[p. 57]
tekstkritische noten
Sonnet
De nutte wetenschap geacht van hooghe sinnen,
Heeft onder haar natuurlijcke beweeglijckheen
2
So sonderlingen treck van werking ongemeen,
Dat zy de zielen haar onsterff'lijck dwingt te minnen.
5
Met sulcke krachten sloechse
Bredero
ook binnen
Sijn groote ziele, die voldraghen vande reen,
De blyde Werelt schenckt (gelijck de Musen d'een
7
Wt d'hoefslachs-born) nu uyt zijn volle speen te ninnen.
8
Danckbarende Ghemeent', die immer hebt ghenoten
9
10
De eerste, komt geniet het lest' en beste van
Hem, die u beter noch gheen ander gheven kan.
11
Want met dees' stomme is hem oock de mont gesloten.
Leest met aandacht, en van zijn wetenschap ghewis,
Krijgdy volkomen en rechte ghetuyghenis.
L. Eba. S.
-
Bl.
[⁂
4 r
o
];
in vs. 1 grotere initiaal D; in vs.
5
de naam in romein
.
2
beweeglijckheen:
aandriften.
7
schenckt:
geeft, gunt; het object bij dit ww is het gehele vs. 8b:
d'een:
op te vatten als
de'en
, deden.
8
ninnen:
zuigen, drinken.
9
Danckbarende ghemeent':
dank betonende burgerij.
11
beter noch gheen ander:
niet meer iets anders dat nog beter zou zijn.
-
L.Eba.S.
Deze naam komt in Amsterdamse archiefstukken niet voor (mededeling van Mej. Dr. I.H. van Eeghen). Mogelijk is het een anagram.