Moortje


auteur: G.A. Bredero


editeur: P. Minderaa, C.A. Zaalberg en B.C. Damsteegt


bron: G.A. Bredero, Moortje (ed. P. Minderaa, C.A. Zaalberg en B.C. Damsteegt). Martinus Nijhoff, Leiden 1984  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 308]

Het vijfde bedrijf, 't eerste uytkomen.

moy-aal, Angeniet.
moy-aal
 
Eerloosde stucke vleys! wel wat sal u ghebreken?2403
 
Hoe langh suldy dus dwars en twyfelachtich spreken?2404
2405
Wat gemoffel is dit? ghy staemert in u praat,2405
 
Angniet spreeckt uyt u mont op datmen u verstaat.2406
 
Ick wetet; 'k wetet niet, sach icker hem by legghen?
 
Ick was daar niet ontrent: wel wat is dit te seggen?
 
En sal ick dan niet eens de waerheyt recht verstaan?2409
2410
Waarom is de Moris so steel-wijs duer gegaan?2410
 
Hoe komt Katrijntjen doch so bitterlijck te trueren?
 
Wien heeft haar kostel kleedt so schendich durven schueren?2412
angeniet
 
Wat sal ick seggen? ick rampsalige! men seyt
 
De swarte die hier was, en was noch Vrouw noch meyt.
[p. 309]
moy-aal
2415
Wat drommel was sy dan? maakt my de saak eens vroeder.2415
angeniet
 
Een Man.
moy-aal
 
Een mans persoon!
angeniet
 
Ja Writsert Ritserts Broeder.
moy-aal
 
Wat segdy doch sottin?
angeniet
 
Myn Vrouw ick heb geseyt
 
Het ghene dat ick weet, uyt wisse sekerheyt.
moy-aal
 
Maar Angenietje, secht hier eens tusschen ons beyden
2420
Waarom souw Writsert hem tot onsent dus doen leyden?
angeniet
 
Ick weetet niet myn Vrouw, of mogelijck ten waar2421
 
+Dat door haar schoonheyt hy verslingert was op haar.
[p. 310]
moy-aal
 
Helas ick sterf! ach ramp! myn siel sal noch verscheyen,
 
Ist seeckers als ghy segt, so mach sy doch wel schreyen.
angeniet
2425
Ja daarom weentse, en siet, daarom kermtse vast.2425
moy-aal
 
Ghy Meer! had ick u niet haar gaad' te slaan belast?2426
angeniet
 
Ghy bevaalt haar de Moorin.2427
moy-aal
 
'kben oorsaack van dit dolen;
 
Want ick heb selfs de Kat de soete-melck bevolen.
 
Wat voor een mensch komt hier?
angeniet
 
ay sus myn Vrouw, verwis2429
2430
Wy zyn gebercht, hier is de valsche schijn-Mooris2430
 
Siet aen myn slinckerhant: waer na staen wy en drieghen?2431
 
Laet ons die stuckedrochs ghelyckerhant toevlieghen,2432
 
En slaen hem so muruw en so plat als een Schol.2433
[p. 311]
moy-aal
 
Wat kunnen wy hem doen? sottinne zydy dol?
2435
Dat hy maer eens begon, hy sou ons onder smijten.2435
angeniet
 
Ick sou hem krabben, en die diefsche keel af bijten,2436
 
Dien eer-vergeten loer!2437
moy-aal
 
Nu Angenietjen houwt.
angeniet
 
Wat onbeschaamt ghesicht, hy is noch even stout.2438

Het tweede uytkomen, int vijfde deel.

writsart, Moy-aal, Angeniet.
 
Alsoo Reynier en ick te samen ginghen wand'ren2439
2440
Na zynent, op dat ick van kleed'ren mocht verand'ren,2440
 
So gaat hy eerst in huys, en liet my staan voor duer;
 
En juyst so 't wesen wouw, zyn Vader die was vuer2442
 
Inde winckel, besich om de lieden te gerijven;2443
 
En siet zyn Moeder stont en buurden met haar wijven,2444
[p. 312]
2445
So dat ick onbesien daar niet wel kon ingaan:
 
Terwijl ick op de straat dus guwende bleef staan,2446
 
So sach ick d'eene vrient, en d'andre van myn kennis
 
Verby myn snuyven heen, ick vreesde voor een schennis:2448
 
Dies streefden ick myn best, al wat ick loopen mocht,2449
2450
De flouweele Burghwal langs tot ginder ande bocht2450
 
Na 't Water-poortje toe: doen achter byde vesten,2451
 
Tot ande Bosjes-brugh, en hier en daar ten lesten,2452
 
So dat ick moe en mat, en t'eynde van men aam2453
 
Tot hier geloopen ben, vermits dat ick myn schaam
2455
Dat my of Man oft Vrouw mocht komen dus te kennen,2455
 
Het welck myn achtbaarheyt niet luttel soude schennen.
 
Maar hola! wie zyn dit? 't is Moyaal met haar meyt;
 
Wat sal ick doen? de Hane-voet is myn ghebreyt.2458
 
Wat pas ick oock op haar? ick kan my wel verweeren.2459
moy-aal
2460
Komt gae wy na hem toe: goeden dach vrouw met eeren.2460
 
Syt ghy het dienst-wijf niet, die eer datmen u joegh
 
Wech liept?
writsart
 
Och ja Jufvrou.
[p. 313]
moy-aal
 
Wel is dat nu ghenoech?2462
+writsart
 
Och neent lieve Jofvrouw, wilt ghy myn dit vergheven,
 
Ick salt warachtelijck niet meer doen van myn leven:
2465
Vildtme doen ick het weer.2465
moy-aal
 
Hoe quaam 't dat ghy wech liep?
 
Hieldt ick u al te ruym, of te kort onder swiep?2466
writsart
 
Neen ghy.
moy-aal
 
Wel waarom dan?
writsart
 
maar ic vloot haastelicken2467
 
Uyt vrees om dat ick docht, dat sy myn souw verklicken.
moy-aal
 
Wat hebdy dan gedaan?
[p. 314]
writsart
 
Ick weet niet, niet en myt.2469
moy-aal
2470
Is dat dan niet met al, ghy schender als ghy zyt!2470
 
Ghy bedriegher, ghy fiel, is dat maar een kleynicheyt?
 
Datmen een goet mans kint ontset van haer reynicheyt?2472
 
En dat noch met ghewelt, foey! wat een gruw'lijck stick.2473
writsart
 
Ick meenden dat sy was een Meyt ghelijck als ick.
angeniet
2475
Een meyt ghelijck als ghy! o doot! wat houdt myn achter?2475
 
Dat ick u niet en vat in't hayr? ghy vrouwe-krachter!
 
Ghy schellem! ghy eer-dief! ghy boos-wicht in u huyt!2477
 
Ay siet; de guytery siet hem ten ooghen uyt.
 
Ja wel dese schavuyt komt hier noch met ons gecken:
2480
Mocht ick begaan ick souw de ooren hem of trecken.
moy-aal
 
Hoe ist hier, sydy mal? gaat wech stracx an een sy.2481
[p. 315]
angeniet
 
Om die galligert niet; ick ben so goet als hy,2482
 
En vry wat beter oock als hy of syns gelijcken,
 
Krijgh ick u op den Dam, ick salje so uytstrycken;2484
2485
Dattet u huegen sal, hóór ghy dat wel rabbauwt?
moy-aal
 
Gaat heen en doet u werck, hoe leyt dit wicht en snaeuwt?2486
 
't Is langh genoech getwist, Angnietje laat dat dryven,2487
 
En staat wat achter of, laat my met hem hier blijven.2488
 
Voorwaar Writsert ghy hebt hier angerecht een daat2489
2490
Die oevel souw vergaan wistet de Magistraat:2490
 
Een dingen sekers die u aansien sal vermind'ren,2491
 
Dat ghy te schande brenght de goede lien haar kind'ren:2492
 
Want dese schendery, en boose Vrouwe-kracht,
 
Sal seer ontsuyveren de eer van u gheslacht;2494
2495
Met lachter en met smaat: oock sullen alle Vromen2495
 
U schuwen als de pest, en nimmer met u komen
 
In handelingh te treen: waarlijck het is een dingh2497
 
Dat gants niet voeghlijck is voor sulcken Jongelingh,
 
Ghelijck ghy wesen wilt: ghy hebt my so warachtich,
2500
Als ick hier levend sta gemaackt so twijffelachtich,2500
 
Dat ick noch sin, noch wit, noch reden heb, noch raat2501
[p. 316]
 
Om te besluyten tot verschooningh van dit quaat.
 
Kan de besinningh so schoon van een Mensch vervremen?2503
 
'k Weet inder waarheyt niet wat dat ick voor sal nemen,2504
2505
Myn sinnen zynt niet eens, maar kib'len met melkaar,2505
 
Den een die wil het een, den ander wil het aer
 
Ten opsicht vande Maacht, die ick voor dese mienden,2507
 
Eer sy was geschoffiert te brengen an haar vrienden,2508
 
+Om my te vord'ren met dit kost'lijck present,2509
2510
In haar geduurige jonst en vrientschap sonder ent;2510
 
Myn opset en myn hoop die zijn my nu ontschoten,
 
Mits ghy uyt snoode lust haar Maachdom hebt ghenoten.2512
writsart
 
Maar ick verhoope nu, en 'tvalt my schierlijck inne,2513
 
Dat tusschen u en my met onverwachte minne,
2515
De hartjes onderlingh sal worden t'saam genaeyt2515
 
Met ontarnbare trouw, en goe genegentheyt.2516
 
Het villicht dat dit stuck en lelijckheyt der saken,2517
 
Een gront-vest, en een boom van sulcken jonst sal maken2518
 
Als oyt beschreven is: 't is mooghlijck oock voorsien2519
2520
Dat door dit quaet begin een grooter goedt sal schien.2520
[p. 317]
moy-aal
 
Ghewis ick houwter voor, en wil oock vruntschap houwen.2521
writsart
 
Doch siet, dit bid ick u, dat ghy maar wilt vertrouwen,
 
Dat 't gheen hier is ghebuert uyt quaat-doens luste niet:
 
Maar door myn sinlijckheyt, en liefden is gheschiet;
2525
Mits d'onbedachte jueght en rypheyt my andreven.2525
moy-aal
 
Voorseker ick gelooft, dus wertet u vergeven
 
Met een goetwillich hart, en neemt oock an in't soet,2527
 
'k Ben so onmenschlijck wreet noch hart niet van gemoet,
 
(O Writsart!) noch so slecht oft weynich niet ervaren,2529
2530
Of 'k weet wel wat voor kracht de stercke Min kan baren.
writsart
 
Veel-waarde brave Vrouw ick sweert u op een nie,2531
 
Hoe ick u meerder hoor, hoe ick u liever sie.
angeniet
 
Myn Vrouwe siet voor u, en wilt hem niet gelooven;2533
 
Hy heeft u lief, waarom? maar om u eer te rooven,
[p. 318]
2535
Gelijck hy Trijntje deed: ay spiegelt u an huer:
 
Siet ick waarschuwje noch.
moy-aal
 
Nu snaversnel gaat duer.2536
writsart
 
Al hadt ick om te doen gelegentheyt verwurven,
 
En wouw ick willen schoon, ick soudt niet dencken durven.2538
angeniet
 
Neen ick geloof u niet.
moy-aal
 
Swijght stille mach het zyn.
writsart
2540
Met alle nedricheyt so onderwerp ick myn
 
In u beschermingh, en hoop u te beroeren
 
Tot medelyden, om myn saack so uyt te voeren,
 
Dat ick Katrijntje krijgh tot myn wettighe Vrouw,
 
En weygert ghy myn dit so sterf ick van rouw.
moy-aal
2545
Gaat met u Ouders dat eerst wijslijck overlegghen.
writsart
 
Myn Vader salder niets met allen teghen segghen,2546
 
Alst maar een Dochter is van eerelijck gheslacht,2547
 
En deuchd'lijck van ghemoet.
[p. 319]
moy-aal
 
So ghy een luttel wacht,
 
Ghy sultet hooren van g'loofwaardighe getuyghen;
2550
Haar Broeder haalt de Min, wiens Melck sy plach te suyghen
 
Doen sy een kindtjen was: dees sal u doen bescheyt2551
 
Van d'ouwders en van haar, met al d'omstandicheyt,2552
 
En hoe sy zyn ghedaalt hier van de aldervroomste.2553
writsart
 
Ach ja ick ben te vreen te wachten tot haar koomste.
+moy-aal
2555
't Is wel so raatsaam dat wy t'samen binnen gaen
 
Om haar te wachten daar, als hier op straat te staen.
writsart
 
Myn harte ioockt my seer met yverich verlanghen.2557
angeniet
 
Jofvrouw wildy in huys dien schender noch ontfanghen?
moy-aal
 
Waarom niet?
angeniet
 
Gelóóft myn, so ghy't doet ghy bent geck.
2560
Want hy sal u op nuw spelen een slimmer treck.2560
[p. 320]
moy-aal
 
Swygt, het! dit klueter hier!2561
angeniet
 
't Schijnt dat ghy weynig kennis
 
Draagt van zyn boevery, en overgeven schennis.2562
writsart
 
Ick sal geen quaet doen, lief!
angeniet
 
Ick vertrouw u niets quant,2563
 
Dan Molensteenen, en die naulyx op haer kant.
writsart
2565
Angniet bewaart myn selfs.2565
angeniet
 
Dat sal ick my wel myen.
moy-aal
 
Siet daar haar broeder komt, gaet ghy nu wat ter syen.
writsart
 
Ick ben verlegen, ach! ick bid u gaen wy in,
 
Ay Goude Moy-aaltje: want ick ben niet van sin,2568
[p. 321]
 
Noch ick en sal althans in geener wys begeeren
2570
Dat hy myn op de straat sal sien in dese kleeren.
moy-aal
 
Wy zynder immers by: of hebdy noch wat schaamt?
writsart
 
Dat ist.
angeniet
 
Dat ist. ghy benter seker voor vernaamt,2572
 
Hoe duechd'lyck is die knecht, en hoe vroom van gedachten,
 
Die hem niet en ontsiet een Dochter te verkrachten?
moy-aal
2575
Treet in.
writsart
 
gaat voor, ick volch.
moy-aal
 
Angnietje toeft wat, beyt2575
 
Op dat ghy Fredrick en de Minne binnen leyt.
[p. 322]

Het vijfde deel, het darde bedrijf.*.

angeniet, Frederyck, Geertruy.
 
WAt inval quam sich strax verbeelden in myn sinnen
 
So ernstachtich? om een sulcken vondt te vinnen
 
Om van gelyck te doen dien overkomen guyt:2577-2579
2580
Die ons so dapper heeft met list gestreken uyt,2580
 
En brengt een Jongman hier, in schyn al van een Meysje.
 
k'Selt hem vergelden we'er krijgh ick hem maer een reysje.
frederyck
 
Nu Besje spoetje wat, en treet wat harder an?2583
geertruy
 
Och, och myn lieve kynt! meen gy dat ick wel kan?
2585
Och vaar 'kheb sulcken dicken buyck, en de biennen2585
 
Die binnen ouwt en of, sy willen my niet dienen.2586
 
Och doe ick in myn tijt was, doe was icker sulcken ien;2587
 
Ick was een Meyt, als een paert, ick kon ryen en omsien.2588
 
Ick hadt hangden an men lyf, in ick konse uyt de mou steken,
2590
Maer nou ist niemendal. och de ouwerdom komt met alle gebreken,
 
Ick heb men tyt 'ehadt: nou ist ionge luyer buert,2591
[p. 323]
 
Als iou en ious gelyck. ick sey vlus tuegen onse Guert:2592
 
Och vaer rust wat; ick ben so loof, ick macher niemier tuegen.2593
frederyck
 
Besje u gedenckt al wat.2594
geertruy
 
Ja kynt men mach wel huegen
2595
Vande Beniste op-loop hier binnen Amsterdam,2595
 
+Die alderierst met brangkt uyt de Souwt steech quam,
 
Door die met siep-gesmeerde krytende naackt-loopers.2597
 
Dan seker daar binne nouw wel degelijcke luy onghder de Doopers:2598
 
Maar Knipperdolling, en Jan van Leyen, dat waren twie schalcken,2599
2600
De tyt die staat eschreven in de nuwe Kerck ande Hane-balcken,
 
En na datmen dunckt 't was in't jaer van vyfendartigen:
 
Haddent de wet niet voorsichtich stracx gaen behartigen2602
 
't Souwt slecht ehad hebben: ja myn is vry al wat over 'thóóft eloopen,2603
 
't Machmen wel 'ehuegen datmen twyntich ayeren plech te koopen2604
2605
Om een stuyver, en een moye vuegel met een juecht om drie groot,2605
 
En om een oortje atmen sen buyck vol melck en witte-broot,2606
 
En men koft een hielle schoot nuwbacken Wormer Misschuytjes2607
[p. 324]
 
Om ien blaeuwe ellif penningh, en men kreeg om negen duytjes2608
 
Twie kopjes botter, heer kyns ick hebtje vaar so dick vertelt,2609
2610
Ja komt nou en reys op de beschuyt-marct, men besteet een hangt vol gelt.
frederyck
 
Ay Besje treet wat an, ick mach niet langer wachten.2611
geertruy
 
Gien ding mitter haast als vloon te vangen, al proper mit drachten2612
 
Ick selmen best doen, heer je vaar was sucken Man,
 
So ongduechdelijcke goet, dat icketje niet seggen en kan.2614
2615
Hy was niet hongts-gierich, noch niet verwaant, vermetel;2615
 
Alle dommelicke sondachs so waren wy tot jouwent op de warme ketel.2616
 
Noch; ick eet so garen ouwe kost, sprenck-vleys, met worst, en jues2617
 
Mit Mostert: en een moye Appel-sop, o seecker, die smaackt oock niet bues,2618
 
Ick mochtet so wel, en 'tis oock hiel goe provangde2619
2620
Vuer myn, en myns gelijcke Ouwe luy songder tangde:
[p. 325]
 
Wat de Man was so voldoende, hy haddet altijdt so drock,2621
 
Nou Giertje (seyd hy) drinckt en reys, dan krijghje weer wat sock,2622
 
En dronck ick moye dubbelde Faaro, uyt Prochiaens vaatje, met de Mater en de Pater,2623
 
Mar je Vaar was te overdaedighen genochelycken prater;2624
2625
Hy vertrock ien hielle Story hoe dat hy iou Moertje het evryt,2625
 
In hoe wildt dat hy plech te loopen ruysmuysen in sen tyt,2626
 
Hoe dat hy onger sen twien, ien hielle rongde dangs, daer de Meysjes an vuersingen,2627
 
Al de knechses wech ioeghen, in teghen 'er danck mit de Vrysters duer gingen.2628
 
Dat mier is: Hoe dat hy Joris smeet dat hem het hóóft op een sy // hing,2629
2630
In hoe hum de luy met vingeren na wesen, waer dat hy verby // ging,
 
En seyden: o sackerloosjes dat's de giest die sukken stouten hart // het2631
 
Dat hy allien al de Haantjes, en Katjes vande stat wtte tart // het2632
 
Mit duysent sucke sticken. In iou moer die was so rustich van gemoed2633
 
Wanckt ast kermis was, dan koft sy ongs Schoon-hoofsche Koeck, en Poppe-goed:2634
[p. 326]
2635
Ongse Niesje het noch so veel huys-raatje van stoeltjes en van banken,
 
Wat sal ick mier seggen: Ick heb jou Ouwers seer te bedancken.
 
+Asset sinter Klaes was, so setten myn suen tot jouwent de schoen,
 
Wat pleger jou moer Griet Jans, daar en hielle hoope goet in te doen2638
 
Hielle peper-huysjes met suycker-erreten, met Kabbeljaus ooghen, en kappittel-stocken2639
2640
Dat pleech onse Arent voor klock-spijs, met huydt en met hayr in te schocken,2640
 
Noch kreeg hy een kolf van Klaasje Buytenaer songder quast, en songder schuer,2641
 
Met een walbarcken warp-tol, met een staele pen, en een plaatje daer vuer,2642
 
Mit een groot Embder, en een Euangely met een schrijf-boeck van fijn kapitoorye,2643
 
Mit een nuwt school-bort, met een kategismus, en met de moye stoorien2644
2645
Van Fortunates Buersje, van Blancefluer, van Amadis de Gauwelen,2645
 
Wat onse jongen en kont niet uytstameren so vuel had hy te wauwelen2646
 
An sen vygen, ansen nueten, ansen bockedeflensjes, en sulck gebras:2647
 
Seker het kynt sager uyt so begrobbelt, dattet mier as wongder was.2648
 
Wat stacker een gelt in d'Appelen? een plat-beck, een stooter, een ryer,2649
[p. 327]
2650
Een klimmer, vyf staate stuyvers, dat stack hy in zyn spaer-pot as een vryer:2650
 
In as het Kors-tijdt was, dan nooden hy ons op de witte-broots sop,2651
 
Heer wat gooter jou Fytje Floris een pot met gulle botter op,2652
 
In dan droncke wy de Betouw, en de wijn so lustich als water,2653
 
En alle drie Koningen stuurde zy ons een moye Duevekater:2654
2655
In jou vaar die was so milt en so ryaals, dat hy ons songer vragen2655
 
Gaf een nieuwe-jaar, met een teerpenningh tueghen de Kopperdagen:2656
 
Hy wist wat op de taerlingh liep, o myn! 't was sulcken geest,2657
 
In oock so had hy wel een nachjen by de kalisen vrolijck eweest.2658
 
Nou lestent sprack ick hier, hier Tuenis mit ien arm, de draagh // vis2659
2660
Die seyde ooc datter sukken rustigen man noch niet inde hiele Haag // is,2660
 
So wurp hy over de nagel: hoort iens Frerick ick moetet jou verslaan,2661
 
De Man hetmen te ongduechdelijck vuel vrientschappen edaen,2662
 
Ja al haddet myn eyge man eweest, hy mochtme niemier edaen // hebben,
 
Het was hum onpersybelijck dat hy onghetroost souw vanmen egaen // hebben,2664
2665
Heer hy hadmen so lief: want ick was niet lelijck in myn jeught,
 
Ick was het moyste meysje inde buurt (seyden de luy) maar wat en vrueght
 
Hadde wy alle Vastellaevens tot jouwent, je backten wafel-koeken,2667
[p. 328]
 
En as ick dan wat op ehaalt was met een mouwe-spelt, dan quam ickje besoecken2668
 
Met jou suster, trouwen hoe liepen de kyeren daer heen en weer,2669
2670
Hoe spuelde wy suycker-noompje, slabber op, slabber neer,2670
 
Daer leyt een gouwe penning voorje neer, wy kneppelde de koeckjes,2670-712671
 
Hoe ribsakten en hoe stoeyde wy mekaar inde schuyl-hoeckjes?2672
 
Hoe moy kon ick singhen Aallemoer wat doeje ande schop?2673
 
Hoe quam jouw Nooms Kyeren telcke staegh, en seyden al op!2674
2675
Het was te dubbeld ondiefd, se verwongderden huer dieder by saten2675
 
+Sy gavent de hongt, sy stoptent ewech, en vernielde mier asse aten.2676
 
Ick heb tot jouwent wel wil ehad, jou huys was myn uythof:2677
 
Heer het was so reyn; 'tis jammer, alle goe benieren raken of:2678
 
As wy tot jouwent te gast waren, je vaar sneet gien stiefvaars sticken,2679
2680
Seker hy slacht myn, ick houw niet vande kleyne slickermicken:2680
 
Myn Maagh was altijts so graagh, ick voelden selde gronckt,
 
Of men Buyckje stonckt lustigh op de liest, ick mien moytjes ronckt,2682
 
Ick weet niet dat ick myn leven soeter of geruster // at.
[p. 329]
frederyck
 
Ick heb daar nu genoech of, praatme van myn Suster // wat.2684
geertruy
2685
Jou Suster Katrijntje die is over 'tvongkt gehouwen en ghedoopt2685
 
Van onse Heer Bestoor, hoe hiet hy nu oock? zyn naam loopt2686
 
Verby me monckt: dats alliens; s'is van aansicht wat schotich,2687
 
En tusschen 'tblanck en 'tbruyn, maar s'is een weynich sprotich.2688
 
Ick hebber so menichmaal ebakert, en traertje me espuelt by de kaars,2689
2690
Wat ick macher mier as hongdertmaal esoent hebben voor haer naars.2690
 
Sy het ien maeltjen in huer neck, daar is sy me ebooren,2691
 
En sy het twie roo vlackjes an huer voorhooft, recht van vooren,
 
In huer kleyne slincker toontjes, die legghen op menkaar,2693
 
Ick souwse wel kennen al wasset over honghdert jaar.
frederyck
2695
Al watse seyt dats waar, ay Minnetje so gaat voort.
angeniet
 
Wel Freed'rijck hebdy nu 't recht bescheyt ghehoort?
 
Kundy nu uyt 'thooft den twijffel al wat sluyten?
[p. 330]
frederyck
 
Sy kentse, en sy noemt de Teyckens my van buyten.
angeniet
 
Sekers dat doet my wel, ick ben ick weet niet hoe
2700
Want ick u Suster draagh een goet genoegen toe.2700
 
Ay lieve gaat toch in, 'tis al een wijl geleden
 
Dat u myn Vrouw verwacht, gelieft u in te treden.2702
 
Daer is de Vagebonckt, ay siet eens hoe hy treet,2703
 
Hoe parmantich, hoe prat, of hy't selver wel weet2704
2705
Hoe kost'lijck dat hy 't maackt? hebje van al u daghen2705
 
Sulck dray-aarsen gesien? ick kant niet wel verdragen.2706
 
Hoe fackseert hy die kraagh, hoe versolt hy die muts:2707
 
O wat een speldekoker! gants oortjes datsen puts!2708
 
Wel hoe dus wiltweyich? hy slingert met zyn Mantel2709
2710
Of hy wilt was, ay siet, om Godswil wat ghetrantel?2710
 
Weet hy wel wat hy wil? ja wel ick arme geck,
 
Wat laat ick my duncken? ick wet ick u een treck2712
 
Sal spelen die hans hiet: wilt my maar eens slagen,2713
 
Ick sal u bylo een vervaert aers-gat anjagen.2714
2715
Ick gae na binnen toe alleenich tot dien endt,
 
Op dat ick seker weet of tMeysjen is bekent;2716
[p. 331]
 
En dan sal ick daer nae in allerley mannieren
 
Om hem te strijcken uyt, een schalckheyt versieren.2718
koenraat en Angeniet die luystert.
 
Ick mach eens gaen besien hoe 't Writsert gints al maackt.2719
2720
+Gants lichters! is hy maer aen syn wil en wensch geraeckt,2720
 
Wat dofjes, wat slempjes willender dan oplóópen2721
 
Voor myn? 'kwedt daty hy mijn voorseker sal kóópen
 
Een nieuwe Mantel, of een kleet van 'tbeste stof.
 
Wat ketel-dicht, wat kreeft-dicht, wat eer, en wat lof2724
2725
Salmen van myn dichten? hoe sal elck van mijn spreken!
 
Om dat'ck een loose hoer so fray heb uytgestreken:2726
 
Want heb'cker niet ontmomt door mijn scharpsinnicheyt2727
 
Dat meysjen daer hy so syn sin op hadt gheleyt?
 
Dat sonder sporrelingh van schande noch van schaden,2729
2730
Alleen door het beleyt van mijn voorsichtich raden.2730
 
En dan het ander noch! myn dunckt, ik sech u, dat
 
Ick hóór hier om oock loon te trecken van de Stadt.
 
Of men hóórt myn om 'thóóft te vlechten en te cieren
 
Met een schackeerde krans van róósen en lauwrieren,2734
2735
Voornaamlyck om dat ick door myn versocht verstandt2735
 
Gelegentheyt so goet, en sulcke middel vant:
[p. 332]
 
Dat dese Jongelingh mocht komen te bekennen,2737
 
Van wat natuur en aart de lichte vrouwe bennen:
 
Op dat hy sich daer na mach wachten, en dat hy2739
2740
Met wacker opmerck let op al haer boevery:2740
 
Van boven zynse schoon, en 'tschijnt al vry wat jenters2741
 
Alst inder waarheyt is, want onder zyn't maer slenters.2742
 
Maer krygen sy wat gelts van haer pol, van haer lief,2743
 
So tyen sy nae 'thuys hier van Gerrit den Dief,2744
2745
En huuren daer een kleet, of lossent uyt de Lommert,
 
Of na de Schoyer, of daer 'tgoedtjen is bekommert,2746
 
Hier by een Juffrouw Lors, of by een gier'ghe Vreck:2747
 
Want selden zynse ryck, maer altyts vol gebreck:
 
Met dit geleende goet sy fijntjes haer op proncken.
2750
Komter dan een snoeppert die half is beschoncken,
 
Soo schrijftmen twee voor een, dan gaetet daer heel grof,2751
 
Men licke-pot om strijt, het macher dan wel of.2752
 
Dan ismen daer heel duyts, dan gaetet op een sluycken,2753
 
Door huykevaaken snoodt met groote steene kruycken,2754
2755
En leere vlesschen van sesthien mingelen Wijn,2755
 
Van Wijn-kóópers die (god wouws) be-eedicht zyn,2756
 
Die ick nochtans wel ken, maer ick selder niet noemen,2757
 
Hoewel der tolle-dief hem sulcx durft beroemen.2758
 
Daer komt dan een gerit allengsjes by in huys,2759
[p. 333]
2760
Van roffyaans, van bloets, en ander licht gespuys,2760
 
Van laag-lóópers, speel-luy, van hoeren en van snoeren,2761
 
En sulck geselschap als die vuyle veren voeren.2762
 
Wien dat daer meest verteert, die is daer best ghesien
 
So langh als 'tgeltje duurt; maer komtet te geschien
2765
Dat yemant sich begeeft by eener onder 'tlaken,
 
+Om (so gelijckmen seyt) wat meer kennis te maken;
 
En is de karel rijck, of is hy maer ghetrouwt,
 
De feeksche lóópen selfs en brengen 't ande schouwt.2768
 
Kijck sulcken en noch meer van dierghelijcke dinghen,
2770
Die heeft hy moghen sien dat dag'lijx daer om ginghen,2770
 
't Is wel een groot geluck voor dese Jongelingh,
 
Dat hy so buyten scha gesien heeft alle dingh:
 
Wat darter ommegaat int leven vande Snollen,
 
Die gulsich brassen als sy zyn by milde Pollen,
2775
Sy schossche, sy brosse, sy slempen, dempen vry,2775
 
Sy slocken en slinden de soetste leckerny,2776
 
En vliegen ongeschickt en hongerich an 't schocken,2777
 
En duwen duer de keel wel sulcke groote broeken.
 
Maar als sy zyn alleen, so sit dit arme volck
2780
En braen een Raepje of een Uyen inde Kolck,2780
 
Of eten knof-loock, daar sy lelijcken af stincken,
 
En lyen haer dan wel met scharrebier te drincken:2782
 
Sy knab'len an een korst van oudt verschimmelt broot,
 
Of nemen de prol-pot met grutten op haer schoot;2784
[p. 334]
2785
Haar leven is wel slecht al achtet mennich groot:2785
 
Al waart al vol wellust te swaerder valt haer doot.
 
Is dit de jonckheyt niet een Salicheyt en duecht2787
 
Dat sy die kennis so bekomen in haar juecht?
 
In haer bequaemste tijdt om goet en quaat te mercken,
2790
En schouwen vlytich door haar schandelijcke wercken;2790
 
Die naderhandt met smaat, met armoet, en met pijn,
 
Beloonen al de gheen die daar met besich zyn.

Het vijfde deel, het vijfde bedrijf.

angeniet en Koenraat.
 
Ja wel, durft die scherluyn so veel noch van ons spreken?2793
 
Ick sal zyn raat en daat noch lustich an hem wreken;
2795
Want ick heb myn selfs een loose vondt verschaft,2795
 
Waar door dat hy met recht van my sal zyn ghestraft.
 
O menschen datsen stuck! o jammer! och! o leyder!2797
 
Och arme jonghelingh! o schelmsche verleyder!
 
Fy Koenraat, o ghy schalck! ghy hebt dien onbedocht,2799
2800
Dien eenvoudighe knecht op een vleys-banck gebrocht.2800
koenraat
 
Och lieven heer! wats dit?
[p. 335]
angeniet
 
Myn hart wil myn ontglijen,2801
 
En 't smelt van droefheyt wech, helaas! van medelijen
 
Over die jonghman, die hem voor een meyt uytgaf;2803
 
Want hy van stonden aan ontfanghen sal zyn straf.2804
2805
Och ick mach'et niet sien, daerom ben ick gheloopen2805
 
Wten huys: och! ick sach hem bijnden en knoopen,2806
 
+Sy leyden hem ter banck volcomen uytghestreckt,2807
 
En hebben hem een wijl ghepynicht en ghereckt.
 
Dat sy hem lubden, och! dat waar noch om te lyen,2809
2810
Dat liet ick noch toestaan; maar sy wilt gnap afsnijen,2810
 
Ghelijck de Turcken doen, ja al sturf hij daar van,
 
Een ander (seytse) sick mach spiegelen daar an.2812
 
Ick heb gheen ander vrees als dats' hem sal vermoorden.
koenraat
 
Ach wat bedruckt ghelaat! wat smartelijcke woorden?
2815
Wat jammerlijcken rouw, stort daar Angniet met smart?
 
Dat ick de oorsaak ben gevoel ick in myn hart.
 
Och ick ben een doot man: want dit doemt my te sterven,2817
 
Of als een Ballingh-slandts voor Bedelaar te swerven.2818
 
Daar komt of watter wil, ick moet haer spreken toe,
2820
Goeden dach Angnietje! wel Sustertje, wel hoe2820
 
Klaagh jy dus truerelijck? secht my wat isser gaande?
 
Wat is u doch gheschiet? of wat hebdy uytstaande
[p. 336]
 
Met yemandt vande Stadt? secht my wien is de man2823
 
Diemen so straffen sal, dat daar een ander an
2825
Exempel nemen sal.
angeniet
 
Ghy zyt gheen antwoort waardich
 
Ghy goetdunckende geck! hoe koomdy so hovaardich,2826
 
En so vermetel stout, dat ghy dit vraghen dart?2827
 
En knaaght u niet de worm van wroeghingh in u hart?2828
 
Vermits dat ghy hem hebt dien boosen raat gegeven,
2830
Waar door dien Jonghman heeft dit schellemstuck bedreven?
 
Die Jonghman die ghy ons dorst brenghen voor een wijf,2831
 
Dien staat nu in gevaar, en prijckel van zijn lijf,2832
 
Door u versieringh vals, en door u kunstich lieghen,2833
 
Om ons door sulcken treck so leelijck te bedrieghen.2834
koenraat
2835
Wien sechdy, Writsert ha! wat heeft hy toch ghedaan?2835
angeniet
 
Wildy dat weten hoort, ick salt u doen verstaan:
 
Weet ghy wel dat die Maaght die Roemert ons vergunden2837
 
Een Haaghsche dochter is van treffelijcke vrunden,2838
 
En dat haar broeder is een Koopman seer gheacht?
[p. 337]
koenraat
2840
Neen ick.
angeniet
 
Seecker 'tis waar, die maacht heeft hy verkracht;
 
Na dat haar broeder heeft van dit gheweldt vernomen,
 
So is hy heel verstoort tot onsent inghekomen.
koenraat
 
Wat heeft hy uytgherecht?
angeniet
 
Hy kreegh hem by de kop,
 
En vluegelden hem stijf, en maakte voorts een strop.2844
koenraat
2845
O God! wat wouw hy doen?
angeniet
 
Had myn Vrouw niet gebeden
 
Hy had hem strax de nues, en ooren afgesneden.2846
koenraat
 
Och dat ick nu doof was.
[p. 338]
angeniet
 
Nu willen sy den bloet2847
 
So straffen alsmen hier de wilde Katers doet.2848
 
Ick hebt niet moghen sien, daerom ben ickt ontspronghen.2849
koenraat
2850
Wel wien is doch so vroom, so stout, en onbedwonghen,2850
 
Dat hy souw durven doen so grooten overdaat?2851
angeniet
 
Hoe noemdy dat so groot?2852
koenraat
 
So seker, ist niet? jaat:
 
+Wat man is so ghestraft die in vuyle Bordeelen
 
De Hoeren so een pots uyt lusten socht te spelen?2854
angeniet
2855
Ick weets niet?2855
koenraat
 
Angnietje u Vrouw siet watse doet;
 
Want 't is myn Meesters soon, een Echt-kint van zyn bloet.
[p. 339]
angeniet
 
Is dat waar?
koenraat
 
Secht u Vrouw datse dat niet beginnen,
 
Wel hey! ben ick oock mal? dat kostje selfs na binnen.2858
angeniet
 
Maer Koenraat watje doet, siet watje onderwint,2859
2860
U yver is te heet, te wulleps en te blint,2860
 
En brengt u niet in last om ander lieden saken2861
 
Die ghy doch moghelijck niet beter en sult maken.
 
En daar hy Writsert nu wat op zyn Jootsch besnijt,2863
 
En kreech hy u misschien ghy raackten 't sootje quijt;2864
2865
Want siet myn Jofvrouw denckt, en sal hem doen ghelooven
 
Dat ghy hem hebt gheraan de Maaght haar eer te rooven.
koenraat
 
Wat staat my nu te doen? Wat raat gaat my nu an?2867
 
Maar ginder, sien ick recht, so komt den ouden Man2868
 
Myn Meester uyt zyn thuyn an 't Regliers hof gheleghen.2869
2870
Sal ickt hem uyten? neen, 't is beter noch geswegen:2870
[p. 340]
 
Ick wilt hem segghen, jaak; het schaat niet, och het leyt2871
 
My op myn leen, dat my een straffe wort bereyt:2871-72
 
Maar die ben ick ghemoet geduldich te verdragen,2873
 
Als Writsert maar alleen mach werden slechts ontslaghen.2874
angeniet
2875
Doet wijslijck als een Man, ick gae na binnen, siet;
 
Vertreckt de goede man hoe 't alles is gheschiet.2876
Angniet binnen.
lambert de Vader, met Koenraat.
 
Dit is een groote vruecht voor myn genegentheyt:2877
 
Dat myn Bogaert so dicht by de Stadt gheleghen leydt:2878
 
Verdrietet my in huys, ick wandel buyten stee,
2880
Na 't Regliers Hofjen toe, kyck dus van liever lee2880
 
Op myn muyltjes, dus reyn, ick was flus om een kijckje2881
 
Het voetwechje langes het platte Amsteldijckje,2882
 
Wangt het was ande kanckt een stick-weegh oppebyt,2883
 
Vannen diel ruyge maats, diet doen om huer profijt:2884
2885
Maar ier dat ick een duyt an dat volckje souw gheven,
 
Ick quam niet op het ijs van al myn hielle leven,
[p. 341]
 
Wat haast het Lammert, ick geeffer niet en mijt,2887
 
So ten iersten een duyt; tissen kostelijcken tijdt:2888
 
Die wat spaart, die wat het: oock ben ick niet goet Emsters,2889
2890
Wat was daer en gherit van Vlasters en van Kemsters,2890
 
Van Vesjes volck en aars, die 'r ryen op de baan.2891
 
De freyste Jongeluy die vynmen onger 't gaan,2892
 
Of die doen as me nift, die ryt met huer spuel-nootjes,2893
 
En vryertjes om veer, of after op de slootjes.2894
2895
Wat was daar en gedoen, en geraas, en gescherm?2895
 
+Myn ooghen schemerde, wat quam daer en geswerm
 
Van Jonges en van goet ontrent de Kooren-dragher?2897
 
Hoe drock haddet Nies Kaecks, die bromde mit huer swagher?2898
 
Hier hey! Harmen Hooch-hart, die so weyts rijt en snort,2899
2900
Die haeckten in huer schaets, so dat de goet-hart stort,2900
 
En vil een harde smack, o dat ick my niet doot // lach;2901
 
Wangt sy vil op haer nues, so datmer Aal-korf bloot // sach2902
 
Daer quam Jueriaen mit sen siecke lijf op het ijs,
 
Die arme breke-bien, die reet met Lange Lijs,
2905
Sy ree harder dan hy, hy liet hum moytjes slepen,2905
 
En schranckelde so voort: och! hy hadt sulcke grepen!2906
[p. 342]
 
Hy hompelden, hy sprongh, en maakten niet vuel vaarts,2907
 
De luy sagen een jeucht in Juere Jannen naarts,2908
 
So genoechelijck gingh die, as hy hum liet glissen // trouwen,2909
2910
Het volck stondt en lachten datse huer bepissen // wouwen.2910
 
Daar hadje styve Dirck mit zyn nieuw-backe-wijf;2911
 
Hoe bevroren gaat hy? zyn hooft staet hem soo stijf,
 
Oft op een staack stongh, in hy het ien paer biennen,2913
 
Tros yemets in het langkt, hier Lobbrich plech te mienen2914
2915
Dat hy 't puyck was vande stadt: mar noch onse Machtelt,2915
 
Die hetse hum emaackt vannen stick vannen swachtelt,
 
Haddet sen lieve moer hum niet hart of eraan,2917
 
Hy souwje alle daaghs mit vier paar kouse gaan,2918
 
Tis sulcken soete vaar, hy kan hum so dicht pongsen,2919
2920
In hy ruyckt assen kruyt, ick mien gelijck een Bonghsen.2920
 
Dat hy hum warmpjes houwt, dat prijs ick hem met reen,
 
Sey Jan Kackmack'lijck, warmt maackt gheen lamme leen.2922
 
Hoe kostelijck, hoe druets reet Melis mit sen vrijster,2923
 
Al ist een bolle-meyt, 't is al een fraeye rijster,2924
2925
Sy streeftje assen vos: 'tis jammer dat blaeuw Aecht,2925
 
So vreeslijck vande kouw is alle Jaers gheplaeght,
 
Helften tijdt kalftse an haer hangden en huer wanghen,2927
[p. 343]
 
Tis vreemt dat an huer nues, geen groote spijckers hanghen2928
 
So kouwt vorstich isse, quam s'op de turfmarckt gaen:2929
2930
De turf souw vuerseeker de helft wel opslaan.
 
Get hoe pronckte droncke Keesje vande Slochter:2931
 
Mit zyn moye tuyt-meyt, hier ouwe Japen Dochter,2932
 
En Mieuwes mal-monckt, die reet met sen jonghste snaar,2933
 
Morsighe Mary Slomps reet mit huer Bestevaar.2934
2935
Maar Jan doeter niet toe, die schoof in een schuyf-sleetje,2935
 
Syn Beste-moer, sen wijf, sen Ky'ren, en sen Peetje.2936
 
Hy stack zyn after-eynt uyt, of hy borghen wouw.2937
 
In anmen rechterhangt daer kreegh een goet-mans Vrouw2938
 
Een kolf-bal voor huer hooft, van een deel groote scholvers;2939
2940
Tis een vreemt dingh, dat van duese weytsche kolvers2940
 
Die dus int wilt toeslaan, geen ong'lucken geschien;
 
+Hadt ick maar iens de macht ick souwt'er wel verbien,2942
 
Of ick souw'er een plaats uyt alle menschen wijsen:2943
 
Ick selt van mijn leven mijn ky'ren niet anprijsen.
2945
Hoe reden de boeren sleen so hier, so daer om var:2945
 
Hoe liep onse Amsterdamsche Adel daer met de nar?2946
[p. 344]
 
En by de Diemer-meer daer reden ien'ghe paertjes,2947
 
Mit noch ien hiele streeck van ouwe drooghe vaartjes2948
 
Al after anmenkaer, die ryen dattet giert,2949
2950
Sy hebben duese kunst de gangsen off eliert.2950
 
Hier vercoftese lindt datmen tot schaetsen bruycken.
 
Daer sat Aaltje Krimp-kous mit mantels, en met huycken.2952
 
As ick dit lieve spul lang 'enoch had 'esien
 
So kierden ick weerom, en ick gingh doe mit ien
2955
Iens loefs voort in myn thuyn, ick sach iens na de bloemen,2955
 
Of na de bolletjes (om eygentlijck te noemen)2956
 
Of sy oock vrosen uyt, en waren sy al dóót,2957
 
Ick kooper weer genoech voor een blanck, of driegróót:2958
 
Ick ben so mal niet as de luy, die vuer wat Tulpen,
2960
Vuer Keysers króónen, vuer Hoorentjes, en vuer Schulpen,2960
 
En sulck luermarcktery dat nieuwers toe en dient2961
 
Vuel gelts sel geven; noch ick sel vuer gien Kistient2962
 
Gien hongdert ponckt besteen. En 'kmachse so wel draghen2963
 
As yemant vande best, en wie souw ick het vraghen?2964
2965
Ik heb een plat-beck, en een moye gouwe hoep,2965
 
Al om de minste kosten, of ick't niet luydt roep.2966
[p. 345]
 
Ick houw hennen, noch duyven, noch katjes, noch honckjes,
 
Noch knijnen, noch vueghels, 'kheb gien sin in die stronckjes,2968
 
'Thet niet een beet om 'tlijf datmen 'tgelt so verquist,2969
2970
Ick legh het liever op, en stapelt in myn kist,2970
 
Elck leyt moy op syn ste in sackjes ofgesongdert,2971
 
Ick doet niet minder uyt als dartich op het hongdert,2972
 
Diet so hooch niet en wil, die machet laten staen.
 
Wat ick heb met mijn gelt vuel mier profijt gedaen,2974
2975
En kan't oock noch wel doen, als ick't mar wil anlegghen
 
Hier met sommighe Re'ers: maer men moetet niet seggen.
 
Wy stuuren altemets een twee drie schepen uyt,2977
 
Vol botter, kaes, en bróót, oock ketings, koegels, kruyt,
 
Dwelck wy verruylen an veel kostelycke waren
2980
Vande Duynkerckers, of die op die neringh varen:2980
 
Dat goedtje dat wort hier bequamelijck versackt,2981
 
Verbaalt, verkist, vertont, vermerrickt en verpackt,2982
 
Van mannen die haer daer seer aardich me geneeren:2983
 
So krijghtmen tien voor ien. Zijn dat gheen luy met eeren?2984
2985
Of wil'ckme geltje niet dus wagen over zee,
 
Ick kant wel sonder vrees uytsetten hier in stee,2986
 
En dat op gróóte winst: doch ick selt niet vertellen,
 
+Daer zyn in Amsterdam seer geestige gesellen,2988
 
Die kop're Kandelaars, Brant-ysers schóón en gróót2989
[p. 346]
2990
Van buyten (maer int lijf en is het niet dan lóót)
 
Met een behende slach seer kunstelycke gieten,2991
 
Dies moet het overschot van waarden overschieten.2992
 
Wel is dat Koenraet niet die daer van verre staet?
 
Ick moet eens by hem gaen, en sien hoet hem al gaat.
koenraat
2995
Wel wien praat daar van my? Meester! die ic met hart en mont // bie
 
Goeden dach, ick ben blydt dat ick u so ghesont // sie.
lambert
 
Wel wie verwacht ghy hier?2997
koenraat
 
o help! myn tongh die vouwt,
 
Ick kan niet spreken, ach! myn hart dat wortmen kouwt.2998
lambert
 
O ho, hoe dus verbaast, en dus ontstelt so schichtich,2999
3000
Wel sechtmen, is de saack so oevel en so wichtich?3000
[p. 347]
koenraat
 
Voor eerst bidt ick myn Heer, en denckt in't minste niet
 
Dat dese dinghen zyn door myn besteck gheschiet:3002
 
Gelóóft myn, ick en heb geen raat daer toe ghegheven,
 
Ick heb geen schult, ick sweert.
lambert
 
Wat isser dan bedreven?
koenraat
3005
Waerachtich 'khaddet eerst met voordacht en met list3005
 
Voorsichtelyck bedocht; maer nu ist myn gemist.3006
 
Hoort hier, myn Meester, hoort, wat batet doch geswegen?
 
Ons Ritsert heeft nu korts een swart Moortjen 'ekreghen3008
 
Van syn Schipper, die 'them in Spaenjen heeft gekocht,
3010
Dit schonck hy aen syn Boel, dewijl dat sy't versocht.3010
lambert
 
Wien?
koenraat
 
Maar aan Moyaaltje, die hy mint als syn harte.3011
[p. 348]
lambert
 
Maar wat gaf hy doch wel voor dese lieve swarte?
koenraat
 
Maer duysent guldens eens.3013
lambert
 
och wat een swaricheyt3012
 
Komt myn op!
koenraat
 
en Writsert heeft syn sin oock geleyt,3014
3015
Op eener die de Luyt en and're Instrumenten3015
 
Kan handelen wel braaf, ia uytten Orienten.3016
lambert
 
Hoe! wat is hy verlieft? dit kan ick niet verstaan,
 
Weet hy dus vroech alreets by hoeren oock te gaen?
 
Hoe komt hy in de Stadt? ick had hem onder iennich3019
3020
Aan bóórt gesonden 'tscheep. ach! gien quaet komt allienich!
koenraat
 
Hoe sieje myn dus an? gelóóft myn vry myn Heer,
 
Ick hebt hem niet geraan.
[p. 349]
lambert
 
Houwt op, en spreeckt niet meer
 
Ghy galgert! soo'ckje noch iens. dan nou ick sal noch swijghen,3023
 
Op dat ick meer bescheyt van dit stuck mach verkrijghen.3024
koenraat
3025
Och Meester hy, hy is wel stouwt en onbedocht3025
 
In plaats van de Mooris tot Moy-aalen gebrocht.3026
lambert
 
In plaats vande Mooris?
koenraat
 
Voorts heeft hy vande Vrouwen3027
 
Een jonghe Maacht verkracht.
lambert
 
Ick sterf by mynder trouwen!
koenraat
 
Daer op is hy betrapt, gevangen en geknelt,3029
3030
Nu willen sy an hem vergelden dat gewelt.
[p. 350]
lambert
 
Wel isser oock yets meer behalven dese dinghen?
 
Souwmen om sulcken luer die Jongman so bedwinghen?3032
 
Waar na verwacht ick noch? waarom gae ick niet in,3033
 
+Eer dat sy hem mis-doen in haren grammen sin.3034
koenraat
3035
Ick slae geen twijfel, of ick sel door dese saken
 
In een groot ongeluck en ongena gheraken.
 
De noot drongh myn daer toe, nochtans in dese tijt,3037
 
So hoop ick dat wel haast sal Writsert zyn bevrijt.3038

Het vijfde deel, de seste hangdeling.*

angeniet geckt met Koenraat*.
 
Seker in langhen tijt was ick so niet verhuecht
3040
Als ick nu vlusjes was: want ick kreech sulcken vruecht,3040
 
Wanneer den Oude Man sijn sone docht te vinden,
 
Om van syn banden hem sorchvuldich te ontbinden;3042
 
Hy snoffelde vast om, door winckel en door kas,3043
 
Maar wat hy socht en deedt, hy quam niet daer hy was.
3045
'tGemoedt was hem ontstelt uyt Vaderlyck melyen,
 
Hy stenden door ons huys, en keeck an alle zyen!3046
 
De gramschap en de angst had hem te seer beroert,
 
Doch hy was door myn list bedrogen en vervoert.3048
 
Ick lachten in myn vuyst dat ick hem so sach vresen.
[p. 351]
koenraat
3050
Wel wat wil dit toch zyn?3050
angeniet
 
maer waer mach Koenraet wesen?
 
Ick sprack hem garen eens, ick wil na hem gaen streven.3051
koenraat
 
Wel wat schort jou Malloot? heb gy van al jou leven
 
Sulck lachen wel 'esien? wel ginnegabje noch?
angeniet
 
Ick lachmen an men eynt, ick mach niet langer, och!3054
3055
Ick lachmen noch wel doot, ick kan my gants niet stillen.
koenraat
 
Wel waerom lach gy dus?
angeniet
 
mar al om jouwent willen.
koenraat
 
Wel hoe dat?
[p. 352]
angeniet
 
Wat gy vraacht! 'kheb noyt gesien, noch 'ksach
 
Geen sotter mens als gy: och ick krijch sukken lach,
 
Ick kantje niet seggen, so lachen wy daer binnen
3060
Siet om u slechticheyt, en om myn kloecke sinnen.3060
 
En so veel isser of, dat ick u int begin3061
 
Als ick u eerstmael sach, oordeelde in myn sin
 
Voor een welsprekent man, en vol van schaleckheyden.3063
koenraat
 
Wat ist?
angeniet
 
ick heb gemist in dese twee voorseyden.3064
3065
En rouwden u dan niet dien overgeven daadt,3065
 
Die 'thans den Jong'ling heeft bedreven door u raadt?3066
 
Most ghy daer boven noch syn arme oude Vader
 
Dees dingen altemael verklaren so te gader,3068
 
Sonder bewimpeling van of te doen of toe?3069
3070
Hoe meen gy dat de man hier over was te moe,3070
 
Als hy syn soon daer sach gebruynt gelyck een swarte
 
In vrouwelyck gewaat? bedenckt eens in u harte
 
Dat ghy de oorsaeck zijt: so suldy wel bevroen,
 
Dat nu u Meester sal de kerfstock of doen.3074
[p. 353]
+koenraat
3075
Wat segdy vuyle pry? pay gy myn met een loghen?3075
 
En lach gy noch met ons, nu gy ons hebt bedrogen?
 
'Tschijnt dat die schelmery u wel verheucht en smaeckt,
 
Maer waerom doe gy dat?
angeniet
 
om dattet myn vermaackt.
koenraat
 
Ick souwje wel goedt koop wat voorje lieghen // langhen,3079
3080
Houwt den smoel toe, of jou backus sal vlieghen // vanghen.3080
angeniet
 
Duncket u goet Koenraat, so komt an en smijt // toe,3081
 
Ick raetje haestje niet, maer neemter wat tijt // toe:
 
Gy souwtet seker so met dese saack // maken,
 
Dat gy wel licht'lyck mocht d'eerste op de Kaack // raken,3084
3085
Of an een galch, of an een mick, of op een Rat,3085
 
Daer an de Voolewijck, by't gerecht vande Stadt.3086
 
Want gy hebt raadt en daadt en d'oorsake gegeven,
 
Dat desen Jongman heeft dees overdaadt bedreven.3088
 
Waer door ghy sult daer na gestraft zyn en onteert,3089
[p. 354]
3090
In voeghen, dat an u een ander daer an leert3090
 
Te vlieden sulcken quaet van Jonge luy te verleyden.
koenraat
 
Och 'tis met my nu uyt!
angeniet
 
voort sullen sy u beyden3092
 
Wel lustich smeeren of: dit heb ick u bereydt3093
 
Tot een erkentenis van onse danckbaerheydt,
3095
Overmits die Mooris die ghy ons hebt gaen schencken:3095
 
Och 't is mijn hartich leet dat ick niet meer kan dencken.3096
 
Adieu, ick gae, vaart wel.
koenraat
 
als ick my wel versin,3097
 
Niemant komt hier in last, hy brengt sijn selfs daer in.3098

Het vijfde bedrijf, de achtste hangdeling.

kackerlack, Roemert, Writsart, Ritsart, Koenraat.
 
MAer zyn wy hier ons lijf al seker by de Vrouwen?3099
3100
Op welcken hoop, of raat, oft op wat woort van trouwen3100
 
So gaen wy na Moyael, en geven ons dus bloot?3101
[p. 355]
roemert
 
Ick ben van sin het hooft te leggen inde schoot,
 
En apoincteren op genaed', en onghenade,3103
 
En rechten haer weer op de achterstal en schade,3104
3105
Die door het lang belech myn Juffrou is geschiet,
 
En dat wy t'samen doen het geen sy ons gebiedt;
 
Indien sy ons de peys maer lijd'lijck wil verlienen.3107
kackerlack
 
Dats u te veel verkleynt.3108
roemert
 
sal ick dan minder dienen
 
Mijn Moyaeltje! mijn lief! mijn Princes van mijn sin!3109
3110
Als Hercules dede der Lydier Koningin
 
Omphaele, dien den Heldt de spillen dwong te rapen,3111
 
Die Rues noch Ridder kon bedwinghen met de wapen?
kackerlack
 
Dats een schoon exempel! en 'tstaet my seer wel an,
 
Dat ghy u reguleert na sulcken grooten man:3114
3115
+Dats een bescheydenheyt! o myn met wat suffletten3115
 
Sal hem Moy-Aeltje noch dat malle hooft versetten?3116
[p. 356]
 
Siet die verwaande geck! och Heerschip gaat niet vóórt!
 
Siet hier! wat volck komt daar ginder uyt de póórt?
roemert
 
Wel wie ontmoet myn hier? ick sacher noyt den desen:3119
3120
Hoe loopt dit volck so wilt? wel wat sal dit toch wesen?
writsart, in zijn selfs.
 
Isser teghenwoordich wel gheluckigher Mens3121
 
Opter aerden als ick, diet so gaat na syn wens?
 
't Schijnt dat de hooghe Godt des Hemels heeft besloten
 
Dat al des werelts vruecht tot mywaerts soude vloten.3124
3125
Soo veel gelucx en goets plost plotslijck op myn neer,3125
 
In so bequamen standt als ick van Godt begheer.3126
koenraat
 
Hoe is Writsert dus blijt? ick gae naer hem met schromen.
writsart
 
Koenraat myn goede vrient gy bent myn wel ghecomen;
 
Myn Vader! en vinder! beleyder van't beleydt,3129
3130
En het voornaemste hooft van myn wellusticheyt!3130
 
Daer leeft gheen gauwer man, geen kloecker noch versochter:3131
[p. 357]
 
Weet gy wel dat myn lief Katrijntje is een Dochter
 
Van een goet Burgerman, van wylen uyten Haach?3133
koenraat
 
Ick hebbet al gehoort.
writsart
 
Wanneer doch?
koenraat
 
Maar van daach3134
writsart
3135
En hebdy wel verstaen dat sy myn is ghegheven
 
Tot een Bruyt, tot een Vrou?
koenraat
 
So waer als wy leven,
 
Ghy doet seer wel!3137
kackerlack
 
Verstaa gy wat hy seyt?
[p. 358]
writsart
 
En daar en boven noch myn meeste vrolijcheyt,
 
Is om myn broeders wil: die nu nae zyn begheeren,
3140
Met vryer harten by zyn boelschap mach verkeeren;3140
 
Siet buyten alle vrees van nacht-wacht oft ghespuys:3141
 
Want in het cort geseyt 't is ganslijck maar een huys,3142
 
Het onse, en het haar; Moyaal heeft al haar dinghen3143
 
Gants en al ghestelt in myn's Vaders bescherminghen.
3145
Want hy haar sonderlingh van harten heeft ghesint,3145
 
Om die weldadicheyt die zy bewees an 't kindt,3146
 
An myn Katrijntje lief: dit sal hy niet vergeten.
koenraat
 
U broeder houwt Moy-aal dan voor zyn eyghen eten,
 
En voor zyn propre monckt?3149
writsart
 
Wel souw hy niet Koenraat?
koenraat
3150
Hoe vaert de ruyter dan, die muruwe soldaat?3150
writsart
 
Och dat is al gedaan, die heeft al eenendartich.3151
[p. 359]
koenraat
 
Wel dat verhuecht myn seer, daarom so moet ick hartich
 
Eens lacchen dattet klinckt over die heele straat!
writsart
 
Ay Koenraat doet so wel, dat bid ick, datje gaat3154
3155
En brenght myn waarde broer dees onverhoopte tijdingh
 
Van myn gheluck en 't zyn.
koenraat
 
Ick sal stracx met verblijdingh3156
 
U Broeder Ritsert oock gaan brenghen dese maar,
 
Adieu myn vrient vaart wel, die nu wist waar hy waar?3158
+roemert
 
Maar slaeg'er twyfel an, dat ick niet ben verschoven3159
3160
Van myn lief?
kackerlack
 
Dats verwis!
writsart
 
Wie sal ick meerder loven?
 
De ghene die myn gaf dese geswinde raat:3161
[p. 360]
 
Oft myn selfs? die daar dorst bestaan alsulcken daat:
 
Of sal ick die fortuyn, voor't aldergrootste prijsen,3163
 
Die my op eenen dach so veel goets gaet bewijsen?
3165
Want sy heeft dit bestiert, dat myn broeder so graach
 
De Moorin schencken souw an zyn Boeltje van daach:3166
 
En dat my 't Meysje is gegeven te bewaeren,3167
 
Als Moy-aal gingh te gast, ten Noen-mael; tot haeren
 
Pol, den Hopman Roemer, die de waerschap had bereydt:3169
3170
En siet door haar vertreck kreegh ick gheleghentheyt
 
Om myn lust te voldoen: o wonderlijcke saken!
 
Dat daar myn Vader quam om't Houwelijck te maken.
 
Of sal ick achten meer de bly-geestige vruecht?3173
 
Of myn bevallijckheen? of die beleefde duecht3174
3175
Van myn Heer Vaders ziel: die sich heeft uyt gaen spreyden
 
Door al zyn leven heen met meer als menslijckheyden?3176
 
Ick bidt u goede Godt, behoedt ons doch voor quaat,
 
En onderhout ons huys voortaen in goeden staat.
ritsart met Koenraat.
 
Wat onghelooflijckheyt van sonderling ghelocken3179
3180
Hebdy, o Koenraat! my met groote vruecht vertrocken?3180
 
Waar is myn Broeder doch?
writsart
 
Hier is hy voor dees tijdt.3181
[p. 361]
ritsart
 
Ach lieve waerde broer, ick ben van harten blijt.
writsart
 
Och dat geloof ick wel! u lief is waart te minne,
 
So veel heeft sy gedaan voor die van ons ghesinne,3184
3185
Die sy met haer behulp doch eerlijck heeft gherieft.3185
ritsart
 
Prijs gyse myn noch an die op haer ben verlieft?
roemert
 
Och Kackerlack wat raat? nu gheef ick het verloren,
 
Nou heb ick doch geen kans so quaat staat dit gheschoren,3188
 
Hoe'ck minder hoops heb laas! hoe ick haer meerder min;3189
3190
Ick bid u Kackerlack, ay help my doch hier in,
 
Mijn hoop die is in u.
kackerlack
 
Wel wat sou ick anrechten?3191
roemert
 
Maakt hier een eyndt of, en gaatmen dit beslechten,3192
 
Met bidden, met loven, want ghy bent wel ter tael:
 
En brenght my weder inde gracy van Moyaal.
[p. 362]
kackerlack
3195
Dats swaerlijck om te doen!
roemert
 
Wat dat u mach opkomen3195
 
Daar wordy meester of: want kloeck en uytghenomen3196
 
So leefdy met de tongh; en ken ick niet u gheest,3197
 
Die so goet is en groot, dat daer een mens voor vreest?
 
So gy myn dit bestelt, so sal ick an u schencken3199
3200
Wat ghy begheeren muecht: ja wat u lust te dencken,
 
Tot een vergheldingh, en voor u verdienden loon
 
So houwt al wat gy hebt.3201-3202
kackerlack
 
Dat komt my seker schoon,3202
 
+Meen gyt al?3203
roemert
 
Souw ick niet?
kackerlack
 
So ick haer kan belesen,
 
So wil ick dan voor eerst tot uwent so vry wesen,
[p. 363]
3205
Dat ick wanneer ick wil mach komen onghenoot
 
An tafel, an de Spynt, en snijen kaas en broot:3206
 
Of watmen anders lust.3207
roemert
 
Ick bender met te vreden.
kackerlack
 
Ick sel myn naersticheyt in dese saack besteden.
ritsart
 
Wel wie hoor ick hier? wel Roemer!
roemert
 
Mijn lijfs ghena.3209
ritsart
3210
Gy weet mogh'lijck niet, hoet hier staet.
roemert
 
Ick doe, och ja!
ritsart
 
Hoe koomdy dan so stouwt, dat ghy hier stal durft houwen?3211
[p. 364]
roemert
 
Op u beleeftheyt siet so steld' ick myn vertrouwen.3212
ritsart
 
Vertrouwt die niet te veel, eer dat gy qualijck vaart.3213
 
Barmhertighe Soldaat! gy wert hier strackx verclaart3214
3215
Voor vyandt, en weet dat, 't eerst gy myn komt ontmoeten,3215
 
Hier of op de Bre-straat, ick sal u onsaft groeten:3216
 
Al maackten gy onschult van hier of daar te gaan,3217
 
Ick selt niet hooren, maar 'k sel even dol toeslaan,3218
 
Al souw'ck u arm of been, of't een, of't aer verminderen.3219
kackerlack
3220
Salighe Man denckt om jou wijf en jou kinderen.3220
 
En maackt jou so groot niet, nou saft, haastich is quaat:3221
 
Siet datje toornicheyt niet voorje wijsheyt gaat.
 
Wasser met vechten yet te halen of te winnen,
 
Ghy soutet, lieve Man, nu al te laat beghinnen;
3225
Jan Rap ginger me duer ten past niet dat een knecht3225
 
Met eeren, ghelijck ghy, hier teghen yemandt vecht.
[p. 365]
ritsart
 
Ick sech niet meer, ick sal hem flux opt vleys touwen3227
 
Blyft hy hier niet van daen, dan seecker, wil hy peys houwen,3228
 
So raedt ick hem voor 't best dat hy haar selschap mijdt,
3230
Eer ick hem met een stock de kop anstucken smijt.3230
 
Siet ick waarschuwje noch, denckt dattet u gheseyt // is.3231
 
So ick hem weder vyn, 'k sal toonen dat myn leyt // is.3232
kackerlack
 
Voor wrevel noch voor wreet heb ick u noyt ghekent:3233
 
Ick denck ook niet dat gy so opgheblasen bent,3234
3235
Of gy sult met ghedult u gramschap wel haast breken.3235
ritsart
 
O neen ick hebt gheseyt!
kackerlack
 
Hoort myn een weynich spreken,
 
Daer na soot u behaacht muechdijt volbrenghen vry.3237
ritsart
 
Wel an, secht.
[p. 366]
kackerlack
 
Nou Roemer gaet een weynich an d'een sy.3238
 
Voor eerst so wouwd' ick wel dat ghy lie wout ghelooven,3239
3240
Dat al wat dat ick wil in dese saack beslooven,3240
 
Is niet om Roemers lust, maar om myn eyghen baat,
 
Doch so gy selfs bevindt, dat dese myne raat3242
 
U noodich is en nut, en nieuwers in kan schaden;3243
 
Het waar een slechtheyt dien moetwillich te versmaden.3244
ritsart
3245
Wats dat te segghen? he!3245
kackerlack
 
Siet dits myn raat en sin,
 
Dat gy den Hopman sult voor Reeder ruymen in3246
 
De minne van Moy-aal ghelijck u medestander.3247
ritsart
 
Voor Reeder ruymen in, en dat wy met malkander3248
 
+Reen souden aen myn boel, ghelijckmen aen een schip
3250
Ghewoonlijck is te doen?3250
[p. 367]
kackerlack
 
Dan zydy van begrip
 
In dit stuk: Ritsert hoort! denckt eens hoe garen eetje
 
Van Marsepeyn of Taart, of so een lecker-beetje,3252
 
Van rams-nieren, of van een Hane-kams-bestey,3253
 
(Die geyle luyder kost is welich meer, als frey.)3254
3255
Gy maackt gaeren goet cier in lustighe bancketten:
 
Maar 't quaatsten is, ghy hebt niet veel om by te setten,3256
 
Door dien u Vader u so scharp houdt en so kort,3257
 
Vermits u 't meestendeel wat ande besten schort.3258
 
En dese die het munt, en hielle hoopen bricken,3259
3260
Hy sal 't gheen u ghebreeckt in overvloedt beschicken!3260
 
Hy gheeft de vrye slemp, hy dient u en Moy-aal,3261
 
En myn oock, om dat ick myn wijnter kost daar haal.3262
 
Laat huer de vryheyt toe om wat met hem te jocken,3263
 
So sal sy hem met list een groote som doen docken,
3265
Op dat sy mach voorsien haar kelder weer met wijn,
 
De Botelrij van spijs, en watter meer mach zyn:3266
 
Daar mach gheen milder man nu opter aerden leven,3267
 
Als desen Hopman is, so ruym is hy int gheven:
 
Het is een botte bloet, wat batet toch verbloemt,3269
3270
Een groote malle geck, die wonder hem beroemt3270
[p. 368]
 
Van den Krijghshandelingh: o bloet 't is hem by vlaghen3271
 
So uytermaten dapper inde mont eslaghen:
 
Hy kreegh nu lestent een beroeringh in zyn tongh,3273
 
Dat in een uur of twee zyn beck niet stil en stongh;
3275
Hy verschoont out noch jong, noch armen noch rijcken,
 
En rabbelt sonder slot, hy mach inde kan niet kycken3276
 
Of hy is droncken, en dan het hy loof noch lust,3277
 
En slaapt voort nacht en dach, gy moocht wel zyn gherust,
 
So dat ghy niet en hoeft in ghener wijs te vresen,
3280
Dat Moyaal immer sal tot hem gheneghen wesen:3280
 
Want hy is lam en loom, en heeft noch kracht, noch kuyt;3281
 
't Is een voosen vueghel, een drooghert in zyn huyt3282
 
En sulcken blooden guyl als ickje niet kan segghen:3283
 
Hy sal gaan als gy wilt.3284
ritsart
 
Hoe sullen wijt anlegghen?
kackerlack
3285
Voorwaar, ick acht hem hooch: maar daar in aldermeest,
 
Datter hier ter werelt noyt sulcken Man is geweest,
[p. 369]
 
Die 't volck meerder jonst en vruntschap kan bewijsen,3287
 
Met overdaat van dranck, en kostelijcke spijsen.3288
ritsart
 
't Sou meer als wonder zyn datmen alsulcken Man3289
3290
Die so ruym-schotelt is niet souden haelen an:3290
 
Voor myn, ick ben van sin dat wylie hem uytstrijcken,3291
 
In wat manier het sy?
writsart
 
En ick oock van ghelijcken.
kackerlack
 
Dats wel, dat is seer goet, ick bidt u lien dat ghy
 
In u gheselschap voort oock wilt aennemen my;3294
3295
+Want ick heb heen en weer ghetracht aan bey ezyen,3295
 
Om te vereenighen dees twee harde partijen.
ritsart
 
Siet daar, daar is myn hant dat ghy ontvanghen wert.
writsart
 
Van mynent weghen ook, siet daer; uyt een duyts hart.3298
[p. 370]
kackerlack
 
Siet daar, ghy broeders bey, al kan ick niet beloonen
3300
De eer die u belieft an myn persoon te toonen,
 
So neemt van my in danck voor dees u groote duecht,3301
 
Dese verwaande geck, opdat ghy met hem muecht3302
 
U buyck vol lachen staegh.
writsart
 
Wel dat komt seecker aerdich.3303
ritsart
 
Wel Kackerlack dats schoon! hy is het doch wel waerdich.
kackerlack
3305
Hou Roemer tsa komt hier indient u wel ghevalt.3305
roemert
 
Is de peys allemaackt?
kackerlack
 
Ick heb moytjes ekalt:3306
 
Dit volckje konje niet, maar doen ick haar met reden,
 
U duechden, u daeden, u hoochdraghende zeden3308
 
Ten vollen heb ghelooft, so hebben sy op trouw
3310
De Treves my vergunt so ickse hebben wouw.3310
[p. 371]
roemert
 
Ghy hebt seer wel ghedaen: 'k weet niet oft om myn sinnen,
 
Oft om myn schoonheyt my het volck dus beminnen:
 
Want waer ick door de stadt en door de straete gae,
 
De Meysjes rysen op en kijcken myn vast nae,3314
3315
En koom ick inde Kerck int midden vande preken,3315
 
De wyven weten daer soo veel van my te spreken,
 
Wie dat ick heb gevryt, en wie ick niet en wil:
 
Tot dat Klaes klick seyde nou Labbekack sit stil.3318
 
Had Jan Dircks sijn nift geen nieuwe rock gaen koopen,3319
3320
Neel van Gods wegen souw voorseker my na loopen,3320
 
En ouwe Joosten weeuw die loopt wel van myn vuer,3321
 
Maer daerom streeck myn peet huer moer so lustich duer.3322
 
Wat noch prijs ick Giertje, die pleech myn selfs te sabben,3323
 
En om een haver stróó, eens in mijn hant te krabben,3324
3325
Met sulck getuetel, nou alle ding dient niet eseyt,3325
 
Men mach seggen watmen wil, 'tis een hecht vannen meyt,3326
 
Ick konse met gewelt niet van mijn lijf houwen,
 
Roemer seydse lest, wil gy my vuer jouw wijf trouwen?
 
Neen, seyd ick, gy hebt een bueck, ick en slach: dat 'kje nam,3329
3330
Het sou al sot en mal worden wat van ons beye quam.
 
Maar wat sey Dibbrich Klaes? quam my sucken quanckt//vryen,3331
 
Ick souw warachtich met de knecht wt het langkt//tyen!3332
[p. 372]
 
Al verwijt myn haer moer dat ick lest mijn scheen//stiet3333
 
Tot Barbers, wat schaat dat? Ick wasset alleen//niet.3334
3335
Hoe voer huer suster doch met Floris en met Flip,3335
 
Al mienden sy al waers, en kreech sy oock geen slip?3336
 
Dan dat is so voor als nae, ghy lieve Krijchs-luy.3337
 
Wat had ick oock een spul met dicke Trijn en Truy,
 
Die alle bey gelijck, door 'thielle leger riepen,
3340
Dat sy geen deech hadden als sy niet by men sliepen,3340
 
+Sulcken Man ben ick! daarom sey Langhe Fransen Vrouw,
 
Datser gelt, ja haar hemt met my verteeren wouw.
 
Gae ick eens in een kroech, daar ick wat meen te blyven,
 
Stracx werd ick daar ontboon by Weeuwen, en by Wijven:3344
3345
Kijck sulcken gracy heb ick!3345
kackerlack
 
Heb ickt niet gheseyt,
 
Dat Roemer heeft een Amonysis welsprekentheyt?3346
ritsart
 
Volkomelijck en wel, ghy hebt gants niet vergheten.3347
kackerlack
 
Ick noo u allemael morgen middach ten eten,
 
Tot Hopman Roemers, oft tot myn joffrou Moyaal:3349
[p. 373]
3350
Gae gy lie binnen strack: gaet heen gy Koeter-wael,3350
 
Wy sullen u u goet wel haest helpen verslempen,3351
 
Als gy een kaal gat bent sal ick noch met u schempen.3352
 
Nou hoort gy Heeren hoort! heeft u dit spul verhuecht?3353
 
So klapt eens in u handt, en roept dan ja met vruecht:
3355
En leer gy lacchend' Duecht, so looft niet onsen Dichter:
 
Maar't Affricaensche hooft, der Roomscher spelen stichter.3356

't Kan verkeeren.

[p. 374]

In D (Alle de Wercken, 1638) zijn na vs. 2750 de volgende verzen ingevoegd, terwijl vs. 2751-2768 zijn weggelaten:

2751
Die geven sy voor maecht: een of ghereden Meer2751
 
Ghelijckt ghebeurde laest een seecker goede Heer,
 
Die sijn Huys-vroutje dwongh sijn kleeren uyt te sluyten;2753
 
En nam een hoope gelts en gingher mee na buyten
2755
Daer yevers in een Kroech: daer hem de vrouw van 't huys2755
 
Wel blydelijck ontfingh met al heur snoot gespuys,
 
Van laechloopers, speel-luy, van hoeren en van snoeren:2757
 
En sulck gheselschap als dat vuyle leven voeren,
 
Daer klieden hem de man int effen fijn Fluweel2759
2760
En bralden als een Prins voor Bruydgom in 't bordeel,2760
 
Daer sat sijn Bruyd becranst met Speelnoots: an een deken,2761
 
Van schoone wol en zijd wel nae de kunst besteken;2762
 
De lieren de giegels, de clop-scheen, en de fluyt,2763
 
En die heldere keeltgens die maeckten soet gheluyt,
2765
Men deuninckten: men sprong met vroolijck tureluuren.2765
 
Wel immers: daer waren eenighe vande buuren2766
 
+Die hebben dat sijn Vrouw uyt vrientschap angheseyt,
 
Die ginger moytjes heen des avonts met heur meyt,
 
En heeft selven door 't glas dit spulletjen ghekeecken,
2770
Hoe datse was te moe dat laet ick haer uytspreecken:2770
 
Want siet sy viel in swijm ten hulp niet watmer dee,2771
[p. 375]
 
En men bracht haer voor doot tot harent inde stee,
 
En hy was daer heel duyts: doe ginght daer op een sluycken:2773
 
Mit hiele tonne biers: mit groote stiene kruycken,
2775
En leere vlessen van dartien mingelen wijn,2775
 
Van de wijncoopers: die godwouts be-eedicht zijn,2776
 
Die ick nochtans wel ken: maer ick selder niet noemen,
 
Hoe wel dit eerlijck volck haer sulcks noch beroemen.2778
 
Flucks quamen daer by hem guyghelaers en Obly,2779
2780
En aessacx speelders vol van alle schelmery,2780
 
Die om een penningh haer schaemt stellen ter syen,
 
Met dese vrome luy sat hy in basterdyen,2782
 
En verdeed al sijn gelt: want uyt een canne vocht
 
Hy noch met nauwer noot vijf roemers crijghen mocht:2784
2785
Want onder inde Kan heb ick recht hooren segghen,2785
 
Daer hadse een servet, of ander lywaet legghen,
 
Daer tapten sy dan op: en voort door al 't gheraes
 
En sach hy daer niet na: o 't was een nob'len baes.
 
Soo quamt dan dat de waert met syn parfuymde kolder2789
2790
Een leer van onder schreef tot boven ande solder,2790
 
Datmer na climmen most: de Speelnoot nammer Bruydt2791
 
En dansten als een lanst Passemedia recht uyt,2792
 
De trappen op Clementia: al was de Bruygom droncken,2793
 
Hy heeft de Meysjes noch rustich schoegelt eschoncken,2794
[p. 376]
2795
Ghelijck as dat een wijs is: voort brachtmen hem te bedt:2795
 
Want hy lagh en sliep: en was soo slap as een slet,2796
 
Men leydt hem sagjens neer wel soetgens in sijn nesjen,
 
En veur een jonghe Meyt kreegh hy een heel oudt besjen,2798
 
Daer hy doen sonder caers sijn lust aen heeft versaet,
2800
De lieve langhe nacht tot aen den dageraet.
 
Des smorghens alsoo haest als sy maer sach haer open2801
 
Dat hy vermoeyt wel sliep is sijt safjens ontslopen,
 
En 't Bruytjen quam daer weer al onthaeckt en ontdaen,2803
 
Ghelijck of sy van hem was haestich op ghestaen,
2805
En sy vernestelt hem te deegh, doen voort an 't kitt'len,2805
 
En gingh hem wel een bedt over 't slapen te kapitt'len,2806
 
Doe quam van dat ghesnor een schalcke hoere dop,2807
 
Die dese Bruygom bracht een moye basterdt sop,2808
 
En hand water, en meer: doch al om wat te crijgen,
2810
Met refereyntjens die een goet man wel sal swijghen:2810
 
Maer sulck volck ist een vreucht: dus bleef hy inde bocht2811
 
+Tot hy bue en loof was: en langher niet en mocht:2812
 
Doe wierdt hy juyst ghehaelt van yemant van sijn vrienden,
 
Hy gingh als vernaghelt, en was wel half sticksienden.2814
2815
Sijn lieve Vrouwtje die besuurdent met de doot,
 
En desen fijnman quam in jammerlijcken noot.2816