[p. 124]
tekstkritische noten
Het vierde bedrijf. de Eerste vvtkomste
De murmuratie vande edellieden
-
Philebart, Hereman, Alderecht, VVarenaar
philebart
Ick zie ter werelt toch gheen grooter onghenoeghen,
1255
Als dat hem deze stom zoo stout zich darf vervoeghen
1255
Aan der Princessen zy, 't zy waar zy gaat of staat,
Een vreemdeling op 't naast hem by haar vinden laat.
1257
hereman
Het gantsche hofghezin dat is ghesteurt met reden,
1258
Om de ondrag'lijckheyt zijns dreutscher vryicheden.
1259
warenaar
1260
De dinghen zijn te groot voor een uytheemsche gast,
Die schrickelijck ontzach en gene grootsheyt past,
1261
Dees komt met koenheyt driest den drang der scharen scheyden,
1262
En door de Vorsten trots d'Infante fier gheleyden
1263
[p. 125]
tekstkritische noten
Tot een kleyn achting van de Princen van dit rijck,
1265
Wiens achtbaarhe'en gheschiet te schotzen onghelijck.
1265
philebart
Wat zotterny is dit de Koningen te smaden,
En doen een Bedelaar zoo over veel ghenaden,
Datmen zijn schouders kiest tot harer handen rust,
+
En d'ooghen dat hy die na zijn behaghen kust,
1269
1270
Dit maackt den nar zoo bouwt: dat hy zo dreutsch als prachtich
1270
Zijn kleynheyt noch zijn selfs in' t minst niet is gedachtich.
hereman
Met wat hoogh-draghentheyt en weseloosheyt prat,
1272
Zoo treet hy over dwars grootmoedich door de stadt,
1273
Hy barst van barsicheyt, en van pompeusheyt statich.
1274
warenaar
1275
Wat zouw' den malle gheck, hy is te wanghelatich,
1275
Ick kan niet in hem sien dat my int minst bekoort,
Als zijn alfachticheyt van gheck'lijckheyt verdoort,
1277
Verwaantheyt onghegront: den zot is zo hovaardich,
Dat hy zijn selven acht de grootste staten waardich.
philebart
1280
Voorwaar de vrouwen zijn te grillich van ghemoet,
[p. 126]
tekstkritische noten
Zy kiesen voor de braafst vaack d'alderslechste bloedt,
1281
Die niet een edel woordt noch reden weet te spreken,
Verachten zo de gheen die haar ootmoedich smeecken.
alderecht
Zijn wesen heeft mijn noyt noch nesk of kindts gheweest,
1284
1285
Maar hy dunckt my zo heus, zo aardich en zo abel
1285
Als d'aldergrootste Vorst in 't machtich rijck van Babel.
Ghy lieden spreeckt uyt nijt en bitterheyt des gals,
Of wt verholen haat, of wt u oordeel vals,
Dat van stijfsinnicheyt zoo kroes haar laat verleyen,
1289
1290
Dat het der dinghen aart niet recht kan onderscheyen
Na de behoorlijckheyt en eerbaarheyt vereyscht.
'k Heb in mijn jonghe jeucht ghewandelt en ghereyst,
1292
En heb schier al besocht wat datmen kan besoecken,
In Heeren hoven, en in menschen, en in boecken:
1295
Al ben ick wtterlijck wat slechtjes inde schijn,
1295
Daar aan ist niet te zien hoe wy van binnen zijn.
De Goddelijcke ziel met zijn hemelsche krachten
Die blinckt van klaarheyt inde suyverste ghedachten
Des innerlijcke mensch: daar spreyt s'haar om en tom,
1299
1300
En gheeft haar selven wt, dat blijckt aan desen stom,
1300
Die soo gheluckich als volmaackt in allen deelen
Des lichaams, sprakeloos de herten weet te steelen,
Van d'alderhoochste lien die best zijn opghevoet,
En dringht hem soetjes in het Keyserlijck ghemoet,
1305
't Welck hy niet en bepraat met hoofs en ydel klappen
[p. 127]
tekstkritische noten
En swetseryen licht, maar met de wetenschappen
1306
Die hem de goe natuur bequaem'lijck heeft gheplant,
Niet in zijn school gheleert, maar Goddelijck verstant.
1308
Besiet de schoone man, van boven en van ond'ren,
1310
Ghy sult van lit tot lit ten hoochsten u verwond'ren.
Ziet zijn ghekruyfde kop, zijn voorhooft, zijn ghezicht,
1311
Wat is daar achtbaarheyt en soetheyt in ghesticht,
1312
Wat defticheyt verweent, wat lieflijckheyt, wat vreughden,
1313
En wat een grooten sleep van hondert duysent deughden,
1315
+
Van aansienlijckheyt en van heerlijckheden eel,
Waar van ick gheen en noem om datse zijn zoo veel,
Dat's al onnoemlijck zijn, want zoo'k maar een, ghe roemden,
1317
Ick deed' groot onghelijck zo ick d'aer niet en noemden.
Ziet zijn strijtbare borst, zijn armen grof en swaar,
1320
Zijn leden hoe ghevoet, hoe helder en hoe klaar:
En wat gheswindicheyt van beenen en van handen,
Wat maxcel mannelijck, en wat strijtbare standen,
Wat vasticheyt van tret, onwinnelijck en trots,
Waar hem den krygher zet daar staat hy als een rots.
1325
Dat hy wel werdt ghewilt by Joffers en by Vrouwen,
1325
Dat kan ick haar voorwaar seer wel ten besten houwen,
Want hoe wel dat ick heb gheweest by zoo veel lien,
Zoo heb ick zijns ghelijck mijn leven noyt ghesien.
warenaar
Hy zy dan zoo hy is in schoonheyt uytghenomen,
1330
Ten staat noch 't past hem niet zo stout en vry te komen
By d'alderhoochste vrou.
[p. 128]
tekstkritische noten
philebart
Dat komt den grooten toe,
De Koningen ghekroont, de Princen vanden bloe.
De Vorsten van het Rijck. De hoogh gheboren Heeren.
hereman
En gheen wtlander die met statelijcker eeren,
1335
En adellijcker pracht noch erentfest onthaal,
Zich niet t'erneeren weet met teeckens noch met taal;
1336
Daar toe zijn opghequeeckt de Hartogen en Graven.
alderecht
't Gheslacht en acht ick niet, maar wel de schoone gaven.
1338
Het is een Koning die een Koninglijcke Wet
1340
Zich zelven int ghemoet met goude letters zet,
Wiens Princelijcke ziel de deught zoo heeft verkoren,
Dat hy by 't vollick blijckt een Prins van God gheboren.
Die Hertoch prijs ick meest, die zijn Harts-tochten snoot
1343
Zoo breydelt en berijt dat hy se dwingt of doot.
1344
1345
En dat's de beste Graaf die zijn Graaff'lijcke zinnen
Graveert, en graaft de lust tot goedt en wel doen inne.
De voorste Vorst of Heer en spruyt niet uyt het hof,
Maar die komt waarelijck ons vanden Hemel of.
1348
Daarom ghy edellien, die man is eerst recht adelijck,
1350
Die mijt het gunt zijn ziel is schandelijck en schadelijck.
1350
Ghy spreeckt te lasterlyck van dien wel wysen Heer,
Die inde stijl des hofs en wereltlijcke eer
Ghenoech ervaren is: Al spreeckt hy schoon gheen talen,
1353
[p. 129]
tekstkritische noten
Men zal hem weder niet op looghen-taal behalen.
1354
1355
Noch hy en sondicht niet godlooslijck met de mont,
Zijn woorden die hy spreeckt die gaan hem van de gront,
En van de tong zijns ziels: Hy mompelt inder harten,
1357
't Gheen ander rallen uyt zoo broodt-droncken als darten,
1358
En kuyf'len met de beck de reen zoo wilt en hoogh,
1359
1360
Al waart met een rancket: zo met een sluym'rich oogh
1360
+
En geylheyt van gebaar, met diep en swaar versuchten
Des adems, doch ghemaeckt: waar van de droeve vruchten,
1362
Het welck het maachdelijck en vrouwelijck gheslacht,
Heeft, leyder! te veel ramps en onheyls toeghebracht.
warenaar
1365
Het mach dan wat het wil, hy hoordent hem te schamen,
1365
De dinghen die hy doet hem alderminst betamen.
philebart
De geck is zeecker zot.
alderecht
Ghewislijck hy dunckt mijn
Een man van hooghen staat, ja zelfs een God te zijn.
Binnen
.
[p. 130]
tekstkritische noten
aartsche diana
met haar Staat-dochters op de galderye
Hier op de galdery moet ick my wat verluchten,
1369
1370
En zonnen 't hartje van de dampen van mijn zuchten.
1370
Het wedertjen is zoet, anminnich, zacht en swoel,
Hoe naar by 's Hemels vloer, hoe meer dat ick ghevoel
1372
De hetten vanden dach, en niettemin ick zidder
Als ick ben by mijn Son, mijn nieuwe lief, mijn Ridder,
1375
Die heymelijck op mijn zijn jonst zoo heeft gheleyt,
Dat hy verkreegh tot eer de kroon der trouwicheyt.
Ach alderkuyste helt! indien my waar ghegeven
Zoo veel schoonheyts als u, ick trotsten al die leven
1378
In ghelijck aardicheyt, in zinlijckheyt, in min,
1379
1380
Waar in ick mijns ghelijck op aarden niet en vin.
De Zon sal nimmermeer geen trouwer twee beschynen,
Noch reyner liefde in de Wereldt moghen vynen.
1382
Maar een ding quelt my, troost! dat's dat ghy u gezicht
1383
Afkeerich van mijn treckt, en slatet op mijn Nicht,
1385
Die breyneloos vergeckt haar niet en weet te dragen,
1385
Maar wttert ongheveynst daar af haar wel behaghen,
1386
Tot mijn leetwesen, ach! ick sach het lestmaal an,
Ick voelden 'k weet niet wat, dat ick niet segghen kan;
Die kranckheyt is by mijn, 'k mach om mijn bloedt niet lyen
1389
1390
Dat yemant my mijn lief zou diefs ghewijs ontvryen.
Neen Aardighe, dat's niet, dat zal niet meer gheschien,
1391
Ick moet daar in in tijdts voorsichtichlijck versien.
[p. 131]
tekstkritische noten
't Ghewoonelijck ghelaat van mijne gunst verleden,
1393
Dat heb ick zints verruylt aan dreutsche mydentheden:
1394
1395
Ick sal u vallen hart en moeyelijck, ick sweert,
Tot dat ghy vol van spijt na u Heer Vader keert,
Zoo mach ick vry en vranck en onbekommert wesen.
Lucretia brenght mijn boeck, ick ben belust om lesen.
Amoureusje en Moersgoelick
amoureusje
+
Ach Moersgoelick! ick ben zoo verlieft dat ick van smart swiet.
1399
moersgoelick
1400
Ach! vaar, bijntet beneen jou kousebant, zoo slatet om u hart niet:
1400
De liefde is een eungier ding, het loopter een deur zijn bloedt
1401
Ghelijck als de popelcy, of als quicksilver in een hoet.
1402
amoureusje
Ach mijn lenden! is dat gicht? Ick soumen wel root kryten.
1403
moersgoelick
Ja kijnts, als een mensch veegh is, een luys zou hem doot byten.
1404
[p. 132]
tekstkritische noten
amoureusje
1405
Och mijn Jaapickje! gaat van mijn hartjen of ick swijm.
Nou ick verlieft bin, Moersgoelick, nou doe ick alle ding op rijm:
Ic eet op rijm, ic drinck op rijm, ick slaap op rijm, ick droom op rijm, zeper buysje,
1407
Ick pis op rijm, ick kack op rijm, drie dreuteltjes netjes in een peperhuysje.
1408
Ick snuyt op rijm, ick vijst op rijm, perfeckjes met een snaars,
1409
1410
Sonnetjes, trompetjes, en klinckertjens, en stinckertjens met mijn naars,
1410
De luy verwongd'ren heur dat ick zoo op rijm snacken kan.
1411
moersgoelick
Ten is niet vreemt, de liefde en die kunst comen een mens als kacken an.
Wy hebben een dienstmeyt, een ammeraaltje in onse buurt,
1413
Ja die rijmt alle lietjes van afteren als sy staat en schuurt,
1415
Zoo propertjes, zoo fijntjes, schijt Dichters, schijt Druckers, schijt setters,
1415
Zy schijt incarnatien, kreeft-dichten, al zonder letters,
1416
Maar met Hebreeusche karacters, heur hempt is zo dicht vermaalt
1417
Met eylantjes, op een Oostindische kaart, ic en weet niet waerset haalt.
1418
Dat's wat mier als mient, zy slacht Jan Bruynen neus.
1419
amoureusje
1420
Zy mocht de duyvel, wat sac is dat?
1420
[p. 133]
tekstkritische noten
moersgoelick
Ja, maar s'is Amoreus,
En als die mallicheyt wat heftich in een moye vrijster is,
Zo dichten zy nacht en dach zo lydich dattet te bijster is:
1422
En als ghy't van haar hoort ofgaan, 't gaat offer een goddin spreect.
amoureusje
Wel dat is tovery, wie duyventer of het heur in steeckt?
1425
Heyntje man met zijn peck-stock is toch zo veel mans niet.
1425
Dat moet werentich een veugel wesen die Hans hiet,
1426
Want die Hansen en die Francen die dichten als de droes.
Ach! ick ben zoo Amoreus op een excellente kroes
Met nieuwe rijnsche wijn, so besucht dattet wongder is,
1429
1430
En op een goet lecker bancket, dat wel helfte ghesongder is
1430
Als een pongt schot-spijckers en laskysers in mijn maach,
1431
En zo duysent duyvels verlief ick alle dommelijcke daach.
Ick segget by mijn manne waarheyt dat de liefde een groote last is,
1433
Want mijn darmen kryten als mag're verckes alsmen backes niet te gast is,
1434
1435
En mijn zinnen rasen en werden lancx hoe woesters,
Zoo ben ick verlieft op raf, op rekeling, op kavyaar, op oesters,
1436
Op sweeserickes, maer 't gheen my meest bekoort
+
Dat is een kapoen zo hy rijt en zaylt, ghelaarst en ghespoort.
1438
[p. 134]
tekstkritische noten
moersgoelick
Zo moet ghy hier niet wesen, gaat daar vry eten daarse te coop zijn.
amoureusje
1440
Of hier gheen ouwe Hoender eters onder den hoop zijn?
1440
Neen, zy zijn al inde kroegh met de neus int nat, of in de kaatsbaan.
Och ick ben so verlieft Moersgoelick, ick can niet vande plaats gaan.
Neen moer, 't is hier een vaan, die gaat die gaat.
1443
moersgoelick
Ick beveel hem de wacht, niet te verlossen, die staat die staat.
1444
zeege-heer
1445
Ach waarde Margareete!
1445
Ick can u niet vergheten,
Mijn hart is te ghetrou,
Ick min een doode vrou:
En zalse eeuwich minne
1450
Met hart, met ziel en zinne.
amoureusje
Datsen geck, hy loopt met den Aap zo waar as ick hier sta,
1451
Een doo vrouw', ick wouse niet hebben al liep zy mijn na
Drie maal om de Heylige-stee, en eens op het Kerck-hof:
1453
[p. 135]
tekstkritische noten
Ick ben mee wel een poosje Amoreus, maar ic heb daar geen werc of.
1454
zeege-heer
1455
Ghy zijt al doot gheweest
Drie Jaar maar in mijn gheest
Zoo zult ghy eeuwich leven.
Hoe zoud'ick haar begheven,
Die steets in mijn ghemoet
1460
Haar aanschijn toont zoo zoet?
Dat ick in mijn ghedachten
Gheen mensch die leeft can achten:
'k En hebt oock noyt ghedaan,
Noch zal niet licht bestaan
1464
1465
Een ander lief te trouwen.
Hoe wel Dochters en Vrouwen
My (onberoemt) doen zien,
1467
Meer jonst als ick verdien,
Of immer can verdienen.
amoureusje
1470
Gants lyden speciaal, ghy mocht mijn jou backis wel wat lienen,
1470
Want ick heb een aanzicht en een graci as Hazemoers kijnt,
1471
Want als my de mallemerocken en vrijsters zien zoo loopense inde wijnt.
1472
zeege-heer
Nu zal ick stommeling groeten,
En vallen voor de voeten
[p. 136]
tekstkritische noten
1475
Van s'Keysers liefste kindt,
Die my, zoo 't schijnt, bemindt:
Die mijn wel zou behaghen,
Indien ick min kon draghen,
Maar zeeckerlijck haar Nicht,
1480
Die doet mijn door 't ghezicht
1480
En lieffelijcke wercken
Noch hoogher dinghen mercken,
Hoe wel 't mijn noyt beviel,
+
Want 't zedert dat mijn ziel
1485
Margreta heeft verkooren,
En heb ick noyt verlooren
Haar lieve beeltenis,
Dat mijn zoo weerdich is,
Dat ick om harent wil grootmoedich zou versmaden
1490
Goddinnen, zose my tot haarder minnen baden.
Aardighe en Palmerijn
aardighe
+
Al waar ick zoo bemint van d'algoedighe Goon,
1491
Dat zy aan my te schenck, o schoone Ridder, boon
+
De scepter en de kroon van Hemel en van Aart,
Zy waren zonder u, mijn gheen spoogh-water waardt.
1494
1495
Al waart dat d'Opper-vooght van 't hoogh en heylich rijck,
1495
My in zijn grootheyt hem wou maken gantsch ghelijck,
En ick u moest, mijn lief! hier laten in't ghequel,
1497
Wat sou den Hemel my zijn anders als een hel?
[p. 137]
tekstkritische noten
En waart dat ick alhier moght dwinghen met ghebodt,
1500
En heerschappyen al de volcken dol en zot,
Doch sonder u, ick souw het wereltlijck ghebien,
Groothartich van ter zy niet willen eens aansien.
1502
Al wat een redelijck mensch met oogh of hart oyt zagh,
Of wat zijn rijck verstant bedenckt of wenschen mach
1505
Om te besitten hier, of namaals uyter tijdt,
1505
Dat acht ick sonder u veel min als nietten mijdt,
1506
Maar als ick mach, mijn Prins, by u zijn onbevreest,
Zoo voel ick mijn zoo rijck en wel vernoecht van gheest,
Dat ick versmijt en puf de doot en 't wreet gheval,
1509
1510
Want in u zieltjen is mijn hemeltien en al.
Maar of u schoon mijn zinnen,
Oneyndelijck beminnen,
Zoo heeft de jalousy,
Een wreede wrock op my.
1515
Mijn Nicht, die my voor desen,
1515
Zo vrientlijck plach te wesen,
Die thoont my inder daad
Nu niet dan alle quaadt,
Met woorden en met wercken,
1520
Dan ick en wilt niet mercken,
1520
Als zy mijn al wat zeydt
Ick gheef haar gheen bescheydt.
Want beter ist ghesweghen,
Als ergher noch ghekreghen,
1525
Zy maken't vaak zoo grof,
Dat ick my wt het hof
Wel dickwils denck te gheven,
1527
Maar wat? ick kan niet leven,
[p. 138]
tekstkritische noten
O Ridder zonder u!
1530
't Is om ghekomen nu.
1530
't Roer van mijn zinlijckheden,
En luystert na gheen reden,
Ick gheef my vande ree,
1533
Laas! in een dolle Zee,
1535
Wiens zorghelijcke baren,
Zijn ancxstich te bevaren;
Zoo 't scheepje strant oft stoot,
Mijn voor-landt is de doot.
+
Ick ben ten eynde rade,
1540
Ick pas op schand' noch schade,
1540
En of mijn Nicht met spijt,
Myn liefde my benijdt:
Noch heb ick voorghenomen,
Tot mijn opset te komen.
1544
1545
Dus ga ick andermaal,
De Keyserlijcke zaal
1546
Met droefheyt nu bewand'ren,
Ach mocht mijn zin verand'ren!
Princesje u beraat,
1549
1550
Bedenckt dat ghy bestaat
1550
Zoo schandelijcke dinghen:
Ick kan my niet bedwinghen,
Met wijsheyts toom noch wet,
Ick moet my op het bedt
1555
Een weynich neder zetten,
Och kon ick toch beletten,
Mijn zotheyt en de lust,
Die mijn zoo seer ontrust.
[p. 139]
tekstkritische noten
amoureusje
De vrou gingh na haar kamer, de Lantsknecht volghde na.
1559
1560
Dat's braaf, ick wet by mijn Jan Oom dat zy t'samen zullen spelen pick oli graaf,
1560
Of Symen de liever de laver de bock,
1561
Hoe veel hoorens staander achter op.
Wat ghebrabbel heb ick hier, spelen dit de rijcken?
Ick wil aan dit spel een paartje wel verkijcken.
1564
aardighe
1565
Mijn kleene vrientjen, ach! mijn waerdich wel behaghen
Mijns ziels! wilt desen ring tot mijner eeren dragen,
Op dat ick u, mijn hart! daar aan in't zeecker ken,
1567
Dat ick de dienares van uwe hoocheyt ben.
En zijt verseeckert, Heer, dat ick beneffens desen
1570
Zoo zeer den uwen ben als ick mijn plach te wesen.
Zoo u ghenade my die deught en wellust doet,
1571
Dat ghy met mijn vertreckt, mijn alderhoochste goedt,
In mijn Heer Vaders hof en Princelijck ghebouwen,
Ick zal gheen ander man van al mijn daghen trouwen,
1575
En ick die zal u doen de diensten en de eer,
Die yder schuldich is zoo deughdelijcken Heer:
Die meer te lieven zijt als 't gheen wy liefden heeten,
En die wt liefden my mijn plicht my doet vergheten.
Helaas! ick ben te stout, de jonst die ick u draagh,
1580
Die maackt my dat ick, laas! na eer noch schant en vraagh,
In dier manieren, lief, dat ick u moet verklaren
Yets, dat ick nau in't vry mijn selfs derf openbaren;
Daerom, mijn soeticheyt, hebt deerenis met my,
+
En met den brandt die ick om uwen't wille ly.
[p. 140]
tekstkritische noten
amoureusje
1585
He wel, wat rijt my de meyt, zy steeckt hem aan de hant,
1585
Met alle lieffelijckheyt, een schoone diamant.
1586
+
aartsche diana
Staat-dochters gaat ter zy,
1587
Wat zoo, nu ben ick vry,
1588
Ick ben al wars van 't lesen,
1590
Maar immers wat macht wesen?
Ick kan't niet wel verstaan,
Mijn Nicht is voorghegaan,
En hy volght op haar hielen,
Dit raackt my totter zielen,
1595
Ick krijgh een quaadt vermoen,
Ick moet zien wat zy doen.
Ick zal my hier verduyst'ren,
1597
Om alles te beluyst'ren.
aardighe
Och eenich onderhout en zieltje van mijn leven!
1600
Nadien de Goden ons tijdt en bequaamheyt gheven,
1600
Om vryelijck de gunst te thoonen van 't ghemoet,
Zoo bid ick dat ghy my maar die genade doet,
Dat ghy mijn, o mijn vreucht! die weldaat laat ghenieten,
1603
Want zonder dat mijn ziel het leven moet verdrieten.
1604
aartsche diana
1605
Wat onbeschaamtheyt, ach! zy kust hem aan de wang.
[p. 141]
tekstkritische noten
amoreusje
Alzoo mijn moer, raak wat, wel dat duurt vry wat lang.
1606
Waar ick as ghy, Princes, ick zouwer niet uyt scheyen
In een maant vijf zes, en mijn stirredom tusschen beyen.
1608
Hy loopt e wech, ten lijckt niet, wat Joseph is dat?
1609
1610
Ick zout warachtich niet weygheren datse my eens badt.
zeege-heer
Ach mijn Margareete! ach mijn trouheyt is zoo groot!
Dat ick d'onkuysheyt haat ghelijck de felle doot.
aardighe
Hou reyne Ridder hoort!
zeege-heer
Waar toe ben ick ghekomen?
aartsche diana
Niet zonder oorsaack Heer, zoo hebdy afghenomen
1615
De kroon van Brademant, want u oprechte trou
Is grooter als de lust van dese gheyle vrou.
Maar schaamteloose maaght, ick sweert, ick zal 't zoo maken,
Datmen u straffe na ghelegentheyt der zaken:
Want ick zal openbaar doen kundighen door't lant,
1619
1620
De oneer schandelijck daar ick u op bevant.
1620
Hy knielt en bidt voor Aardighe
.
[p. 142]
tekstkritische noten
Zulcx datmen nimmermeer zal u aensien en houwen,
Als voor de vuylste Hoer van d'alderlichste vrouwen.
Ach edel Ridder rijst! ick sweert u op mijn eedt,
+
Dat ick mijn Nicht om u zal doen het minste leet.
1624
Hy bedanckt en gaat
.
amoureusje
1625
Gaat heen ghy laffe guyl, gaat heen ghy bloote Jorden,
1625
Zou ghy't wel weygheren, vryer, dattet jou ghevraacht worden?
Datset my verghden, ick zeghje dat, al ben ick van dat evel niet zieck,
1627
Ick zou dat Casteel bestormen al had ick maar een halve pieck.
1628
aartsche diana
Maar wilde woeste bles, wat hebdy derren peysen,
1629
1630
Dat desen Ridder zou om uwe schoonheyt reysen
Wt ons groot machtich hof in u Vaders ghebiedt?
Ach arme sottinne! wel wat en denckt ghy niet?
Van waar is u 't ghedacht zoo over dwars gheresen?
1633
Daar toe zoo hebben wy den helt te veel bewesen
1634
1635
Dat hy u volghen zou, u hoop en heeft gheen schijn,
1635
Doch zoo ghy't waant, ghy zult verr' van u gissing zijn:
Want al ist dat ghy hem schoon t' uwent zoeckt te throonen,
1637
Om met een staat van eer zijn waardicheyt te loonen,
[p. 143]
tekstkritische noten
Zoo can ick in een dach hem doen wel zoo veel deught
1639
1640
Als ghy in duysent Jaar in't minste niet vermeught.
Ick hadde noyt ghedocht dat in een borst hoogh-aardich
1641
Kon zijn zoo onbeschaamt een stoutheyt, zoo lichtveerdich
Dat my grouwelt. O schant! een maaght, een ted're maaght,
1643
Een man, O lelijckheyt! tot vuyle minnen vraaght.
1644
1645
Hay! o! 't is te eereloos! ick achten u de vroomste
Jonckvrou. O 't is een smet in u hooghe afcoomste
Die ghy niet waardich zijt, en denckt niet dat ick lien
Van die baldadicheyt mach in mijn selschap zien.
1648
Daarom verziet u stracx, en wilt te rugghe tyen,
1649
1650
Want ick sodanighe niet langer hier mach lyen.
Zo ghy zulcx had in t'zin, waarom bleefdy niet t'huys,
En blusten met u knechts u weeld'richeyt onkuys?
Of waardy meer belust de Keyserlijcke zalen
1653
Te verontreyn'ghen hier met u snoode schandalen?
1655
Ghy hebt u zelfs helaas! toch al te cleyn gheacht,
1655
En al te weynich oock het doorluchtich gheslacht
Van u maachschap en bloedt, daar ghy aan zijt verwant:
Noyt quam die grofheyt my eens vallen in't verstant,
1658
Dat een Edele maaght, van Koninglijcken zaden
1659
1660
Alzo beyv'ren zou haar eyghen schant en schaden.
1660
O dit's te tuchteloos voor een Princes van staat!
't Waar quaadt ghenoech waart ghy een vodde vande straat,
Of een ghemeene vrou van onghebonden zinne.
Verziet u en vertreckt. Wel aan, ick ga na binnen.
1664
[p. 144]
tekstkritische noten
aardighe
1665
O Goden dat's een spijt! 't is wonder dat mijn hart
Niet uyt het lichaam barst zo pynicht mijn die smart.
Nu ick mach inden hof een weynich my vermaken,
1667
+
Zoo 't mogelijck is dat ick aan lichtenis can raken.
1668
amoureusje
Gaat heen Lijs-drijts, gaat heen, ghy hebje gat welle schraapt.
1669
1670
Nou ick mach oock gaan, ick heb hier langh ghenoech egaapt.
1670
hereman
O wonderlijcke Goon! wat aartsch vernuft sal ramen
1671
U onbegryp'lijckheyt? de Hemelsche lichamen
Die zijn zoo sonderling van krachten en van aart,
Ghelijck de scheps'len zijn die ghy zoo seltsaam baart,
1674
1675
Datter van duysenden gheen twee zoo lijck ghelijcken,
Of daar sal hier of daar wat onghelijckheyts blijcken.
1676
't Zy in ghedaant of form van lichaam, en van gheest,
Verscheelen al ghelijck meest alle menschen meest.
Want d'een is wilt en woest, en d'ander is ghelaten,
1678
1680
Even en alleleens zoo gatet met de Staten
1680
Des werelts, d'eene mensch die rijst van staat tot staat,
Daar d'ander inde dreck van arremoet vergaat.
Den een die leeft in vreught, vernoeght en wel te vreden,
Daar d'ander stadich sucht om zijn rampsalicheden;
[p. 145]
tekstkritische noten
1685
Ghelijckerwijs als ick doe in mijn druck en pijn,
Maar alst u zoo ghelieft ist best lijdsaam te zijn,
En met gheduldicheyt u wille te verdraghen,
Tot dat u goetheydt zal mijn droefheyt eens wanhaghen,
1688
En sachten eens mijn smart met een onsegg'lijck goedt,
1689
1690
Dat is dat ghy beweeght mijn Aardiges ghemoet,
Dat het toch buychsaam zy, en dat sy met melyen
Eens noosselijck aansiet mijn over droevich vryen,
1692
Dat sy tot noch helaas! afwysich heeft versmaat.
Ach! Hereman, ziet op: Ziet waar zy ginder staat.
1694
aardighe
en Hereman
1695
Hoe prangt mijn het verdriet, de spijt en het beschamen
1695
Van mijn vervloeckt versoeck: dees Moorders stooten t'samen
My vanden top des achtbaarheyts daar ick op stont
Noch stracx. Nu leydt mijn eer, ach! in een helschen gront,
Laas! in een ooghenblick begaan wy zo veel snevens
1699
1700
Als niet te beteren is met hondert duysent levens.
Ach! had ick wel bedacht het endt eer ick begon.
hereman
Wat sware nevel deckt het schijnsel van mijn Zon?
Wat wollick mach zoo drist wijt luftich hem verdwalen,
1703
Dat hy belemmert, lief, de klaarheyt van u stralen?
1705
Mijn jammert dat ick u, mijn silver schoone Maan,
Zoo dampich en bedompt van droefheyt moet zien staan.
1706
Wat is de oorsaack doch? Hoe wendy zoo u stantjens?
1707
Wat draaghdy Troosje, zeght, in u snee witte hangtjens?
[p. 146]
tekstkritische noten
+
aardighe
Beleefden Edelman, het is de schildery
1710
En het afbeeltsel van het ghene dat ick ly,
Want zoo de sachte zy zeer streng'lijck hout ghebonden
Dees bloempjens die'ck met lust heb inden hof ghevonden
Zoo houwt den bandt des mins behaag'lijck zoet in mijn
Verstrickt en dicht ghevoecht de smerten die daar zijn.
hereman
1715
Maar dese bloempjens, lief, seer schielijck licht verdwynen,
1715
En eeuwich duren, laas! d'oprechte Minnaars pynen.
aardighe
Dat's waar, sy dorren haast, maar d'aarde brenght vol gloor
1717
Zeer weeld'rich alle daagh daar varsche nieuwe voor.
Zoo ist oock in de min, komt een smertje te sterven,
1720
De vruchtb're liefde doet u thien daar voor verwerven.
hereman
Maar die voorteeling daar ghy zo beknopt of roemt,
1721
Die is niet inden bandt die ghy my hebt ghenoemt.
aardighe
Ghelijck als dese bandt dit bos hout by men kander,
Zoo kan zy anderen oock wel houden aan den ander,
1725
Alzo hout oock den bandt der minnen streng en kort
De nieuwe droefheyt die door haar gheboren wordt.
[p. 147]
tekstkritische noten
hereman
Ach edele Princes! u lust van 't spoor te wijcken,
Want hoe kundy een bloem by yemants smart ghelijcken?
Daar alle bloempjens zijn behaghelijck en soet,
1730
En alle quellen zijn onlusten voort ghemoet.
1730
aardighe
De dingen, quaadt of goedt, die van beminde komen,
Die werden al voor zoet in 't zuycker opghenomen
1732
By ware lievertjes, die d'aldergrootste pijn
1733
Veel aanghenamer is als dese bloempjes zijn.
1735
Mijn Maachden, zydy daar? gaat, wilt mijn bedde spreden,
1735
Want ick ghevoele my seer qualijck in mijn leden.
Met oorelof mijn Heer, ick ben niet wel te pas.
hereman
Princes, het is mijn leet, ick wilden't beter was.
Sy gaat binnen, en komt daar na vveder uyt
.
aardighe
Godlijcke rymery, die met den May der Jaren
1740
Mijns jeughdelijcken tijdts zijt steelwijs wech ghevaren:
Laat nu mijn herrefst toe dat zy in vaarsen zinght
Het parsent herten-leet dat ziel en lijf bespringht;
1742
[p. 148]
tekstkritische noten
Mijn nakent eynde komt met groote schreeden stappen,
Waar toe zo las ick oyt de Griecksche wetenschappen,
1745
Ende gheleertheyt vanden kloecken Arabees?
1745
+
En al de kunsten van de schrand're Chinees?
Om praatjes yl? O neen, maar om dat ick door lesen
1747
Heb mijns selfs nut, en een ander sticht'lijck mocht wesen.
1748
O
sapho
! u ghedicht dat wispelt in mijn zin,
1749
1750
En 't juytert mijn de galm van desen inhout in.
1750
Sy zinght dit volghende Liedeken
.
O Maachden die met wond'ren ziet
1751
Mijn verdriet,
Mijn woorden 't martelend'lyen,
Dat nu pynicht mijn ghemoet,
1755
Is mijn zoet,
Door mijn ongheluckich vryen.
Ghelijck de wilde witte Zwaan
Doet verstaan
Hare doot met droevich zinghen,
1760
Zoo queel ick nu oock uyt noot
Van mijn doot,
Door zijn dreutsche weygheringhen.
1762
Het quaadt dat my steets knelt en knaaght,
En dus plaaght,
1765
Is van zijn schoonheydt ghecomen,
[p. 149]
tekstkritische noten
Doch de quelling van mijn zin
1766
Heeft begin,
Wt mijn trouwicheydt ghenomen.
De lust tot zijn ghekroonde deught
1770
Drong mijn jeught
Om zijn vroomheyt te beminnen,
1771
Die mijn toch zoo wel beviel,
Maar zijn ziel,
Is te koel en kout van zinnen.
1775
Wat ick hem treck, wat ick hem troon,
Tuych en toon,
1776
Met ghezichten en met zuchten,