te beroeren
Tot medelyden, om myn saack so uyt te voeren,
Dat ick
Katrijntje
krijgh tot myn wettighe Vrouw,
En weygert ghy myn dit so sterf ick van rouw.
moy-aal
2545
Gaat met u Ouders dat eerst wijslijck overlegghen.
writsart
Myn Vader salder niets met allen teghen segghen,
2546
Alst maar een Dochter is van eerelijck gheslacht,
2547
En deuchd'lijck van ghemoet.
[p. 319]
tekstkritische noten
moy-aal
So ghy een luttel wacht,
Ghy sultet hooren van g'loofwaardighe getuyghen;
2550
Haar Broeder haalt de Min, wiens Melck sy plach te suyghen
Doen sy een kindtjen was: dees sal u doen bescheyt
2551
Van d'ouwders en van haar, met al d'omstandicheyt,
2552
En hoe sy zyn ghedaalt hier van de aldervroomste.
2553
writsart
Ach ja ick ben te vreen te wachten tot haar koomste.
+
moy-aal
2555
't Is wel so raatsaam dat wy t'samen binnen gaen
Om haar te wachten daar, als hier op straat te staen.
writsart
Myn harte ioockt my seer met yverich verlanghen.
2557
angeniet
Jofvrouw wildy in huys dien schender noch ontfanghen?
moy-aal
Waarom niet?
angeniet
Gelóóft myn, so ghy't doet ghy bent geck.
2560
Want hy sal u op nuw spelen een slimmer treck.
2560
[p. 320]
tekstkritische noten
moy-aal
Swygt, het! dit klueter hier!
2561
angeniet
't Schijnt dat ghy weynig kennis
Draagt van zyn boevery, en overgeven schennis.
2562
writsart
Ick sal geen quaet doen, lief!
angeniet
Ick vertrouw u niets quant,
2563
Dan Molensteenen, en die naulyx op haer kant.
writsart
2565
Angniet
bewaart myn selfs.
2565
angeniet
Dat sal ick my wel myen.
moy-aal
Siet daar haar broeder komt, gaet ghy nu wat ter syen.
writsart
Ick ben verlegen, ach! ick bid u gaen wy in,
Ay Goude
Moy-aaltje
: want ick ben niet van sin,
2568
[p. 321]
tekstkritische noten
Noch ick en sal althans in geener wys begeeren
2570
Dat hy myn op de straat sal sien in dese kleeren.
moy-aal
Wy zynder immers by: of hebdy noch wat schaamt?
writsart
Dat ist.
angeniet
Dat ist. ghy benter seker voor vernaamt,
2572
Hoe duechd'lyck is die knecht, en hoe vroom van gedachten,
Die hem niet en ontsiet een Dochter te verkrachten?
moy-aal
2575
Treet in.
writsart
gaat voor, ick volch.
moy-aal
Angnietje
toeft wat, beyt
2575
Op dat ghy
Fredrick
en de
Minne
binnen leyt.
[p. 322]
tekstkritische noten
Het vijfde deel, het darde bedrijf.
*
.
angeniet
,
Frederyck, Geertruy
.
WAt inval quam sich strax verbeelden in myn sinnen
So ernstachtich? om een sulcken vondt te vinnen
Om van gelyck te doen dien overkomen guyt:
2577-2579
2580
Die ons so dapper heeft met list gestreken uyt,
2580
En brengt een Jongman hier, in schyn al van een Meysje.
k'Selt hem vergelden we'er krijgh ick hem maer een reysje.
frederyck
Nu Besje spoetje wat, en treet wat harder an?
2583
geertruy
Och, och myn lieve kynt! meen gy dat ick wel kan?
2585
Och vaar 'kheb sulcken dicken buyck, en de biennen
2585
Die binnen ouwt en of, sy willen my niet dienen.
2586
Och doe ick in myn tijt was, doe was icker sulcken ien;
2587
Ick was een Meyt, als een paert, ick kon ryen en omsien.
2588
Ick hadt hangden an men lyf, in ick konse uyt de mou steken,
2590
Maer nou ist niemendal. och de ouwerdom komt met alle gebreken,
Ick heb men tyt 'ehadt: nou ist ionge luyer buert,
2591
[p. 323]
tekstkritische noten
Als iou en ious gelyck. ick sey vlus tuegen onse Guert:
2592
Och vaer rust wat; ick ben so loof, ick macher niemier tuegen.
2593
frederyck
Besje u gedenckt al wat.
2594
geertruy
Ja kynt men mach wel huegen
2595
Vande Beniste op-loop hier binnen
Amsterdam
,
2595
+
Die alderierst met brangkt uyt de Souwt steech quam,
Door die met siep-gesmeerde krytende naackt-loopers.
2597
Dan seker daar binne nouw wel degelijcke luy onghder de Doopers:
2598
Maar Knipperdolling, en Jan van Leyen, dat waren twie schalcken,
2599
2600
De tyt die staat eschreven in de nuwe Kerck ande Hane-balcken,
En na datmen dunckt 't was in't jaer van vyfendartigen:
Haddent de wet niet voorsichtich stracx gaen behartigen
2602
't Souwt slecht ehad hebben: ja myn is vry al wat over 'thóóft eloopen,
2603
't Machmen wel 'ehuegen datmen twyntich ayeren plech te koopen
2604
2605
Om een stuyver, en een moye vuegel met een juecht om drie groot,
2605
En om een oortje atmen sen buyck vol melck en witte-broot,
2606
En men koft een hielle schoot nuwbacken Wormer Misschuytjes
2607
[p. 324]
tekstkritische noten
Om ien blaeuwe ellif penningh, en men kreeg om negen duytjes
2608
Twie kopjes botter, heer kyns ick hebtje vaar so dick vertelt,
2609
2610
Ja komt nou en reys op de beschuyt-marct, men besteet een hangt vol gelt.
frederyck
Ay Besje treet wat an, ick mach niet langer wachten.
2611
geertruy
Gien ding mitter haast als vloon te vangen, al proper mit drachten
2612
Ick selmen best doen, heer je vaar was sucken Man,
So ongduechdelijcke goet, dat icketje niet seggen en kan.
2614
2615
Hy was niet hongts-gierich, noch niet verwaant, vermetel;
2615
Alle dommelicke sondachs so waren wy tot jouwent op de warme ketel.
2616
Noch; ick eet so garen ouwe kost, sprenck-vleys, met worst, en jues
2617
Mit Mostert: en een moye Appel-sop, o seecker, die smaackt oock niet bues,
2618
Ick mochtet so wel, en 'tis oock hiel goe provangde
2619
2620
Vuer myn, en myns gelijcke Ouwe luy songder tangde:
[p. 325]
tekstkritische noten
Wat de Man was so voldoende, hy haddet altijdt so drock,
2621
Nou Giertje (seyd hy) drinckt en reys, dan krijghje weer wat sock,
2622
En dronck ick moye dubbelde Faaro, uyt Prochiaens vaatje, met de Mater en de Pater,
2623
Mar je Vaar was te overdaedighen genochelycken prater;
2624
2625
Hy vertrock ien hielle Story hoe dat hy iou Moertje het evryt,
2625
In hoe wildt dat hy plech te loopen ruysmuysen in sen tyt,
2626
Hoe dat hy onger sen twien, ien hielle rongde dangs, daer de Meysjes an vuersingen,
2627
Al de knechses wech ioeghen, in teghen 'er danck mit de Vrysters duer gingen.
2628
Dat mier is: Hoe dat hy Joris smeet dat hem het hóóft op een sy // hing,
2629
2630
In hoe hum de luy met vingeren na wesen, waer dat hy verby // ging,
En seyden: o sackerloosjes dat's de giest die sukken stouten hart // het
2631
Dat hy allien al de Haantjes, en Katjes vande stat wtte tart // het
2632
Mit duysent sucke sticken. In iou moer die was so rustich van gemoed
2633
Wanckt ast kermis was, dan koft sy ongs Schoon-hoofsche Koeck, en Poppe-goed:
2634
[p. 326]
tekstkritische noten
2635
Ongse Niesje het noch so veel huys-raatje van stoeltjes en van banken,
Wat sal ick mier seggen: Ick heb jou Ouwers seer te bedancken.
+
Asset sinter Klaes was, so setten myn suen tot jouwent de schoen,
Wat pleger jou moer Griet Jans, daar en hielle hoope goet in te doen
2638
Hielle peper-huysjes met suycker-erreten, met Kabbeljaus ooghen, en kappittel-stocken
2639
2640
Dat pleech onse Arent voor klock-spijs, met huydt en met hayr in te schocken,
2640
Noch kreeg hy een kolf van Klaasje Buytenaer songder quast, en songder schuer,
2641
Met een walbarcken warp-tol, met een staele pen, en een plaatje daer vuer,
2642
Mit een groot Embder, en een Euangely met een schrijf-boeck van fijn kapitoorye,
2643
Mit een nuwt school-bort, met een kategismus, en met de moye stoorien
2644
2645
Van Fortunates Buersje, van Blancefluer, van Amadis de Gauwelen,
2645
Wat onse jongen en kont niet uytstameren so vuel had hy te wauwelen
2646
An sen vygen, ansen nueten, ansen bockedeflensjes, en sulck gebras:
2647
Seker het kynt sager uyt so begrobbelt, dattet mier as wongder was.
2648
Wat stacker een gelt in d'Appelen? een plat-beck, een stooter, een ryer,
2649
[p. 327]
tekstkritische noten
2650
Een klimmer, vyf staate stuyvers, dat stack hy in zyn spaer-pot as een vryer:
2650
In as het Kors-tijdt was, dan nooden hy ons op de witte-broots sop,
2651
Heer wat gooter jou Fytje Floris een pot met gulle botter op,
2652
In dan droncke wy de Betouw, en de wijn so lustich als water,
2653
En alle drie Koningen stuurde zy ons een moye Duevekater:
2654
2655
In jou vaar die was so milt en so ryaals, dat hy ons songer vragen
2655
Gaf een nieuwe-jaar, met een teerpenningh tueghen de Kopperdagen:
2656
Hy wist wat op de taerlingh liep, o myn! 't was sulcken geest,
2657
In oock so had hy wel een nachjen by de kalisen vrolijck eweest.
2658
Nou lestent sprack ick hier, hier Tuenis mit ien arm, de draagh // vis
2659
2660
Die seyde ooc datter sukken rustigen man noch niet inde hiele Haag // is,
2660
So wurp hy over de nagel: hoort iens
Frerick
ick moetet jou verslaan,
2661
De Man hetmen te ongduechdelijck vuel vrientschappen edaen,
2662
Ja al haddet myn eyge man eweest, hy mochtme niemier edaen // hebben,
Het was hum onpersybelijck dat hy onghetroost souw vanmen egaen // hebben,
2664
2665
Heer hy hadmen so lief: want ick was niet lelijck in myn jeught,
Ick was het moyste meysje inde buurt (seyden de luy) maar wat en vrueght
Hadde wy alle Vastellaevens tot jouwent, je backten wafel-koeken,
2667
[p. 328]
tekstkritische noten
En as ick dan wat op ehaalt was met een mouwe-spelt, dan quam ickje besoecken
2668
Met jou suster, trouwen hoe liepen de kyeren daer heen en weer,
2669
2670
Hoe spuelde wy suycker-noompje, slabber op, slabber neer,
2670
Daer leyt een gouwe penning voorje neer, wy kneppelde de koeckjes,
2670-71
2671
Hoe ribsakten en hoe stoeyde wy mekaar inde schuyl-hoeckjes?
2672
Hoe moy kon ick singhen Aallemoer wat doeje ande schop?
2673
Hoe quam jouw Nooms Kyeren telcke staegh, en seyden al op!
2674
2675
Het was te dubbeld ondiefd, se verwongderden huer dieder by saten
2675
+
Sy gavent de hongt, sy stoptent ewech, en vernielde mier asse aten.
2676
Ick heb tot jouwent wel wil ehad, jou huys was myn uythof:
2677
Heer het was so reyn; 'tis jammer, alle goe benieren raken of:
2678
As wy tot jouwent te gast waren, je vaar sneet gien stiefvaars sticken,
2679
2680
Seker hy slacht myn, ick houw niet vande kleyne slickermicken:
2680
Myn Maagh was altijts so graagh, ick voelden selde gronckt,
Of men Buyckje stonckt lustigh op de liest, ick mien moytjes ronckt,
2682
Ick weet niet dat ick myn leven soeter of geruster // at.
[p. 329]
tekstkritische noten
frederyck
Ick heb daar nu genoech of, praatme van myn Suster // wat.
2684
geertruy
2685
Jou Suster
Katrijntje
die is over 'tvongkt gehouwen en ghedoopt
2685
Van onse Heer Bestoor, hoe hiet hy nu oock? zyn naam loopt
2686
Verby me monckt: dats alliens; s'is van aansicht wat schotich,
2687
En tusschen 'tblanck en 'tbruyn, maar s'is een weynich sprotich.
2688
Ick hebber so menichmaal ebakert, en traertje me espuelt by de kaars,
2689
2690
Wat ick macher mier as hongdertmaal esoent hebben voor haer naars.
2690
Sy het ien maeltjen in huer neck, daar is sy me ebooren,
2691
En sy het twie roo vlackjes an huer voorhooft, recht van vooren,
In huer kleyne slincker toontjes, die legghen op menkaar,
2693
Ick souwse wel kennen al wasset over honghdert jaar.
frederyck
2695
Al watse seyt dats waar, ay Minnetje so gaat voort.
angeniet
Wel
Freed'rijck
hebdy nu 't recht bescheyt ghehoort?
Kundy nu uyt 'thooft den twijffel al wat sluyten?
[p. 330]
tekstkritische noten
frederyck
Sy kentse, en sy noemt de Teyckens my van buyten.
angeniet
Sekers dat doet my wel, ick ben ick weet niet hoe
2700
Want ick u Suster draagh een goet genoegen toe.
2700
Ay lieve gaat toch in, 'tis al een wijl geleden
Dat u myn Vrouw verwacht, gelieft u in te treden.
2702
Daer is de Vagebonckt, ay siet eens hoe hy treet,
2703
Hoe parmantich, hoe prat, of hy't selver wel weet
2704
2705
Hoe kost'lijck dat hy 't maackt? hebje van al u daghen
2705
Sulck dray-aarsen gesien? ick kant niet wel verdragen.
2706
Hoe fackseert hy die kraagh, hoe versolt hy die muts:
2707
O wat een speldekoker! gants oortjes datsen puts!
2708
Wel hoe dus wiltweyich? hy slingert met zyn Mantel
2709
2710
Of hy wilt was, ay siet, om Godswil wat ghetrantel?
2710
Weet hy wel wat hy wil? ja wel ick arme geck,
Wat laat ick my duncken? ick wet ick u een treck
2712
Sal spelen die hans hiet: wilt my maar eens slagen,
2713
Ick sal u bylo een vervaert aers-gat anjagen.
2714
2715
Ick gae na binnen toe alleenich tot dien endt,
Op dat ick seker weet of tMeysjen is bekent;
2716
[p. 331]
tekstkritische noten
En dan sal ick daer nae in allerley mannieren
Om hem te strijcken uyt, een schalckheyt versieren.
2718
koenraat
en Angeniet die luystert
.
Ick mach eens gaen besien hoe 't
Writsert
gints al maackt.
2719
2720
+
Gants lichters! is hy maer aen syn wil en wensch geraeckt,
2720
Wat dofjes, wat slempjes willender dan oplóópen
2721
Voor myn? 'kwedt daty hy mijn voorseker sal kóópen
Een nieuwe Mantel, of een kleet van 'tbeste stof.
Wat ketel-dicht, wat kreeft-dicht, wat eer, en wat lof
2724
2725
Salmen van myn dichten? hoe sal elck van mijn spreken!
Om dat'ck een loose hoer so fray heb uytgestreken:
2726
Want heb'cker niet ontmomt door mijn scharpsinnicheyt
2727
Dat meysjen daer hy so syn sin op hadt gheleyt?
Dat sonder sporrelingh van schande noch van schaden,
2729
2730
Alleen door het beleyt van mijn voorsichtich raden.
2730
En dan het ander noch! myn dunckt, ik sech u, dat
Ick hóór hier om oock loon te trecken van de Stadt.
Of men hóórt myn om 'thóóft te vlechten en te cieren
Met een schackeerde krans van róósen en lauwrieren,
2734
2735
Voornaamlyck om dat ick door myn versocht verstandt
2735
Gelegentheyt so goet, en sulcke middel vant:
[p. 332]
tekstkritische noten
Dat dese Jongelingh mocht komen te bekennen,
2737
Van wat natuur en aart de lichte vrouwe bennen:
Op dat hy sich daer na mach wachten, en dat hy
2739
2740
Met wacker opmerck let op al haer boevery:
2740
Van boven zynse schoon, en 'tschijnt al vry wat jenters
2741
Alst inder waarheyt is, want onder zyn't maer slenters.
2742
Maer krygen sy wat gelts van haer pol, van haer lief,
2743
So tyen sy nae 'thuys hier van Gerrit den Dief,
2744
2745
En huuren daer een kleet, of lossent uyt de Lommert,
Of na de Schoyer, of daer 'tgoedtjen is bekommert,
2746
Hier by een Juffrouw Lors, of by een gier'ghe Vreck:
2747
Want selden zynse ryck, maer altyts vol gebreck:
Met dit geleende goet sy fijntjes haer op proncken.
2750
Komter dan een snoeppert die half is beschoncken,
Soo schrijftmen twee voor een, dan gaetet daer heel grof,
2751
Men licke-pot om strijt, het macher dan wel of.
2752
Dan ismen daer heel duyts, dan gaetet op een sluycken,
2753
Door huykevaaken snoodt met groote steene kruycken,
2754
2755
En leere vlesschen van sesthien mingelen Wijn,
2755
Van Wijn-kóópers die (god wouws) be-eedicht zyn,
2756
Die ick nochtans wel ken, maer ick selder niet noemen,
2757
Hoewel der tolle-dief hem sulcx durft beroemen.
2758
Daer komt dan een gerit allengsjes by in huys,
2759
[p. 333]
tekstkritische noten
2760
Van roffyaans, van bloets, en ander licht gespuys,
2760
Van laag-lóópers, speel-luy, van hoeren en van snoeren,
2761
En sulck geselschap als die vuyle veren voeren.
2762
Wien dat daer meest verteert, die is daer best ghesien
So langh als 'tgeltje duurt; maer komtet te geschien
2765
Dat yemant sich begeeft by eener onder 'tlaken,
+
Om (so gelijckmen seyt) wat meer kennis te maken;
En is de karel rijck, of is hy maer ghetrouwt,
De feeksche lóópen selfs en brengen 't ande schouwt.
2768
Kijck sulcken en noch meer van dierghelijcke dinghen,
2770
Die heeft hy moghen sien dat dag'lijx daer om ginghen,
2770
't Is wel een groot geluck voor dese Jongelingh,
Dat hy so buyten scha gesien heeft alle dingh:
Wat darter ommegaat int leven vande Snollen,
Die gulsich brassen als sy zyn by milde Pollen,
2775
Sy schossche, sy brosse, sy slempen, dempen vry,
2775
Sy slocken en slinden de soetste leckerny,
2776
En vliegen ongeschickt en hongerich an 't schocken,
2777
En duwen duer de keel wel sulcke groote broeken.
Maar als sy zyn alleen, so sit dit arme volck
2780
En braen een Raepje of een Uyen inde Kolck,
2780
Of eten knof-loock, daar sy lelijcken af stincken,
En lyen haer dan wel met scharrebier te drincken:
2782
Sy knab'len an een korst van oudt verschimmelt broot,
Of nemen de prol-pot met grutten op haer schoot;
2784
[p. 334]
tekstkritische noten
2785
Haar leven is wel slecht al achtet mennich groot:
2785
Al waart al vol wellust te swaerder valt haer doot.
Is dit de jonckheyt niet een Salicheyt en duecht
2787
Dat sy die kennis so bekomen in haar juecht?
In haer bequaemste tijdt om goet en quaat te mercken,
2790
En schouwen vlytich door haar schandelijcke wercken;
2790
Die naderhandt met smaat, met armoet, en met pijn,
Beloonen al de gheen die daar met besich zyn.
Het vijfde deel, het vijfde bedrijf.
angeniet
en Koenraat
.
Ja wel, durft die scherluyn so veel noch van ons spreken?
2793
Ick sal zyn raat en daat noch lustich an hem wreken;
2795
Want ick heb myn selfs een loose vondt verschaft,
2795
Waar door dat hy met recht van my sal zyn ghestraft.
O menschen datsen stuck! o jammer! och! o leyder!
2797
Och arme jonghelingh! o schelmsche verleyder!
Fy
Koenraat
, o ghy schalck! ghy hebt dien onbedocht,
2799
2800
Dien eenvoudighe knecht op een vleys-banck gebrocht.
2800
koenraat
Och lieven heer! wats dit?
[p. 335]
tekstkritische noten
angeniet
Myn hart wil myn ontglijen,
2801
En 't smelt van droefheyt wech, helaas! van medelijen
Over die jonghman, die hem voor een meyt uytgaf;
2803
Want hy van stonden aan ontfanghen sal zyn straf.
2804
2805
Och ick mach'et niet sien, daerom ben ick gheloopen
2805
Wten huys: och! ick sach hem bijnden en knoopen,
2806
+
Sy leyden hem ter banck volcomen uytghestreckt,
2807
En hebben hem een wijl ghepynicht en ghereckt.
Dat sy hem lubden, och! dat waar noch om te lyen,
2809
2810
Dat liet ick noch toestaan; maar sy wilt gnap afsnijen,
2810
Ghelijck de Turcken doen, ja al sturf hij daar van,
Een ander (seytse) sick mach spiegelen daar an.
2812
Ick heb gheen ander vrees als dats' hem sal vermoorden.
koenraat
Ach wat bedruckt ghelaat! wat smartelijcke woorden?
2815
Wat jammerlijcken rouw, stort daar
Angniet
met smart?
Dat ick de oorsaak ben gevoel ick in myn hart.
Och ick ben een doot man: want dit doemt my te sterven,
2817
Of als een Ballingh-slandts voor Bedelaar te swerven.
2818
Daar komt of watter wil, ick moet haer spreken toe,
2820
Goeden dach
Angnietje
! wel Sustertje, wel hoe
2820
Klaagh jy dus truerelijck? secht my wat isser gaande?
Wat is u doch gheschiet? of wat hebdy uytstaande
[p. 336]
tekstkritische noten
Met yemandt vande Stadt? secht my wien is de man
2823
Diemen so straffen sal, dat daar een ander an
2825
Exempel nemen sal.
angeniet
Ghy zyt gheen antwoort waardich
Ghy goetdunckende geck! hoe koomdy so hovaardich,
2826
En so vermetel stout, dat ghy dit vraghen dart?
2827
En knaaght u niet de worm van wroeghingh in u hart?
2828
Vermits dat ghy hem hebt dien boosen raat gegeven,
2830
Waar door dien Jonghman heeft dit schellemstuck bedreven?
Die Jonghman die ghy ons dorst brenghen voor een wijf,
2831
Dien staat nu in gevaar, en prijckel van zijn lijf,
2832
Door u versieringh vals, en door u kunstich lieghen,
2833
Om ons door sulcken treck so leelijck te bedrieghen.
2834
koenraat
2835
Wien sechdy,
Writsert
ha! wat heeft hy toch ghedaan?
2835
angeniet