[p. 61]
tekstkritische noten
+
't Eerste vvtkomen
palmerijn
zich stom veynsende
Ghelijck een Vogel is tot vlieghen uytverkoren,
1
Soo schijnt den armen mensch tot ongheluck geboren,
Dat heb ick wel versocht, en dat ick nu versoeck,
3
Dat lees ick alle daagh in mijnder herten Boeck.
4
5
Ick mijmer waer ick gaa, want in dit eensaem leven
5
Soo moet ick mijn, helaes! nu taal en antwoort gheven.
6
O lust te seer ghesocht door 't vluchtich soet behaghen!
Soo ben ick leyder nu ach in een eeuwich klaghen.
8
O lust te seer ghesocht met reuckeloos ghemoet!
9
10
Sulcx dattet my deur 't aertsch van 't Hemels twijff'len doet.
10
Onsal'ghe Jonghelingh, de midd'len zijn vervloghen,
Waer door te rechten ick souw weder komen moghen.
12
Wat is de oorsaeck doch? ick selfs? o neen, de Valck.
13
De Valck? O neen. De vrouw'? De vrouw'. De Hoere schalck,
14
15
De Toveres vervloeckt, verdoemt, en hoogh verswooren,
15
Waar door ick heb mijn selfs en alles goets verloren.
[p. 62]
tekstkritische noten
Nachtmery! groote kol, weermaeckster, boose gheest,
17
Die my in lichaems schijn soo langh zijt by gheweest,
18
Nu sydy voor den droes, of by zijn qua ghesellen
20
Die met u willich gaan in d'afgront vander Hellen.
20
Ick ben te laet ontwaackt, eer ick mijn doolingh wist,
Was ick de rechte wech, den Heere baan, ghemist,
Waer door dat ick ontbeer de alderbeste menschen,
23
En al het ghene dat een groote ziel kan wenschen.
25
O Vogel die mijn quam van d'aldersnootste hant,
25
Ghy sult de boete doen aen dese harde wandt!
26
Had ick dat Vercken oock soo by haar langhe beenen,
27
Ick klonck haer lichte kop tot morsel aande steenen.
28
Daer leyt mijn tijdt verdrijf, mijn kostelijcke lust!
29
30
Mijn hart is dol en droef, mijn ziele die zoeckt rust.
+
'k Heb al de nacht ghezocht, ghekreten en gheronnen:
31
Mijn dorst ick laven ga daer ginder ander bronnen.
32
Ach! zoo een koele drop is lieflijcker voor mijn,
Als d'armste Bedelaar de muskadel mach zijn.
34
35
Hier is de schaduw grootst. Om best de ramp te schouwen,
35
Zal ick my van het volck en van de spraack onthouwen.
36
Hy gaet leggen slapen
.
[p. 63]
tekstkritische noten
tvvee turcksche iagerinnetjes
Het Zonnitje steeckt zijn hoofjen op,
37
En bestraalt der Berghen top
Met zijn lichjens: Wat ghezichjes,
40
Wat verschietjes vert en flaeuw,
40
Dommelter tusschen 't graeuw en blaeuw.
41
't Vochtighe boomtje blinckt verciert.
't Vrolijck Vinckje tiereliert
Op zijn tackjes, wilt en mackjes,
44
45
En weer strackjes op een aar,
45
Hippeltet met zijn wederpaar.
d'Hemelen werden meer begroet
Van die Diertjes kleyn en zoet,
Als van menschen die maer wenschen
50
Na het aerts en 't helsche goet,
50
Datmen hier toch al laten moet.
Hemeltjes wijs en wel gheleert,
52
Meer met reden ghestoffeert,
Als de lieden, die 't ghebieden
54
55
Van een Werelt noch verdriet:
Zy hebben u vernoeghen niet.
56
't Herdertje met zijn woelich Vee,
57
Schrolt op't volckje vande Stee,
58
[p. 64]
tekstkritische noten
Daar zijn Knaapjes, van zijn Schaapjes,
59
60
In zijn slaapjes zacht en stil,
Willich vol doen haars Heeren wil.
Menscheltjes, Godt gheeft elck zijn deel,
62
+
Maar elck doet zijn best om veel
Te vergaren; dan 't bewaren
64
65
Voor de Jaren is een kunst.
Danckt de Gooden van haar gunst.
Gheen dingetjes zijn zoo slecht zoo teer
67
Of zy gheven ons een leer:
68
Wilt maar mercken op de wercken
69
70
Van de Goden wonderbaar,
Niet en vindy sonder haar.
71
O redelijcke Beesjes dwaas,
72
Het onvernuftich Vee, helaas!
73
Is veel nyver, en veel styver,
74
75
In den yver tot Gods lof,
Als de mensch van 't beste stof.
aartsche diana
Wel waarde lieve Nicht, u stichtich lieff'lijck zinghen
Dat treckt mijn harte tot veel leerelijcke dinghen,
78
Die ick wel eer voor kints onwaardich heb gheacht,
79
[p. 65]
tekstkritische noten
80
Die voel ick zijn verzien met Goddelijcke kracht,
80
En heymelijckheyt verweent van eyghen heylicheyden,
81
Die ons van trap tot trap ten hooghen Hemel leyden,
Wie't maar aandachtich na met wijsen yver speurt,
83
En het bekroosen hooft maar vander aarden beurt,
84
85
Aanschout de blonde Son, de Maan met al haar starren,
85
Ghy zult in 't wonderwerck als grondeloos verwarren,
Hoe beurtswijs elcker dinghs op tijdt en mate went,
87
En ommeloopt het padt van zijn besteecken ent.
88
De dinghen zijn zoo hooch, onmogh'lijck te noemen
89
90
Met menschelijcke mont: aanschout de schoone Bloemen,
Voor-beelden vanden mensch, hoe lustich datse staan,
Hoe onseecker, hoe kort zy weer ter aarden gaan.
92
Een yverighe ziel in ernst opgheheven
93
+
Sal naa dit rechtsnoer hem tot alle deughd' begheven,
94
95
Want na dien dat de tijdt ons ontschiet zoo ghezwint
95
Niet anders als een roock, of als de vlugghe wint,
Soo ist ons aldernutst te konnen sterven leeren,
Eer wy van daar wy zijn ghekomen wederkeeren.
O sterff'lijck gheslacht! als ghy dees dinghen ziet,
100
Merckt doch u kortheyt aan, u tijdt is min als niet.
100
[p. 66]
tekstkritische noten
aardighe
VVie boven al zijn Godt bemindt,
101
Zijn Godt in alle dinghen vindt;
Wie yet meer wil verkiesen,
Sal Godt in al verliesen.
105
Wie wijs'lijck doen wil woecker-winst,
105
Die mint Godt meest, zijn zelven minst.
Die hem tot God kan neyghen,
Die maackt van Godt zijn eyghen.
108
Min ick een mensch, dat seecker is,
109
110
Dat hy my mint is t'onghewis;
Dus wil ick Godt mijn leven,
Mijn ziel en alles gheven.
Want God is trouw, die trouw oock hout,
Maar die hem op den mensch betrouwt,
114
115
Vertrouwt hem oock den looghen,
En is vervloeckt bedroghen.
Hy is wel dol, wel zot, wel blindt,
Die yet meer als zijn Godt bemindt;
Het zijn verlooren menschen,
120
Die oock yet anders wenschen.
120
+
Want alles watmen zichtbaar ziet,
Dat is een zichtb're groote niet,
122
Daer niet is op te bouwen,
Maar Godt is te vertrouwen.
[p. 67]
tekstkritische noten
aartsche diana
125
Dat Lietjen heeft wat in,
125
Ick let meer op de zin
Als op de schoone woorden,
Die 'k toch met lust aanhoorden.
't Is met een zeeghbaarheyt
129
130
Ghezonghen en ghezeyt,
De stijl is uytghelesen,
En 't hoort oock zoo te wezen.
Ofter wel yemandt leeft,
133
Die Gode zoo lief heeft?
135
Veel kunnen 't moytjes zegghen,
Die't lelijck laten legghen.
136
Ofmen 't al fraytjes praat,
Datmen zijn zelven haat,
En Godt heeft uytverkoren,
140
Noch is het al verloren
140
Soo daar de liefd' ontbreeckt.
141
Ofmen al deghelijck spreeckt
Van Goddelijcke zaecken,
Dat kan niet beter maecken.
144
145
De tongh is somtijdts goet,
En boos is het ghemoet;
De deucht is best te mercken
Aan deuchdelijcke wercken.
Veel dinghen hebben schijn
150
Van 't gheen zy niet en zijn.
Die 't aldermeeste weten,
Haar aldermeest vergheten
152
[p. 68]
tekstkritische noten
+
Aan 't een of't ander dingh.
De mensch' is zonderlingh
154
155
Vaack anders als hy uytert,
155
Na dat hy rust of ruytert.
156
Den eenen die zit stil,
En zondicht met zijn wil,
En d'ander is ghelaten,
160
Al schijnt hy mal te praaten,
Zoo is hy in zijn gheest
Noch voor het quaat bevreest.
Dan 't zijn de hooghste zinnen,
163
Die God zoo konnen minnen,
165
Maar ick heb zulcke lien
Mijn leven niet ghezien.
Hoe heylich datse spreecken,
Zy hebben haer ghebreecken,
En ick heb oock de mijn,
170
Godt weet hoe ickse vijn.
170
'k Wou ickse mocht verwenschen,
't Ghebreck is inde menschen.
172
Den een zoeckt eer en staat,
Al waart met groot verraat,
175
Van Landen en van Lieden:
Een ander wilt ghebieden,
176
Al kosten't goet en bloedt,
Het heerschen is te zoet.
Het vet wilt altijdt boven,
180
In Kercken en in Hoven:
Niemant zit garen lest,
181
Dus ellick doet sijn best,
[p. 69]
tekstkritische noten
Om die gheen te bekladden,
Dieser niet garen hadden.
184
185
En zoo ist over al,
Dat is zoo't blyven zal.
+
Dan die hem wil begheven,
Tot een wel zalich leven,
Die doet na Gods Ghebodt,
190
En gaat uyt hem in Godt,
190
En legghe af zijn zonden.
Dat werdt zoo swaar bevonden,
Men scheyter nauw'lijckx af,
193
Int naare doncker graf.
195
Zy gaan de mensch verzellen,
Tot inde mondt der Hellen.
Soo ist oock met de deught,
Want wie hem van zijn jeught,
198
En van zijn kintse bienen,
199
200
De zelve went te dienen,
In vreughden en in rouw,
Die zijn zy zoo ghetrouw,
202
Dat zy om doodt noch sterven,
Hem niet en willen derven.
204
205
Sy bringhen door de doon,
205
Tot boven voor den throon
Der Hemelen verheven,
Daar zy vol blyschap sweven.
208
[p. 70]
tekstkritische noten
aardighe
Salige zieltjes die zoo verblijdt
209
210
Voor de Goden werdt ghedronghen,
210
Alwaar Gods lof ghebenedijt,
Vande Sangertjes werdt ghezonghen,
Daar ghy't Godd'lijck aanschijn ziet,
En zijn ghezelschap steedts gheniet,
215
En alles goets gheschiet.
Heylighe Gheesjes der goede Goon,
+
Komt mijn zieltje oock zoo trecken,
Maackt de deught mijn zoo ghewoon
Dat mijn zinnetjes daer na strecken.
220
Komt af, komt af, ay lieve daalt,
Eer mijn hartje zich versmaalt,
221
En na wat anders taalt.
Goedige Goden, wat is den mensch
Haast verkeerlijck en lichtvaardich!
224
225
Ghelijck een lichte wint of wensch
225
Is hy nietich en quaat aardich,
226
Want het groote goede goet,
Dat ghy hem ghestadich doet,
Dat stoot hy met de voet.
229
[p. 71]
tekstkritische noten
aartsche diana
230
Waarlijck Nicht, ick ben verwonnen,
Och ghy hebt zoo wel begonnen,
Ick wensch u steets zoo voort te gaan
Dat ghy eeuwich mooght bestaan.
233
Maar de menschen die best kallen,
234
235
Sietmen zomtijts eerst vervallen.
235
Hoemen leeft, in wat ghestalt,
Een yeder ziet dat hy niet valt.
Voor de Werelt goet te schynen,
Doet hy licht die't hem wil pynen,
239
240
Maar 't vergaat, ten heeft gheen duur,
Elck is gheneyght na zijn natuur.
241
Die de rampen en de slaghen
Des avontuurs kan duldich draghen,
243
En even neemt zijn Lief als leyt,
244
245
+
Doet proef van zijn ghestadicheyt.
Ick hebber selver een gheweten,
246
Die gheluckich hem mocht heten,
Door de deughden van zijn ziel,
Die int lest noch lelijck viel.
249
[p. 72]
tekstkritische noten
aardighe
250
En hoor ick niet de hooren?
Komt, gaan wy door het kooren.
aartsche diana
Hoe rasen de wayd-lien.
252
Zy hebben 't wilt ghezien.
De netten zijn ghehanghen,
255
Bequaam om wel te vanghen.
De honden zijn ontdaan,
256
Komt laat ons derwaarts gaan.
twee jaghers
Men kon gheen beter wech noch middel oock ghebruycken,
258
De bracken nauw van lucht met snoffelen en ruycken
259
260
Die deden met ghekef ons 't eerste wilt-braat op.
260
Voort sprongher met een vlucht daar yewers uyt een grop,
261
Een heele hoope goets van knynen en van Hazen,
De winden stracx ghelost, en daar op ging het blazen,
263
't Gheraas en het krioel, van't jancken en 't ghebas.
265
Daar liep de Hart, de Hindt, de Bors, de Beer, de Das,
265
De Bock, de Geyt, de Vos, de Luypaart en de Leeuwen;
Wat was daar een ghejach, van gillen en van schreeuwen,
267
[p. 73]
tekstkritische noten
Van vloecken, van ghebaar, van hu, hu, loop, loop, loop!
268
Iget daar kregher een zulcken neep uytten hoop
269
270
Die ghewis was. O bloedt, noch als de Karel baarde,
270
Een party vielder doot, twee raacktender ter aarden,
Get daar was zulcken spul, die sloech, die stack, die smeet,
Die gongh, die sprongh, die drongh, die hongh, die riep, die kreet,
Zoo zeer ick weet niet hoe. Het wilt was zoo verleghen,
274
275
Wij hebben zulcken vanghst ons leven niet ghekreghen.
manshooft
Dat's waar Broershart, dat's waar, zy ginghender me voort,
276
s'Ontweydent na den eysch ghelijck als dat behoort.
277
Het jaghen is een lust, vert boven alle dinghen,
278
Daar komt den Adel aan met zinghen en met springhen.
279
alderecht, hereman, manshooft, amereusje
en al den hoop
280
Al ben ick, schoon Liefje, niet machtich rijck,
Ick ben ten minsten als mijns ghelijck.
281
Wat gheef ick om 't goet? Wat gheef ick om 't goet?
De beste Rijckdommen legghen int ghemoet.
Ick laat den gierigaart na schatten sien,
285
+
En den staat-zuchtighen na het ghebien,
285
Ick gheer, o mijn schoon, ick gheer, o mijn schoon,
286
[p. 74]
tekstkritische noten
Gheen Konincx scepter noch Keyzers kroon.
Want de rust en opperste wellust leyt
288
In een onbekommerde vernoeghelijckheyt,
289
290
En niet in het ghelt, en niet in het ghelt
Dat staagh zijn meester met zorghen quelt.
Daarom Prinsesje zoo acht ick aldermeest
De gaven van u doorluchtighen gheest,
En u hoogh vernuft, en u groot vernuft,
295
Dat alle de werelt braveert en puft.
280-295
295
edelen
Wel of dees droncken bloedt niet eens en zal ontwaacken?
296
'k Moet hem op mijn manier eens aardich wacker maacken.
Blaas op fraytjes, zo! houwt.
amoureusje
An ist! gants is dat mis?
298
Hier vechten sy, eenighe vallen
.
amoureusje
Ick zegh werentich dat 't een dollen duyvel is,
300
Het is my hier te hiet, ick wil mijn vrouw gaan halen.
300
[p. 75]
tekstkritische noten
hereman
Ghy zult dien Eelmans doot met u leven betalen.
301
Becingelt en bezet dien straatschender int ront.
302
amoureusje
Och Princes komt doch stracx! Ay lieve komt terstont,
303
Of al de Edellien die worden doot gheslaghen.
alderecht
5
U beenen zullen u van deze plaats niet draghen.
305
amoureusje
Och komt Me-vrouw, 't is tijdt.
Sy te paart met Ardemiere, en Staat-dochters volghen
.
-
aartsche diana
Maar ist zoo, als ghy zeght?
306
Nu Ridders houwt toch stil, waar toe al dit ghevecht?
hereman
Aanziet Ed'le Princes hoe dat dees wreede moorder
U volck heeft vernielt.
[p. 76]
tekstkritische noten
aartsche diana
Hout op en vecht niet voorder,
310
Op peene vanden hals ghebiedt ick u weest stil,
310
Want ick de waarom van dit vechten weten wil.
311
Hy knielt en biedt haar den appel van zijn swaart stommeling
.
-
Maar schoone Jongheling, volmaackt in als gheschapen,
312
'k Verseecker u u lijf, en danck u voor dit wapen.
313
Ick weet niet vriendt, of ghy zijt Ridder ofte niet.
315
Ghy zijt dan wat ghy zijt, na dat ghy mijn aanbiedt
315
U leven en u dienst, zoo zal ick u bewaren,
316
't Zy teghen wien 't oock is: daarom wilt mijn verklaren
Wie dat u teghen danck ghewelt deed of besprongh.
318
Ach jammer arme man! hy is beroert van tong;
319
320
De Goon doen u te kort, want zeecker, kondy spreken,
320
+
Ghy zout ter werelt voor een wonderwerck uytsteecken
In schoonheyt, en in kracht, en in weerbare daan:
322
Dan niet te min, ghy moet wel in haar gunste staan,
323
Nadien dat ghy alleen dees menicht' hebt bevochten,
325
Die u ghelijckerhant ter doodt te brenghen zochten.
325
Komt hier eens
Alderecht
, zeght my waarom en hoe,
De zaacken wonderlijck toch zijn ghekomen toe.
327
alderecht
Ghenadighe Princes, zoo wy al zinghend quamen
[p. 77]
tekstkritische noten
Ontrent dese fonteyn, alwaar dat wy vernamen
329
330
Een slaperighen man, den eersten die hem zach
330
Die gaf hem om den deun een styve starcke slach,
331
Den vreemdeling rijst op, vertoornt van dat groeten,
Hy slaet hem dat den kop quam rollen voor zijn voeten,
Doen schooten wy hem toe om wreecken dese moort.
aartsche diana
335
Zeecker den stommen heeft ghedaan als hy behoort,
Om dat zijn Edelheyt zoo wel weet te kastyen
De zotheyt vande zots, zoo zal ick hem bevryen.
337
Ick maack hem Edelman van mijn huys en van my,
Ick ra niemant zoo stout die hem misdoet, ten zy
339
340
Dat hy myn gunst en't hooft gelijckelijck wil derven.
De dooden draaght van hier tot hy haar naaste erven.
341
Ontslaat mijn groote tent daar achter in het groen,
342
Want ick ben daar van zin een onbyten te doen.
343
Komt hier, o schoonste man die 'k immer zach met ooghen,
345
Neemt daar u swaart, 't is u.
Hy vvil haar voeten kussen
.
'k Zalt nimmermeer ghedooghen:
Blijft altoos dicht by my op dat u niet misschiet.
346
zeege-heer
Mijn God, hoe wel ghelijckt de Princes mijn Margriet.
347
[p. 78]
tekstkritische noten
aartsche diana
Wel hoe mijn vriendt, wel hoe, ghy meught u wel vertrouwen,
Wie u maar raackt zal ick in stucken stracx doen houwen.
aardighe
350
Het eten is ghereet, komt gaan wy, lieve Nicht,
Noyt quam mijn schoonder man mijn leven int ghezicht.
Binnen
.
amoureusje
,
Manshooft
Hoe vaarje Manshooft, krijghje oock gien hongher?
352
manshooft
Neen of ja, Amoureusje, ick seltje segghen, ick wrongher
353
Vlusjes een hachjen in, goelickjes van dardalf pongt,
354
355
En voort vong ick een Jonckers vles, die zetten ick aan mijn mongt
355
En ick haaldender een tooch uyt die niet swack was.
amoureusje
Komt gaan wy naar de tent, 'k wou 'k me al by de back was,
357
'k Heb zulcken Varckens dorst als de droes, is dat niet fraey
358
Manshooft? het eten smaackt nerghens beter als inde waey.
359
360
Seecker de Princes heur Nicht is een moy meysjen,
+
Datset noch schuldich was, farrilahay, ick wouse wel een reysjen.
361
[p. 79]
tekstkritische noten
Wat het de smallen adel kromme spronghen inde kop.
362
Nou Manshooft, muts of, zoo, fraaytjes, nou ghelijck op.
363
Hoe staat dit goore goed, nou mackelijcke vaar, gaat voort wat,
364
365
Datsje veur Mangshooft, de lest een voet int gat.
365
I gut krijgh ick een Venezoen yewers in een hoeck of horren,
366
'k Wil een schelm wezen zoo ick hem niet na zijn gat torren,
367
En haal hem zijn inghewant van binnen uyt zijn lijf,
Ten minsten zoo klaar ick wel een beetje van een pondt vier of vijf.
369
aartsche diana
en Aardighe, en de Keyser met het Hof komt uyt
.
370
Waarlijck, waarde Nicht, mijn dunckt dat deze stomme
370
Een brave Ridder is, ter Werelt komen brommen,
371
Tot een verwonderingh van d'aldergrootste lien,
Die ster-ooghend' gheen endt aan al zijn deuchden zien.
373
aardighe
Van lichaem schoonheyts stal is hy zoo uytghenomen,
374
375
Als nimmer Man die oyt van Moeder is ghekomen.
aartsche diana
Natuere heeft met kunst zijn edel beeldt ghemaeckt.
[p. 80]
tekstkritische noten
aardighe
Die schortingh isser laas! dat hy niet is bespraackt.
377
aartsche diana
Zeer zelden dat de Goon een schepsel zoo bestorten
378
Met heerlijckheyt en glants, oft daar zal yets aen schorten.
379
380
't Zy voegh'lijckheyt of kracht, of dapperheyt van moet,
380
Of aardicheyt des geests, of boerscheyt grof van bloedt.
381
aardighe
Wel Nichte, waar ist Wilt? de Wayliens en de Honden?
aartsche diana
Ick hebse al voor heen ten hovewaarts ghezonden
Aan mijn Heer Vader heen, de welcke dat ick acht,
385
Dat my met zijn ghezin met groot verlanghen wacht,
385
Wt vrees oft op de jacht yet quaats mijn mocht ontmoeten.
Keyzer uyt
.
Daar is zijn Majesteyt, dat wy zijn hoocheyt groeten.
keyzer
Och dochter, wellekom! mijn hart borst mijn van anghst,
388
Doch nu ist weer ontset; hoe gaettet met de vanghst?
389
[p. 81]
tekstkritische noten
aartsche diana
390
Gheluckich zoo ghewenst, meer als ick kon bedencken.
't Ghelieft zijn Majesteyt de selve mijn te schencken?
keyzer
Z'is u vereert mijn kint, al waert noch vry wat meer.
aartsche diana
Och! dat verghelde u des Hemels Opper-heer.
Brenght mijn de stomme helt, ghy Ridders en ghy Graven
395
Ziet Heer, dit is mijn vanghst, en uwe milde gaven.
keyzer
Noyt docht ick, dochter, dat ghy waande dese stom.
396
aartsche diana
Het is wel waar dat hy van uwe edeldom
Zes Ridders heeft ghedoot, dat ghy hem zult vergheven,
398
Want ziet, zy stonden hem moordadelijck na 't leven.
keyzer
400
Maar hoe zal ick mijn doch ontschulden met bescheyt,
400
By haar lie vrienden, die'k al ree heb toegheseyt
401
Te straffen met de doot, door stillingh' van haar schreeuwen?
402
[p. 82]
tekstkritische noten
+
Ick heb hem al ghedoemt te sterven door mijn Leeuwen.
aartsche diana
Zijn Majesteyt dunckt mijn gaat al te spoedich voort
405
Met zijn rechts vordering, eer hy de onschult hoort,
405
Maar indien dat hy sterft, zoo staat mijn eer te vreezen,
406
Dat het zal aan haar kroon een groote schant-vleck wezen,
407
Want ick de Ridder heb verseeckert van zijn lijf.
408
Wie zal hem dan voortaan vertrouwen aan een wijf!
409
keyzer
410
Neen dochter, niemants eer en lijt noch scha noch schanden,
Zoo hy belofte breeckt van yemants hooghers handen:
411
Het stont niet in zijn macht, mijn kint, bedenckt eens nu,
Wiens woort behoort hier in te ghelden, 't mijns oft u?
413
aartsche diana
Ick heb soo wel u woordt als d'ander Edellieden.
414
keyzer
415
Als ick hem aan u schonck was hy uyt mijn gebieden,
415
Want ick had hem vereert en vast'lijck toe ghezecht
Aan een Princesse die men noemt het heylich recht,
[p. 83]
tekstkritische noten
Die meerder aansiens heeft als al de Potentaten
Des wereldts, hoe beroemt, hoe hooch en groot van staten.
420
In diens ghebiedt is hy, van dien sal hy ontfaan
420
De straffe vande moort dien hy hier heeft begaan.
Tsa vat den Moorder aan, en brenght hem in ghenade
422
Der Leeuwen, op dat sy een weynich haar versaden.
423
Sy grypen hem, en nemen svvaart en mantel
.
aartsche diana
Ach Vader! Vader lief, betemt u streng ghemoet!
425
Wat zijt ghy doch verkuyst, laas! met een handt vol bloedt?
425
keyzer
Vaart voort met het gherecht, men sal hem leeren moorden!
426
aartsche diana
De stomme kan hem niet vertalen noch verwoorden.
427
keyzer
Gaet ghyder voort mee deur.
aartsche diana
Hoe straf sijt ghy van aart!
Laat hem ten minsten dan zijn mantel en sijn swaart,
[p. 84]
tekstkritische noten
430
Want soo de Goden hem om zyne misdaat haten,
Zoo sal hem dat gheweer in gheener wyse baten.
431
keyzer
Maar ist dat hem zijn God daar kennelijck bevrijt,
432
Zoo scheld ick hem zijn schult van harten garen quyt.
+
Ick zal by Machomet Gods wille niet weer streven.
435
Doet des Princessen zin.
aartsche diana
Vaart wel mijn lief, mijn leven!
keyzer
Leyt den misdadige, eer't volck hier om hem schreyt,
En brenght my dan de mie hoe hy't of heeft gheleydt.
437
Soudaan binnen, zy lien met hem den trappen af na beneen
.
aartsche diana
Wat mach den dollen mensch den loop der aartsche dinghen
438
Betrouwen, daar hy ziet zoo veel veranderinghen
440
Van tyttelijck gheval: die gist'ren weeld'rich zat
440
Als Koning op het wiel van 't wispelturich radt,
441
Wert in een ommezien in't onderste ghesmeten,
En van 't verachte volck veracht en gants vergheten.
443
[p. 85]
tekstkritische noten
O drayend' avontuur! die gist'ren lach in't slijck,
445
Zit morghen inde troon van 't Keyzerlijcke rijck.
Het schielijck vlug gheval aanziet noch staat noch waarden,
446
En 't werpt de kansen voor de kinderen der aarden.
Aartsche Dyana
, flus heeft u 't geluck vereert
448
De schoonste Edelman, laas! die ghy nu ontbeert!
450
Ach heden werdt zijn vlees vermorsselt vande tanden!
Dat tansjes deed met lust de grootste vrouwe branden,
451
Die vlusjens int ghevecht was alder Ridders schrick,
Och die wert nu vermaalt in eenen ooghenblick.
Dat tansjes was mijn vreucht, en al mijn welbehaghen,
455
Och dat is heden nu de oorzaack van mijn klaghen.
D'oorzaack die my nu tans aanbracht een blijdtschap groot,
Is nu de oorzaack, laas, van zijn onrype doot.
457
De oorzaack die mijn doet mijn waartste lief verkiezen,
Is d'oorzaack die mijn doet mijn waartste lief verliezen.
460
Nu ick mach binnen gaan en storten een ghebedt,
Misschien hoe d'goede God den Edeling ontzet.
461
Binnen
.
chooren
Wie dat zoo dol als onbedacht
462
Zijn lusten wil najaghen,
Die werdt int lest als onverwacht
465
Van Godes hant gheslaghen,
Wt alle weelden onbewaant,
466
[p. 86]
tekstkritische noten
Waar door de mensch vaak werdt vermaant,
Dat hy met goet opmercken,
Moet matighen zijn wercken.
470
Het is een zalighende deught
Van Goddelijcke krachten,
Datmen van in zijn jonghe jeught
Zent opwaarts zyn ghedachten,
Na den volmaackten hooghen throon,
474
475
Daar alle dinghen zyn zoo schoon,
Van binnen en van buyten,
Als wy niet kunnen uyten.
Ghy moet, o sterffelycke lien,
Aan't aartsch u niet vergapen,
480
Maar zelfs de groote Schepper zien,
480
In 't gheen hy heeft gheschapen,
Zoo en vindy ter Werelt niet,
482
Daar ghy gheen Godheyt in en ziet,
Zoo zalt u al bevallen,
485
Want Godt ist al in allen.
Maar menich spreekt wel met de mont
Van Godvruchtighe zaecken,
Die hem niet eensjes aen de gront
Der zielen zelfs en raacken.
490
Maar die bedrieghelycke gheest,
Bedriecht zyn zelven aldermeest;
Hoe heylich datse schynen,
De Heer die kan de zynen.
493
De vromen komt wel tot een val,
495
En diet noch houden staande,
+
Die weet niet of hy vallen zal,
De duyvel is nagaande.
497
[p. 87]
tekstkritische noten
Een yeghelijck die heeft zijn strijt,
Wy kunnen in een kleene tijdt
500
Zoo menichmaal verkeeren,
Ghelijck wy dagelijcks leeren.
Maar die hem reuckeloos vergheet,
502
In eenen slaap der zonden,
Die zent God een schynent leet,
504
505
Dat na werdt lief bevonden.
505
Het schranckel wanckel avontuur,
506
Dat went zijn raden alle uur,
507
God laat, om best, de vromen
508
Veel ramps en drucks opkomen.
509
510
Maar den ghetroosten hoopt op Godt,
Hem kan gheen quaat doen zuffen,
511
Daar is gheen so rampsalich lot
Dat hy niet kan verbluffen,
513
't Ghemoet is onbeweeght en vast,
515
Het draaght zijn Lief ghelijck zijn last,
Het ziet altijdt een open,
516