terug  begin  verderprepost
[p. 88]

Tweede bedrijf

aardighe komende van den Soudaan
 
Ach ongheluckighe! noyt is yemandt ghegheven
 
Een sterven zonder doot, een leven zonder leven
520
Als ick heb nu ter tijdt. Ach, ick verstont, mijn Heer520
 
Aan 't stuursche antwoort, laas! dat 's werelts bodem eer521
 
Opdringhende met kracht ten Hemel hooch zal steygh'ren,
 
Eer ick verkryghen zal dat u nu lust te weygh'ren.523
 
Ach! 't is mijn ongheluck dat mijn dus wrevel plaacht!524
525
En niet u heusheyts schult, die 't wel doen steets behaaght.
 
U Ridderlijck ghemoet, en flucxse rapsche krachten526
 
Beweechden zich wel eer door vrouwelijcke klachten.527
 
Dan nu hebt ghy, helaas! een zo bevroozen hardt,
 
+Dat hem niet eens ontdoyt in zulcken bitt'ren smart,
530
Dat de Barbaarsten swart, met d'alderfeltste ooghen,530
 
Gemeuckt, zou barsten uyt van innerlijck' medooghen.531
 
Wel wat zal ick dan doen? ach hopeloze vrouw!
 
Als deze traanen blanck, als deze groote rouw,
 
Die d'hooghe bergen hart, de marbers en de steenen534
535
Zouw leenich kneden, en beroeren zelfs tot weenen,
 
U gheest ontsteecken niet tot zijn ghenadicheen:536
[p. 89]
 
Wat hoop doet hem dan op, dat ick met mijn ghebeen537
 
Een onverbidd'lijck man beleezen zal de ooren,
 
Hoe wel ze een Tyran melylijck zouw verhooren?539
540
Wel wat zal ick dan doen? of warwaarts treck ick heen?
 
Laas! met de zoete hoop die my int eerst verscheen!541
 
Wanneer ick hadd' de eer met u, mijn Oom, te spreken,
 
Ach! ick beloofde my, dat my niet zou ghebreken.543
 
Maar nu ick op de proef verzoeck u Majesteyt,544
545
Nu wert mijn laas! een man, een stommen man ontzeyt!
 
Ach waar hy my ghegunt! mijn Vader zouw erkennen
 
Die weldaat, en daar voor u een groot Leger zennen.
 
Wech hopen vol bedroch, lichtvaardich, dol en blindt,548
 
Vertreckt u doch van my, vertreckt u doch geswint,549
550
En tot verghelding van dat ick u immer achten,
 
Zoo doet mijn zoo veel goets, en ruckt uyt mijn ghedachten
 
De heughenisse van u smeeck-lief-kozery,552
 
Vol logens zonder tal die ghy beloofden my.
 
Maar doch u weyg'ring, Oom, bescheld' ick niet zo leydelijck554
555
Als ick, ken weet wat ramp, die aan mijn lief onscheydelijck555
 
Ghehecht is en ghelast. Ach! stomme Ridder, ach!556
 
Mijn breyn wiert my vergheckt als ick u kloeckheyt zach.557
 
U schoonheyt quam my stracx betov'ren en verblinden,
 
Zulcx dat ick onbekent u vreemdeling beminde.559
560
Mijn jammerden u staat, mijn deerden uwe noot,
[p. 90]
 
En d'oorzaack van u winst is d'oorsaack van u doot.561
 
Ick hoopten van't gheluck eens zoo veel jonsts te winnen,562
 
Dat ick u door den tijdt beweghen zou tot minnen,563
 
Maar ay! bedrooghen hoop, die my zo zoet beviel,564
565
Zoo bitter plaaghdy nu dees afghematte ziel.
 
Den Edelman is doot, ick kan hem niet verwerven,
 
Als door een onvertzaacht en overmoedigh sterven.567
 
Ick puf der Leeuwen kracht, en fiere felheyt groots,568
 
Ick volch mijn nieuwe lief tot inde wech des doots.
aartsche diana ontmoet op de trappen Palmerijn,- die uyt de kuyl opghebrocht wordt.
570
Wat's dit? Mijn hart, wat's dit? Hier komt zijn geest an spoken!
 
Het is mijn lief, hy ist! och mocht ick hem wat stroken!571
 
+Wat is de schaamt oock niet een zonderlinghe kracht!
 
Zy doet dat ick de eer meer als mijn liefden acht.
 
Veroveraar, gheluck, danck zy des Hemels schicking574
575
Van u behoudenis, en deze mijn verquicking.575
 
Ach onverwachte troost!
limius
 
Mevrou, hout ons niet staan,
 
Daar komt zijn Majesteyt met al den adel aan.
[p. 91]
Soudaan, Aartsche Diana met al 't Hof
soudaan
 
Ach Goden! welcken vreucht; maar is den held int leven?578
aartsche diana
 
Den Hemel heeft ghehoor aan mijn ghebedt ghegheven?
580
Zijt welckoom vande doot.
soudaan
 
Ghezeghent zydy zoon.581
 
Maar hoe is hy de macht der Leeuwen doch ontvloon?
limius
 
Als wy hem inde kuyl (naar u ghebieden) brachten,
 
Daar wy hem stracx verscheurt, vernielt te werden dachten,583
 
Hy gaat en treckt zijn sweert, en trat voort moedich tot
585
De wreede beesten aan, tot midden in het kot.
 
De Leeuwen ryzen, en zy grimmen, maar int moeten586
 
Zy snoffelen aan hem en vielen voor zijn voeten
 
Met wispelstaarten, en met erkenningh' van eer:
 
Daar na zo voechden zich elck in zijn Leger neer.589
590
Hy wend hem om, en ziet de Luyperts met haar allen,
 
Die quamen gantsch verwoedt ghelijck hem aane vallen.
 
Een stoot hy inde borst den deghen, dat hy viel,
 
En spille voetende verliet hem voort de ziel.593
 
Terwijl de andere twee zijn kleedt en mantel scheuren,
595
Dwinghen zy hem benauwt gints in een hoeck te peuren,595
[p. 92]
 
Daar hy het eene dier zoo wis en zeecker treft,
 
Dat hy hem druckt het zwaart in't lichaam tot aan't hecht.
 
Doen is hy als verhitst den lesten toegevlogen,598
 
Tot dat hy met zijn bloedt de gheest heeft uyt ghespoghen.599
600
Wy hielden hem gheen mensch, maar een ghedrocht te zijn,600
 
Het welck zich zelven had ghekleedt in menschen schijn:
 
Want 't was te vreemt om zien hoe dat hy haar afrechten.602
 
Voort zach hy om en tom geen oorzaack om te vechten;603
 
Hy veechden 't bloedich swaart aan een ghespickelt vel,
605
Hy wees laat mijn hier uyt; wy volchden zijn bevel.605
soudaan
 
O Goden! wat ick hoor.
aartsche diana
 
Maar, Hemel! is het meug'lijck?
lethea
 
't Is boven mijn verstant.
aartsche diana
 
Voorwaar het is wel heug'lijck.
soudaan
 
De Leeuwen vielen hem eerbiedelijck te voet?
[p. 93]
lethea
 
Zoo moet hy zijn ghewis van hooch of Konincx bloedt:
610
Want waar hy van ghemeen en slechten stam gherezen,610
 
Die dieren hadden hem gheen groote feest bewezen.611
soudaan
 
't Is teghen haar natuur.
lethea
 
O heldelijck ghemoet!
soudaan
 
Ick wil dat ghy, mijn kindt, hem zoo veel eers aandoet
 
Als d'alderrijckste Prins des Turcksche Monarchie,
615
Want hy is mijn zoo lief als 's wereldts heerschappye.
Soudaan binnen.
+
aartsche diana
 
Wel Vader, u ghebodt zal ick ghewillich doen.
aardighe
 
Gheluck boven gheluck, en boven mijn vermoen.
aartsche diana
 
O wat ghewenschter zaack! ghy Vorsten en ghy Heeren,
 
Ghy sult den stommen helt meer als mijn Broeders eeren,
620
Ghewaardicht u alt'saam te volghen zijn ghebien;620
 
Wel, dat wy nu den Heer na onse macht versien.621
[p. 94]
De verkleede palmerijn alleen
 
Al ben ick schoon verdost met dese Turcxsche kleeren,622
 
Zoo ken ick toch mijn zelf in gheener wijs verkeeren;623
 
Ick blijf de selfde man, ick blijf vast die ick ben,624
625
Dat is; de droefste mensch die ick op aarden ken.
 
Ach ongheluckich mensch! wat zuldy nu beginnen
 
By dit ongodlijck volck, vol van verkeerde zinnen?627
 
Haar Godsdienst ommeslaan? verlooch'nen uwen Godt?628
 
En volghen het gheloof van Machomet den sot?
630
Neen, nu noch nimmermeer: ick zal volstandich bouwen
 
Op u, die my altoos ghenadich hebt behouwen
 
Van alle ongheval, O alder wond'ren Heer!632
 
Brenght my (zoo 't u ghevalt) doch uyt dit Eylandt weer,
 
Daar ick te seer belust om 't wild-braat op te spooren,
635
Mijn waarde selschap en mijn zelven heb verlooren.
 
Ach ongheluckighe stont! die'k wel beklaghen mach,
 
Dat ick met mijnen Valck zoo tooch om mijn bejach,637
 
Want daar door is mijn volck en vrienden my benomen,
 
En ick ben hier, o spijt! gantsch teghen danck ghekomen.
640
Nu, 't kan niet anders zijn, 't is best dat my ghenoecht640
 
Aan s'Hemels willekeur die 't al ten besten voecht,641
 
En die mijn ongheluck ten lesten zal verdrieten,642
 
En doen my voor dit suur het s'Hemels zoet ghenieten.
 
Maar waarde Margareet, al zijdy doot en vart644
645
Van mijn ghezicht, ghy zijt doch nimmer uyt mijn hart.
 
Daar is u stoel, u troon, daar komen mijn ghedachten
[p. 95]
 
Ghedienstich en vol vyers u een off'rhande slachten
 
Van 't beste van mijn ziel, en van het inghewant
 
Mijns opghetoghenheyts en heymelijck verstant,649
650
Daar wordy alle uurs ghestadich aanghebeden,
 
Gheviert, ghedient, gestroockt van al mijn zinlijckheden.651
 
Maar houwt, ick hoor ghewach! Ziet hier, hier komt, maar wie?652
 
Me-vrouwe met haar Nicht die ick zoo garen zie.
 
Aardige is haar naam, voorwaar dats wel rechtvaardich,654
655
Want zy is lieffelijck, bevallich, schoon en aardich;
 
Hoe wel ghelijckt zy haar daar ick het meest om peyns,
 
't Is best dat ick my noch de stomme wat gheveyns.
Aartsche Diana en Aardighe, Palmerijn zittende
+
aartsche diana
 
De min is voor de jeucht het lieffelijcxt vermaken,658
 
Dewijl haar lenten plant de roozen op haar kaken,659
660
En op haar lippen zoet de karssen als kouraal,
 
En in haar ooghen schoon een flonckerich ghestraal;
 
Het aanschijn barst van lust, de aderen van hetten,
 
De wille van't ghewelt dat haar nature zetten. 663
aardighe
 
Ghelijckerwijs het licht des schitterende Zons,
665
De droeve duysternis en naarheydt jaacht van ons,
 
En brenght den blyen dach, alzo voert ons de minne,
 
In plaats van bitterheyt de zoetheyt inde zinne.
[p. 96]
 
Al de gheneuch'lijckheyt die men ter werelt vindt,
 
Is loutere ydelheyt, en niet als roock en windt
670
By de vernoech'lijckheyt van twee vereende menschen,
 
Want zy ghenieten meer als wy hier konnen wenschen.
 
Ghelijcke zinlijckheyt van harten en ghedacht,672
 
U macht te spreken uyt was noyt in s'menschen macht.
 
Ghy doet ons in een uur meer zoets, meer lust, meer weelden,674
675
Als yemant hem in eeuw van Jaren in kan beelden.675
aartsche diana
 
Van al d'Harts-tochten die wy onderworpen zijn,
 
Is geen beroerlijcker als vande min (dunckt mijn)677
 
En daarom zijnse oock te reeckenen ellendich,
 
Die om schijnbare vreucht die zich vertoont wtwendich,
680
Haar laten voeren van haar vals en zot ghevoel,
 
Aan dinghen zonder gheest, van leven kout en koel,
 
Die om, 'k en weet niet wat voor flucxsche schijn van reden,682
 
Versuymen onghegront haar goe ghelegentheden.683
aardighe
 
De wijse liens voorwaar, die pluycken steets met vlijt,684
685
De aanghenaamste kost van hare levens tijdt.
 
En zeecker zy zijn dwaas die om neuswijse grillen,686
 
De varsche vangh haars jeughts zoo reuckeloos verspillen,687
 
Slechts om de losse naam van achtbaarheyt en eer,
 
Want als die over is zoo komt zy nimmer weer.689
690
Wat is de eer voor goet?
[p. 97]
aartsche diana
 
Een reed'lijck betoomen.690
aardighe
 
Ghy doolt, het is een schim van wesentlijcke droomen,691
 
Een Echo van wat goets, een schaduw' die wat schijnt,
 
Die door de minste wint van ons ghezicht verdwijnt,
 
En laat 't versuft ghemoet gantsch swack en afgestreden,
695
In eenen noot des strijts van s'werelts minnelijckheden.695
 
Wanneermen by zich zelfs gaat overlegghen vry,
 
De schoone zaken die zoo slibberend' verby697
 
Door slofheyt zijn ghegaan, en die ter ander malen698
 
Te bet'ren niet en zijn, noch echter te herhalen,699
700
Want als de schoonheyt eens verschiet haar verwen fris,
 
De min verstervet die door haar gheboren is.
aartsche diana
 
Zoo komtet dat wy vaack ons opsichtich hooch dragen,702
 
En dreutsheyd trots te laat met na berouw beklaghen.703
+
aardighe
 
Maar die beweechelijck en buychsaam is van sin,
aartsche diana
705
Die stelt zijn hoochste lust in 't oeff'nen vande min.
[p. 98]
aardighe
 
Isser wel soeters yet voor jeuchdelijcke sinnen?
aartsche diana
 
Neen seecker, daar en gaat niet voor de brandt der minnen,707
 
Die d'ontfonckte ghemoen doet blak'ren van een vlam,708
 
Die van ghelijcke wil haar vyer en oorspronck nam.709
aardighe
710
Zy kan de doode gheest wel levendich verwecken,710
 
En uyt de aartsche dreck ten Hemel hooch optrecken
 
Inde beschouwing van yet treffelijcx en vermaarts,
 
Dat wel ghesuyvert en ghescheyden is van't aarts,
 
Dat's schoonheyt in haar kracht: de braafste jonghelinghen,
715
Die leenen aldermeest de alderschoonste dinghen.715
aartsche diana
 
Zoo doen de maachden oock, want alle schoon baart lust,
aardighe
 
En diens verkryging teelt oock buyten twijffel rust.
 
Ghelijck het derven maackt een onophoud'lijck wroeghen,718
 
Zoo maackt het hebben oock een troostelijck vernoeghen.719
aartsche diana
720
Daarom slooft yder een en woelt in sorgh en pijn,
[p. 99]
aardighe
 
Om end'lijck met het gheen hy wenscht vernoecht te zijn.
 
Hier op so gaan wy driest, met domme moet, de baren722
 
Der balstuurighe Zee van onse tijdt bevaren.
 
Al smackt ons 't ongheluck van backboordt over zy,
725
Wy loeven soetjens aan en gheven ons in ly725
 
En hopen 'talderbest; al waar de hoop benomen,726
 
Noch tracht men tot de plaats van ons opset te komen.727
aartsche diana
 
Wie maar der minne vreucht eenmaal schiet int ghedacht,
 
Die weet ick dat 't ghevaar en alle dingh veracht.
730
Al waar de mensch ghequelt met duysterleye pijnen,730
 
Door een voorbeelding soet, soo moeten sy verdwynen.731
aardighe
 
De wellust vande min is een middel of raat
 
Tot een versachting van al 't menschelijcke quaadt.
 
Want alsmen die ghebruyckt, soo werden uytghedreven
735
De qualijckheden van dit kort en pijnlijck leven:
 
Kort is het door de vreucht die men alhier gheniet,
 
Doch pijnlijck en lang door 't stadighe verdriet.
 
En zijnse dan niet kleyn van oordeel en van kennis,
 
Die niet in tijdts versien in haar blijckbare schennis,739
740
En nemen tot haar heyl het wenschelijckste zoet740
 
Der minnen, datmen doch voor Godlijck houden moet?
[p. 100]
aartsche diana
 
Men mach de minne in de billijckheden noemen
 
Een eeuwich yveraar, dat ons van fruyt en bloemen743
 
Alleen niet en versorcht, maar onderhout en voet,
745
Inde beslooten vorst van ons beknelt ghemoet,745
 
Want sy op voorraat baart veel lieve winter-tering.746
aardighe
 
En is de schoonheydt niet de rijcklijckste vereering747
 
+Die ons de Goden doen? Het is haar liefste kindt,
 
Dat vande ooghen wil ghevolcht zijn en bemindt,
750
Ja aanghebeden zelfs. De jeucht is ons ghegheven,
 
Om toe te heylighen aan de schoonste van ons leven.751
aartsche diana
 
Van daar zo komtet haar dat wy uyt eyghen aart752
 
En neyging des natuurs zo tochten derrewaart,753
 
Daar 't schoon hem 't klaartst vertoont, daar stichten wy altaren
755
Vol wieroocks en vol vets van 't merrich onzer jaren,755
 
Daar off'ren wy verweent zoo innich als vol pracht,756
 
De uytghekleynsde gheest van al ons levens kracht.757
 
En wy behooren oock met een demoedich knielen
 
Te storten voor de min het binnenst' onzer zielen,
760
Want zy is 't leven van ons leven, ja zoo groot,760
 
Dat zy ons leven doet in 't midden vande doot.
 
Sy is het eenich een daer in wy vreuchde rapen.
[p. 101]
amoureusje haar langh ghehoort hebbende, zeght:
 
Poep, en ick was liever lelijck als moy gheschapen,763
 
Want 't is ick weet niet wat, datmen schoon is en volmaackt,
765
Ick prijs de waardighe lelijckheyt die elck een laackt,
 
Daar is toch niet volmaackt in als:766
 
Jannetje het een schoon aanschijn, maar zy het een slimme hals.767
 
Niemant zeyter teghen, 't is een fray knecht Zieuwert Luyten,768
 
Want hy het twee rechter beenen en twee slincker kuyten,
770
En hy het een moye platte buyck, met een kamuysde rugh,770
 
Die zoo ronckt en ghebochelt is als Wlenburchs bruch,771
 
En hy het een paar oogjes als cissiertjes, wat wil ic't u bewimp'len?772
 
En een monckje als een spaens beursje met duysent rimp'len.773
 
En wel gheluckich zijnse die niet alleen int deel
775
Des lichaams zijn mismaackt, maar die 't zijn int gheheel.
 
Want overlecht dit wel met zinnen rijp en radelijck,776
 
De schoonheyt is de mensch op 't alderhoochste schadelijck,
 
Want zy teelt ontschakingh', krackelen, dootslaan en ghewelt.
 
De lelijckheyt is als een schut voor de kuyscheyt ghestelt.779
780
De lelijckheyt is een deucht, want zy bewaart de vrouwen
 
Haar eer, en zy doet de maachden haar maachdom houwen.
 
Had Paris en Helena lelijck gheweest,
 
Troyen waar niet vergaan ghelijckmen daar af leest.783
 
Meest al de schoone luy seer arm van gheest en reen zijn.784
785
Gheluckich zijnze dan die lelijck en lam van leen zijn,
 
Want de lelijcke luy zijn ghemeenelijck meest
 
Begaaft met goet verstant en aardicheyt van gheest.787
[p. 102]
 
Is hy dan niet dubbelt gheluckich die yslijck lelijck is?
 
Want de moye luy weten niet meer als twee stommen zegghen dat relijck is.789
790
Veel vande schoonste en de frayste dochters vande stadt,
 
Dat zijn maar nufjes en weet nieten, en malle dingen in haar gat.791
 
Ick loof de lelijckheyt die zoo reyn als eerlijck is.792
 
+Ick kent dat de schoonheyt wel wat begheerlijck is.793
 
Maar wat ist? 't Is maar wint voor die't wel besiet,
795
Het lijckt wat te wesen, en 't is lijckwel niet.795
 
De lelijckheyt is waart om hooch daar af te roemen,
 
De schoonheyt die vergaat ghelijck de schoone bloemen.
 
Jofvrouwen, siedy niet, wanneer ghy't wel bedenckt,
 
Dat schoonheyt aldermeest het s'menschen leven krenckt?
800
Want een rustich schoon man en kan niet eerlijck blyven,800
 
Zoo seer wordt hy versocht van weeuwen en van wyven.801
 
Die veel aensoecks het, die gaat oock dickwils an,802
 
En die dickwils aangaat krijcht een leghe huyt daar van
 
Die uytghemarghelt is van de bequaamste krachten.
805
Ay lieve, wat's schoonheyt (sonder je weet wel) te achten?
 
Een lelijck man en loopt geen perijckel van zijn eer,
 
De moye meysjes die en soecken hem niet seer,
 
En wert hy niet versocht, 't sal hem te minder locken;
 
Zijn kracht en werdt hem niet ontrogghelt noch ontrocken:
810
Dus blijft hy dien hy was, dat's krachtich, kloeck en fris.
 
De man is wel salich, die lelijck en mismaackt is.
 
Maar wat sal ickje segghen van dese malle vroutjes,
 
Die duysent kopies, duysent sopies, duysent souwtjes, duysent smoutjes,813
 
Duysent loogjes, duysent droogjes,814
815
Duysent kruytjes, duysent fruytjes,
[p. 103]
 
Duysent vruchjes, duysent kluchjes,
 
Duysent paters, duysent saters, duysent suyvel, duysent duyvel,817
 
Schier ghebruycken en besighen met pynen,
 
Om datse moyer als sy zijn ten minsten souden schynen.819
aardighe
820
Ick kruys en zeghen my om al dit goore goet;820
 
Maar Nichte, wat een mensch somtijts oock hooren moet.
amoureusje
 
Het is wel waar dat de schoonheyt wel staat,
 
Maar 't is weer een ding dat in een ooghenblick vergaat.
 
Een schoone vrou werdt lelijck, O dat en is gheen roy!824
825
En een lelijcke vrou die wert nimmermeer moy,
 
Maar sy werdt hoe langher hoe lelijcker, dat acht ick groot,826
 
En heur lelijckheyt blijft heur ghetrou by totter doot.
 
Bedenckt dan eens, wat ongheschickte schelmeryen,828
 
De vrouwen en de mans om de schoonheyt moeten lyen.
830
Want een schoone dochter is onderworpen kracht en ghewelt,830
 
En een moy knecht wert staach vande meysjens ghequelt.
 
Dan de lelijcke luy die leven kuysch en rustich,832
 
Want niemant is na een lelijck mensch toch lustich,
 
Behalven een Burger vande treffelijcke stadt
835
Van Amsterdam, die selfs het schoonste vroutje hadt
 
Datmen met ooghen mocht besien; dees liet hem soo vervoeren,
[p. 104]
 
Dat hy zijn wijf liet en socht de lebbichste hoeren.837
 
Dat is een sinnelijckheyt ghelijck als ickje sey.838
 
+Is dan de lelijckheyt niet uytghenomen frey?839
840
En de lelijcke luy die hebben een schoone reynicheyt
 
Onder een mottige grijns, Joffrouwen dat's geen kleynicheyt!841
 
Wat gafjer wel om dat ghy oock lelijck waart?
 
O ghy kaal kinnetjes, had ghy zulcken baart!
 
Hoort eens met wat spreec-woort Keesje Loeven my laetst geriefde:
845
Een lelijcke vrou (zeyt hy) is een remedie voor de liefde.845
 
O goede raedt teghen de bekooringhe des vleys!846
 
O aanghename mismaacktheyt, ghy zijt wat freys!
 
O wel beminde dochter des suyverheyts! O zonderlinghe848
 
Bolwerck en starcke schans die niemant zal bespringhen!849
850
Een lelijcke vrou neemt wech alle jalousy,
 
Haar man en denckt gheen arch, al is zy noch soo vry,
 
Zy wordt niet naghegaan noch niemant zal haar schaken,
 
Noch zy zal van haar man gheen hooren-drager maken:
 
Want haar onder aansicht wort beschermt door haar lelijcke grijns.854
855
O eerb're, onbedrieg'lijcke wanschapenheyt des aanschijns!
 
Dat ick moy was, ick zou doch, ghelijck in ouwe tyen856
 
Een schoone dochter deed' die door veel vryeryen,857
 
Van hovelingen geyl verdacht wiert van veer,858
 
Het welck haar achtbaarheydt en edelheydt dee zo zeer,859
860
Dat zy met een mes haar aansicht stack vol stippen,
[p. 105]
 
Zulcx dat sy kreech duysent monden en twee duysent lippen.
 
Wat komt van een moy wijf anders dan hovardy?
 
Dreutsche stijfkoppicheyt en overdadicheyt; maar vry,863
 
Een lelijcke vrou, die is ned'rich en bescheyden,
865
Beleeft, heus, en ghewillich, en vol ghediensticheyden,
 
Zoo past zy op haar man. Een schoon is groots en trots,866
 
Hoochdragent van ghelaat, opsichtich, snar en schots,867
 
Van ommegang en taal. Zecht zelve, zijn de mannen
 
Niet in een dienstbaarheyt, of in een hel ghebannen,
870
Die wyvenhebben die kribbich zijn en stuur,
 
Die men niet toe spreken mach, anders als uyt tablatuur?871
 
Want somen een toontje te hooch of te laach laat slippen,
 
Zo zellense een heele tijt knorren en lippen.873
 
Daarom ra ic jou kol-kuyckens, laf-becken, melck-muylen voor al,874
875
Datje gien moye jonghe merritjes en zet op u stal,
 
Want 't is een weelich goet: wordese niet wel waar ghenomen,876
 
Zoo zouwender stracx ouwe spring-heynsten after komen.877
 
En ick ra jou moye meysjes, datje neemt een lelijcke loer,
 
Zoo en werdt hy jou niet ontvrijt van de duivel noch zijn moer.
880
En ick ra jou ouwe vryers datje trout lebbighe wyven,880
 
Hoe lelijcker hoe liever, want die zelle jou trou blyven,
 
En zy zijn altoos vriendelijcker en wyser, dat's wis.
 
Ick zegh noch, dattet beter lelijck dan moy te wesen is.
 
Fy schoonheyt, schijt schoonheyt, wat leyter aan bedreven?884
885
+Ick prijs de lelijckheyt die zuyver is van leven.885
[p. 106]
aartsche diana
 
Maar Nichte, wie heeft oyt een zulcken klap ghehoort?
aardighe
 
Een gheck die spreeckt oock wel een wijs of gheestich woordt.887
 
Elck oogh dat ghy op mijn, O vromen Ridder, slaet,
 
My door de boezem in het teder hartje gaat.
890
Helaas! hoe zuchtje dus? Waarom slady zoo hoochjes
 
U ooghen, als ick zie mijn ooghjens in u ooghjes?891
aartsche diana
 
Wat praat ghy binnens monts?
aardighe
 
Ick spreeck immers gants niet.
 
Mijn hart danst in mijn lijf als my den helt aanziet.
 
O vriendelijck ghezicht! O minnelijcke treecken!894
895
Hoe wel kundy u wil en zoete meening spreken,895
 
Ick ziet wel wat ghy wilt, u hartje zeyt aan 't mijn,
 
Dat het met my alleen veel liever wilde zijn.
[p. 107]
aartsche diana
 
Wat revel kal is dit? wat laat gliy u ontslippen?898
 
Ghy martelt en ghy moort u woortjes met u lippen.
aardighe
900
Nichte, laat my begaan, ick spreeck in mijn ghemoet,900
 
Van een zaack die mijn wel aan ziel en lichaam doet.901
aartsche diana
 
Doet wat u wel behaacht, ick zal t'wijl over legghen
 
De schoonheyt die mijn tong niet machtich is te zegghen.
 
Ay heldelijck ghezicht, ghy gluurt vast over zy,904
905
En nauwelijcx ter noot en ziedy eens op my,
 
Op my die u bemindt met zulcken grooten hetten,
 
Dat ick om lief noch leet mijn zin niet zal verzetten.
 
O alderschoonste man, u standen vast van stal,908
 
U lichaam wel ghedaan, u hooghe ghesten al,909
910
Wat ick aan u beschouw dat is mijn zoo behaeghlijck,
 
Dat mijn u af zijn valt onlyd'lijck en ondraeg'lijck.911
aardighe
 
Ach helt! ach waarde helt! ach liefste lief, indien
 
Men kon in 's menschen hart als in een spiegel zien,
 
Zo zoudy sien vol jonst al mijn verliefde sinnen,914
915
Die u vertwijffelijck en boven maat beminnen,
 
Zulcx dat ick lich'lijck eens los hartich zouw' bestaan,916
[p. 108]
 
Een zaack die beter waar ghelaten dan ghedaan.
 
Maar wie kan steets met raat zijn zinlijckheyt betemmen?918
 
Ick weet wel, het waar best die zotheydt af te stemmen,919
920
Dan 't is niet in mijn macht, en of ick my ontging,920
 
Waar dat voor een Princes, als ick, zo grooten ding?
 
Neen zeeckers, want mijn jeucht en is zoo niet besneden,922
 
Of ick ghevoel oock wel natuurs ghevoechlijckheden.923
 
Daar kome af wat mach, ick zal mijn lusjes gayl
925
Ghenieten, 't gaat hoe 't gaat, vind ick de plaats maar vayl.925
aartsche diana
 
Ach wat een zoetheyt vloeyt door al mijn lichaams krachten,
 
Wanneer het beeltenis mijns liefs in mijn ghedachten927
 
Met lieve troeteling en minne kusjes stooft,928
 
Met zoete hoop, die mijn de hooghste vreucht belooft,
930
Die ick tot zijnder tijt int werrick meen te legghen.930
 
+Maar hoe? wanneer en waar en voeght mijn niet te zegghen.
 
Komt gaan wy brave man, mijn nieuwe zon, maar ach!
 
Hoe komtet dat ick niet mijn lust ghebruycken mach?
aardighe
 
Wel op, moedighe helt, mijn ziel zal u gheleyden,
935
Alst lichaam uyterlijck van u zal moeten scheyden.935
[p. 109]
aartsche diana
 
Ach Koning van mijn hart!
aardighe
 
Ach Keyser van mijn zin!
aartsche diana
 
Ick moet teghen mijn danck u heelen noch mijn min,937
aardighe
 
En zydy niet mijn troost, de gunst van mijn ghenegentheyt,
 
Die anders niet en wenscht als tijdt en goe ghelegentheyt?
Binnen.
choor
940
Wat wissel van leven, wat grooter strijt,940
 
Heeft hier een Christen Ridder altijdt,
 
Wat aanvechtinghe van zinnen,
 
Als hy de Duyvels, de Luypers loos,943
 
Moet mannelijck verwinnen.
945
Maar zijn stantvastich moedich hart
 
En past op wonden noch op smart,946
 
Noch op de helsche krachten.
 
Hy strijt tot dat hy meester werdt
 
Van zijn woeste ghedachten.
950
Wanneer hy die heeft in zijn dwang,
 
Zo helpt hem God wel op (eer langh)
 
Tot Staten hooch verheven,952
[p. 110]
 
Dan komt de werelt ten aengang,953
 
Om nieuwe strijt te gheven.
955
De lieve zoete schoon int oogh,
 
Verheft en mint haar minnaar hooch,
 
Doch met bedeckt vermommen,
 
De liefde doet oock goet betooch,958
 
Doch spelen bey de stommen.
960
Elck doet zijn best, om 't gheen hy vrijt,
 
Beknopt te winnen door de tijdt,961
 
De goe ghelegentheden.
 
Of elck hem voor den ander mijt,963
 
Zy zijn noch niet te vreden.
965
De wereldt neemt een hooghen raat,965
 
Om haren Ridder met lusten quaat
 
Te trecken en te troonen,
 
De liefde oock lieffelijck bestaat,968
 
Hem 't zoetste zoet te toonen.
Opschrift Tweede Bedrijf ingevoegd volgens E en G - 518 noyt is yemandt ghegheven G aan yemant noyt ghegeven - 520 tijdt. Ach A tijdt / ach - 521-24-25-28 interpunctie volgens G - 529 smart, A smart. - 531 komma volgens G; zou barsten uyt volgens B en volg.; in A: zou wt barsten uyt - 534 marbers en de E marmers ende, G Marmers en de - 536: aan het eind volgens G
520mijn Heer: in gedachten tot de keizer gezegd.
521's werelts bodem: de aardbodem.
523lust: behaagt.
524mijn: mij; wrevel: op stuurse, harde wijze.
526rapsche in bet. niet verschillend van rap (vgl. WNT XII, derde stuk, kolom 341).
527Beweechden zich: zouden bewogen worden.
+B 4 vo
530swart: zwarte, ‘Indiaan’.
531Gemeuckt: vermurwd.
534de marbers: het marmer.
536U gheest enz.: niet vermogen uw gemoed tot genade te bewegen.
539 vraagteken in pl. van punt - 541 uitroepteken achter Laas volgens G - 542 komma's volgens G - 545 uitroepteken achter laas volgens G - 548 komma achter lichtvaardich volgens G - 553 slotpunt voor / 554 komma's volgens G - 556 eerste uitroepteken en komma volgens G
537doet hem dan op: doet zich dan voor.
539ze: nl. de ghebeen uit vs. 537.
541my int eerst verscheen: zich aanvankelijk voor mij opdeed.
543ick beloofde my: ik voorspelde mij, verwachtte; niet: niets.
544op de proef verzoeck: het bewijs daarvan vraag; men moet hier blijkbaar uit afleiden dat na het afgewezen verzoek van Aartsche Diana (vs. 388-437) ook Aardighe nog een dergelijke poging heeft gedaan.
548hopen: hoop, verwachting.
549Vertreckt u: pak u weg.
552smeeck-lief-kozery: vleiend mooi gepraat.
554bescheld'ick: beschuldig ik; daarover beklaag ik mij; leydelijck: met smart.
555onscheydelijck: behoort óf bij lief, dus: van wie niets mij kan scheiden, óf bij Ghehecht, dus: onherroepelijk.
556Ghehecht: opgelegd.
557vergeckt: verdwaasd.
559onbekent: zonder u te kennen.
564 uitroepteken volgens G - 567 onvertzaacht E onversaecht - 570! voor / - 572 Wat is B Wat? is; - oock niet een volgens E; in A oock een B en C oock niet anders een; ! volgens G - 573 slotpunt volgens G - 576 ! in pl. van punt; komma na Mevrou volgens G - 577 ingevoegd volgens E en G; ontbr. in A-D
561u winst: de verbetering in uw staat.
562Ick hoopten enz.: ik hoopte dat de fortuin mij eens zo gunstig zou zijn.
563door den tijdt: door verloop van tijd.
564my ... beviel: zich voor mij opdeed.
567overmoedigh: kloekmoedig; vgl. overmoed, bet. 4 in WNT XI, kolom 1903.
568puf: tart.
-aartsche diana: aldus in de uitg. 1619-1633; wsch. is echter Aardighe bedoeld, zodat het haar monoloog is die in vs. 570 wordt voortgezet; indien Aartsche Diana van vs. 570 af spreekt, begint hier en niet bij vs. 578 het tweede toneel.
571stroken: strelen.
+C (i)ro
574schicking: beschikking, bestier.
575verquicking: verlichting van gemoed.
578 interpunctie volgens G - 582-85-88 interpunctie volgens G - 591 aane vallen E, G aen te vallen - 592 komma na deghen volgens G - 595 zy ingevoegd volgens C-G; in B: Swinghen zy
578Ach Goden enz.: hier begint het tweede toneel van het tweede bedrijf.
581zoon: jongeman.
583stracx: direct.
586int moeten: toen zij hem ontmoetten, bij hem kwamen.
589voechden zich ... neer: gingen liggen, vlijden zich neer.
593spille voetende: spartelend, stuiptrekkend.
595benauwt: in het nauw gebracht; peuren: trekken, zich begeven.
597 hecht B-G heft - 598 voor de D van Doen is in A alleen een blokje afgedrukt: de D's wa ren blijkbaar op! - 603; volgens G - 606 interpunctie volgens G - 608 in E en G wordt dit vers door limius gezegd, niet als vraag; in A geen vraagteken maar /
598verhitst: in gloeiende toorn.
599hy: slaat op den lesten in vs. 598.
600hielden: meenden; ghedrocht: bovennatuurlijke verschijning.
602haar afrechten: hen afstrafte.
603om en tom: in de hele omtrek.
605Hy wees: hij gaf met tekens te kennen.
609 interpunctie volgens G - 613-16-20-21 interpunctie volgens G. Als toneelaanwijzing volgt in G na 621: Alle binnen
610Want waar hy: enz.: want als hij van lage, eenvoudige afkomst was.
611groote feest bewezen: met veel onderscheiding behandeld.
+C (i)vo
620Ghe