|
|
|
| |
| |
| | | |
Het vijfde bedrijf, 't eerste uytkomen.
moy-aal, Angeniet.
Eerloosde stucke vleys! wel wat sal u ghebreken? 2403
Hoe langh suldy dus dwars en twyfelachtich spreken? 2404
2405
Wat gemoffel is dit? ghy staemert in u praat, 2405
Angniet spreeckt uyt u mont op datmen u verstaat. 2406
Ick wetet; 'k wetet niet, sach icker hem by legghen?
Ick was daar niet ontrent: wel wat is dit te seggen?
En sal ick dan niet eens de waerheyt recht verstaan? 2409
2410
Waarom is de Moris so steel-wijs duer gegaan? 2410
Hoe komt Katrijntjen doch so bitterlijck te trueren?
Wien heeft haar kostel kleedt so schendich durven schueren? 2412
Wat sal ick seggen? ick rampsalige! men seyt
De swarte die hier was, en was noch Vrouw noch meyt.
| | | |
2415
Wat drommel was sy dan? maakt my de saak eens vroeder. 2415
Ja Writsert Ritserts Broeder.
Het ghene dat ick weet, uyt wisse sekerheyt.
Maar Angenietje, secht hier eens tusschen ons beyden
2420
Waarom souw Writsert hem tot onsent dus doen leyden?
Ick weetet niet myn Vrouw, of mogelijck ten waar 2421
+Dat door haar schoonheyt hy verslingert was op haar.
| | | |
Helas ick sterf! ach ramp! myn siel sal noch verscheyen,
Ist seeckers als ghy segt, so mach sy doch wel schreyen.
2425
Ja daarom weentse, en siet, daarom kermtse vast. 2425
Ghy Meer! had ick u niet haar gaad' te slaan belast? 2426
Ghy bevaalt haar de Moorin. 2427
'kben oorsaack van dit dolen;
Want ick heb selfs de Kat de soete-melck bevolen.
Wat voor een mensch komt hier?
ay sus myn Vrouw, verwis 2429
2430
Wy zyn gebercht, hier is de valsche schijn-Mooris 2430
Siet aen myn slinckerhant: waer na staen wy en drieghen? 2431
Laet ons die stuckedrochs ghelyckerhant toevlieghen, 2432
En slaen hem so muruw en so plat als een Schol. 2433
| | | |
Wat kunnen wy hem doen? sottinne zydy dol?
2435
Dat hy maer eens begon, hy sou ons onder smijten. 2435
Ick sou hem krabben, en die diefsche keel af bijten, 2436
Dien eer-vergeten loer! 2437
Wat onbeschaamt ghesicht, hy is noch even stout. 2438
| |
Het tweede uytkomen, int vijfde deel.
writsart, Moy-aal, Angeniet.
Alsoo Reynier en ick te samen ginghen wand'ren 2439
2440
Na zynent, op dat ick van kleed'ren mocht verand'ren, 2440
So gaat hy eerst in huys, en liet my staan voor duer;
En juyst so 't wesen wouw, zyn Vader die was vuer 2442
Inde winckel, besich om de lieden te gerijven; 2443
En siet zyn Moeder stont en buurden met haar wijven, 2444
| | | |
2445
So dat ick onbesien daar niet wel kon ingaan:
Terwijl ick op de straat dus guwende bleef staan, 2446
So sach ick d'eene vrient, en d'andre van myn kennis
Verby myn snuyven heen, ick vreesde voor een schennis: 2448
Dies streefden ick myn best, al wat ick loopen mocht, 2449
2450
De flouweele Burghwal langs tot ginder ande bocht 2450
Na 't Water-poortje toe: doen achter byde vesten, 2451
Tot ande Bosjes-brugh, en hier en daar ten lesten, 2452
So dat ick moe en mat, en t'eynde van men aam 2453
Tot hier geloopen ben, vermits dat ick myn schaam
2455
Dat my of Man oft Vrouw mocht komen dus te kennen, 2455
Het welck myn achtbaarheyt niet luttel soude schennen.
Maar hola! wie zyn dit? 't is Moyaal met haar meyt;
Wat sal ick doen? de Hane-voet is myn ghebreyt. 2458
Wat pas ick oock op haar? ick kan my wel verweeren. 2459
2460
Komt gae wy na hem toe: goeden dach vrouw met eeren. 2460
Syt ghy het dienst-wijf niet, die eer datmen u joegh
| | | |
Wel is dat nu ghenoech? 2462
Och neent lieve Jofvrouw, wilt ghy myn dit vergheven,
Ick salt warachtelijck niet meer doen van myn leven:
2465
Vildtme doen ick het weer. 2465
Hoe quaam 't dat ghy wech liep?
Hieldt ick u al te ruym, of te kort onder swiep? 2466
maar ic vloot haastelicken 2467
Uyt vrees om dat ick docht, dat sy myn souw verklicken.
| | | |
Ick weet niet, niet en myt. 2469
2470
Is dat dan niet met al, ghy schender als ghy zyt! 2470
Ghy bedriegher, ghy fiel, is dat maar een kleynicheyt?
Datmen een goet mans kint ontset van haer reynicheyt? 2472
En dat noch met ghewelt, foey! wat een gruw'lijck stick. 2473
Ick meenden dat sy was een Meyt ghelijck als ick.
2475
Een meyt ghelijck als ghy! o doot! wat houdt myn achter? 2475
Dat ick u niet en vat in't hayr? ghy vrouwe-krachter!
Ghy schellem! ghy eer-dief! ghy boos-wicht in u huyt! 2477
Ay siet; de guytery siet hem ten ooghen uyt.
Ja wel dese schavuyt komt hier noch met ons gecken:
2480
Mocht ick begaan ick souw de ooren hem of trecken.
Hoe ist hier, sydy mal? gaat wech stracx an een sy. 2481
| | | |
Om die galligert niet; ick ben so goet als hy, 2482
En vry wat beter oock als hy of syns gelijcken,
Krijgh ick u op den Dam, ick salje so uytstrycken; 2484
2485
Dattet u huegen sal, hóór ghy dat wel rabbauwt?
Gaat heen en doet u werck, hoe leyt dit wicht en snaeuwt? 2486
't Is langh genoech getwist, Angnietje laat dat dryven, 2487
En staat wat achter of, laat my met hem hier blijven. 2488
Voorwaar Writsert ghy hebt hier angerecht een daat 2489
2490
Die oevel souw vergaan wistet de Magistraat: 2490
Een dingen sekers die u aansien sal vermind'ren, 2491
Dat ghy te schande brenght de goede lien haar kind'ren: 2492
Want dese schendery, en boose Vrouwe-kracht,
Sal seer ontsuyveren de eer van u gheslacht; 2494
2495
Met lachter en met smaat: oock sullen alle Vromen 2495
U schuwen als de pest, en nimmer met u komen
In handelingh te treen: waarlijck het is een dingh 2497
Dat gants niet voeghlijck is voor sulcken Jongelingh,
Ghelijck ghy wesen wilt: ghy hebt my so warachtich,
2500
Als ick hier levend sta gemaackt so twijffelachtich, 2500
Dat ick noch sin, noch wit, noch reden heb, noch raat 2501
| | | |
Om te besluyten tot verschooningh van dit quaat.
Kan de besinningh so schoon van een Mensch vervremen? 2503
'k Weet inder waarheyt niet wat dat ick voor sal nemen, 2504
2505
Myn sinnen zynt niet eens, maar kib'len met melkaar, 2505
Den een die wil het een, den ander wil het aer
Ten opsicht vande Maacht, die ick voor dese mienden, 2507
Eer sy was geschoffiert te brengen an haar vrienden, 2508
+Om my te vord'ren met dit kost'lijck present, 2509
2510
In haar geduurige jonst en vrientschap sonder ent; 2510
Myn opset en myn hoop die zijn my nu ontschoten,
Mits ghy uyt snoode lust haar Maachdom hebt ghenoten. 2512
Maar ick verhoope nu, en 'tvalt my schierlijck inne, 2513
Dat tusschen u en my met onverwachte minne,
2515
De hartjes onderlingh sal worden t'saam genaeyt 2515
Met ontarnbare trouw, en goe genegentheyt. 2516
Het villicht dat dit stuck en lelijckheyt der saken, 2517
Een gront-vest, en een boom van sulcken jonst sal maken 2518
Als oyt beschreven is: 't is mooghlijck oock voorsien 2519
2520
Dat door dit quaet begin een grooter goedt sal schien. 2520
| | | |
Ghewis ick houwter voor, en wil oock vruntschap houwen. 2521
Doch siet, dit bid ick u, dat ghy maar wilt vertrouwen,
Dat 't gheen hier is ghebuert uyt quaat-doens luste niet:
Maar door myn sinlijckheyt, en liefden is gheschiet;
2525
Mits d'onbedachte jueght en rypheyt my andreven. 2525
Voorseker ick gelooft, dus wertet u vergeven
Met een goetwillich hart, en neemt oock an in't soet, 2527
'k Ben so onmenschlijck wreet noch hart niet van gemoet,
(O Writsart!) noch so slecht oft weynich niet ervaren, 2529
2530
Of 'k weet wel wat voor kracht de stercke Min kan baren.
Veel-waarde brave Vrouw ick sweert u op een nie, 2531
Hoe ick u meerder hoor, hoe ick u liever sie.
Myn Vrouwe siet voor u, en wilt hem niet gelooven; 2533
Hy heeft u lief, waarom? maar om u eer te rooven,
| | | |
2535
Gelijck hy Trijntje deed: ay spiegelt u an huer:
Siet ick waarschuwje noch.
Nu snaversnel gaat duer. 2536
Al hadt ick om te doen gelegentheyt verwurven,
En wouw ick willen schoon, ick soudt niet dencken durven. 2538
Swijght stille mach het zyn.
2540
Met alle nedricheyt so onderwerp ick myn
In u beschermingh, en hoop u te beroeren
Tot medelyden, om myn saack so uyt te voeren,
Dat ick Katrijntje krijgh tot myn wettighe Vrouw,
En weygert ghy myn dit so sterf ick van rouw.
2545
Gaat met u Ouders dat eerst wijslijck overlegghen.
Myn Vader salder niets met allen teghen segghen, 2546
Alst maar een Dochter is van eerelijck gheslacht, 2547
En deuchd'lijck van ghemoet.
| | | |
Ghy sultet hooren van g'loofwaardighe getuyghen;
2550
Haar Broeder haalt de Min, wiens Melck sy plach te suyghen
Doen sy een kindtjen was: dees sal u doen bescheyt 2551
Van d'ouwders en van haar, met al d'omstandicheyt, 2552
En hoe sy zyn ghedaalt hier van de aldervroomste. 2553
Ach ja ick ben te vreen te wachten tot haar koomste.
2555
't Is wel so raatsaam dat wy t'samen binnen gaen
Om haar te wachten daar, als hier op straat te staen.
Myn harte ioockt my seer met yverich verlanghen. 2557
Jofvrouw wildy in huys dien schender noch ontfanghen?
Gelóóft myn, so ghy't doet ghy bent geck.
2560
Want hy sal u op nuw spelen een slimmer treck. 2560
| | | |
Swygt, het! dit klueter hier! 2561
't Schijnt dat ghy weynig kennis
Draagt van zyn boevery, en overgeven schennis. 2562
Ick sal geen quaet doen, lief!
Ick vertrouw u niets quant, 2563
Dan Molensteenen, en die naulyx op haer kant.
2565
Angniet bewaart myn selfs. 2565
Siet daar haar broeder komt, gaet ghy nu wat ter syen.
Ick ben verlegen, ach! ick bid u gaen wy in,
Ay Goude Moy-aaltje: want ick ben niet van sin, 2568
| | | |
Noch ick en sal althans in geener wys begeeren
2570
Dat hy myn op de straat sal sien in dese kleeren.
Wy zynder immers by: of hebdy noch wat schaamt?
Dat ist. ghy benter seker voor vernaamt, 2572
Hoe duechd'lyck is die knecht, en hoe vroom van gedachten,
Die hem niet en ontsiet een Dochter te verkrachten?
Angnietje toeft wat, beyt 2575
Op dat ghy Fredrick en de Minne binnen leyt.
| |
| | | |
Het vijfde deel, het darde bedrijf.*.
angeniet, Frederyck, Geertruy.
WAt inval quam sich strax verbeelden in myn sinnen
So ernstachtich? om een sulcken vondt te vinnen
Om van gelyck te doen dien overkomen guyt: 2577-2579
2580
Die ons so dapper heeft met list gestreken uyt, 2580
En brengt een Jongman hier, in schyn al van een Meysje.
k'Selt hem vergelden we'er krijgh ick hem maer een reysje.
Nu Besje spoetje wat, en treet wat harder an? 2583
Och, och myn lieve kynt! meen gy dat ick wel kan?
2585
Och vaar 'kheb sulcken dicken buyck, en de biennen 2585
Die binnen ouwt en of, sy willen my niet dienen. 2586
Och doe ick in myn tijt was, doe was icker sulcken ien; 2587
Ick was een Meyt, als een paert, ick kon ryen en omsien. 2588
Ick hadt hangden an men lyf, in ick konse uyt de mou steken,
2590
Maer nou ist niemendal. och de ouwerdom komt met alle gebreken,
Ick heb men tyt 'ehadt: nou ist ionge luyer buert, 2591
| | | |
Als iou en ious gelyck. ick sey vlus tuegen onse Guert: 2592
Och vaer rust wat; ick ben so loof, ick macher niemier tuegen. 2593
Besje u gedenckt al wat. 2594
Ja kynt men mach wel huegen
2595
Vande Beniste op-loop hier binnen Amsterdam, 2595
+Die alderierst met brangkt uyt de Souwt steech quam,
Door die met siep-gesmeerde krytende naackt-loopers. 2597
Dan seker daar binne nouw wel degelijcke luy onghder de Doopers: 2598
Maar Knipperdolling, en Jan van Leyen, dat waren twie schalcken, 2599
2600
De tyt die staat eschreven in de nuwe Kerck ande Hane-balcken,
En na datmen dunckt 't was in't jaer van vyfendartigen:
Haddent de wet niet voorsichtich stracx gaen behartigen 2602
't Souwt slecht ehad hebben: ja myn is vry al wat over 'thóóft eloopen, 2603
't Machmen wel 'ehuegen datmen twyntich ayeren plech te koopen 2604
2605
Om een stuyver, en een moye vuegel met een juecht om drie groot, 2605
En om een oortje atmen sen buyck vol melck en witte-broot, 2606
En men koft een hielle schoot nuwbacken Wormer Misschuytjes 2607
| | | |
Om ien blaeuwe ellif penningh, en men kreeg om negen duytjes 2608
Twie kopjes botter, heer kyns ick hebtje vaar so dick vertelt, 2609
2610
Ja komt nou en reys op de beschuyt-marct, men besteet een hangt vol gelt.
Ay Besje treet wat an, ick mach niet langer wachten. 2611
Gien ding mitter haast als vloon te vangen, al proper mit drachten 2612
Ick selmen best doen, heer je vaar was sucken Man,
So ongduechdelijcke goet, dat icketje niet seggen en kan. 2614
2615
Hy was niet hongts-gierich, noch niet verwaant, vermetel; 2615
Alle dommelicke sondachs so waren wy tot jouwent op de warme ketel. 2616
Noch; ick eet so garen ouwe kost, sprenck-vleys, met worst, en jues 2617
Mit Mostert: en een moye Appel-sop, o seecker, die smaackt oock niet bues, 2618
Ick mochtet so wel, en 'tis oock hiel goe provangde 2619
2620
Vuer myn, en myns gelijcke Ouwe luy songder tangde:
| | | |
Wat de Man was so voldoende, hy haddet altijdt so drock, 2621
Nou Giertje (seyd hy) drinckt en reys, dan krijghje weer wat sock, 2622
En dronck ick moye dubbelde Faaro, uyt Prochiaens vaatje, met de Mater en de Pater, 2623
Mar je Vaar was te overdaedighen genochelycken prater; 2624
2625
Hy vertrock ien hielle Story hoe dat hy iou Moertje het evryt, 2625
In hoe wildt dat hy plech te loopen ruysmuysen in sen tyt, 2626
Hoe dat hy onger sen twien, ien hielle rongde dangs, daer de Meysjes an vuersingen, 2627
Al de knechses wech ioeghen, in teghen 'er danck mit de Vrysters duer gingen. 2628
Dat mier is: Hoe dat hy Joris smeet dat hem het hóóft op een sy // hing, 2629
2630
In hoe hum de luy met vingeren na wesen, waer dat hy verby // ging,
En seyden: o sackerloosjes dat's de giest die sukken stouten hart // het 2631
Dat hy allien al de Haantjes, en Katjes vande stat wtte tart // het 2632
Mit duysent sucke sticken. In iou moer die was so rustich van gemoed 2633
Wanckt ast kermis was, dan koft sy ongs Schoon-hoofsche Koeck, en Poppe-goed: 2634
| | | |
2635
Ongse Niesje het noch so veel huys-raatje van stoeltjes en van banken,
Wat sal ick mier seggen: Ick heb jou Ouwers seer te bedancken.
+Asset sinter Klaes was, so setten myn suen tot jouwent de schoen,
Wat pleger jou moer Griet Jans, daar en hielle hoope goet in te doen 2638
Hielle peper-huysjes met suycker-erreten, met Kabbeljaus ooghen, en kappittel-stocken 2639
2640
Dat pleech onse Arent voor klock-spijs, met huydt en met hayr in te schocken, 2640
Noch kreeg hy een kolf van Klaasje Buytenaer songder quast, en songder schuer, 2641
Met een walbarcken warp-tol, met een staele pen, en een plaatje daer vuer, 2642
Mit een groot Embder, en een Euangely met een schrijf-boeck van fijn kapitoorye, 2643
Mit een nuwt school-bort, met een kategismus, en met de moye stoorien 2644
2645
Van Fortunates Buersje, van Blancefluer, van Amadis de Gauwelen, 2645
Wat onse jongen en kont niet uytstameren so vuel had hy te wauwelen 2646
An sen vygen, ansen nueten, ansen bockedeflensjes, en sulck gebras: 2647
Seker het kynt sager uyt so begrobbelt, dattet mier as wongder was. 2648
Wat stacker een gelt in d'Appelen? een plat-beck, een stooter, een ryer, 2649
| | | |
2650
Een klimmer, vyf staate stuyvers, dat stack hy in zyn spaer-pot as een vryer: 2650
In as het Kors-tijdt was, dan nooden hy ons op de witte-broots sop, 2651
Heer wat gooter jou Fytje Floris een pot met gulle botter op, 2652
In dan droncke wy de Betouw, en de wijn so lustich als water, 2653
En alle drie Koningen stuurde zy ons een moye Duevekater: 2654
2655
In jou vaar die was so milt en so ryaals, dat hy ons songer vragen 2655
Gaf een nieuwe-jaar, met een teerpenningh tueghen de Kopperdagen: 2656
Hy wist wat op de taerlingh liep, o myn! 't was sulcken geest, 2657
In oock so had hy wel een nachjen by de kalisen vrolijck eweest. 2658
Nou lestent sprack ick hier, hier Tuenis mit ien arm, de draagh // vis 2659
2660
Die seyde ooc datter sukken rustigen man noch niet inde hiele Haag // is, 2660
So wurp hy over de nagel: hoort iens Frerick ick moetet jou verslaan, 2661
De Man hetmen te ongduechdelijck vuel vrientschappen edaen, 2662
Ja al haddet myn eyge man eweest, hy mochtme niemier edaen // hebben,
Het was hum onpersybelijck dat hy onghetroost souw vanmen egaen // hebben, 2664
2665
Heer hy hadmen so lief: want ick was niet lelijck in myn jeught,
Ick was het moyste meysje inde buurt (seyden de luy) maar wat en vrueght
Hadde wy alle Vastellaevens tot jouwent, je backten wafel-koeken, 2667
| | | |
En as ick dan wat op ehaalt was met een mouwe-spelt, dan quam ickje besoecken 2668
Met jou suster, trouwen hoe liepen de kyeren daer heen en weer, 2669
2670
Hoe spuelde wy suycker-noompje, slabber op, slabber neer, 2670
Daer leyt een gouwe penning voorje neer, wy kneppelde de koeckjes, 2670-712671
Hoe ribsakten en hoe stoeyde wy mekaar inde schuyl-hoeckjes? 2672
Hoe moy kon ick singhen Aallemoer wat doeje ande schop? 2673
Hoe quam jouw Nooms Kyeren telcke staegh, en seyden al op! 2674
2675
Het was te dubbeld ondiefd, se verwongderden huer dieder by saten 2675
+Sy gavent de hongt, sy stoptent ewech, en vernielde mier asse aten. 2676
Ick heb tot jouwent wel wil ehad, jou huys was myn uythof: 2677
Heer het was so reyn; 'tis jammer, alle goe benieren raken of: 2678
As wy tot jouwent te gast waren, je vaar sneet gien stiefvaars sticken, 2679
2680
Seker hy slacht myn, ick houw niet vande kleyne slickermicken: 2680
Myn Maagh was altijts so graagh, ick voelden selde gronckt,
Of men Buyckje stonckt lustigh op de liest, ick mien moytjes ronckt, 2682
Ick weet niet dat ick myn leven soeter of geruster // at.
| | | |
Ick heb daar nu genoech of, praatme van myn Suster // wat. 2684
2685
Jou Suster Katrijntje die is over 'tvongkt gehouwen en ghedoopt 2685
Van onse Heer Bestoor, hoe hiet hy nu oock? zyn naam loopt 2686
Verby me monckt: dats alliens; s'is van aansicht wat schotich, 2687
En tusschen 'tblanck en 'tbruyn, maar s'is een weynich sprotich. 2688
Ick hebber so menichmaal ebakert, en traertje me espuelt by de kaars, 2689
2690
Wat ick macher mier as hongdertmaal esoent hebben voor haer naars. 2690
Sy het ien maeltjen in huer neck, daar is sy me ebooren, 2691
En sy het twie roo vlackjes an huer voorhooft, recht van vooren,
In huer kleyne slincker toontjes, die legghen op menkaar, 2693
Ick souwse wel kennen al wasset over honghdert jaar.
2695
Al watse seyt dats waar, ay Minnetje so gaat voort.
Wel Freed'rijck hebdy nu 't recht bescheyt ghehoort?
Kundy nu uyt 'thooft den twijffel al wat sluyten?
| | | |
Sy kentse, en sy noemt de Teyckens my van buyten.
Sekers dat doet my wel, ick ben ick weet niet hoe
2700
Want ick u Suster draagh een goet genoegen toe. 2700
Ay lieve gaat toch in, 'tis al een wijl geleden
Dat u myn Vrouw verwacht, gelieft u in te treden. 2702
Daer is de Vagebonckt, ay siet eens hoe hy treet, 2703
Hoe parmantich, hoe prat, of hy't selver wel weet 2704
2705
Hoe kost'lijck dat hy 't maackt? hebje van al u daghen 2705
Sulck dray-aarsen gesien? ick kant niet wel verdragen. 2706
Hoe fackseert hy die kraagh, hoe versolt hy die muts: 2707
O wat een speldekoker! gants oortjes datsen puts! 2708
Wel hoe dus wiltweyich? hy slingert met zyn Mantel 2709
2710
Of hy wilt was, ay siet, om Godswil wat ghetrantel? 2710
Weet hy wel wat hy wil? ja wel ick arme geck,
Wat laat ick my duncken? ick wet ick u een treck 2712
Sal spelen die hans hiet: wilt my maar eens slagen, 2713
Ick sal u bylo een vervaert aers-gat anjagen. 2714
2715
Ick gae na binnen toe alleenich tot dien endt,
Op dat ick seker weet of tMeysjen is bekent; 2716
| | | |
En dan sal ick daer nae in allerley mannieren
Om hem te strijcken uyt, een schalckheyt versieren. 2718
koenraat en Angeniet die luystert.
Ick mach eens gaen besien hoe 't Writsert gints al maackt. 2719
2720
+Gants lichters! is hy maer aen syn wil en wensch geraeckt, 2720
Wat dofjes, wat slempjes willender dan oplóópen 2721
Voor myn? 'kwedt daty hy mijn voorseker sal kóópen
Een nieuwe Mantel, of een kleet van 'tbeste stof.
Wat ketel-dicht, wat kreeft-dicht, wat eer, en wat lof 2724
2725
Salmen van myn dichten? hoe sal elck van mijn spreken!
Om dat'ck een loose hoer so fray heb uytgestreken: 2726
Want heb'cker niet ontmomt door mijn scharpsinnicheyt 2727
Dat meysjen daer hy so syn sin op hadt gheleyt?
Dat sonder sporrelingh van schande noch van schaden, 2729
2730
Alleen door het beleyt van mijn voorsichtich raden. 2730
En dan het ander noch! myn dunckt, ik sech u, dat
Ick hóór hier om oock loon te trecken van de Stadt.
Of men hóórt myn om 'thóóft te vlechten en te cieren
Met een schackeerde krans van róósen en lauwrieren, 2734
2735
Voornaamlyck om dat ick door myn versocht verstandt 2735
Gelegentheyt so goet, en sulcke middel vant:
| | | |
Dat dese Jongelingh mocht komen te bekennen, 2737
Van wat natuur en aart de lichte vrouwe bennen:
Op dat hy sich daer na mach wachten, en dat hy 2739
2740
Met wacker opmerck let op al haer boevery: 2740
Van boven zynse schoon, en 'tschijnt al vry wat jenters 2741
Alst inder waarheyt is, want onder zyn't maer slenters. 2742
Maer krygen sy wat gelts van haer pol, van haer lief, 2743
So tyen sy nae 'thuys hier van Gerrit den Dief, 2744
2745
En huuren daer een kleet, of lossent uyt de Lommert,
Of na de Schoyer, of daer 'tgoedtjen is bekommert, 2746
Hier by een Juffrouw Lors, of by een gier'ghe Vreck: 2747
Want selden zynse ryck, maer altyts vol gebreck:
Met dit geleende goet sy fijntjes haer op proncken.
2750
Komter dan een snoeppert die half is beschoncken,
Soo schrijftmen twee voor een, dan gaetet daer heel grof, 2751
Men licke-pot om strijt, het macher dan wel of. 2752
Dan ismen daer heel duyts, dan gaetet op een sluycken, 2753
Door huykevaaken snoodt met groote steene kruycken, 2754
2755
En leere vlesschen van sesthien mingelen Wijn, 2755
Van Wijn-kóópers die (god wouws) be-eedicht zyn, 2756
Die ick nochtans wel ken, maer ick selder niet noemen, 2757
Hoewel der tolle-dief hem sulcx durft beroemen. 2758
Daer komt dan een gerit allengsjes by in huys, 2759
| | | |
2760
Van roffyaans, van bloets, en ander licht gespuys, 2760
Van laag-lóópers, speel-luy, van hoeren en van snoeren, 2761
En sulck geselschap als die vuyle veren voeren. 2762
Wien dat daer meest verteert, die is daer best ghesien
So langh als 'tgeltje duurt; maer komtet te geschien
2765
Dat yemant sich begeeft by eener onder 'tlaken,
+Om (so gelijckmen seyt) wat meer kennis te maken;
En is de karel rijck, of is hy maer ghetrouwt,
De feeksche lóópen selfs en brengen 't ande schouwt. 2768
Kijck sulcken en noch meer van dierghelijcke dinghen,
2770
Die heeft hy moghen sien dat dag'lijx daer om ginghen, 2770
't Is wel een groot geluck voor dese Jongelingh,
Dat hy so buyten scha gesien heeft alle dingh:
Wat darter ommegaat int leven vande Snollen,
Die gulsich brassen als sy zyn by milde Pollen,
2775
Sy schossche, sy brosse, sy slempen, dempen vry, 2775
Sy slocken en slinden de soetste leckerny, 2776
En vliegen ongeschickt en hongerich an 't schocken, 2777
En duwen duer de keel wel sulcke groote broeken.
Maar als sy zyn alleen, so sit dit arme volck
2780
En braen een Raepje of een Uyen inde Kolck, 2780
Of eten knof-loock, daar sy lelijcken af stincken,
En lyen haer dan wel met scharrebier te drincken: 2782
Sy knab'len an een korst van oudt verschimmelt broot,
Of nemen de prol-pot met grutten op haer schoot; 2784
| | | |
2785
Haar leven is wel slecht al achtet mennich groot: 2785
Al waart al vol wellust te swaerder valt haer doot.
Is dit de jonckheyt niet een Salicheyt en duecht 2787
Dat sy die kennis so bekomen in haar juecht?
In haer bequaemste tijdt om goet en quaat te mercken,
2790
En schouwen vlytich door haar schandelijcke wercken; 2790
Die naderhandt met smaat, met armoet, en met pijn,
Beloonen al de gheen die daar met besich zyn.
| |
Het vijfde deel, het vijfde bedrijf.
Ja wel, durft die scherluyn so veel noch van ons spreken? 2793
Ick sal zyn raat en daat noch lustich an hem wreken;
2795
Want ick heb myn selfs een loose vondt verschaft, 2795
Waar door dat hy met recht van my sal zyn ghestraft.
O menschen datsen stuck! o jammer! och! o leyder! 2797
Och arme jonghelingh! o schelmsche verleyder!
Fy Koenraat, o ghy schalck! ghy hebt dien onbedocht, 2799
2800
Dien eenvoudighe knecht op een vleys-banck gebrocht. 2800
Och lieven heer! wats dit?
| | | |
Myn hart wil myn ontglijen, 2801
En 't smelt van droefheyt wech, helaas! van medelijen
Over die jonghman, die hem voor een meyt uytgaf; 2803
Want hy van stonden aan ontfanghen sal zyn straf. 2804
2805
Och ick mach'et niet sien, daerom ben ick gheloopen 2805
Wten huys: och! ick sach hem bijnden en knoopen, 2806
+Sy leyden hem ter banck volcomen uytghestreckt, 2807
En hebben hem een wijl ghepynicht en ghereckt.
Dat sy hem lubden, och! dat waar noch om te lyen, 2809
2810
Dat liet ick noch toestaan; maar sy wilt gnap afsnijen, 2810
Ghelijck de Turcken doen, ja al sturf hij daar van,
Een ander (seytse) sick mach spiegelen daar an. 2812
Ick heb gheen ander vrees als dats' hem sal vermoorden.
Ach wat bedruckt ghelaat! wat smartelijcke woorden?
2815
Wat jammerlijcken rouw, stort daar Angniet met smart?
Dat ick de oorsaak ben gevoel ick in myn hart.
Och ick ben een doot man: want dit doemt my te sterven, 2817
Of als een Ballingh-slandts voor Bedelaar te swerven. 2818
Daar komt of watter wil, ick moet haer spreken toe,
2820
Goeden dach Angnietje! wel Sustertje, wel hoe 2820
Klaagh jy dus truerelijck? secht my wat isser gaande?
Wat is u doch gheschiet? of wat hebdy uytstaande
| | | |
Met yemandt vande Stadt? secht my wien is de man 2823
Diemen so straffen sal, dat daar een ander an
Ghy zyt gheen antwoort waardich
Ghy goetdunckende geck! hoe koomdy so hovaardich, 2826
En so vermetel stout, dat ghy dit vraghen dart? 2827
En knaaght u niet de worm van wroeghingh in u hart? 2828
Vermits dat ghy hem hebt dien boosen raat gegeven,
2830
Waar door dien Jonghman heeft dit schellemstuck bedreven?
Die Jonghman die ghy ons dorst brenghen voor een wijf, 2831
Dien staat nu in gevaar, en prijckel van zijn lijf, 2832
Door u versieringh vals, en door u kunstich lieghen, 2833
Om ons door sulcken treck so leelijck te bedrieghen. 2834
2835
Wien sechdy, Writsert ha! wat heeft hy toch ghedaan? 2835
Wildy dat weten hoort, ick salt u doen verstaan:
Weet ghy wel dat die Maaght die Roemert ons vergunden 2837
Een Haaghsche dochter is van treffelijcke vrunden, 2838
En dat haar broeder is een Koopman seer gheacht?
| | | |
Seecker 'tis waar, die maacht heeft hy verkracht;
Na dat haar broeder heeft van dit gheweldt vernomen,
So is hy heel verstoort tot onsent inghekomen.
Wat heeft hy uytgherecht?
En vluegelden hem stijf, en maakte voorts een strop. 2844
Had myn Vrouw niet gebeden
Hy had hem strax de nues, en ooren afgesneden. 2846
| | | |
Nu willen sy den bloet 2847
So straffen alsmen hier de wilde Katers doet. 2848
Ick hebt niet moghen sien, daerom ben ickt ontspronghen. 2849
2850
Wel wien is doch so vroom, so stout, en onbedwonghen, 2850
Dat hy souw durven doen so grooten overdaat? 2851
Hoe noemdy dat so groot? 2852
So seker, ist niet? jaat:
+Wat man is so ghestraft die in vuyle Bordeelen
De Hoeren so een pots uyt lusten socht te spelen? 2854
Angnietje u Vrouw siet watse doet;
Want 't is myn Meesters soon, een Echt-kint van zyn bloet.
| | | |
Secht u Vrouw datse dat niet beginnen,
Wel hey! ben ick oock mal? dat kostje selfs na binnen. 2858
Maer Koenraat watje doet, siet watje onderwint, 2859
2860
U yver is te heet, te wulleps en te blint, 2860
En brengt u niet in last om ander lieden saken 2861
Die ghy doch moghelijck niet beter en sult maken.
En daar hy Writsert nu wat op zyn Jootsch besnijt, 2863
En kreech hy u misschien ghy raackten 't sootje quijt; 2864
2865
Want siet myn Jofvrouw denckt, en sal hem doen ghelooven
Dat ghy hem hebt gheraan de Maaght haar eer te rooven.
Wat staat my nu te doen? Wat raat gaat my nu an? 2867
Maar ginder, sien ick recht, so komt den ouden Man 2868
Myn Meester uyt zyn thuyn an 't Regliers hof gheleghen. 2869
2870
Sal ickt hem uyten? neen, 't is beter noch geswegen: 2870
| | | |
Ick wilt hem segghen, jaak; het schaat niet, och het leyt 2871
My op myn leen, dat my een straffe wort bereyt: 2871-72
Maar die ben ick ghemoet geduldich te verdragen, 2873
Als Writsert maar alleen mach werden slechts ontslaghen. 2874
2875
Doet wijslijck als een Man, ick gae na binnen, siet;
Vertreckt de goede man hoe 't alles is gheschiet. 2876
Angniet binnen.
lambert de Vader, met Koenraat.
Dit is een groote vruecht voor myn genegentheyt: 2877
Dat myn Bogaert so dicht by de Stadt gheleghen leydt: 2878
Verdrietet my in huys, ick wandel buyten stee,
2880
Na 't Regliers Hofjen toe, kyck dus van liever lee 2880
Op myn muyltjes, dus reyn, ick was flus om een kijckje 2881
Het voetwechje langes het platte Amsteldijckje, 2882
Wangt het was ande kanckt een stick-weegh oppebyt, 2883
Vannen diel ruyge maats, diet doen om huer profijt: 2884
2885
Maar ier dat ick een duyt an dat volckje souw gheven,
Ick quam niet op het ijs van al myn hielle leven,
| | | |
Wat haast het Lammert, ick geeffer niet en mijt, 2887
So ten iersten een duyt; tissen kostelijcken tijdt: 2888
Die wat spaart, die wat het: oock ben ick niet goet Emsters, 2889
2890
Wat was daer en gherit van Vlasters en van Kemsters, 2890
Van Vesjes volck en aars, die 'r ryen op de baan. 2891
De freyste Jongeluy die vynmen onger 't gaan, 2892
Of die doen as me nift, die ryt met huer spuel-nootjes, 2893
En vryertjes om veer, of after op de slootjes. 2894
2895
Wat was daar en gedoen, en geraas, en gescherm? 2895
+Myn ooghen schemerde, wat quam daer en geswerm
Van Jonges en van goet ontrent de Kooren-dragher? 2897
Hoe drock haddet Nies Kaecks, die bromde mit huer swagher? 2898
Hier hey! Harmen Hooch-hart, die so weyts rijt en snort, 2899
2900
Die haeckten in huer schaets, so dat de goet-hart stort, 2900
En vil een harde smack, o dat ick my niet doot // lach; 2901
Wangt sy vil op haer nues, so datmer Aal-korf bloot // sach 2902
Daer quam Jueriaen mit sen siecke lijf op het ijs,
Die arme breke-bien, die reet met Lange Lijs,
2905
Sy ree harder dan hy, hy liet hum moytjes slepen, 2905
En schranckelde so voort: och! hy hadt sulcke grepen! 2906
| | | |
Hy hompelden, hy sprongh, en maakten niet vuel vaarts, 2907
De luy sagen een jeucht in Juere Jannen naarts, 2908
So genoechelijck gingh die, as hy hum liet glissen // trouwen, 2909
2910
Het volck stondt en lachten datse huer bepissen // wouwen. 2910
Daar hadje styve Dirck mit zyn nieuw-backe-wijf; 2911
Hoe bevroren gaat hy? zyn hooft staet hem soo stijf,
Oft op een staack stongh, in hy het ien paer biennen, 2913
Tros yemets in het langkt, hier Lobbrich plech te mienen 2914
2915
Dat hy 't puyck was vande stadt: mar noch onse Machtelt, 2915
Die hetse hum emaackt vannen stick vannen swachtelt,
Haddet sen lieve moer hum niet hart of eraan, 2917
Hy souwje alle daaghs mit vier paar kouse gaan, 2918
Tis sulcken soete vaar, hy kan hum so dicht pongsen, 2919
2920
In hy ruyckt assen kruyt, ick mien gelijck een Bonghsen. 2920
Dat hy hum warmpjes houwt, dat prijs ick hem met reen,
Sey Jan Kackmack'lijck, warmt maackt gheen lamme leen. 2922
Hoe kostelijck, hoe druets reet Melis mit sen vrijster, 2923
Al ist een bolle-meyt, 't is al een fraeye rijster, 2924
2925
Sy streeftje assen vos: 'tis jammer dat blaeuw Aecht, 2925
So vreeslijck vande kouw is alle Jaers gheplaeght,
Helften tijdt kalftse an haer hangden en huer wanghen, 2927
| | | |
Tis vreemt dat an huer nues, geen groote spijckers hanghen 2928
So kouwt vorstich isse, quam s'op de turfmarckt gaen: 2929
2930
De turf souw vuerseeker de helft wel opslaan.
Get hoe pronckte droncke Keesje vande Slochter: 2931
Mit zyn moye tuyt-meyt, hier ouwe Japen Dochter, 2932
En Mieuwes mal-monckt, die reet met sen jonghste snaar, 2933
Morsighe Mary Slomps reet mit huer Bestevaar. 2934
2935
Maar Jan doeter niet toe, die schoof in een schuyf-sleetje, 2935
Syn Beste-moer, sen wijf, sen Ky'ren, en sen Peetje. 2936
Hy stack zyn after-eynt uyt, of hy borghen wouw. 2937
In anmen rechterhangt daer kreegh een goet-mans Vrouw 2938
Een kolf-bal voor huer hooft, van een deel groote scholvers; 2939
2940
Tis een vreemt dingh, dat van duese weytsche kolvers 2940
Die dus int wilt toeslaan, geen ong'lucken geschien;
+Hadt ick maar iens de macht ick souwt'er wel verbien, 2942
Of ick souw'er een plaats uyt alle menschen wijsen: 2943
Ick selt van mijn leven mijn ky'ren niet anprijsen.
2945
Hoe reden de boeren sleen so hier, so daer om var: 2945
Hoe liep onse Amsterdamsche Adel daer met de nar? 2946
| | | |
En by de Diemer-meer daer reden ien'ghe paertjes, 2947
Mit noch ien hiele streeck van ouwe drooghe vaartjes 2948
Al after anmenkaer, die ryen dattet giert, 2949
2950
Sy hebben duese kunst de gangsen off eliert. 2950
Hier vercoftese lindt datmen tot schaetsen bruycken.
Daer sat Aaltje Krimp-kous mit mantels, en met huycken. 2952
As ick dit lieve spul lang 'enoch had 'esien
So kierden ick weerom, en ick gingh doe mit ien
2955
Iens loefs voort in myn thuyn, ick sach iens na de bloemen, 2955
Of na de bolletjes (om eygentlijck te noemen) 2956
Of sy oock vrosen uyt, en waren sy al dóót, 2957
Ick kooper weer genoech voor een blanck, of driegróót: 2958
Ick ben so mal niet as de luy, die vuer wat Tulpen,
2960
Vuer Keysers króónen, vuer Hoorentjes, en vuer Schulpen, 2960
En sulck luermarcktery dat nieuwers toe en dient 2961
Vuel gelts sel geven; noch ick sel vuer gien Kistient 2962
Gien hongdert ponckt besteen. En 'kmachse so wel draghen 2963
As yemant vande best, en wie souw ick het vraghen? 2964
2965
Ik heb een plat-beck, en een moye gouwe hoep, 2965
Al om de minste kosten, of ick't niet luydt roep. 2966
| | | |
Ick houw hennen, noch duyven, noch katjes, noch honckjes,
Noch knijnen, noch vueghels, 'kheb gien sin in die stronckjes, 2968
'Thet niet een beet om 'tlijf datmen 'tgelt so verquist, 2969
2970
Ick legh het liever op, en stapelt in myn kist, 2970
Elck leyt moy op syn ste in sackjes ofgesongdert, 2971
Ick doet niet minder uyt als dartich op het hongdert, 2972
Diet so hooch niet en wil, die machet laten staen.
Wat ick heb met mijn gelt vuel mier profijt gedaen, 2974
2975
En kan't oock noch wel doen, als ick't mar wil anlegghen
Hier met sommighe Re'ers: maer men moetet niet seggen.
Wy stuuren altemets een twee drie schepen uyt, 2977
Vol botter, kaes, en bróót, oock ketings, koegels, kruyt,
Dwelck wy verruylen an veel kostelycke waren
2980
Vande Duynkerckers, of die op die neringh varen: 2980
Dat goedtje dat wort hier bequamelijck versackt, 2981
Verbaalt, verkist, vertont, vermerrickt en verpackt, 2982
Van mannen die haer daer seer aardich me geneeren: 2983
So krijghtmen tien voor ien. Zijn dat gheen luy met eeren? 2984
2985
Of wil'ckme geltje niet dus wagen over zee,
Ick kant wel sonder vrees uytsetten hier in stee, 2986
En dat op gróóte winst: doch ick selt niet vertellen,
+Daer zyn in Amsterdam seer geestige gesellen, 2988
Die kop're Kandelaars, Brant-ysers schóón en gróót 2989
| | | |
2990
Van buyten (maer int lijf en is het niet dan lóót)
Met een behende slach seer kunstelycke gieten, 2991
Dies moet het overschot van waarden overschieten. 2992
Wel is dat Koenraet niet die daer van verre staet?
Ick moet eens by hem gaen, en sien hoet hem al gaat.
2995
Wel wien praat daar van my? Meester! die ic met hart en mont // bie
Goeden dach, ick ben blydt dat ick u so ghesont // sie.
Wel wie verwacht ghy hier? 2997
o help! myn tongh die vouwt,
Ick kan niet spreken, ach! myn hart dat wortmen kouwt. 2998
O ho, hoe dus verbaast, en dus ontstelt so schichtich, 2999
3000
Wel sechtmen, is de saack so oevel en so wichtich? 3000
| | | |
Voor eerst bidt ick myn Heer, en denckt in't minste niet
Dat dese dinghen zyn door myn besteck gheschiet: 3002
Gelóóft myn, ick en heb geen raat daer toe ghegheven,
Ick heb geen schult, ick sweert.
3005
Waerachtich 'khaddet eerst met voordacht en met list 3005
Voorsichtelyck bedocht; maer nu ist myn gemist. 3006
Hoort hier, myn Meester, hoort, wat batet doch geswegen?
Ons Ritsert heeft nu korts een swart Moortjen 'ekreghen 3008
Van syn Schipper, die 'them in Spaenjen heeft gekocht,
3010
Dit schonck hy aen syn Boel, dewijl dat sy't versocht. 3010
Maar aan Moyaaltje, die hy mint als syn harte. 3011
| | | |
Maar wat gaf hy doch wel voor dese lieve swarte?
Maer duysent guldens eens. 3013
och wat een swaricheyt 3012
en Writsert heeft syn sin oock geleyt, 3014
3015
Op eener die de Luyt en and're Instrumenten 3015
Kan handelen wel braaf, ia uytten Orienten. 3016
Hoe! wat is hy verlieft? dit kan ick niet verstaan,
Weet hy dus vroech alreets by hoeren oock te gaen?
Hoe komt hy in de Stadt? ick had hem onder iennich 3019
3020
Aan bóórt gesonden 'tscheep. ach! gien quaet komt allienich!
Hoe sieje myn dus an? gelóóft myn vry myn Heer,
Ick hebt hem niet geraan.
| | | |
Houwt op, en spreeckt niet meer
Ghy galgert! soo'ckje noch iens. dan nou ick sal noch swijghen, 3023
Op dat ick meer bescheyt van dit stuck mach verkrijghen. 3024
3025
Och Meester hy, hy is wel stouwt en onbedocht 3025
In plaats van de Mooris tot Moy-aalen gebrocht. 3026
Voorts heeft hy vande Vrouwen 3027
Een jonghe Maacht verkracht.
Ick sterf by mynder trouwen!
Daer op is hy betrapt, gevangen en geknelt, 3029
3030
Nu willen sy an hem vergelden dat gewelt.
| | | |
Wel isser oock yets meer behalven dese dinghen?
Souwmen om sulcken luer die Jongman so bedwinghen? 3032
Waar na verwacht ick noch? waarom gae ick niet in, 3033
+Eer dat sy hem mis-doen in haren grammen sin. 3034
3035
Ick slae geen twijfel, of ick sel door dese saken
In een groot ongeluck en ongena gheraken.
De noot drongh myn daer toe, nochtans in dese tijt, 3037
So hoop ick dat wel haast sal Writsert zyn bevrijt. 3038
| |
Het vijfde deel, de seste hangdeling.*
angeniet geckt met Koenraat*.
Seker in langhen tijt was ick so niet verhuecht
3040
Als ick nu vlusjes was: want ick kreech sulcken vruecht, 3040
Wanneer den Oude Man sijn sone docht te vinden,
Om van syn banden hem sorchvuldich te ontbinden; 3042
Hy snoffelde vast om, door winckel en door kas, 3043
Maar wat hy socht en deedt, hy quam niet daer hy was.
3045
'tGemoedt was hem ontstelt uyt Vaderlyck melyen,
Hy stenden door ons huys, en keeck an alle zyen! 3046
De gramschap en de angst had hem te seer beroert,
Doch hy was door myn list bedrogen en vervoert. 3048
Ick lachten in myn vuyst dat ick hem so sach vresen.
| | | |
3050
Wel wat wil dit toch zyn? 3050
maer waer mach Koenraet wesen?
Ick sprack hem garen eens, ick wil na hem gaen streven. 3051
Wel wat schort jou Malloot? heb gy van al jou leven
Sulck lachen wel 'esien? wel ginnegabje noch?
Ick lachmen an men eynt, ick mach niet langer, och! 3054
3055
Ick lachmen noch wel doot, ick kan my gants niet stillen.
mar al om jouwent willen.
| | | |
Wat gy vraacht! 'kheb noyt gesien, noch 'ksach
Geen sotter mens als gy: och ick krijch sukken lach,
Ick kantje niet seggen, so lachen wy daer binnen
3060
Siet om u slechticheyt, en om myn kloecke sinnen. 3060
En so veel isser of, dat ick u int begin 3061
Als ick u eerstmael sach, oordeelde in myn sin
Voor een welsprekent man, en vol van schaleckheyden. 3063
ick heb gemist in dese twee voorseyden. 3064
3065
En rouwden u dan niet dien overgeven daadt, 3065
Die 'thans den Jong'ling heeft bedreven door u raadt? 3066
Most ghy daer boven noch syn arme oude Vader
Dees dingen altemael verklaren so te gader, 3068
Sonder bewimpeling van of te doen of toe? 3069
3070
Hoe meen gy dat de man hier over was te moe, 3070
Als hy syn soon daer sach gebruynt gelyck een swarte
In vrouwelyck gewaat? bedenckt eens in u harte
Dat ghy de oorsaeck zijt: so suldy wel bevroen,
Dat nu u Meester sal de kerfstock of doen. 3074
| | | |
3075
Wat segdy vuyle pry? pay gy myn met een loghen? 3075
En lach gy noch met ons, nu gy ons hebt bedrogen?
'Tschijnt dat die schelmery u wel verheucht en smaeckt,
Ick souwje wel goedt koop wat voorje lieghen // langhen, 3079
3080
Houwt den smoel toe, of jou backus sal vlieghen // vanghen. 3080
Duncket u goet Koenraat, so komt an en smijt // toe, 3081
Ick raetje haestje niet, maer neemter wat tijt // toe:
Gy souwtet seker so met dese saack // maken,
Dat gy wel licht'lyck mocht d'eerste op de Kaack // raken, 3084
3085
Of an een galch, of an een mick, of op een Rat, 3085
Daer an de Voolewijck, by't gerecht vande Stadt. 3086
Want gy hebt raadt en daadt en d'oorsake gegeven,
Dat desen Jongman heeft dees overdaadt bedreven. 3088
Waer door ghy sult daer na gestraft zyn en onteert, 3089
| | | |
3090
In voeghen, dat an u een ander daer an leert 3090
Te vlieden sulcken quaet van Jonge luy te verleyden.
voort sullen sy u beyden 3092
Wel lustich smeeren of: dit heb ick u bereydt 3093
Tot een erkentenis van onse danckbaerheydt,
3095
Overmits die Mooris die ghy ons hebt gaen schencken: 3095
Och 't is mijn hartich leet dat ick niet meer kan dencken. 3096
Adieu, ick gae, vaart wel.
als ick my wel versin, 3097
Niemant komt hier in last, hy brengt sijn selfs daer in. 3098
| |
Het vijfde bedrijf, de achtste hangdeling.
kackerlack, Roemert, Writsart, Ritsart, Koenraat.
MAer zyn wy hier ons lijf al seker by de Vrouwen? 3099
3100
Op welcken hoop, of raat, oft op wat woort van trouwen 3100
So gaen wy na Moyael, en geven ons dus bloot? 3101
| | | |
Ick ben van sin het hooft te leggen inde schoot,
En apoincteren op genaed', en onghenade, 3103
En rechten haer weer op de achterstal en schade, 3104
3105
Die door het lang belech myn Juffrou is geschiet,
En dat wy t'samen doen het geen sy ons gebiedt;
Indien sy ons de peys maer lijd'lijck wil verlienen. 3107
Dats u te veel verkleynt. 3108
sal ick dan minder dienen
Mijn Moyaeltje! mijn lief! mijn Princes van mijn sin! 3109
3110
Als Hercules dede der Lydier Koningin
Omphaele, dien den Heldt de spillen dwong te rapen, 3111
Die Rues noch Ridder kon bedwinghen met de wapen?
Dats een schoon exempel! en 'tstaet my seer wel an,
Dat ghy u reguleert na sulcken grooten man: 3114
3115
+Dats een bescheydenheyt! o myn met wat suffletten 3115
Sal hem Moy-Aeltje noch dat malle hooft versetten? 3116
| | | |
Siet die verwaande geck! och Heerschip gaat niet vóórt!
Siet hier! wat volck komt daar ginder uyt de póórt?
Wel wie ontmoet myn hier? ick sacher noyt den desen: 3119
3120
Hoe loopt dit volck so wilt? wel wat sal dit toch wesen?
Isser teghenwoordich wel gheluckigher Mens 3121
Opter aerden als ick, diet so gaat na syn wens?
't Schijnt dat de hooghe Godt des Hemels heeft besloten
Dat al des werelts vruecht tot mywaerts soude vloten. 3124
3125
Soo veel gelucx en goets plost plotslijck op myn neer, 3125
In so bequamen standt als ick van Godt begheer. 3126
Hoe is Writsert dus blijt? ick gae naer hem met schromen.
Koenraat myn goede vrient gy bent myn wel ghecomen;
Myn Vader! en vinder! beleyder van't beleydt, 3129
3130
En het voornaemste hooft van myn wellusticheyt! 3130
Daer leeft gheen gauwer man, geen kloecker noch versochter: 3131
| | | |
Weet gy wel dat myn lief Katrijntje is een Dochter
Van een goet Burgerman, van wylen uyten Haach? 3133
3135
En hebdy wel verstaen dat sy myn is ghegheven
Tot een Bruyt, tot een Vrou?
| | | |
En daar en boven noch myn meeste vrolijcheyt,
Is om myn broeders wil: die nu nae zyn begheeren,
3140
Met vryer harten by zyn boelschap mach verkeeren; 3140
Siet buyten alle vrees van nacht-wacht oft ghespuys: 3141
Want in het cort geseyt 't is ganslijck maar een huys, 3142
Het onse, en het haar; Moyaal heeft al haar dinghen 3143
Gants en al ghestelt in myn's Vaders bescherminghen.
3145
Want hy haar sonderlingh van harten heeft ghesint, 3145
Om die weldadicheyt die zy bewees an 't kindt, 3146
An myn Katrijntje lief: dit sal hy niet vergeten.
U broeder houwt Moy-aal dan voor zyn eyghen eten,
En voor zyn propre monckt? 3149
Wel souw hy niet Koenraat?
3150
Hoe vaert de ruyter dan, die muruwe soldaat? 3150
Och dat is al gedaan, die heeft al eenendartich. 3151
| | | |
Wel dat verhuecht myn seer, daarom so moet ick hartich
Eens lacchen dattet klinckt over die heele straat!
Ay Koenraat doet so wel, dat bid ick, datje gaat 3154
3155
En brenght myn waarde broer dees onverhoopte tijdingh
Van myn gheluck en 't zyn.
Ick sal stracx met verblijdingh 3156
U Broeder Ritsert oock gaan brenghen dese maar,
Adieu myn vrient vaart wel, die nu wist waar hy waar? 3158
Maar slaeg'er twyfel an, dat ick niet ben verschoven 3159
Wie sal ick meerder loven?
De ghene die myn gaf dese geswinde raat: 3161
| | | |
Oft myn selfs? die daar dorst bestaan alsulcken daat:
Of sal ick die fortuyn, voor't aldergrootste prijsen, 3163
Die my op eenen dach so veel goets gaet bewijsen?
3165
Want sy heeft dit bestiert, dat myn broeder so graach
De Moorin schencken souw an zyn Boeltje van daach: 3166
En dat my 't Meysje is gegeven te bewaeren, 3167
Als Moy-aal gingh te gast, ten Noen-mael; tot haeren
Pol, den Hopman Roemer, die de waerschap had bereydt: 3169
3170
En siet door haar vertreck kreegh ick gheleghentheyt
Om myn lust te voldoen: o wonderlijcke saken!
Dat daar myn Vader quam om't Houwelijck te maken.
Of sal ick achten meer de bly-geestige vruecht? 3173
Of myn bevallijckheen? of die beleefde duecht 3174
3175
Van myn Heer Vaders ziel: die sich heeft uyt gaen spreyden
Door al zyn leven heen met meer als menslijckheyden? 3176
Ick bidt u goede Godt, behoedt ons doch voor quaat,
En onderhout ons huys voortaen in goeden staat.
Wat onghelooflijckheyt van sonderling ghelocken 3179
3180
Hebdy, o Koenraat! my met groote vruecht vertrocken? 3180
Waar is myn Broeder doch?
Hier is hy voor dees tijdt. 3181
| | | |
Ach lieve waerde broer, ick ben van harten blijt.
Och dat geloof ick wel! u lief is waart te minne,
So veel heeft sy gedaan voor die van ons ghesinne, 3184
3185
Die sy met haer behulp doch eerlijck heeft gherieft. 3185
Prijs gyse myn noch an die op haer ben verlieft?
Och Kackerlack wat raat? nu gheef ick het verloren,
Nou heb ick doch geen kans so quaat staat dit gheschoren, 3188
Hoe'ck minder hoops heb laas! hoe ick haer meerder min; 3189
3190
Ick bid u Kackerlack, ay help my doch hier in,
Wel wat sou ick anrechten? 3191
Maakt hier een eyndt of, en gaatmen dit beslechten, 3192
Met bidden, met loven, want ghy bent wel ter tael:
En brenght my weder inde gracy van Moyaal.
| | | |
3195
Dats swaerlijck om te doen!
Wat dat u mach opkomen 3195
Daar wordy meester of: want kloeck en uytghenomen 3196
So leefdy met de tongh; en ken ick niet u gheest, 3197
Die so goet is en groot, dat daer een mens voor vreest?
So gy myn dit bestelt, so sal ick an u schencken 3199
3200
Wat ghy begheeren muecht: ja wat u lust te dencken,
Tot een vergheldingh, en voor u verdienden loon
Dat komt my seker schoon, 3202
So wil ick dan voor eerst tot uwent so vry wesen,
| | | |
3205
Dat ick wanneer ick wil mach komen onghenoot
An tafel, an de Spynt, en snijen kaas en broot: 3206
Of watmen anders lust. 3207
Ick bender met te vreden.
Ick sel myn naersticheyt in dese saack besteden.
Wel wie hoor ick hier? wel Roemer!
3210
Gy weet mogh'lijck niet, hoet hier staet.
Hoe koomdy dan so stouwt, dat ghy hier stal durft houwen? 3211
| | | |
Op u beleeftheyt siet so steld' ick myn vertrouwen. 3212
Vertrouwt die niet te veel, eer dat gy qualijck vaart. 3213
Barmhertighe Soldaat! gy wert hier strackx verclaart 3214
3215
Voor vyandt, en weet dat, 't eerst gy myn komt ontmoeten, 3215
Hier of op de Bre-straat, ick sal u onsaft groeten: 3216
Al maackten gy onschult van hier of daar te gaan, 3217
Ick selt niet hooren, maar 'k sel even dol toeslaan, 3218
Al souw'ck u arm of been, of't een, of't aer verminderen. 3219
3220
Salighe Man denckt om jou wijf en jou kinderen. 3220
En maackt jou so groot niet, nou saft, haastich is quaat: 3221
Siet datje toornicheyt niet voorje wijsheyt gaat.
Wasser met vechten yet te halen of te winnen,
Ghy soutet, lieve Man, nu al te laat beghinnen;
3225
Jan Rap ginger me duer ten past niet dat een knecht 3225
Met eeren, ghelijck ghy, hier teghen yemandt vecht.
| | | |
Ick sech niet meer, ick sal hem flux opt vleys touwen 3227
Blyft hy hier niet van daen, dan seecker, wil hy peys houwen, 3228
So raedt ick hem voor 't best dat hy haar selschap mijdt,
3230
Eer ick hem met een stock de kop anstucken smijt. 3230
Siet ick waarschuwje noch, denckt dattet u gheseyt // is. 3231
So ick hem weder vyn, 'k sal toonen dat myn leyt // is. 3232
Voor wrevel noch voor wreet heb ick u noyt ghekent: 3233
Ick denck ook niet dat gy so opgheblasen bent, 3234
3235
Of gy sult met ghedult u gramschap wel haast breken. 3235
Hoort myn een weynich spreken,
Daer na soot u behaacht muechdijt volbrenghen vry. 3237
| | | |
Nou Roemer gaet een weynich an d'een sy. 3238
Voor eerst so wouwd' ick wel dat ghy lie wout ghelooven, 3239
3240
Dat al wat dat ick wil in dese saack beslooven, 3240
Is niet om Roemers lust, maar om myn eyghen baat,
Doch so gy selfs bevindt, dat dese myne raat 3242
U noodich is en nut, en nieuwers in kan schaden; 3243
Het waar een slechtheyt dien moetwillich te versmaden. 3244
3245
Wats dat te segghen? he! 3245
Siet dits myn raat en sin,
Dat gy den Hopman sult voor Reeder ruymen in 3246
De minne van Moy-aal ghelijck u medestander. 3247
Voor Reeder ruymen in, en dat wy met malkander 3248
+Reen souden aen myn boel, ghelijckmen aen een schip
3250
Ghewoonlijck is te doen? 3250
| | | |
In dit stuk: Ritsert hoort! denckt eens hoe garen eetje
Van Marsepeyn of Taart, of so een lecker-beetje, 3252
Van rams-nieren, of van een Hane-kams-bestey, 3253
(Die geyle luyder kost is welich meer, als frey.) 3254
3255
Gy maackt gaeren goet cier in lustighe bancketten:
Maar 't quaatsten is, ghy hebt niet veel om by te setten, 3256
Door dien u Vader u so scharp houdt en so kort, 3257
Vermits u 't meestendeel wat ande besten schort. 3258
En dese die het munt, en hielle hoopen bricken, 3259
3260
Hy sal 't gheen u ghebreeckt in overvloedt beschicken! 3260
Hy gheeft de vrye slemp, hy dient u en Moy-aal, 3261
En myn oock, om dat ick myn wijnter kost daar haal. 3262
Laat huer de vryheyt toe om wat met hem te jocken, 3263
So sal sy hem met list een groote som doen docken,
3265
Op dat sy mach voorsien haar kelder weer met wijn,
De Botelrij van spijs, en watter meer mach zyn: 3266
Daar mach gheen milder man nu opter aerden leven, 3267
Als desen Hopman is, so ruym is hy int gheven:
Het is een botte bloet, wat batet toch verbloemt, 3269
3270
Een groote malle geck, die wonder hem beroemt 3270
| | | |
Van den Krijghshandelingh: o bloet 't is hem by vlaghen 3271
So uytermaten dapper inde mont eslaghen:
Hy kreegh nu lestent een beroeringh in zyn tongh, 3273
Dat in een uur of twee zyn beck niet stil en stongh;
3275
Hy verschoont out noch jong, noch armen noch rijcken,
En rabbelt sonder slot, hy mach inde kan niet kycken 3276
Of hy is droncken, en dan het hy loof noch lust, 3277
En slaapt voort nacht en dach, gy moocht wel zyn gherust,
So dat ghy niet en hoeft in ghener wijs te vresen,
3280
Dat Moyaal immer sal tot hem gheneghen wesen: 3280
Want hy is lam en loom, en heeft noch kracht, noch kuyt; 3281
't Is een voosen vueghel, een drooghert in zyn huyt 3282
En sulcken blooden guyl als ickje niet kan segghen: 3283
Hy sal gaan als gy wilt. 3284
Hoe sullen wijt anlegghen?
3285
Voorwaar, ick acht hem hooch: maar daar in aldermeest,
Datter hier ter werelt noyt sulcken Man is geweest,
| | | |
Die 't volck meerder jonst en vruntschap kan bewijsen, 3287
Met overdaat van dranck, en kostelijcke spijsen. 3288
't Sou meer als wonder zyn datmen alsulcken Man 3289
3290
Die so ruym-schotelt is niet souden haelen an: 3290
Voor myn, ick ben van sin dat wylie hem uytstrijcken, 3291
En ick oock van ghelijcken.
Dats wel, dat is seer goet, ick bidt u lien dat ghy
In u gheselschap voort oock wilt aennemen my; 3294
3295
+Want ick heb heen en weer ghetracht aan bey ezyen, 3295
Om te vereenighen dees twee harde partijen.
Siet daar, daar is myn hant dat ghy ontvanghen wert.
Van mynent weghen ook, siet daer; uyt een duyts hart. 3298
| | | |
Siet daar, ghy broeders bey, al kan ick niet beloonen
3300
De eer die u belieft an myn persoon te toonen,
So neemt van my in danck voor dees u groote duecht, 3301
Dese verwaande geck, opdat ghy met hem muecht 3302
U buyck vol lachen staegh.
Wel dat komt seecker aerdich. 3303
Wel Kackerlack dats schoon! hy is het doch wel waerdich.
3305
Hou Roemer tsa komt hier indient u wel ghevalt. 3305
Ick heb moytjes ekalt: 3306
Dit volckje konje niet, maar doen ick haar met reden,
U duechden, u daeden, u hoochdraghende zeden 3308
Ten vollen heb ghelooft, so hebben sy op trouw
3310
De Treves my vergunt so ickse hebben wouw. 3310
| | | |
Ghy hebt seer wel ghedaen: 'k weet niet oft om myn sinnen,
Oft om myn schoonheyt my het volck dus beminnen:
Want waer ick door de stadt en door de straete gae,
De Meysjes rysen op en kijcken myn vast nae, 3314
3315
En koom ick inde Kerck int midden vande preken, 3315
De wyven weten daer soo veel van my te spreken,
Wie dat ick heb gevryt, en wie ick niet en wil:
Tot dat Klaes klick seyde nou Labbekack sit stil. 3318
Had Jan Dircks sijn nift geen nieuwe rock gaen koopen, 3319
3320
Neel van Gods wegen souw voorseker my na loopen, 3320
En ouwe Joosten weeuw die loopt wel van myn vuer, 3321
Maer daerom streeck myn peet huer moer so lustich duer. 3322
Wat noch prijs ick Giertje, die pleech myn selfs te sabben, 3323
En om een haver stróó, eens in mijn hant te krabben, 3324
3325
Met sulck getuetel, nou alle ding dient niet eseyt, 3325
Men mach seggen watmen wil, 'tis een hecht vannen meyt, 3326
Ick konse met gewelt niet van mijn lijf houwen,
Roemer seydse lest, wil gy my vuer jouw wijf trouwen?
Neen, seyd ick, gy hebt een bueck, ick en slach: dat 'kje nam, 3329
3330
Het sou al sot en mal worden wat van ons beye quam.
Maar wat sey Dibbrich Klaes? quam my sucken quanckt//vryen, 3331
Ick souw warachtich met de knecht wt het langkt//tyen! 3332
| | | |
Al verwijt myn haer moer dat ick lest mijn scheen//stiet 3333
Tot Barbers, wat schaat dat? Ick wasset alleen//niet. 3334
3335
Hoe voer huer suster doch met Floris en met Flip, 3335
Al mienden sy al waers, en kreech sy oock geen slip? 3336
Dan dat is so voor als nae, ghy lieve Krijchs-luy. 3337
Wat had ick oock een spul met dicke Trijn en Truy,
Die alle bey gelijck, door 'thielle leger riepen,
3340
Dat sy geen deech hadden als sy niet by men sliepen, 3340
+Sulcken Man ben ick! daarom sey Langhe Fransen Vrouw,
Datser gelt, ja haar hemt met my verteeren wouw.
Gae ick eens in een kroech, daar ick wat meen te blyven,
Stracx werd ick daar ontboon by Weeuwen, en by Wijven: 3344
3345
Kijck sulcken gracy heb ick! 3345
Dat Roemer heeft een Amonysis welsprekentheyt? 3346
Volkomelijck en wel, ghy hebt gants niet vergheten. 3347
Ick noo u allemael morgen middach ten eten,
Tot Hopman Roemers, oft tot myn joffrou Moyaal: 3349
| | | |
3350
Gae gy lie binnen strack: gaet heen gy Koeter-wael, 3350
Wy sullen u u goet wel haest helpen verslempen, 3351
Als gy een kaal gat bent sal ick noch met u schempen. 3352
Nou hoort gy Heeren hoort! heeft u dit spul verhuecht? 3353
So klapt eens in u handt, en roept dan ja met vruecht:
3355
En leer gy lacchend' Duecht, so looft niet onsen Dichter:
Maar't Affricaensche hooft, der Roomscher spelen stichter. 3356
't Kan verkeeren.
| | | |
In D (Alle de Wercken, 1638) zijn na vs. 2750 de volgende verzen ingevoegd, terwijl vs. 2751-2768 zijn weggelaten:
2751
Die geven sy voor maecht: een of ghereden Meer 2751
Ghelijckt ghebeurde laest een seecker goede Heer,
Die sijn Huys-vroutje dwongh sijn kleeren uyt te sluyten; 2753
En nam een hoope gelts en gingher mee na buyten
2755
Daer yevers in een Kroech: daer hem de vrouw van 't huys 2755
Wel blydelijck ontfingh met al heur snoot gespuys,
Van laechloopers, speel-luy, van hoeren en van snoeren: 2757
En sulck gheselschap als dat vuyle leven voeren,
Daer klieden hem de man int effen fijn Fluweel 2759
2760
En bralden als een Prins voor Bruydgom in 't bordeel, 2760
Daer sat sijn Bruyd becranst met Speelnoots: an een deken, 2761
Van schoone wol en zijd wel nae de kunst besteken; 2762
De lieren de giegels, de clop-scheen, en de fluyt, 2763
En die heldere keeltgens die maeckten soet gheluyt,
2765
Men deuninckten: men sprong met vroolijck tureluuren. 2765
Wel immers: daer waren eenighe vande buuren 2766
+Die hebben dat sijn Vrouw uyt vrientschap angheseyt,
Die ginger moytjes heen des avonts met heur meyt,
En heeft selven door 't glas dit spulletjen ghekeecken,
2770
Hoe datse was te moe dat laet ick haer uytspreecken: 2770
Want siet sy viel in swijm ten hulp niet watmer dee, 2771
| | | |
En men bracht haer voor doot tot harent inde stee,
En hy was daer heel duyts: doe ginght daer op een sluycken: 2773
Mit hiele tonne biers: mit groote stiene kruycken,
2775
En leere vlessen van dartien mingelen wijn, 2775
Van de wijncoopers: die godwouts be-eedicht zijn, 2776
Die ick nochtans wel ken: maer ick selder niet noemen,
Hoe wel dit eerlijck volck haer sulcks noch beroemen. 2778
Flucks quamen daer by hem guyghelaers en Obly, 2779
2780
En aessacx speelders vol van alle schelmery, 2780
Die om een penningh haer schaemt stellen ter syen,
Met dese vrome luy sat hy in basterdyen, 2782
En verdeed al sijn gelt: want uyt een canne vocht
Hy noch met nauwer noot vijf roemers crijghen mocht: 2784
2785
Want onder inde Kan heb ick recht hooren segghen, 2785
Daer hadse een servet, of ander lywaet legghen,
Daer tapten sy dan op: en voort door al 't gheraes
En sach hy daer niet na: o 't was een nob'len baes.
Soo quamt dan dat de waert met syn parfuymde kolder 2789
2790
Een leer van onder schreef tot boven ande solder, 2790
Datmer na climmen most: de Speelnoot nammer Bruydt 2791
En dansten als een lanst Passemedia recht uyt, 2792
De trappen op Clementia: al was de Bruygom droncken, 2793
Hy heeft de Meysjes noch rustich schoegelt eschoncken, 2794
| | | |
2795
Ghelijck as dat een wijs is: voort brachtmen hem te bedt: 2795
Want hy lagh en sliep: en was soo slap as een slet, 2796
Men leydt hem sagjens neer wel soetgens in sijn nesjen,
En veur een jonghe Meyt kreegh hy een heel oudt besjen, 2798
Daer hy doen sonder caers sijn lust aen heeft versaet,
2800
De lieve langhe nacht tot aen den dageraet.
Des smorghens alsoo haest als sy maer sach haer open 2801
Dat hy vermoeyt wel sliep is sijt safjens ontslopen,
En 't Bruytjen quam daer weer al onthaeckt en ontdaen, 2803
Ghelijck of sy van hem was haestich op ghestaen,
2805
En sy vernestelt hem te deegh, doen voort an 't kitt'len, 2805
En gingh hem wel een bedt over 't slapen te kapitt'len, 2806
Doe quam van dat ghesnor een schalcke hoere dop, 2807
Die dese Bruygom bracht een moye basterdt sop, 2808
En hand water, en meer: doch al om wat te crijgen,
2810
Met refereyntjens die een goet man wel sal swijghen: 2810
Maer sulck volck ist een vreucht: dus bleef hy inde bocht 2811
+Tot hy bue en loof was: en langher niet en mocht: 2812
Doe wierdt hy juyst ghehaelt van yemant van sijn vrienden,
Hy gingh als vernaghelt, en was wel half sticksienden. 2814
2815
Sijn lieve Vrouwtje die besuurdent met de doot,
En desen fijnman quam in jammerlijcken noot. 2816
|
2403 A vette kapitaal E - 2411 BD Katrijntje
2403Eerloosde: eerloze, gewetenloze (zie voor dergelijke vormen Stoett, blz. 204); stucke vleys: schepsel (vgl. noot op vs. 1856); ghebreken: mankeren.
2404dwars: tegenstribbelend; twyfelachtich: weifelend.
2405gemoffel: gemompel; staemert: stamelt.
2406spreeckt uyt u mont: spreek ronduit, openhartig (WNT IX, kolom 1060).
2409niet eens: zelfs niet.
2410steel-wijs duer gegaan: heimelijk ervandoor gegaan.
2415maakt my vroeder: licht me in over (vgl. lat. certiorem facere en vs. 1970).
2421of mogelijck enz.: of het zou misschien moeten zijn dat.
2423 CD Helaes - 2428 B soete melck
2426Meer: wijf, eigenlijk: merrie, zie de noot bij vs. 1956; gaad' slaan: passen op.
2427bevaalt haar: vertrouwde aan haar toe; dit dolen: deze ‘misstap: overtreding, ongeoorloofde handeling’ (WNT III, tweede stuk, kolom 2767).
2429sus: sst; verwis: zeker.
2431en drieghen: te talmen.
2432de stuckedrochs: het stuk bedrieger.
2435 D ondersmijten. - 2436 A*BD afbyten - opschrift A Int 't D vijfde Bedrijf. - 2439 A Kleine sierletter A
2437loer: loeder, schelm; houwt: hou je kalm.
2439Alsoo: toen; wand'ren: lopen.
2440Na zynent: naar zijn huis.
2442so 't wesen wouw: zoals het toeval wilde.
2443gerijven: helpen, bedienen, te woord staan.
2444stont en buurden: stond een buurpraatje te houden; wijven: buurvrouwen(?).
2446 A*BCD op dees - 2447 A*BCD van zijn e.d. - 2460 D Kom CD gaen wy -
2448snuyven: zich snel voortbewegen (WNT XIV, kolom 2445-2446 sub 9); schennis: schandaal.
2449streefden: spoedde mij.
2450de flouweele Burghwal: de even zijde van de O.Z. - Voorburgwal.*
noot
aant.
2451't Water-poortje: ‘een kleine doorgang in den stadsmuur, in de kromming van den Zeedijk’ (Stoett 205); vesten: buurt nabij de stadswallen.
2452Bosjes-brugh: brug over de Kloveniersburgwal, waar nu de Hoogstraat is.
2458de Hane-voet is myn ghebreyt: het ergstes staat mij te wachten.*
noot
aant.
2460vrouw met eeren: fatsoenlijke mevrouw (ironisch).
2464 A*BCD sal 't - 2465 BC quam 't dat
2462ghenoech: alles (wat je te zeggen hebt).
2465doen ick het: als ik het doe.
2466Hieldt ... ruym: liet ik u te veel vrijheid; onder swiep: lett. onder de zweep, onder de duim.
2469niet en myt: geen zier.
2472een goet mans kint: meisje van goede familie; ontset van: berooft van.
2473stick: (wan)daad (in vs. 2517 stuck).
2475o doot: basterdvloek; (vgl. vs. 2399); houdt myn achter: belet mij.
2477boos-wicht in u huyt: doortrapte booswicht (vgl. Symen sonder soeticheydt vs. 165 en Lucelle vs. 414, aant.).
2486 D de wicht - 2489 CD aengerecht
2482galligert: galgenaas.
2484uytstrycken: onder handen nemen.
2486hoe leyt dit wicht en snaeuwt: wat ligt me zo'n schaap te snauwen (vgl. vs. 806, 810).
2488achter of: achteraf, op een afstand.
2489angerecht: uitgehaald, gepleegd.
2490oevel ... vergaan: slecht voor je zou aflopen.
2492goede lien: fatsoenlijke mensen.
2494ontsuyveren: bezoedelen.
2495lachter: schande; Vromen: fatsoenlijke mensen.
2497in handelingh treen: betrekkingen aanknopen ( handeling: omgang).
2500twijffelachtich: vertwijfeld (Stoett; misschien slechts: onzeker van mezelf?).
2501wit: verstand (Vgl. Oudemans, Taalk. Woordenb. (...) Hooft 446: De regeering scheen ... nocht zin noch wit te hebben, verklaard als ‘verbijsterd (te) zijn’. Oudemans, Woordenb. (...) Bredero blz. 488 citeert van Spiegel Hertsp. VI vs. 249: Ja, zin, wit, en verstand, de min kant al verquisten); raat: overleg.
2506 A aer; - 2509 D voord'ren CD kostelijck - 2513 A*BCD schielijck - 2514 A*BCD So(o) tusschen - 2515 A*BCD onderlingh te worden - 2517 CD vil licht
2503schoon: geheel en al; vervremen: vervreemden, scheiden.
2504voor sal nemen: zal beginnen.
2507mienden: van plan was.
2509vord'ren: vooruit brengen.
2510haar geduurige jonst: hun blijvende welgezindheid.
2512Mits: doordat (ook in vs. 2525).
2513schierlijck: plotseling.
2515sal: enkelv. voor meervoud, in de lijdende zin.
2516ontarnbaar: onverbrekelijk (lett.: niet los te tornen).
2517villicht: = viel licht, het zou licht gebeuren (zie WNT XVIII, kolom 1141); lelijckheyt der saken: ongunstige toestand.
2518boom: bodem, grondslag; sulcken: zulk een; jonst: genegenheid, vriendschap.
2519voorzien: voorbeschikt.
2526 D gheloof, - 2528 D onmenschelijck A gemoet.
2521ick houwter voor: ik acht het mogelijk.
2525Mits: doordat; rypheyt: manlijkheid (of: geschikte gelegenheid?).
2527neemt: ik neem het; in 't soet nemen: goed opnemen.
2533siet voor u: wees voorzichtig.
2540 D nedericheyt - 2544 A*BCD sterve
2536snaversnel: kletskous (uit: snavelsnel); gaat duer: maak dat je weg komt.
2538wouw ick willen schoon: ook al zou ik het begeren.
2547eerelijck gheslacht: fatsoenlijke familie.
2551Doen: toen; doen bescheyt: inlichtingen geven.
2552met al d'omstandicheyt: met alle bijzonderheden.
2553sy zyn ghedaalt: zij afstammen; aldervroomste: meest geachten.
2557ioockt: jeukt, verlangt.
2560spelen een slimmer treck: een erger poets bakken.
2563 AB niets quant - 2565 D Angnietje
2561het: God (zie de aant. bij vs. 816); dit klueter hier: hoor me dat schaap!
2562overgeven: schandelijk (eig. prijsgegeven, losgelaten).
2563vertrouw: vertrouw toe; (Zie voor de uitdrukking Stoett, blz. 207); quant: kwant, kerel.
2565bewaart myn: pas op mij.
2569 B gheenerwijs - 2573 A*BCD deughdelijck e.d. - 2576 CD Frederijck
2572vernaamt: bekend, ironisch: daar ben je nogal bekend om.
*Bedrijf: hier heeft deze term blijkbaar de betekenis van scène, toneel; bij vs. 2403 betekende hij: bedrijf, akte
toneelaanwijzing CD Angeniet, A*BCD Geertruyt
2577 A kleine sierletter W - 2582 A*CD 'kSel't - 2587 AA*ickir - 2589 CD en ick - 2591 A hebmen A*CD heb mijn
2577-2579Wat inval ... te doen: (Onduidelijke vertaling van Bourlier 98 r o: ‘Que, que pourroit-il venir maintenant en l'entendement! Quoy à bon escient! au moyen de quoy ie rende la pareille à ce sacrilege-là’, misschien is ongeveer bedoeld: Wat voor idee zou zich nu dadelijk in mijn geest vormen, weldoordacht, om een zodanig plan te vinden dat ik die doortrapte schurk met gelijke munt kan betalen.)
2580gestreken uyt: te pakken genomen.
2583Besje: lett. grootmoedertje (bestemoertje).
2587doe: toen; in myn tijt: in mijn goede tijd; sulcken ien: zo eentje, zo'n beste.
2588ick kon ryen en omsien: ik was van alle markten thuis.
2591ionge luyer: van jonge mensen (lett. jongelui hun).
2592 A Guert. - 2594 A*BC niemer D niemeer - 2596 B Soutsteegh CD Souwt-steegh - 2603 D vry ontbr. - 2604 A*BCD pleecht - 2607 D nuwebacken
2592vlus: zojuist. (Ze maakt de zin niet af, vs. 2593 is gericht tot Frederyck.)
2593loof: moe; macher: kan er.
2594gedenckt: heugt; men: mij; wel: goed.
2595Beniste op-loop: het oproer van de Wederdopers in 1535.*
noot
aant.
2602de wet: de overheid; voorsichtich: met vooruitziende blik; stracx: dadelijk.
2603't Souwt slecht ehad hebben: 't zou er lelijk uitgezien hebben; over 'thóóft eloopen: overkómen.
2604't Machmen wel'eheugen: ik kan mij goed herinneren; plech: placht.
2605met een juecht: met plezier, gemakkelijk?*
noot
aant.; om drie groot: voor drie halve stuivers.
2606oortje: 2 duiten, ¼ stuiver.
2607koft: kocht; een hielle schoot: een heel voorschoot vol; Wormer Misschuytjes: beschuitjes uit Wormerveer.*
noot
aant.
2608 B ellif-penningh, - 2610 A*BCD nu een reys - 2613 CD sulcken - 2620 B Ouweluy
2608blaeuwe: nietswaardige (versta: niet meer dan ...); ien ellif penningh: munt van Philips de Schone uit 1488, later 5 ½ duit of elf penningen waard, waarvan hij de naam bleef houden.
2609kopjes botter: houten botervormpjes van ½ of ¼ kg; kyns: kind (zie Verdenius, Stud. over zev. eeuws, blz. 131-135).
2612Gien ding enz.: spreekwoord uit de 16e eeuw; al proper mit drachten: netjes, kalmpjes aan (dracht = kleine hoeveelheid).
2614ongduechdelijck: eig. onbehoorlijk, vandaar buitengewoon, als versterkend bijw. gebruikt, evenals euvel, onaartig, ondieft.
2615hongts-gierich: gierig als een hond; vermetel: aanmatigend.
2616Alle dommelicke sondachs: geregeld alle zondagen*
noot
aant.; op de warme ketel: voor het warme middagmaal.
2617Noch; ick eet so garen ouwe kost: ik houd toch zoveel van ouderwetse kost; sprenck-vleys: pekelvlees; jues: jus.
2618Appel-sop: appelen, gebraden met in karnemelk geweekt brood; bues: slecht.
2619provangde: proviand, kost.
2622 A*B Grietje - 2623 CD En ick dronck - 2624 A*BCD g(h)enoechlijcken - 2625 A*BCD Moertjen e.d. - 2626 D pleech - 2627 B Meysjens
2621Wat: wel, nee maar; voldoende: voorkomend; ook: gulhartig ( Rodd.ende Alph. blz. 95, vs. 245).
2623dubbelde Faaro: een soort sterk bier (vgl. A.C. Crena de Iongh, G.C. van Santen's Lichte Wigger en Snappende Siitgen, blz. 166); Prochiaens vaatje: paters vaatje: een best bier, zoals de parochiepastoor dronk; met de Mater en de Pater: met de heer en vrouw des huizes (vgl. Lucelle, blz. 92).
2624overdaedighen: bovenmate, buitengewoon.
2626plech: placht; ruysmuysen: roezemoezen, van vrijers gezegd.
2627onger sen twien: met zijn beiden; hy onger sen twien ... ioeghen: constructio ad sententiam: hij, met z'n tweeën.
2628knechses: jonge mannen; in: en; teghen 'er danck: of de meisjes (Vrysters) wilden of niet (‘tegen de zin van de jongens’ is ook mogelijk); duer: ervandoor.*
noot
aant.
2631sackerloosjes: basterdvloek (zie blz. 383); giest: kerel.
2632Haantjes, en Katjes: vechtersbazen.
2633sticken: streken, daden; rustich: goed-geefs.
2634Schoon-hoofsche Koeck: een vermaarde specialiteit uit Schoonhoven, nog in de 18de eeuw (Stoett, blz. 212); Poppe-goed: speelgoed.
2637 D men seun - 2638 A*BCD hoop - 2644 D katigismus - 2648 CD wonder
2639Kabbeljaus ooghen: soort suikererwtjes; kappittel-stocken: eig. leeswijzers in de bijbel, als snoepgoed stokjes of amandelen met een suikerlaag bedekt.
2640in te schocken: naar binnen te schrokken.
2641kolf: kolfstok; Klaasje Buytenaer: blijkbaar de fabrikant.
2642walbarcken: uit hout van de ‘walberk’, blijkbaar een harde houtsoort*
noot
aant.; pen: punt, taats (het plaatje zat onderaan, ter bescherming van de tol).
2643groot Embder: een A-B-C-boek met de gebeden uit de te Embden gedrukte catechismus; Euangely: een soort kinderbijbel met gedeelten uit de evangeliën; kapitoorye: kaft; hier het sterke papier of perkament dat daarvoor gebruikt werd.
2644nuwt: nieuw; school-bort: houten draagkastje met schuifdeksel, voor schoolbehoeften; stoorien: histories, verhalen.
2646Wat: vgl. vs. 2621; kont niet uytstameren: kon er niet over uit (in W. Sewel, Volkomen woordenb. der Nederd. en Engelsche taalen: He was not able to speak it composedly); wauwelen: knabbelen, snoepen.
2647bockedeflensjes: flensjes van boekweitemeel; gebras: lekkers.
2649Appelen: sluitappels*
noot
aant.; plat-beck, gans of zwaan: Kleefse munt met een zwaan erop; stooter: munt van 2 ½ stuiver; ryer: zilveren munt met een ruiter erop.
2655 CD sonder - 2658 A*B nachtjen - 2660 D sulcken ACD is - 2661 CD Frederic - 2663 D niemeer - 2664 A* hun CD hem
2650klimmer: oorspr. Gelderse munt met klimmende leeuwen, ½ stuiver; vyf staate stuyvers: een stuk ter waarde van 5 stuiver, sedert 1603; daarvóór (1578) 4 stuiver; hy is hier weer de vaar van vs. 2613 vlg.; as een vryer: flinkweg (Stoett 303).
2651In: en; Kors-tijdt: kersttijd; witte-broots sop: broodpap van wit brood.
2652Fytje Floris: een dienstmeisje?*
noot
aant. ( jou: jullie, bezittel. vnw.); gulle: zuivere.
2653Betouw: wijn uit Poitou.
2654zy: je moeder (zie vs. 2648); duevekater: tarwe- of krentenbrood in de Kersttijd.*
noot
aant.
2655ryaals: royaal; songer: zonder.
2656nieuwe-jaar: nieuwjaarsfooi; teerpenningh: fooi; Kopperdagen: vrije dagen aansluitend aan Nieuwjaar.
2657wist wat op de taerlingh liep: eig. wist welke kansen de dobbelstenen boden; dus: wist wat er te koop was.
2658In: en; kalisen: doordraaiers.
2659hier (althans het tweede): je weet wel, hoe heet hij ook; draagh vis: visdrager (die de vis van de markt thuis bezorgt).
2661So wurp hy over de nagel: zo onbeperkt gul was hij (vgl. WNT IX, kolom 1492); verslaan: vertellen.
2662ongduechdelijck vuel: zie vs. 2614; vrientschappen: weldaden (eig.: vriendendiensten).
2664onpersybelijck: onmogelijk? (Stoett veronderstelt blz. 216 een verbastering van impossible); onghetroost: zonder sexueel bevredigd te zijn.
2667alle Vastellaevens: altijd met Vastenavond.
2670 AA*B slabber op, slapper neer, 2674 A*BCD quamen D telcken - 2675 A*CD verwongderen AA*B die her by - 2677 A jouweut - 2681 A sel de
2668op ehaalt met een mouwe-spelt: volgens Te Winkel: als mijn wijde mouwen met een speld opgehouden waren; blijkens WNT IX, kolom 1188: opgeknapt, mooi gemaakt.
2670suycker-noompje: blindemannetje.
2670-71slabber op, slabber neer, Daer leyt enz.: blijkbaar een liedje bij een niet nader bekend spel, misschien suycker-noompje?
noot
aant. (Een slabber zou een doek of lap kunnen zijn).
2671kneppelde: knuppelden. Men sloeg de koek, die in een ijzeren beugel hing, doormidden.
2672ribsakten en stoeyde: stoeiden en liefkoosden.
2673Aallemoer enz.: onbekend liedje.
2674quam: kwamen; Nooms Kyeren: neefjes en/of nichtjes; telcke staegh: telkens; en seyden al op: en zeiden: alles moet op.
2675te dubbeld ondiefd: buitengewoon aardig.
2676Sy: de oomskinderen; ewech: weg.
2677wil ehad: plezier gehad; uythof: pleziertuin.
2678reyn: heerlijk; benieren: gebruiken; raken of: raken eruit, gaan verloren.
2679sticken: sneden brood.
2680hy slacht myn: hij is net als ik; slickermicken: uit slikkeren (slikken) en mik: kleine lekkere beetjes.
2682Of ... liest: eer mijn buik strak, gespannen stond ( liest: leest).
2684 D ghenoch - 2688 ABC 'tblancken en D sproetigh. - 2693 - A*BCD men kaer, -
2684of: van (nl. gehoord, zie vs. 2594, waar hij deze herinneringen uitlokte).
2685'tvongkt: de doopvont.
2686Bestoor: pastoor; loopt verby me monckt: zweeft me op de tong.
2687dats alliens: dat is om het even; schotich: smal.
2689traertje me espuelt: ermee gespeeld, ‘wsch. onder het zingen, van trara’ (WNT XVII, eerste stuk, kolom 2141).
2690Wat: wel, nee maar; naars: achterste.
2693In: en; slincker toontjes: tenen van de linkervoet.
2709 A*B met Mantel CD met de mantel - 2713 A*BCD willet - 2714 A*BCD an jaghen
2700een goet genoegen: een goed hart.
2702gelieft: gelieve het, het believe.
2703de Vagebonckt: nl. Koenraat.
2705't maackt: het doet (nl. het ‘treden’).
2706dray-aarsen: met zijn achterste draaien.
2707fackseert: martelt (eig. vexeert); versolt: knoeit, kreukelt.
2708speldekoker: zakje buiten aan de broek voor de penis; hetzelfde als puts; gants oortjes: basterdvloek (voor: Gods woord??), zie blz. 383.
2710ghetrantel: gedrentel.
2712laat ick my duncken: verbeeld ik me.
2713die hans hiet: reuzengroot; wilt my maar eens slagen: als 't mij maar eens lukken wil.
2714iem. een vervaert aers-gat anjagen: iem. 'm laten knijpen.
2716bekent: herkend (of haar identiteit is vastgesteld).
2717 A*BCD manieren, - 2720 A*BCD aen wil - 2721 B op loopen - 2722 A*BCD voorseker wel sal - 2726 A om dat dat 'ck A*BCD Om dat ick
2718te strijcken uyt: beet te nemen; een schalckheyt versieren: een slimme streek bedenken.
2719Zonder nadere aanduiding begint hier het vierde toneel van het vijfde bedrijf.
2720Gants lichters: basterdvloek met onzekere betekenis.
2721dofjes: buitenkansjes; slempjes: tractaties; oplóópen: te wachten zijn.
2724ketel-dicht: juister ketendicht, waarbij het eind van een vers rijmt met het begin van het volgende
noot
aant.; kreeft-dicht: retrograde, gedicht dat ook van achteren naar voren gelezen een goede zin geeft.
2727ontmomt: ( mompen = bedriegen) listig ontfutseld.
2729Dat: en dat nog wel; sporrelingh: tegenstribbeling.
2730voorsichtich: slim, vooruitziend; raden: raadgeven.
2734schackeerde: geschakeerd, gemengd.
2741 A*C vry want
2751-2768 zijn in D vervangen door de tekst die hierachter op blz. 374-376 is afgedrukt. - 2752 A Met licke-pot - 2756 A*BC die noch (God wouws) - 2758 C durf
2739dat: (herhaling van) opdat.
2740opmerck: opmerkzaamheid.
2741vry wat jenters: iets heel wat fraaiers.
2742slenters: sloddervossen, morsebellen.
2743pol: minnaar (of: souteneur).
2744tyen sy: gaan zij; hier: je weet wel.
2746schoyer: iemand die iets levert, handelaar
noot
aant.; bekommert: bezwaard, verpand.
2747Juffrouw Lors: uitdraagster.
2751twee voor een schrijven: met dubbel krijt schrijven, dubbel rekenen.
2752licke-potten: zuipen; macher of: kan eraf.
2753duyts: vrolijk, ook: dronken; sluycken: binnensmokkelen (blijkbaar wordt gedoeld op zekere ontduiking van stedelijke accijnzen).
2754huykevaak: iem. die ze achter de mouw heeft, konkelaar, oplichter.
2755mingel: mengel, ± één liter.
2756god wouws: God betert.
2757selder niet: zal er geen.
2758der tolle-dief: de ontduiker van de tol; sulcx: op zo iets.
2760roffyaans: koppelaars, bordeelhouders; bloets: (arme) kerels, stumpers.
2761laag-loopers: muzikanten, die de herbergen aflopen; snoeren: lichtekooien.
2762als die vuyle veren voeren: als door zo'n uiterlijk als gemeen getekend zijn.
2768lóópen selfs en brengen 't: gaan het zelf aanbrengen.
2775Sy schossche, sy brosse, sy slempen: zij schrokken, zij brassen; dempen: schransen; vry: naar hartelust.
2777ongeschickt: onbehoorlijk; schocken: schrokken.
2780Uyen: ui; inde Kolck: in de askuil onder de haardplaat.
2782lyen haer: nemen genoegen; scharrebier: schraal bier.
2785 C als achtet - toneelaanduiding CD Deel, in't vijfde - 2793 A kleine sierletter I - 2795 A*BCD heb by myn - 2797 A*BCD hoe leyder!
2787duecht: weldaad (vgl. Kluchten blz. 118, vs. 197).
2790vlytich: aandachtig; schouwen door: (trachten te) doorzien.
2793scherluyn: schobbejak.
2795myn selfs: mezelf; vondt: plannetje.
2797datsen stuck: dat is me een geschiedenis (Stoett blz. 292), wellicht: een schanddaad; o leyder: o wee!
2799Fy: foei; schalck: booswicht; onbedocht: onnadenkende, domoor.
2800eenvoudighe knecht: onnozele jongen; vleys-banck: pijnbank.
2806 A*BCD hem so(o) bijnden - 2818 AA*B Ballinghs-landts CD Ballingh-landts
2801wil: zal; ontglijen: ontzinken.
2804van stonden aan: zo dadelijk.
2806Wten: uit het; bijnden en knoopen: vastbinden en knevelen.
2809lubden: kastreerden; om te lyen: te dulden.
2817ick ben een doot man: ik ben ten dode opgeschreven.
2818Ballingh-slandts: balling van (uit) het land; voor: als.
2823vande Stadt: uit Amsterdam.
2826goetdunckende: ingebeelde.
2828En: ontkennend partikel.
2832prijckel: perikel, gevaar; lijf: leven.
2833versieringh: verzinsel.
2835ha: ‘Uitroep ter uiting van verschillende schakeeringen van gevoel’ (WNT V, kolom 1326); nl. ‘uitroep van schrik, ontzetting, afgrijzen’ (ald. kolom 1327).
2837vergunden: vereerde, schonk.
2838dochter: meisje; treffelijcke vrunden: aanzienlijke familie.
2844vluegelden: knevelde; voorts: dadelijk.
2849 A sien - 2856 A soon
2848de wilde Katers doet: nl. kastreren.
2849moghen: zie vs. 2805.
2850vroom: brutaal; onbedwonghen: zijn driften niet bedwingend.
2851grooten: groot een; overdaat: misdaad, strafbare handeling (WNT XI, kolom 1643).
2854pots: poets; uyt lusten: voor de grap.
2855weets niet: weet er niets van; siet: moet goed weten.
2858dat kostje selfs na binnen: ik ga zelf naar binnen, synoniem van dat geldt je.*
noot
aant.
2859onderwint: onderneemt.
2860wulleps: lichtvaardig.
2861En: ontkennend partikel; ander lieden: van anderen.
2863daar: nu, als; hy: Frederyck.
2864En kreech hy u: als hij ook jou te pakken kreeg*
noot
aant.; misschien zal wel een bepaling zijn bij ghy ... quijt; 't sootje: de genitaliën.
2867Wat raat enz.: wat moet ik nu doen ( Kluchten, ed. J.C. Daan, blz. 117, vs. 176).
2868sien ick recht: als ik goed zie.
2869't Regliers hof: eind 16de E. een pleziertuin, waar nu Keizersgracht en Utrechtse straat kruisen.*
noot
aant.
2876 AA*BCD Het marginale is gedrukt als begin van de scènekop - 2878 A*BCD by Stadt - 2880 A*B Regiliers - 2883 A oppe byt
2871-72het leyt My op myn leen: ik heb er een voorgevoel van.
2873ghemoet: gezind, bereid.
2874ontslaghen: in vrijheid gesteld.
2877Zonder nadere aanduiding begint hier (en niet bij vs. 3039) het zesde toneel van het vijfde bedrijf; vruecht: voorrecht (vgl. Stoett, blz. 222); genegentheyt: liefhebberij.
2878Bogaert: lommerrijke tuin buiten de stad.
2880dus: zo; van liever lee: op mijn gemak.
2881reyn: netjes; flus: zoëven; was om een kijckje: ben een kijkje gaan nemen.
2882het platte Amsteldijckje: geliefkoosde wandelweg, nu Jodenbreestraat.*
noot
aant.
2883een stick-weegh: een eind weegs; oppebyt: opengebijt.
2884Vannen ... maats: door een aantal onbehouwen kerels; om huer profijt: om eraan te verdienen (zie blz. 48).
2887 A*BCD Lammert, neen ick - 2891 B*Vesjesvolck D Vesjes-volck AB baan CD baen. - 2892 A*BCD frayste B onder - 2905 A*moeytjes
2887Wat haast het Lammert: de zin is: ze kunnen lang op me wachten; geeffer: geef hun; niet en mijt: niets (een mijt = 1/48 stuiver).
2888So ten iersten: zo maar dadelijk, zo maar ineens; kostelijcken: dure.
2889ben ick niet goet Emsters: hou ik niet zo van (de buurt langs) de Amstel, of: van de Amsterdammers?*
noot
aant.
2890gherit: gewoel, gedrang; Vlasters: vlashekelaarsters; Kemsters: vlaskamsters.
2891Vesjes volck: bewoners van de ‘vesten’, gering volkje; en aars: en anderen van dat slag.
2892freyste: fraaiste, netste; vynmen: vindt men, komt men tegen; onger: onder ( dus: als men een wandeling maakt, m.a.w. ze schaatsen niet).
2894om veer: verweg; after: achteraf.
2895gescherm: drukte, beweeg.
2897goet: volkje; de Kooren-dragher: een korenpakhuis aan de Amstel.
2898bromde: pronkte; swagher: wsch. schoonzoon.
2899Hier hey! Harmen Hooch-hart: die opschepper van een H.H.; weyts: zwierig; snort: opschepperig doet.
2906schranckelde: reed onvast, krabbelde; grepen: streken.
2909 A*BCD g(h)enoechlijck - 2915 A*BCD maer - 2919 CD 't Is (evenzo in 2928 en 2940) - 2923 A vrijster
2907hompelden: ging met onzekere sprongen voort.
2908sagen een jeucht in: maakten zich vrolijk over; Juere Jannen: Juerianen, genitief van Jueriaen; naarts: achterste.
2909trouwen: waarlijk, op mijn woord.
2910huer: zich; wouwen: bijna zouden.
2911nieuw-backe: pas getrouwd.
2914Tros: zo goed als; yemets: iemand; hier Lobbrich: die Lobbrich, je weet wel (zie op vs. 2659).
2915noch: toch (vgl. Stoett, Gloss.); onse: die welbekende.
2917hart: nadrukkelijk; of eraan: afgeraden.
2918souwje: zou ( je is dat. ethicus).
2922maackt ... leen: maakt dat je geen verstijfde lichaamsdelen krijgt.
2925Sy streeftje: zij rijdt er flink vandoor ( je is een ‘ethische datief’); assen vos: als een voskleurig paard.
2927kalftse enz.: zijn haar handen en wangen gezwollen door de kou.
2929 B kouwtvorstich - 2930 A*BCD veur seecker - 2931 CD pronckt - 2937 A*BCD after-ent - 2945 B boerensleen
2928spijckers; snottebellen (Stoett, blz. 225), hier wellicht bedoeld in bevroren toestand.
2929kouwt vorstich: kouwelijk.
2931Slochter: wsch. slachter, slager.
2932tuyt-meyt: meid met een tuitmuts, met grote plooien; hier: je weet wel; ouwe Japen: van oude Jaap.
2933mal-monckt: met de rare mond; snaar: schoondochter.
2934Bestevaar: grootvader (vgl. vs. 2936).
2935Jan doeter niet toe: Jan die altijd roept: 't doet er niet toe. Als men Sp. Br. 1512 ( haar Jan en doet er niet toe) mag vergelijken, is ook de betekenis mogelijk: die er niet aan doet, nl. aan 't kinderen verwekken.*
noot
aant.
2936Beste-moer: grootmoeder; Ky'ren: kinderen.
2938In anmen: en aan mijn; goet-mans: van een man uit de gegoede stand.
2939deel: stel, troep; scholvers: lomperds, vlegels (naar de vraatzieke, veel vuil makende vogel).
2940weytsche: wilde, drukte makende.
2943uyt alle menschen: buiten het mensen-verkeer.
2945om var: ver weg (vgl. vs. 2894).
2946liep met de nar: hield een wedloop met de ar.
2949 B an men kaer - 2953 B enoech - 2958 BD drie groot - 2966 A*BCD luy(d)t en roep
2947ien'ghe paertjes: paartjes die afgezonderd reden?
2948streeck: rij; drooghe vaartjes: uitgedroogde ouwe mannetjes.
2949dattet giert: dat het knarst, snerpt.
2950gangsen: ganzen; off eliert: afgezien, geleerd (van).
2952Krimp-kous: koukleum.
2955Iens loefs: regelrecht.
2956eygentlijck: precies.
2957vrosen uyt: stuk gevroren waren.
2958een blanck: 3/4 stuiver; driegróót: 1 ½ stuiver.
2960Keysers króónen: de bekende pronkplant (Fritillaria imperialis); Hoorentjes: kinkhoorns; Schulpen: schelpen.
2961luermarcktery: (eig. wat men koopt op de voddenmarkt) vodderij; nieuwers: nergens.
2962sel (het eerste): (enkelvoud onder invloed van Ick in vs. 2959); Kistient: edelgesteente, juweel.
2963ponckt: afkorting van pond groot of pond Vlaams, d.i. 6 gulden; 'kmachse: ik kan ze (bedoeld blijkbaar: juwelen).
2964de best: de voornaamsten.
2965plat-beck: wsch. verbastering van klab-beeck, een steen die gevonden werd te Clabbeke bij Brussel (Stoett, blz. 227). Algemener: onechte diamant; hoep: vingerring.
2969 CD 't Het - 2974 A*BCD Want - 2975 A*BCD maar e.d.
2968stronckjes: strontjes, prulleboel (vgl. Stoett, blz. 227; de ed. 1890 geeft: strontboel).
2969niet een beet: geen zier.
2970legh het op: spaar het op.
2972doet uyt: leen het uit tegen.
2980die op enz.: (kerels of schepen) die (evenals zij) aan zeeroof doen.
2981bequamelijck: behoorlijk; versackt: in andere zakken gepakt.
2982vermerrickt: van een ander merk voorzien.
2983aardich: uitstekend (Stoett, blz. 240); geneeren: zich bezig houden.
2988geestige: vernuftige.
2989Brant-ysers: de staven waarop het brandhout in de haard rust.
2991behende slach: handige kunstgreep.
2992Dies: op die manier, zodoende; het overschot van waarden: wat het meer opbrengt dan het materiaal waard is.
2997wie verwacht ghy: op wie sta je te wachten; vouwt: slaat dubbel.
2998wortmen: ( wordt + me als belanghebbend voorwerp).
2999verbaast: verschrikt; so schichtich: zo plotseling.
3000sechtmen: zeg mij; oevel: slecht gesteld.
3007 A*BCD toch - 3008 A Ons ontbr.
3006Voorsichtelyck: van te voren om alles denkend; gemist: misgelopen ( myn is belangh. voorwerp).
3013eens: contant; swaricheyt: ellende.
3012Maar wat gaf hy enz.: wat gaf hij dan wel.
3014Komt myn op: overvalt mij; syn sin oock geleyt: eveneens zijn zinnen gezet.
3016handelen wel braaf: heel mooi bespelen; uytten Orienten: uitstekend, eig. uit het oosten (oorspr. van edelstenen gezegd).
3019onder iennich: kort geleden.
3023galgert: galgebrok; soo'ckje noch iens: aan te vullen b.v. met ‘iets zo ergs te verwijten heb’; dan: maar.
3024bescheyt van dit stuck: gegevens over wat er hier gebeurd is.
3025stouwt en onbedocht: brutaalweg, ondoordacht.
3026Moy-aalen: het huis (dus: het bordeel) van Moy-aal.
3027vande Vrouwen: nl. daar in huis aanwezig.
3029geknelt: gebonden (vgl. Lucelle vs. 2688 knevelen en knellen).
3034 B mis doen - 3036 A ongeluck een - 3039 A kleine sierletter S - 3040 A*BCD flusjes - 3046 A*BCD steenden
3032om sulcken luer: om zo'n kleinigheid; bedwinghen: van zijn vrijheid beroven.
3033Waar na verwacht ick: waarop wacht ik.
3034haren grammen sin: hun woede.
3037in dese tijt: ondertussen.
*de seste Hangdeling: (bedoeld is de zevende).
3042sorchvuldich: in zijn bezorgdheid.
3043vast: aanhoudend; door winckel en door kas: in hoeken en gaten.
3046stenden: steunde, kermde.
3054ick lachmen an men eynt: ik lach me dood.
3063 A*BCD schalckheyden - 3069 A*BCD af te doen - 3076 CD lacht ghy - 3079 A*C je ontbr. B u liegen
3060slechticheyt: onnozelheid; kloecke sinnen: slimheid.
3063schaleckheyden: loze streken.
3064gemist: me vergist; dese voorseyden: deze zojuist genoemde dingen.
3065overgeven: schandelijke.
3068so te gader: zo alles tegelijk.
3069Sonder bewimpeling enz: zonder ze minder erg te maken (lett. omsluieren) door iets weg te laten of toe te voegen.
3070de man was te moe: het hem te moede was.
3074de kerfstock of doen: met je afrekenen.
3075pry: kreng; pay gy myn: maak je mij iets wijs.
3079goedt koop: gemakkelijk; langhen: geven.
3080vlieghen vanghen: slaag krijgen.
3081smijt toe: sla erop los.
3084licht'lyck: makkelijk, gauw; op de Kaack: aan de kaak, de schandpaal.
3085mick: gaffelvormige galg.
3086de Voolewijck: het galgeveld aan de overzijde van het IJ; 't gerecht vande Stadt: ‘de plaats, waar de lijken der misdadigers tentoongesteld werden’ (Stoett, blz. 229).
3088overdaadt: schanddaad.
3089daer na: dienovereenkomstig.
3091 A*BCD jonge-luy - toneelaanduiding A*BCD Roemert, - 3099 A kleine sierletter M
3090In voeghen, dat: zodat.
3093smeeren of: afranselen.
3097my wel versin: er goed over nadenk.
3098hy brengt: of hij brengt. (Naar Van Ghistele: En coemt in laste, hi en brengter hem selven inne (zie blz. 41.)
3099lijf: leven; al: wel.
3100Op: op grond van: raat: overleg; woort van trouwen: belofte, overeenkomst.
3101So: herhalende bepaling, vgl. vs. 2041.
3111 A* Omphaele, CD Omphele,
3103apoincteren: het geschil bij te leggen.
3104rechten op: te herstellen; achterstal: nadeel, schade.
3107peys: verzoening; lijd'lijck: op een aanvaardbare wijze.
3108verkleynt: vernederd.
3111spillen: weefklossen aan een spinnewiel.
3114reguleert na: richt, gedraagt naar het voorbeeld van.
3115bescheydenheyt: verstandig plan; suffletten: oorvijgen.
3116versetten: veranderen, toetakelen.
3119ontmoet: komt tegemoet; sacher: heb daar (bij Moy-aal) gezien; den desen: Writsart.
3121teghenwoordich: op dit ogenblik.
3126In so bequamen standt: op zo aangename wijze.
3129Vader: eretitel voor Koenraat; vinder: uitdenker; beleyder van't beleydt: beramer van het plan.
3130hooft: oorzaak, verwekker; wellusticheyt: vreugde.
3131gauwer: slimmer, handiger; versochter: beproefder.
3133van wylen enz.: die tijdens zijn leven in Den Haag woonde.
3137Ghy doet seer wel: het is erg goed met je gesteld.
3140 AA*B vryerharten - 3149 AB monckt. - 3150 B murruwe
3140Met vryer harten: naar hartelust; boelschap: minnares.
3145sonderlingh: buitengewoon; heeft ghesint: heeft lief.
3146weldadicheyt: weldaad.
3150Hoe vaert enz.: hoe staat het met die militair; muruwe: malle.
3151heeft eenendartich: is uitgespeeld (aan een kaartspel ontleend: als de winnaar 31 punten had, was het spel uit; bij het figuurlijke gebruik dacht men blijkbaar alleen aan het geëindigd zijn van het spel).
3154doet so wel datje enz.: wees zo goed en ga brengen.
3158die nu wist waar hy waar: wist ik nu maar waar hij was.
3159slaeg'er twyfel an: betwijfel je; verschoven: verstoten.
3161geswinde raat: slimme raad.
3163 A*BCD de - 3180 A Hebdy o Koenraat my!
3163die fortuyn: het lot.
3167te bewaeren: om erop te passen.
3169Pol: minnaar; waerschap: gastmaal.
3174myn bevallijckheen: mijn aantrekkelijkheden (waardoor ik hem beval); beleefde duecht: vriendelijke goedheid.
3176met meer als menslijckheyden: op meer dan menselijke wijze, buitengewoon.
3179sonderling: uitzonderlijk; ghelocken: geluk.
3181voor dees tijdt: op dit moment.
3186 A*CD Prijst - 3191 A*BCD aenrechten?
3184die van ons ghesinne: ons gezin.
3185eerlijck: loffelijk (Stoett, Gloss.).
3188staat gheschoren: is gesteld.
3189Hoe ... hoe: hoe ... des te.
3191sou: moet; anrechten: voor elkaar brengen.
3195Wat dat: alwat (speciaal: welke moeilijkheid ook); opkomen: overkomen.
3196kloeck: bekwaam, knap; uytghenomen: op uitnemende wijze.
3197leefdy met: ga je te werk met.
3199bestelt: voor elkaar krijgt, klaarspeelt.
3201-3202voor u ... gy hebt: alles wat je van me in gebruik hebt, houd dat als reeds verdiend loon.
3202komt my schoon: staat me best aan.
3203al: echt; belesen: overhalen.
3208 A*BCD sal - 3209 A*BCD Roemert
3206Spynt: spinde, provisiekast.
3207watmen lust: wat me aansaat; bender met te vreden: vind het goed.
3209Mijn lijfs ghena: spaar mijn leven.
3211stal houwen: stand houden, blijven staan.
3218 AA*BCD toeslaan. - 3220 A*BCD en om jou - 3221A 'e Maackt
3212beleeftheyt: welwillendheid.
3214Barmhertigh: erbarmelijk, meelijwekkend
noot
aant.; strackx: op staande voet.
3216de Bre-straat: de St.-Anthoniebreestraat.
3217maackten gy onschult enz.: zou je je verontschuldigen dat je ergens naartoe moest.
3218even: zeer, in hoge mate (Stoett).
3219verminderen: afslaan (Stoett).
3220Salighe Man: beste man.
3221nou saft: kalm nou; haastich is quaat: driftig zijn is niet goed.
3225Jan Rap ginger me duer: het mindere volk zou het aan de grote klok hangen
noot
aant.; knecht Met eeren: fatsoenlijke jonge man.
3230 CD an stucken - 3238 A*BCD Roemert
3228dan: maar; wil hy peys houwen: als hij vrede wil bewaren.
3232dat myn leyt is: dat ik daar niet op gesteld ben.
3233Voor: als; wrevel: ‘kwaadaardig, boos’ (Stoett).
3237soot: indien het (of: zoals het?).
3239 CD wouw ick - 3242 B bemint - 3247 AA*BCD medestander:
3238an d'een sy: een eindje weg.
3239ghy lie: jullie (nl. Ritsart en Writsart, blijkens vs. 3299).
3240beslooven: met inspanning tot stand brengen.
3243nieuwers in: nergens in.
3245Wats dat te segghen: wat betekent dat;
3246voor Reeder ruymen in De minne: als (mede-)reder (aandeelhouder, eigenlijk in het uitrusten van een schip) opnemen in de liefde.
noot
aant.
3247medestander: compagnon.
3248met malkander Reen aen myn boel: mijn minnares samen delen (als een schip dat men gezamenlijk ‘reedt’).
3250Ghewoonlijck is: pleegt; Dan zydy van begrip enz.: je blijkt de zaak begrepen te hebben.
3253 A*BCD - pastey, - 3256 AA*BCD is ghy
3252Van: (ook nu nog kan ‘Daar eet ik niet van’ hetzelfde betekenen als ‘Dat eet ik niet’)
noot
aant.
3254Die geyle luyder kost: de spijzen van de wellustelingen
noot
aant.; welich meer, als frey: meer paardriftopwekkend dan smakelijk.
noot
aant.
3256by te setten: te besteden.
3258meestendeel: meestal; de besten: het voor-naamste, de geldstukken.
3259het: heeft; munt: geld; bricken: eig. stukken, schijven (geld).
3261Hy gheeft de vrye slemp: hij laat op zijn kosten smullen.
3262myn wijnter kost: mijn eten in wintertijd.
3263jocken: grapjes, pret maken (onschuldig bedoeld blijkens vzn. 3278-82).
3266Botelrij: provisiekamer; mach: moge.
3269botte bloet: domme sukkel; batet verbloemt: baat het, het te verbloemen.
3270wonder: geweldig; hem: zich.
3271 AA*BCD vlaghen, - 3272 A*BCD uyter maten - 3275 A*BCD rijcke, - 3276 A rabelt - 3278 ACD dach. B dach: A*B mocht - 3282 AA*BCD huyt. - 3286 A*BCD sulck
3271bloet: basterdvloek (zie blz. 383); 't is hem ... eslaghen: hij heeft zulke aanvallen van mateloze spreekzucht gehad.
3281kuyt: fut (eig. kuit van de vis, maar blijkens Stoett, blz. 233, dacht men meer aan sperma).
3282drooghert: een uitgedroogde, impotente man; in zyn huyt: door en door (zie de toelichting op vs. 2477).
3283guyl: lafaard (vgl. vs. 1341).
3293 AA*BC ghy, - 3295 CD beye zijen
3288kostelijcke: kostbare.
3290ruym-schotelt: rijk, verkwistend.
3291uytstrijcken: te slim af zijn.
3294voort: van nu af aan.
3295heen en weer ghetracht: in twee richtingen gezocht, mijn best gedaan, ‘getrokken’.
3298uyt een duyts hart: oprecht gemeend.
3299 A daer ghy broeders bey al - 3305 A*BCD Roemert - 3306 AA* allemaack? B alle maackt? C allemaeckt? D al emaeckt?
3301dees u groote duecht: die grote goedheid van u.
3303dat komt aerdich: dat is een goed idee (H. Prudon S.J. ed. Sp. Brab. blz. 180; vgl. Verdenius, Studies over Zev. eeuws, blz. 52: ‘ Komen nadert hier tot een koppelwerkwoord.’
3308hoochdraghende zeden: fiere karakter.
3310de Treves: wapenstilstand; so: zoals.
3314 AA*BCD na(e). - 3319 A*BCD Dircksen - 3323 AA*BCD Giertje die - 3328 A*BCD Roemert - 3331 A*BCD sulcken
3318Klaes klick: In de Boertighe Clucht van Claes Klick van J. van Arp (2de druk 1640) noemt Claes zijn vrouw ook ‘labbekack’; in Hoofts Warenar (vs. 227) wordt de weduwe van een Claesje Klick genoemd, die Lobberich heet.
3320Neel van Gods wegen: (in Bredero's Griane komt een Nel van Goosweghen voor; zie F. Veenstra's editie in deze reeks, blz. 119).
3321Joosten: genit. van Joost; loopt wel van myn vuer: loopt mij al vooruit.
3322streeck duer: nam onderhanden.
3324om een haver stróó: bij de minste gelegenheid.
3325getuetel: aanhalig geleuter.
3329een bueck: een slag van de molen; en slach: een tik (ze zijn dus beiden getikt); dat: als.
3331sucken quanckt: zulk een kerel.
3334 A niet - 3342 CD hembt, - 3346 A*BCD Roemert - 3349 CD Roemert B Juffrou
3333mijn scheen stiet: een blauwtje liep.
3334Tot Barbers: bij Barber.
3336al mienden sy al waers: al meenden zij het oprecht; kreech sy geen slip: werden zij niet afgescheept.
3337Dan dat is so voor als nae: maar dat is tot daar aan toe; Krijchs-luy: kerels.
3344Stracx: dadelijk (in vs. 3350 strack).
3346Amonysis: onverklaarbaar woord, waarschijnlijk een verbastering.*
noot
aant.
3349Roemers: nl. huis (vgl. vs. 3334 Tot Barbers).
3353 B Nu - AA* drukkersvignet, onderaan t'AMSTERDAM,/Ghedruckt by Paulus van Ravesteyn,/ANNO 1617. resp. 1620. De middelste regel in A cursief, in A* in civilité. In C de vijf lofdichten van blz. 123-127 hiervoor, in D alleen de laatste vier, in CD gevolgd door EYNDE
3350Koeter-wael: iemand die krom spreekt.
3351wel haest: heel vlug.
3352kaal gat: berooide drommel; met u schempen: je bespotten.
3353Heeren: (tot de toeschouwers gesproken).
3356't Affricaensche hooft: Terentius.
2751of ghereden Meer: een door ontucht versleten vrouw ( meer: merrie).
2753uyt te sluyten: uit de kast te halen.
2757laechloopers: muzikanten die in herbergen optreden (die gelagen aflopen); snoeren: snollen.
2759klieden hem: kleedde zich; effen: gladde.
2761Speelnoots: bruidsmeisjes; deken: kleed.
2762besteken: geborduurd.
2763giegels: violen; clop-scheen: zakviooltje (dat in de zak tegen de scheen klopte).
2765deuninckten: maakte pret; tureluuren: deuntjes spelen of zingen.
2770dat laet ick haer uytspreecken: dat laat ik blijken uit haar gedrag?
2771ten hulp: het hielp niet ( ten = het en).
2773duyts: vrolijk van de drank; sluycken: binnensmokkelen.
2775vlessen: zakken; mingelen: (ongeveer) liters.
2778eerlijck: keurige (ironisch).
2779guyghelaers: goochelaars; Obly(-speelders): verkopers van oblieën, die er ook om lieten dobbelen.
2780aessacx speelders: goochelaars die hun ingrediënten in een knapzak dragen.
2782vrome luy: brave lui (ironisch); basterdyen: liederlijkheid (of: -heden).
2789parfuymde kolder: geparfumeerde wambuis.
2790leer: ladder van notities van de verteringen.
2792lanst: jonge man; Passemedia: passemede, oude dans van Italiaanse oorsprong (passe mezzo), een soort pavane; recht uyt: naar hartelust? (WNT XII, derde stuk, kolom 648).
2793Clementia: naam van een dans?
2794rustich: royaal; schoegelt: geld voor schoenen, hier waarschijnlijk drinkgeld.
2795wijs: gewoonte; voort: vervolgens.
2796lagh en sliep: lag te slapen; slet: lap.
2801sach haer open: de kans schoon zag.
2803onthaeckt en ontdaen: met losse kleren.
2805vernestelt hem: schudt hem wakker (maar volgens Oudemans is vernestelen een ‘onkiesch woord’).
2806een bedt kapitt'len: duchtig de les lezen; bet in Holl. bijvorm v. beet en bit, eig. ‘brok’.
2807ghesnor: gespuis; hoere dop: hoerenwaard.
2808basterdt sop: bastaardwijn, een zoete wijn.
2810refereyntjes: praatjes.
2811bleef inde bocht: bleef aan de zwier.
2812loof: moe; mocht: kon.
2814vernaghelt: strompelend als een hinkend paard*
noot
aant.; sticksienden: bijziende, half blind.
|
|