terug  begin  verderprepost
[p. 111]

Het derde bedrijf. 't Eerste vvtkomen-

De Soudaan met zijn voornaamste Heeren
970
Van al mijn zalicheen daar ick in ben gheset,970
 
Danck ick de hooge Goon, en haar knecht Machumet,971
 
+Wiens dienaar dat ick ben. Hoe wel dat ick Turckye
 
En 't meerendeel des werelts heb onder mijn voogdye,
 
Zoo leef ick nochtans zoo Godvreesend' en ghedwee,974
975
Dat ick mijn Keyzerrijck bezit in rust en vree.
 
Het oorloogh, dat wel eer mijn staet in twijffel stelden,976
 
Dat heb ick wt ghejaaght, want ick en wil mijn velden.
 
En ackers, groot en groen, niet meer om hooghe moet978
 
Vet mesten met de bry van menschen vlees en bloedt.
980
Het daghelijcx kermen van mijn eyghen onderdanen,
 
Het jammerlijck ghekrijt, de ziel-snyende tranen
 
Der weeuwen manneloos, en zuygelinghen naackt,
 
Dat heeft mijn menichmaal een wont in't hart ghemaackt,
 
Daar ben ick nu of vry, en zal't my eeuwich houwen,984
985
Indien men op den stant des rijcx yet mach vertrouwen;
 
't Gheluck is allerley, dies ick het niet en varch.986
[p. 112]
Een moorsche ridder, met tvvee Schilt-knapen
 
Alder-vermaarste en Groot-machtichste Monarch,987
 
Den Koning van China, en Dwingelant der Mooren,
 
Vader van Brandement, mijn Heere wel ghebooren,
990
Wt wiens naam dat ick nu met alle ned'richeyt,
 
De handen kusse van u hooge Majesteyt,
 
Die inde ouderdom van tweentachtich Jaren
 
Zich zelven vant onnut om langher te bewaren993
 
De zetel en de staf des Konincklijck ghewout,994
995
En heeft het rijck mijn Heer zijn zone toe vertrout,
 
Die Goddelijck van aart alle benaude troosten,996
 
En daar toe zo vermaart door wapens, dat int Oosten
 
Gheen Koning noch gheen Vorst, hoe groot hy was, of hy
 
En wenschten hem gheluck in zijne heerschappy.
1000
Na deze groetenis zoo quamen daar ghesanten1000
 
Met treffelijcken staat, al rijcx en bloedtverwanten,1001
 
Van wijdt en zijdt den Moor, zo blanck, zo gheel als swart,1002
 
Arabers, Ethophier, de Pars, de Part, de Tar
 
En ontallijck veel meer, die hem gheschencken brochten,
1005
En neffens dien mijn Heer ten houwelijck verzochten
 
Voor hare dochters jong, het welck den ouden Helt,
 
Om zijne jonckheyt heeft beleefd'lijck uytghestelt.1007
 
Waarom de jonghe en weelighe Koninginne1008
 
Van Tharsen, die ghelijck een blinckende Goddinne
1010
Wtstack in schoonheyt schoon, want men en vant aldaar1010
[p. 113]
 
Geen orgentaalsche vrou die yet gheleeck by haar.
 
Dees heeft bedacht een vont, en heeft mijn Heer ghezonden1012
 
Vereeringhe zoo rijck alsmen niet schatten konde,
 
En deed' hem neffens dien voort bidden dat mijn Heer,
1015
Haar te verzoecken eens zouw' willen doen die eer.1015
 
+Het welck uyt heusheyt hy niet af en dorste weeren,
 
Maar volghde korts daar op, daar hy met aller eeren1017
 
Ghedient wiert en onthaalt. Want ziet, mijn Heer gheviel
 
Zoo uyttermaten wel de vrouwelijcke ziel,
1020
Dat zy in plaatse van te weygheren afkeerlijck,
 
De jonghe Prince zelfs verzocht tot min oneerlijck.1021
 
Dit verzoeck, haar schoonheyt, en zijne heete jeucht,
 
Die wrochten in mijn Heer ghelijck ghy dencken meucht,1023
 
In voeghen dat hy haar goetwillich zacht liet rusten1024
1025
Onder zijn schaduw, tot verkoeling van haar lusten.
 
Dewijl dat dit gheschach en repten zy gantsch niet1026
 
Van houw'lijcksche voorwaard, van trouw' of anders yet,1027
 
Want ziet, zy docht den Prins waar vast ghenoech beslaghen1028
 
In minnen ghelijck sy, maar 't beurden na thien daghen,
1030
Dat hy om oorlof haar met droeve woorden badt,
 
Zegghende: dat hy t'huys yets te verrichten hadt
 
Daar groot verlang aan was; zy dorst hem niet ophouwen,1032
 
Midts hy haar loofden, op zijn wederkomst te trouwen.1033
 
Maar wat? zoo haast als hy by zijn Heer vader quam,
1035
De Griecksche Zeraphin hy stracx ten wyve nam.
 
De Tarsche Koningin heeft dit wel haast vernomen,
[p. 114]
 
En deed ghestoort voor haar een seer out Ridder komen,1037
 
Die hem de swarte kunst zoo meesterlijck verstont,1038
 
Zulcx datmen zijns ghelijck op aarden niet en vont.
1040
Dees looft zy hooghen staat, indien hy met zijn treecken1040
 
Haar onghelijck en spijt ten wille wist te wreecken.1041
 
Den Toveraar die eyscht hier toe haars Vaders kroon,
 
Die hy besweert, en vloeckt afgrijsselijcke doon:1043
 
De schimmen akelick, de geesten en de zielen,1044
1045
De duyvels die verschrickt voor zijn karacters vielen.1045
 
Wt had hy: en hy gaf de kroon haar wederom.1046
 
Schenckt (zeyt hy) dit, Princes, den nieuwen Bruydegom,
 
En doet hem bidden dat om uwent wil te draghen
 
Op zijne Bruylofts-feest de alder-eerste daghen:
1050
Het welck hy niet en zal weygeren noch afslaan,
 
Waar uyt hem zal terstont een zulcken smart ontstaan,
 
Die alzoo groot zal zijn, dat d'aldergrootste pynen
 
Des werelts hem al licht en lyd'lijck zullen schynen,1053
 
En dese smart en zal van hem niet zijn vervreemt,1054
1055
Ten sy de kroon van hem de troutste minnaar neemt.1055
 
Hy had volseyt, voldaan, doen werdt aan hem ghegeven,1056
 
Daar hy zijn daghen mocht wel rijckelijck op leven.1057
 
De spytighe Princes, met lieflijck smeken, zant1058
 
De so beswooren kroon den blyde Bradamant,
[p. 115]
1060
Dies' op zijn jeuchdich hooft stracx reuckeloos ging setten,1060
 
De reden kon hem niet zijn ongheval beletten.
 
+In eenen ooghenblick zo borst daar uyt een vlam,
 
Hy kreet, hy riep om hulp, maar laci! wie daar quam1063
 
Het was al vruchteloos, ten mocht de Prins niet baten,
1065
Zy moesten met verdriet en onghetroost hem laten,
 
Want wie hem onderstont behulpelijck te zijn,1066
 
Die deed' niet dan dat hy verdubbelde zijn pijn.
 
D'ondraghelijcke kroon deed' Brandemant den brander
 
Gantsch leven in het vyer, ghelijck als de Salmander.1069
1070
't Ghemeene volck treurde met onghemeene druck,
 
En droech met harten rouw' haars Princen ongheluck.1071
 
De Raat die schickten heen twee treffelijcke Heeren,
 
Die heel ootmoedich heyl voor haren Prins begeeren:
 
Zy bidden de Princes, zy hebbe doch ghedult,
1075
Vermidts dat Brandemant bekennende zijn schult,
 
Dat hy zijn Princ'lijck woort niet wel en heeft gehouwen,
 
Nu waarlijck is ghezint haar tot een vrouw' te trouwen.
 
Daar op zeyt de Princes, en gaf haar dit bescheyt:1078
 
Ghy Heeren, als ick denck op zijn ontrouwicheyt,
1080
En hy op het verdriet dat hy deur my moet lyen,
 
Hoe zoude zulcken echt toch kunnen wel ghedyen?
 
Wat zou daar anders uyt ontstaan als alle quaadt?
 
En weet dat ick de Prins nu tot der doot toe haat.
 
Ziet daarom is voor hem gheen beterschap te hopen,
1085
Ten zy door asia, africa, en europen
 
Hy heene treckt, en zoeckt zoo langhe tot by vindt,
 
De troutste minnaar die ghetroutst op aarden mint,
 
Die hem de kroon van't hooft zal nemen met zijn handen:
 
En hier mee maackt u voort uyt mijn ghebiedt en Landen,1089
1090
Want die onwaardicheyt die u Prins heeft begaan
[p. 116]
 
Is zoo groot, dat daarom zijn volck te haten staan.1091
 
Dus heeft mijn Heere, Heer, de wereldt gaan bekijcken,
 
En alles schier bezocht, tot zelfs de Koninckrijcken
 
Van uwe Majesteyt, hoe wel hy nieuwers vant
1095
Verlichting voor zijn wreet en noyt ghehoorde brandt,
 
Om welcke oorzaack, Alder-Grootmachtichste Heere,
 
Ick uyt mijns Princen naam nu vry geley begeere.
 
Gunt hem verzeeckering in u hof, 't welck is vermaart,1098
 
Dat daar de stapel is des Ridderschaps vergaart,1099
1100
Op dat hy zijn gheluck aan haar lie mach beproeven.
keyzer
 
Ick geve hem mijn woordt: dat hy komt zonder toeven,1101
 
Datmen na zijn waardy hem stracx een plaatse maack,
 
Ick ben belust te zien zoo wonderlijcken zaack.
+
Den moorschen brandemant met zijn brandende Kroone.
Aartsche Dianaas vryer, Aardighes vryer, en Zeege-Heer
 
Wat dat een sterflijck mensch in vleys en bloedt kan lyen1104
1105
Ziet ghy, O mensch, in mijne droeve schilderyen.1105
 
Ach! ick ellendighe, ick draach voor man en vrou
 
't Brant-teken op mijn hooft van mijn verlaten trou.1107
 
Een spieghel voor de gheen die met verswooren eden1108
 
Op Hel noch Hemel past, en met zijn valsche reden1109
1110
Het vrouwelijck ghemoet beweeghelijck verdoort,1110
[p. 117]
 
En tot zijn zotte lust onkuyschelijck bekoort,
 
En zijnde wars of beu des byslaaps zoeticheden,
 
Zo scheurt hy vaak de trouw die hy voor Gode dede.1113
 
Ach menschen! die met my echt-breucken daghelijcx schaft,1114
1115
Laat af in tijdts eer u den rechten Rechter straft.
 
Heylige Majesteyt, den Hemel wil u zeeg'nen,
 
En laat voorspoedelijck op u zijn gunste reeg'nen.
 
Ziet met medoghentheyt, de alderdroefste man,
 
Die inde werelt laas! gheen hullip vinden kan.
1120
'k Heb Oost en West verzocht, in't Noorden en het zuyden,1120
 
En ick en vind helaas! niet dan ontrouwe luyden.
 
De luyt-ruchtighe faam die zeyt dat in u hof1122
 
De schepsels zijn oprecht, en van bequamer stof.
 
Dus bid ick dat ghy wilt de beste Edellieden,
1125
En Minnaars tot een proef uytroepen en ghebieden.1125
keyzer
 
Liefhebbers wie ghy zijt, die hartelijck bemindt
 
Wt suyverheyt des ziels, en niet uyt gaylheyt blindt,
 
Die 't lodderlijcke vleys, hoe teder, kunt verachten,1128
 
En niet dan schoonheyt zoeckt van heldere ghedachten,
1130
Die gheroost en ghelucht zijn op des Hemels niest,1130
 
Ghy die zoo heylichlijck wt reyne liefd' verkiest,
 
Ghy die om lief noch leet de jonst van u vriendinne,
 
Noyt valschlijck hebt ghevalscht met yemants anders minne,
 
Komt hier, en aan de kroon u deeg'lijckheyt beproeft,
1135
En helpt de Prince die met reden is bedroeft.
[p. 118]
alderecht, Aardighes Broeder
 
Ach schoone Zonne! die met u mangneete stralen,1136
 
Mijn ziele kunt de ziel van al zijn kracht onthalen.1137
 
Ghy zijt het waartste lief, mijn uytverkoren beeldt,
 
Die in mijn zinnen zijt op 't hoochste ghetaf'reelt,1139
1140
Voor wien mijn harte buyght, en offert met zijn tranen,
 
Eenvoudighe Godsdienst voor u aartsche diana.1141
 
Brandende Brademant, mijn Heere, van die tijdt
 
Dat ick de Keyzerin mijns ziels eerst heb ghevrijt,
 
+En heb ick my tot noch in gheenerwijs vergheten,
1145
In minne buyten haar, in't minste by mijn weten,
 
Op mijn oprechticheyt tast ick de kroone aan.1146
brandemant
 
Heer Ridder, ey laat af, laat af, en laat toch staan!
 
Want by aldien dat ick door ontrouw' kan ghenesen,1148
 
Zoo soudy (ick ghelooft) mijn helper konnen wesen.
1150
Ach! door ghewelt en kracht en brengdy niet tot niet1150
 
Mijn lyden, noch de vlam die ghy nu flonck'ren ziet!
 
Ick ben te troosten, maar met onbevleckte trouwe1152
 
En met ghediensticheyt en naarstich steets aanhouwe,
 
Met vriendelijcke jonst, met woorden zuycker zoet,
1155
Met ghelegentheyt des tijdts, die men waarnemen moet,
 
Ende ander dinghen meer die inde reyne minne
 
Die eyghenschappen zijn om lieff'lijck te verwinnen.
[p. 119]
amoureusje
 
Laat legghen dat haghje, ay lieve lanst gaat deur,1158
 
Ghy hebt buyten de pot ghepist, dat ziemen wel mijn breur.
1160
Komt weer kacken op den haart, ay ziet hem eens gaan druylen,1160
 
Hy weet niet in wat gat hy best hem zal verschuylen.
hereman
 
Goddin die u ghesicht zoo Godlijck open doet,
 
Dat het een Sonne-schijn verstreckt in mijn ghemoet:
 
Ick sweer u by het licht, ick sweer u by de stralen
1165
Des overgulden Zons, dat ick de vaste palen
 
Des juyste zuyverheyts te buyten noyt en ging,
 
t'Zint ick door s'Hemels gunst de kennisse ontfing
 
Van u volmaackte deucht, die niet is om verfrissen,1168
 
Nadien ick noyt en heb ontheylicht mijn ghewissen
1170
Met dorperheyt onkuys, na dien ick onbesmet1170
 
En onbezondicht ben aan yemants Bruylofts-bedt,1171
 
Nadien dan dat ick noyt bedreef onminne gurich,1172
 
Heb ick mijn lief gelieft met liefden eeuwich durich:
 
Zoo koom ick Bradamant, zoo koom ick Prince hier
1175
Beproeven myne trouw aan dit betoovert vyer.
brandemant
 
Ach Edel Heer! staat stil, staat stil, en hout u handen,1176
 
Want hoe ghy meerder woelt, hoe dat ghy meer doet branden
[p. 120]
 
Mijn vyerich hooft, helaas! hoe dat ghy styver treckt,1178
 
Hoe dat ghy my meer pijns, en lasters u verweckt.1179
1180
Ach! Ridder, 't is om niet! wat mooghdy u vermeten?
amoureusje
 
Hy kackt de kooten uyt, hy schijt, hy het lever e geten,1181
 
Hoe dick is hy om zijn kop, 't is best gaat deur als een man,1182
 
Datser goet veur, komt Melis malmongt wilt ghyder an?1183
 
Of ghy ouwe testements aansicht? Of ghy Klaasje Kroonen?1184
1185
Of ghy Pietje Babbelbeck? Hoor hier ghy haperde boonen,1185
 
Die u trouwicheyt by al de wereldt schier uytghestamert hebt,1186
 
Om dat ghy Lijsje met een oor de Stijfster ghekamert hebt.1187
 
Komt hier ghy wyven en ghy weeuwen die garen broeckt,1188
 
Komt hier, daar aan de kroon u eerbaarheyt versoeckt:1189
1190
+Ghy weet wel wie ick mien, al swijghje nou stil,
 
Houtet mijn ten besten dat ick niemandt noemen wil.
 
Komt hier ghy vrijsters, ghy giet-looghens die u verstant tot bedroch met ghekrabbel scherpt,1192
 
Dat ghy u beloften en eden acht als u snottebellen die ghy te grabbel werpt.
 
De werelt is vol valscheyt, daar is gheen trou by oudt of jong,
1195
Ick gheloof gheen menschen of zy hebben hayr op haar tong.1195
[p. 121]
brandemant
 
Ach! goedertierentheyt des Hemels, kundy dooghen
 
Noch langher myne smart met onbeweeghde ooghen?1197
 
Is al de werelt nu dus onghetrouw en vals?
 
Ach! schuyfdy mijn de straf alleen dan op de hals?
1200
Is dat rechtvaardicheyt? 'k En heb gheen mensch ghevonden,
 
Of hy is schuldich oock aan mijn ghemeene zonden:1201
 
Doch ist dat u de wraack aan mijn te doen behaaght,
 
Zoo ist u best (mijn ziel) dat ghy't verduldich draaght,
 
En toont u inde noot, ist moog'lijck, noch blyelijck.
1205
Vertrout de goe Jupijn, hy zal u eer lang lyelijck1205
 
Aanschouwen, en beroert van zijn ghenadicheen1206
 
Afnemen 't swaare jock, by u verdient gheleen.
zeege-heer
 
Ach Prince Brademant! het moyt my uyter maten,1208
 
Dat ick u blakerende onghetroost moet laten.
1210
Al-weter, Hemel-voocht, die 't alles ziet en weet,
 
Ghy weet dat ik te kort de kuyschheyt noyt en deet.
 
Ghy weet, hoe dat ick my in alles heb onthouwe,
 
Laat blijcken deur de kroon de schoonheyt van mijn trouwe.1213
amoureusje
 
Los is de pannekoeck, wel dat is seer goet,
1215
Wat feckzeert my die vreemdelinck zoo op staande voet,1215
[p. 122]
 
Wat ficksen duyvel is dat, hy weetze te belezen,1216
 
Meester Jan smeerten borst en zou zoo knap niet ghenezen.1217
bradamant
 
Ach! alderedelste Ridder, ghebenedijt
 
Zoo zy de ure daar ghy in gheboren zijt!
1220
Mijn Heer, verzeeckert u dat ghy nu mooght ghebieden
 
Mijn zelf, mijn schat, mijn rijck, mijn landen en mijn lieden,
 
In zulcker voeghen Heer, en Minnaar hoogh van aart,
 
Als of ghy wettelijck daar eyghen Vorst of waart,1223
 
Want zonder u en waar mijne pyne niet te slancken.1224
Palmerijn neemt hem op, en doet hem zitten, staan, en biedt stommelling de Kroon de Keyzer.
keyzer
1225
Heer Ridder, vande gift wy u van harten dancken,
 
Ick sweert op s'Princen woort, ick zal de goude kroon
 
By mijn juwelen en dierbaarheen legghen schoon,
 
Doen stellen tot een pronck, voornam'lijck om de waarden
 
Des troutste Minnaars van den ommeloop der aarden,1229
1230
Wiens heusheyt in mijn hof zoo Godlijck heeft verkeert,1230
 
+Dat hy 't onsterflijck ghemaackt heeft en gheeert1231
 
Door zijne waardicheyt, het welck ick wil ghedencken,
 
Dies wy u dese Stadt met zijn behooren schencken.1233
 
Op morghen zullen wy u stellen int bezit,
1235
En ernstachtich ick den God des Hemels bidt,
[p. 123]
 
Dat hem ghelieve u te zeeg'nen en bespraken;1236
 
Ick sweert u by zijn naam u alzoo groot te maken
 
Als d'alderhoochste Heer van mijn gheheele rijck
Hy bedanckt hem stommeling, en vveyghert.
brandemant
 
Grootmoedich Edelman, het waar onbillichlijck,
1240
Dat ick de hooghe deucht die ghy aan my bethoonde,
 
Niet met erkenninghe van danckbaarheyt beloonde,
 
Hoe wel zy met mijn macht niet te verghelden is,
 
Zoo bid ick, neemt van my tot een ghedachtenis
 
Van uwe weldaat groot, vier hondert hackeneyen,1244
1245
En duysent wapens schoon, en zeventhien galleyen,1245
 
En vijfenveertich kleen van de Chineesche kunst,1246
 
Neemt die tot tuyghen van mijn onvermoghen gunst.1247
 
Ick bid u vriendelijck, indien ick't mach begheeren,
 
En wilt dees gaven kleyn toch niet te rugghe keeren.1249
keyzer
1250
Den helt is te beleeft om u te weyg'ren die,
 
Ghelooft dat ick mijn lust aan u verlossing zie.1251
 
Verheughde Brademant, ick ben zo vol vernoeghen,
 
Komt gaan wy ons tot vreught en alle blijdtschap voeghen.
-'t Eerste wtkomen: hoewel de term wtkomen hier wel scène, toneel, zal betekenen, ontbreekt verderop iedere aanduiding van het tweede, het derde toneel enz.
971 Machumet D, E, G Mahomet - 972 ben. Hoe A (en volg.) ben / hoe; Turkeye E Turckerye - 976 komma achter oorlogh volgens G - 979 komma's volgens G - 979 bry A bry / - 980 daghelijcx B, C, G daegh'lijcks; D, E daegh'lijcx - 982 weeuwen manneloos, A weeuwen / manneloos - 985; volgens G
970Van: voor; zalicheen: heerlijkheden.
971haar knecht: hun dienaar.
+D (i)vo
974vooghdye: beheer, heerschappij.
976Het oorlogh: het onz. genus is in de 17de eeuw gewoon; in twijffel stelden: onzeker maakte.
978om hooghe moet: uit trots en eerzucht.
984of: van; 't: nl. vrij.
986't Geluck enz.: de Fortuin is veranderlijk, daarom vraag ik haar niets, stel ik haar niet op de proef.
toneelaanwijzing in G: Den Moorschen Ridder, met twee Schiltknapen, uyt. - 989 komma achter Bran dement volgens G - 993 / achter bewaren weggelaten volgens G - 994 Koninghlijck B Konincklijck; C, D, E, G Koninghlycks - 997, 998 komma achter wapens, resp. Vorst volgens G - 1003 Ethophier, E, G Ethopiter - 1004 komma achter meer volgens G - 1010 aldaar A aldaar /
987Alder-vermaarste enz.: hier begint het tweede toneel van het derde bedrijf.
993vant: vond, bevond.
994ghewout: macht, heerschappij.
996troosten: troostte, te hulp kwam.
1000Na deze groetenis: nadat zij hem aldus begroet hadden.
1001rijcx: rijksgenoten.
1002den Moor: na deze eerste naam wordt de reeks onderbroken door zo blanck, zo gheel als swart, dat terugwijst op ghesanten (vs. 1000) of misschien vooruitwijst naar de volkeren, genoemd in vs. 1003.
1007zijne jonckheyt, nl. die van Brandemant.
1008Waarom: en daarom heeft; de zinsconstructie is eerst die van een bijzin, maar deze wordt in vs. 1012 hervat en voortgezet als hoofdzin; jonghe en weelighe: in het volksboek is zij een jonge weduwe.
1010Wtstack: uitblonk, uitmuntte.
1011 orgentaalsche D, E, G orientaelsche - 1022 verzoeck, volgens E en G; in A-D verzoeckt - 1026 / achter niet weggelaten volgens G - 1028 komma achter ziet volgens G - 1030 haar ontbreekt in A - 1032; achter was volgens G - 1033 komma achter loofden volgens G - 1035 slotpunt volgens G
1012vont: vinding, plan, list.
1015verzoecken: bezoeken.
+D 2 ro
1017volghde: gaf gevolg aan de uitnodiging.
1021verzocht: trachtte te verleiden; oneerlijck: oneerbaar, onbetamelijk.
1023wrochten: deden hun uitwerking.
1024In voeghen dat: zodanig dat.
1026gheschach: geschiedde (oude sterke vorm).
1027houw'lijcksche voorwaard': hier blijkbaar in de zin van: voorwaarde dat er een huwelijk van komen zou; de tegenwoordige juridische bet. was destijds wel in gebruik (zie WNT VI kolom 1347), maar kan hier niet bedoeld zijn.
1028vast ... beslaghen: stevig verankerd.
1032Daar groot verlang aan was: dat noodzakelijk moest gebeuren.
1033op zijn wederkomst: zodra hij terugkwam.
1040 komma achter staat volgens E en G; in A kommapunt - 1041 slotpunt volgens E - 1043 komma achter besweert volgens G - 1044 akelick volgens B-E; in A: akelicx; G akeligh - 1047 interpunctie volgens G - 1052 zijn A zhn - 1055 troutste D, E trouste - 1058 interpunctie volgens G
1037ghestoort: verstoord.
1038hem ... verstont: kende, beheerste.
1040looft: belooft; treecken: listen.
1041Haar onghelijck: het haar aangedane onrecht; ten wille: naar haar wens.
1043en vloeckt afgrijsselijcke doon: en waarover hij vervloekingen uitspreekt die een afgrijselijke dood teweegbrengen.
1044de schimmen enz. in vs. 1044-45 zijn wsch. tezamen object bij besweert in vs. 1043, terwijl op dit alles ook die terugwijst dat subject is bij vielen (zich neerwierpen) in 1045.
1045karacters: tekens, bezweringsformulieren;
1046Wt had hy: hij had de toverwoorden uitgesproken, beëindigd.
1053lyd'lijck: verdragelijk.
1054vervreemt: verwijderd, hem ontnomen.
1055van hem ... neemt: hem afneemt.
1056volseyt, voldaan: uitgesproken en zijn opdracht verricht.
1057Daar hy ... op: zoveel dat hij ervan.
1058spytighe: gegriefde, teleurgestelde; smeken: vleien, vleiende woorden; zant: zond.
1069 slotpunt voor / - 1072 heen B-G uyt - 1073: volgens G - 1075 dat volgens G; in A-C: de - 1078: volgens G - 1079 komma achter Heeren volgens G - 1082? volgens G - 1087: volgens G
1060stracx: direct; reuckeloos: onbedacht.
+D 2 vo
1063wie daar quam: wie hem ook te hulp kwam.
1066wie hem onderstont: wie het waagde hem.
1069de Salmander: de voorstelling dat de salamander in het vuur kan leven, is antiek; zie Plinius, Nat. Hist. X, 67.
1071haars Princen: van hun vorst.
1078haar: hun.
1089maackt u voort: zorg dat u wegkomt.
1091 slotpunt volgens G - 1093 komma volgens G - 1094 / achter vant weggelaten volgens G - 1096 komma achter oorzaack volgens G - 1101 : ingevoegd - 1104 mensch in volgens E; in A menschen - 1105 en 1106 interpunctie volgens G - 1108 de gheen G die geen - 1109 / achter reden weggelaten volgens G
1091zijn volck te haten staan: zijn hele volk gehaat moet worden.
1098verzeeckering: veiligheid.
1099de stapel: een (uitgelezen) verzameling.
1101dat hy komt zonder toeven: laat hem komen zonder uitstel.
+D 3 ro
1104Wat dat enz.: hier begint het derde toneel van het derde bedrijf; blijkens vs 1158-61 en 1181-95 is ook Amoureusje aanwezig.
1105mijne ... schilderyen: mijn beeltenis, mijn gestalte; of: de schildering van mijn lot die gij zoëven gehoord hebt (?).
1107mijn verlaten trou: de trouwbelofte die ik verbroken heb.
1108verswooren eeden: meineden.
1109Op ... past: zich bekommert om.
1110beweeghelijck verdoort: met aandoenlijke woorden misleidt.
1114 daghelijcx B, C dagh'lijcks; D, E, G daegh'lijcks -1121 slotpunt voor / - 1122 / achter hof weggelaten volgens G - 1126 die A-E die 't - 1130 gheroost volgens B-E; in A: gherooft; G. ghetroost - 1131 komma in pl. van punt
1113de trouw die hy ... dede: de trouwbelofte die hij als een eed aflegde.
1114schaft: bedrijft.
1120verzocht: bezocht.
1122luyt-ruchtighe: ver klinkende.
1125tot een proef uytroepen: oproepen om een proef af te leggen.
1128lodderlijcke: lonkende, verlokkende.
1130niest: met prothetische n (uit een of den iest) voor eest, droogvloer.
1140 komma na buyght volgens G - 1141 voor B-G van - 1142 komma achter Heere volgens G - 1147 uitroepteken voor / - 1150 uitroepteken volgens G en ook / aan het eind weggelaten - 1151 komma achter lyden volgens G - 1153 slotkomma volgens G - 1155 Met ontbr. in B, D, E, G - 1156 Ende B-G En
1136magneete: als een magneet werkende, aantrekkende.
1137de ziel van al zijn kracht: de allerwezenlijkste kracht; onthalen: onttrekken, afnemen.
1139ghetaf'reelt: geschilderd, afgebeeld.
1141Godsdienst: goddelijke verering; vgl. vs. 752-762.
+D 3 vo
1146Op: met een beroep op, mij baserend op.
1148by aldien dat: indien.
1150brengdy niet tot niet: vernietigt gij niet, maakt gij geen eind aan.
1152troosten: helpen, genezen; maar: alleen maar, slechts.
1159 ghepist A ghepost; ziemen E, G sietmen - 1163: volgens G - 1167 ontfing volgens C-G; in A en B: ontging - 1168 komma achter deucht volgens G - 1169 / na ghewissen weggelaten volgens G - 1171 komma na bedt volgens G - 1172 noyt bedreef volgens B-G; in A: noyt beminde / bedreef - 1177-80 interpunctie volgens G
1158haghje: eig. stukje; hier:zaak, onderneming; lanst: baas, vent; deur: heen.
1160Komt ... haart: kom nog eens iets zo ongepasts doen; druylen: afdruipen.
1168niet is om verfrissen: niet in frisse groei is te overtreffen.
1170dorperheyt: laagheid, gemene handelwijze.
1171En onbezondicht enz.: en mij aan niemands huwelijksbed heb vergrepen.
1172onminne: ongeoorloofde minnehandel; gurigh: snode (bij onminne), of op snode wijze (bij bedreef).
1176hout: weerhoud, houd stil.
1185 Babbelbeck volgens G; A-E: Babelbeck - 1189-90 komma na hier en mien volgens G - 1192 met ghekrabbel E, G vol ghekrabbel
1178styver: harder.
1179lasters: schande.
1181Hy kackt de kooten uyt: het breekt hem lelijk op; hy het lever egeten: hij heeft zich misdragen, heeft geknoeid; vgl. WNT VIII, kolom 1817.
1182Hoe dick is hy om zijn kop: wat een opgezet (rood) hoofd krijgt hij (van schaamte); of: wat een domoor!; vgl. WNT III, tweede stuk, kolom 2614: een dik hoofd ‘als kenmerk van domheid’.
1183Datser goet veur: net goed! (?); Melis malmongt enz.: hier wendt Amoureusje zich tot het publiek.
1184ouwe testements aansicht: gelaat dat op het Oude Testament lijkt; slaat dit op het joodse; of op het gestrenge van Jehova? Wschl. zoveel als uitgestreken gezicht.
1185haperde: slechte, bedorven (?).
1186uytghestamert: met veel omslag verkondigd.
1187ghekamert: op een huurkamer als bijzit onderdak verleend.
1188garen broeckt: gaarne bij de man zijt.
1189versoeckt: beproef.
+D 4 ro
1192giet-looghens: die leugens ‘giet’, in elkaar zet; ghekrabbel: misschien moet men met ed. Unger gebrabbel lezen.
1195of zy hebben hayr op haar tong: ze zijn voor geen kleintje vervaard.*
1196 komma na Hemels volgens G - 1199 mijn B-G my - 1204 komma's volgens G - 1209 blakerende A-C blaker ende; slotpunt volgens G - 1204 moog'lijck E mogelijck - 1214 pannekoeck volgens E; A-D; panneboeck; seer E seker, G seecker
1197onbeweeghde: onaangedane.
1201of hy is enz.: of hij is evenzeer schuldig aan de algemene zonden die ook ik begaan heb.
1205lyelijck: medelijdend.
1206beroert van: aangedreven door.
1208moeyt my: doet mij leed. Palmerijn spreekt deze verzen blijkbaar in een terzijde, of toelopend op Brademant, zo dat de andere aanwezigen hem niet horen.
1213deur de kroon: door hetgeen ik met de brandende kroon doe.
1215feckzeert: eig. mishandelt (het); hier zoveel als: hoe speelt hij dat zo klaar; my: dativus ethicus.
1218 interpunctie volgens G - toneelaanwijzing na 1224: en doet hem sitten, staan ontbr. in E en G - 1225 interpunctie volgens G - 1227 By myn E, G Daer mijn; dierbaarheen volgens E en G; in A dierbaren - 1231 onsterflijck B-G onsterffelijck; / na gheeert weggelaten
1216ficksen duyvel: handige bliksem.
1217Meester Jan smeerten borst; een historisch persoon.*
1223eyghen Vorst of: de soeverein zelf van.
1224slancken: zwakker, minder maken.
1229ommeloop: omtrek, ganse omvang.
1230Godlijck: in de letterlijke bet.: als een god.
+D 4 vo
1231onsterflijck ghemaackt: er onvergankelijke luister aan heeft verleend.
1233behooren: toebehoren.
1236; voor / - 1237 sweert E, G sweer - 1243 komma na ick volgens G; my B-G mijn; / na ghedachtenis weggelaten
1236bespraken: de spraak teruggeven, weer bespraakt maken.
1244hackeneyen: telgangers, (dames)rijpaarden.
1245wapens: wapenrustingen (?).
1246kleen: kleden, tapijten.
1247tuyghen: getuigenissen, blijken; onvermoghen: onmachtige, tekortschietende.
1249te rugghe keeren: afwijzen.
1251mijn lust ... zie: uw bevrijding met grote vreugde gezien heb.
prepostterug  begin  verder