terug  begin  verderprepost
[p. 164]

Het vijfde bedrijf. Eerste vvtkomen

aartsche diana, Seege-Heer, voor de ledekant
 
Ach! mijn ghetrouwe vriendt! wat een verradery2006
 
Dorst mijn zaligher Nicht ghebruycken teghens my.
 
Mijn tweede lieve ziel! Mijn ander ick, beminde!
 
Ach! of de goede Goon u tong wilden ontbinden,2009
2010
Wat vreughde zout my zijn! Mijn kleyn hartje, waarom
 
Zydy zoo sprakeloos, zo stock-stil en zoo stom?
 
Ghy hoort mijn menichmaal mijn liefde wel ontdecken,
 
Maar wat ist? Ick en kan gheen antwoort van u trecken
 
Ghelijck ick wel begheer. Ghedenckt u niet het goedt
2015
En die weldaden die u off'ren mijn ghemoet?
 
Inzonderheyt mijn jonst die ick zoo vierich stelden.2016
 
Ach! zult ghy dan de deught en heusheyt niet vergelden?
 
Dat waar teghen den aart van een beleefde ziel,
 
Daar noyt de smette van ondanckbaarheyt op viel.
2020
O pronck vande natuur! o staal der Edellieden!2020
 
Ziet wat ghelegentheyt u tijdt en plaatse bieden:2021
 
Ghebruycktse tot u nut, u zelven wat verkloeckt,2022
 
Bestraft u traacheyt groot, aanziet wie u verzoeckt.2024
[p. 165]
zeege-heer
 
Ach wat bekooring, ach! ontzet my Heer der Heeren.2024
Hy vviist met ziin tvvee vingers, met ziin voeten, daarna met een slappe hanghende handt.
aartsche diana
2025
Ick mach by den Propheet, by Machomet, wel sweeren
 
Dat deze stommen droes een mensche is in schijn,
 
Om weder waardelijck mijn temteerder te zijn;2027
 
Nadien dat hy versmaat met hovaardighe zinnen,
 
't Gheen dat veel Princen groots wanhoopelijck beminnen.
2030
Arabische Vorsten, ziet hier mijn rechte loon:
 
Ick weygher u, hy mijn, dat doet mijn duysent doon.2031
Sy gaat legghen op de koetse.
zeege-heer
 
U zy veel grooter danck als ick kan maken kondich,2032
 
Ghy doetet groote God dat ick my niet bezondich
 
Aan de wellusten van het weelich dertel vleys,
2035
Dat mijn menschelijckheyt bespringt van reys op reys.2035
 
Ghewoone tockeling maackt mijn ghemoet stantvastich,2036
 
+Dies dult ick oock mijn strijt ghewillich en onlastich.2037
 
D'Infante is ghesteurt, 't is best dat ick vertreck,
 
Eer ick haar gramschap meer tot toornicheyt verweck.
2040
Gheterchde razery maackt dolle menschen heftich,
 
Maar hoe? ist moghelijck dat een Princes zoo deftich2041
 
En Goddelijck bedeelt, dat Asia daar op bromt,2042
[p. 166]
 
Tot zulcken stouticheyt van onbeschaamtheyt komt,
 
Dat zy met onvertzaacht en al te dert'le zinnen
2045
Een vreemdeling verzoeckt tot onghebonde minnen:
 
Daar de nature heeft het vrouwelijck gheslacht,
 
Tot alle eerbaarheyt en kuysheyt voort ghebracht?
 
De zinneloose lust die wy ons inne beelden,
 
Die is van grooter kracht als zelfs de vlugghe weelde2049
2050
Die schielijck van ons vliet wanneer zy is getemt,
 
Waar zy 't verstant beweeght wert reden over-stemt:
 
Die God zy danck, die mijn zo wel heeft begh'nadicht,
 
Dat ick volkomen ben ghetuchticht en bezadicht.2053
aartsche diana
 
Wat grooter smaat is dit? Mijn bloedt koockt in mijn borst!
2055
Ick hing den trotsert op, dat ick van schaamten dorst.2055
 
Versmader! ben ick dan zo lelijck en onaardich,2056
 
Dat ghy mijn niet en acht u troetelinghen waardich?2057
 
Ellendighe! nu ghy ghekomen zijt tot yet
 
Door mijn, nu acht ghy mijn noch al mijn wel doen niet.
2060
Door wien zydy, o bloedt! tot hoogheyt doch gherezen?2060
 
Wat zoudy, arme mensch, zonder mijn hulp doch wezen?
 
Wie een landtlooper helpt, een hanghe-bast verschoont,2062
 
Die wert end'lijck van haar met alle quaadt gheloont.2063
 
Ach almachtighe Goon! hoe mooghdy doch toe laten
2065
D'ondanckbaarheyt, die ghy als grouw'lijck plach te haten?
 
Vervloeckte stommen boef, ghedenckt u niet, o fiel!2066
 
Dat ick u leven met mijn voor-bidden behiel?
 
Ghedenckt u niet, o guyt, dat ick u heb doen vinden
[p. 167]
 
Ghenade, heul en heyl, by Vader en by Vrinden?
2070
Ghedenckt u niet, o schudd', dat ick u heb ghebracht2070
 
In zulcken weerdicheyt, datmen u meerder acht
 
Als zelfs myn eyghen Broer? Ick zal u wel doen heughen
 
Wat onbekenzaamheyt en vrouwe haat vermeughen.2073
 
O schuymzel der schepsels, u beestich snoot ghemoet
2075
Erkent de eere niet diemen uyt heusheyt doet.
 
Ick zal de bittere spijt van't schotsche weyg'ren wreecken2076
 
Zoo dapper, datmen daar zal weten af te spreken.2077
 
Hoe macht u van 't hart, Aartsche Diane, dat
 
Ghy dus schamper beschelt, die ghy lief hebt ghehadt?2079
2080
+Die ghy lief hebt ghehadt niet als de lichte vrouwen,
 
Die yder lieven en gheen zinlijckheyt en trouwen;2081
 
Maar als een schoone ziel, in welcken blijft gheprint
 
De liefde van het beeldt die het onentlijck mint,2083
 
Want minne die wij haast en licht veranderen konnen,
2085
Die houd ick voor gheveynst en niet oprecht begonnen.
 
Alderbraafste man, al schijn ick nu zoo quaadt,
 
Ick gun u meerder goets als ick u mercken laat:
 
Mijn brallert, 't was mijn schult, ick was te wanghelatich,2088
 
U deg'lijckheyt vernoecht veel meer een aanschijn statich,2089
2090
Dan wuftheyt weeseloos, dan ooghen propte vol2090
 
Van ritsche geylicheyt en heete luste dol.2091
 
O goude maticheyt! t'zints ick u heb begheven,2092
 
Verloor ick laas de kunst van wel te konnen leven.
 
Wanneer de red'lijckheyt des ziels verbannen werdt,
[p. 168]
2095
Zoo loopt voor ballingh-slants de eerbaarheyt van 't hert.2095
 
O toomeloos ghemoet! hoe komt my staach op steyg'ren2096
 
De bitterheyt des smaats van 't alte dreutsich weyg'ren:2097
 
Wtheemsche laffe mens, duur zal de hooghmoet staan,
 
Die ghy hebt aan een vrou, een groote vrouw' begaan.
2100
Maar hoe? zoud'hem mijn ziel doch immer konnen haten?
 
't Is my niet mog'lijck om gram my te ghelaten;
 
Maar ick beklaagh ghelijck u zotheyt en de mijn,2102
 
Hy wil niet daar hy mach zoo groot en machtich zijn.
 
O blootheyt zonder gront! u meerder komt u vryen,
2105
'k Heb met u slapheyt en mijn dwaasheyt medelyen;
 
Hoe dat hy mijn meer hoons, meer trots en quaadts aandoet,
 
Hoe ick hem liever wil, en wensch in mijn ghemoet.2107
Binnen.
De Keyzer, de Negreensche bode. En dan Amaran Prince met zijn vier Broeders, gewapent, uytghenomen de helmen en hantschoenen.
amaran, Prince van Nigreen, komende onder uyt van 't graf van Aardighe, en gaat na de Keyser.
 
Daar leyt mijn hoop, helaas! daar leyt mijn uytghelesen,2108
 
Daar ick int leven noyt eens by heb meughen wesen.
2110
Betreurelijcke doot! te luttel ist gheluyt2110
 
Mijns lichaams, om mijn druck te recht te brommen uyt.2111
 
O Hemel! wat de mensch voor vast hem gaat voorsetten,2112
 
Dat kunt ghy met een winck een ooghenblick verletten.
 
Ach mijn beloofde Bruyt! wat laat ghy mijn al druck,
[p. 169]
2115
Ach! door u en door mijn t'onverwacht ongheluck.2115
 
Lichtvaardighe Fortuyn, hoe hebdy niet ghegeven,2116
 
Dat ick haar eensjens zach int waarde lieve leven?
 
Ach schoonheyt wonderbaar! een zond' meer als ghemeen
 
+Heeft hy begaan door nijdt van uwe Godlijckheen,
2120
Die onverdient en wreet u 't leven heeft ghenomen.
 
Dan dat vertroost mijn wat, dat ick hier ben ghekomen
 
In zoo bequamen tijdt, dat ick de schelmsche daat
 
Van haar zal straffen met het aldergrootste quaadt,2123
 
Aan haar en hem, zegh ick, die staande maar wil houwen
2125
De gheweldighe moort bedreven aan mijn vrouwe.2125
Sijn Broeder vrederijck
 
Wel Broeder, wel hoe dus mistroostich en bedruckt?
 
Misschien is zy versuymt of snel verongheluckt:2127
 
Ten voeght zo groot een Prins zulck wesen niet te dryven,2128
 
Laat die kleynmoedicheyt de moedeloose wyven,
2130
Die om het minste dingh stracx thoonen 't meeste leedt.
 
Gaat, stelt de wraack in 't werck, ghelijck ghy u vermeet;
 
De klachten die ghy doet zijn vruchteloos begonnen.
amaran
 
Ick ben van schaamt en spijt tot in mijn ziel verwonnen.
vrederijck
 
Daar komt de Keyzer met zijn Heeren altemaal.
[p. 170]
amaran
2135
En gaan wy door dees poort tot midden inde zaal.
de keyzer met al zijn staet zit in zyn Troon.
 
Wat mach de vreemde Prins, O Vorsten, herwaarts jaghen,2136
 
Dat zoo ghewichtich is om hier te komen klaghen?
 
Daar 't Eylant van Kalfa zo ver van Phrygi leyt:
 
Daar komt den grooten helt, laat hooren wat hy zeyt.
amaran
na een groote eerbiedinghe, zeght heel glorieuselijck dese volghende regelen.-.
2140
Heer, Mogenste Opper-Heer van't Aziaansche Rijcke,
 
Vermaart voor goedt en recht, ja also deughdelijcke,
 
Dat ghy een yder een zijn billijckheden doet,2142
 
Al waart teghen u zelfs, of yemant van u bloedt,
 
Ick twijffel niet dat ghy te straffen zoudet schuwen,2144
2145
Al waart schoon dattet waar de naaste van den uwen,
 
Als hy met laster van verraderye boos2146
 
U Kroon of u persoon yets maeckten eereloos.2147
 
Op het vertrouwen van u deuchden uytghenomen
 
Verliet ick mijn ghebiedt en ben hier aan ghekomen
2150
Met die vrymoedicheyt, om voor u Majesteyt
 
U dochter van verraat en van moordadicheydt
 
Te overtuyghen stracx, indient my mach gheschieden,2152
 
Dat u ghelieve die hier daet'lijck te ontbieden;
 
Want zy heeft valschelijck, met wreetheyt ongehoort,
2155
+Haar Nichte de Princes onmenschelijck vermoort,
 
En overmidts de zaack zoo heymelijck is bedreven,
[p. 171]
 
Datmen daar kunt noch ken, noch blijck daar af kan gheven:2157
 
Zoo ben ick hier bereydt om met de wapens stout,
 
De Ridder die haar zy of haar onschuldich hout,2159
2160
Int open ruyme velt stoutmoedich te bevechten;
 
Tot d'uytgang vande strijt ons eyndelijck zal rechten2161
 
Van mijn antichting vals, of van haar grouwel snoot,2162
 
Dat is door 't vonnis van een schandelijcke doot.
de keyzer
 
By al de Goden, Prins, daar wy lien onder schuylen,2164
2165
Gheloof ick nimmermeer dat een zoo overvuylen2165
 
En hel-waardighe daat oyt in mijn Dochters gheest
 
Gheherberght immer of ghehuysvest is gheweest.
 
Maar na dien dat ick moet door het ghebodt van reden,2168
 
Zal ick hanthaven u, in u gherechticheden.2169
2170
Zoo sweer ick u op trou, en op het heylich recht,
 
Zoo ick haar schuldich vijn aan 't ghene dat ghy zeght:2171
 
Het zy in raat of daat, ick zal in zulcker voeghen
 
Haar straffen, dat ghy u volkomen zult vernoeghen.
 
Gaat haaltse my al voort.
Aartsche Diana uyt, en ghezet by haar Vader.
 
Ziet Prince hier de gheen,
2175
Die ghy betydet met de snootst der lelijckheen,2175
 
Stelt nu u voorslach voor, en kundy't ons bedieden2176
 
Met waarheyt alst behoort, u eysch zal u gheschieden.2177
[p. 172]
amaran
 
Ick dencke niet Me-vrou, Aartsche Diane, of
 
De ghene die u zien in u Heer Vaders hof,
 
Met dusken waardicheyt en schoonheyt uytghesondert,2179
2180
Of zy zullen met mijn ten hoochsten zijn verwondert,
 
Als met verradery van eyghene vrienden doot,
 
Dat zulcke gaven hooch verzelschapt zijn zoo snoot:2182
 
Om dieswil dat het stuck zo lelijck als mispresen,
 
Zoo onghelooff'lijck is als swaar betuyght kan wesen:2184
2185
Zo zal ick niettemin met krackte houden staan,
 
Dat ghy u schoone Nicht vermoort hebt en verraan:
 
Of dat ghy d'oorzaack zijt waar door zy moest verliesen
 
Het leven en de ziel: Ghy mooght voor u verkiesen
 
Wat Ridder dat ghy wilt, met dien beding, al zaft,2189
2190
Zoo ick hem overwin dat ghy zult zijn ghestraft
 
Met een langzame doot, en koom ick te beswijcken,2191
 
Zoo wil ick datmen my doet sterven van ghelijcken.
 
+Ick achtet lichaam niet, daar leyt mijn weynich an,
 
Want ick doch zonder haar duuren noch leven kan.2194
keyzer
2195
Dochter, ghy hebt ghehoort, wat u werdt opghedreven,2195
 
Bedenckt u wis en wel om antwoort voort te gheven,2196
 
Want wien van beyden heeft misdaan teghen mijn kroon
 
Die zal ick strenghelijck al levendich doen doon.
[p. 173]
aartsche diana, ghevveldich versteurt
 
O onbeschoften bloedt! o alder-onbesuysten!2199
2200
Die u verstant en deught draaght in u lompe vuysten!
 
O goet-dunckende geck! wiens zot en ydel hooft,2201
 
Van alle red'lijckheyt verwaand'lijck is berooft:
 
Wiens logge lodzich lijf met al zijn grove deelen,2203
 
Is nutter om een Boer, als om een Prins te spelen.
2205
Druystighe grootsche nar, vol opgheblasentheyt,2205
 
Van waar komt u (o zot!) also veel onbescheyt?2206
 
Dat ghy durft nemen voor te tergen de ghedulden
 
Der Princen: en het kint eens Keysers te beschulden
 
In zijn by-wesen zelfs, dat in zijn eyghen zaal,2209
2210
Met reuckeloose reen, en valsche loogen-taal?
 
O zotheyt overdwaals! de mensch is zoo vermetel,2211
 
Dat hy mijn dreyght, o Goon! dat voor mijn Vaders zetel.2212
 
U woorden en u doen bedocht en wel verstaan,2213
 
Bethoonen dat ghy moet van neskheyt swanger gaan.2214
2215
Ghy komt hier toegherust met Ruyters en met Knechten,
 
Ghewapent, om alleen een Joffrou te bevechten:
 
Een Joffrou, die noch u, noch uwen heeft ghedaan,
 
Noch ongheneucht, noch leet; daar teghen heeft ontfaan2218
 
Mijn Nichte (die ghy zeght dat ick hebbe doen sterven)
2220
Zo veel eeren en dienst als yemant mach verwerven,
 
En had ghy maar een deel van die stoutharticheydt,
 
Die u oneyghentlijck met lof wert na gheseyt:2222
 
Ghy zout, o blooten guyl! ghelijck een man van harten,
 
Een Helt, een Heer, een Vorst, en ghene vrouwe tarten
[p. 174]
2225
Om teghen u te slaan. Ick ben een swacke Maacht,2225
 
Onnoozel en niet vals, maar also onvertsaaght
 
Dat ick, waar ick als ghy, ghy ginckt niet uytter zalen,2227
 
Of ick zou u dicke kop doen van zijn romp af dalen,
 
Tot een bewijse van u malle zotticheen.
2230
Ick ben noch die ick ben, komt an, ick ben te vreen,
 
Zoo't u mijn Heer ghelieft, met een stock uyt de koken2231
 
Te thoonen, dat ghy hebt vals en onwaar ghesproken,
 
Dat ick zou schuldich zijn aan het verraat of moort.
 
Komt hier, en brenght ons eens yet wat waarschijnlijcx voort:2234
2235
+Waar uyt zoud'ick het doen? om wat oorzaack of reden?2235
 
't Is waar, zy was heel schoon. Danck zy de goedicheden
 
Des Hemels, ick en ben noch zoo wanschapich niet,
 
Dat ick haar schoonheyt oyt benyde met verdriet.
 
Of zou haar rijckdom my zoo groff'lijck doen vergissen?2239
2240
Dat heeft geen schijn van reen: Want ziet, de erffenissen
 
Mijns Vaders die zijn meer: dies waar ick meer begheert
 
Als zy van Vorsten groot, en Princen hoogh gheeert:
 
Dus weet ick nu gheen ding te dencken noch versieren,2243
 
Daar ick't om zouw' bestaan in eenigher manieren.
2245
Maar waarom dient my doch dat ick u dit vertel?
 
U, die dees helden fors, ken ickse anders wel,2246
 
Die lossen botten bol van 't lichaam zullen smyten2247
 
Voor u hoovaardicheyt en schandelijck verwyten.
amaran kreuntet hem niet, en seydt teghen de Keyzer*
 
Zire, ten voecht niet dat een Vorst of machtich Heer
2250
Hem steurt, of kreunt, of stoot aan vrouwe woorden teer,2250
[p. 175]
 
Die zonder overlegh, met gramschap meer ontsteecken2251
 
Als met de kracht des deuchts, onwaardich weder-spreecken2252
 
De waarheyt vande ticht met fierheyt trots en koen,2253
 
En loch'nen aldermeest de dinghen die zy doen.
2255
Doet my een Ridder hier nu datelijck verschynen,
 
Die hare zaken derf aannemen als de zynen:
 
Met wien ick door 't ghevecht zal thoonen naackt en klaar,
 
Dat mijn beklachten, ach! is meer als al te waar.2258
 
Indien ick hem versla met dese kloecke handen,
2260
Zoo wil ick dat ghy hem en u dochter doet branden,
 
Ghelijck de waardicheyt vereyscht in zulcken zaack,
 
En zo mijn ong'luck wil dat ick te onder raack,
 
Ick geer gheen ander recht, noch straffe, noch ghenaden,2263
 
Als uwe Majesteyt zult vinden best gheraden.
keyser
2265
Hoe swaarlijck ist, o Goon! te zitten aan 't ghebiedt,2265
 
Ick mach mijn eyghen kindt, helaas! verschoonen niet.
 
Wat is de kroon een last, waar icker van ontslaghen,
 
Ick zou dat lastich pack niet weder willen draghen:
 
Maar ick zou kleynelijck my gheven inde rust,2269
2270
En off'ren willich op de zotte heerschens lust,
 
Van menich mensch ghewenscht diese gheluckich waanen:2271
 
Ick moet, ick wil of niet, mijn kindt Aartsche Dyane,
 
U zegghen dat ghy krijcht een Ridder alzoo stout,2273
 
Dat hy u recht van daagh kloeckmoedich staande hout,
2275
Op de voorwaarde die de Prince stracx hier bescheyde,2275
[p. 176]
 
Dat is, wien dat verliest dat die hem moet bereyden
 
+Om inde doot te gaan, ja selfs tot inden vlam.
 
Ghy zijt des wel ghetroost of het u over quam?2278
 
Ghy Ridders hoogh van moet, van onverwonnen zinnen,
2280
Wie den Phrygische Prins manhaftich kan verwinnen
 
En 't harssen-becken klooft van dat zoo vleesich lijf,
 
Die krijght mijn eyghen kindt, mijn dochter tot een wijf:
 
Hy zy oock wie hy zy, of oock van wat ghesintheyt.
Sy swyghen. Schricken van vreze.
aartsche diana
 
Ach Goden wat ick zie! mijn ooghen slaat met blindtheyt.
2285
Hoe seer is hy verdoort die op een zant gront bouwt:2285
 
Vervloeckt zoo is de mensch die op de mensch vertrout.
 
O hoofsche guytery! beloften zonder meenen,2287
 
Ach! u gheveynsde trou is in een blick verdweenen:
 
Van al de Ridders, laas! en isser ach niet een!
2290
Die voor mijn jonghe lijf nu inde strijt wilt treen.2290
zeege-heer vverdt sprekende door't zien vander groote noot van Aartsche Diana.
 
O blooters kleyn van hart! O ghy verwijfde loeren!2291
 
Onwaardich om de naam des Ridderschaps te voeren.
 
O Pochers, snorkers, blaas-ballighen by de wijn,2293
 
Die vrome Helden by de beste tafels zijn;
2295
Die daar slach orden stelt met roemers en met glasen,
 
En daar kunt vande krijgh en vande vyandt rasen,
 
Daar ghy u hoogh beroemt en op het braafst verheft:
 
Swijght reeckels, blafferts, swijght, nu hebdy uyt ghekeft,
[p. 177]
 
Waar is u koenheyt nu? U preutsche ed'le zeden?2299
2300
U woorden zoo ghevoeght op juyste maat en stede?2300
 
Nu zijn u krachten dof, nu zijn u kunsten doot,2301
 
Nu u Princesje leyt in haren hooghsten noot,
 
Ancxt-vallich en verschrickt ter aarden plat gheslaghen.
 
O zielen vroom en vroet! hoe kundy dit verdraghen
2305
Dat een ondrach'lijck mensch u moeden zoo braveert,2305
 
Dat hy in spijt van u des Keysers kindt onteert?
 
En dat slechts op't vermoen van zijn dolle ghedachten.
 
Dat lydy, fy u al! by de Hemelsche krachten,2308
 
Ghy zijt te bijster schuw, de adel en de eer2309
2310
Onteedelt en onteert ghy immers al te seer.
 
O schrobbers, stijf van vrees, men hoort u dus te groeten,2311
 
En breecken u 't gheweer als schelmen voor de voeten,2312
 
En dryven in een drift als beesten u te hoop,2313
 
En brenghen op de marckt voor slaven u te koop.
2315
'k En weet niet, Amaran, wat dat u heeft bewoghen
 
+Tot die afgrijs'lijckheyt van u versierde looghen,2316
 
Die ghy zoo schellems als ongheluckich en vals,
 
Zult trecken noch van daagh in u vervloeckten hals.2318
 
O lasteraar! O droch! dees handt zal u vernielen,2319
2320
En stieren uwen gheest by de verdoemde zielen,
 
Die in bewaring heeft de Meester vande Hel:
 
Op dat hy u een straf na u verdienste stel.
 
Gheswinde loghenaar van duyvelsche afkoomste,
 
Herroept de vuyle smaat die ghy spuwt op de vroomste
2325
En deughdelijckste vrou, en klopt op uwen mont,2325
[p. 178]
 
En lijdt de schult van u vermaledyde vont:2326
 
Of ick zal u dien kop van 't groote lichaam hacken,
 
En het gheschonden rif den beesten voort toe smacken.2328
 
Nu, kiest of deylt, 't is tijdt, laat zien wat komter uyt?
2330
Den Ezel swijght, o doot! hy blijft by zijn besluyt.
 
Daar leydt mijn hantschoen eel, nu schijnt den bloedt te suffen2331
 
Die al de wereldt stracx met dreyghen ging verbluffen.
 
't Ghelieft zijn Majesteyt dat ick de kamp-slach doe.2333
keyzer verwondert om den Zeegeheer
 
Wel droom ick? Ist bedroch mijn vriendt? Hoe gaat dit toe?
2335
Lof zy u Machomet voor zoo veel goede daden!
 
By al de hooghe Goon, ick ben zoo overladen
 
Van blyschap en van vreught als yemandt die daar leeft,
 
Om dat u de Katar alsoo begheven heeft.2338
 
Nu is mijn hart gherust, nu zal mijn kindt niet lyen
2340
Het schrickelijck versoeck van zijn bedriegheryen.2340
aartsche diana
 
Myn ziel is opghevult met onghemeten vreught,
 
Den Hemel zy ghedanckt voor dese groote deught.2342
zeege-heer
 
Heylighe Majesteyt, wilt toch in yl ghebieden2343
 
Datmen hier plaatse maack daar het ghevecht zal schieden,
2345
Mijn hart hier hongh'rich snackt na een gherechte wraack.
[p. 179]
amaran
 
Ick ben verwondert in de glorioose spraack2346
 
Van desen stommen bock, ygut koom ick in 't grypen,2347
 
Ick duw u't lijf an twee, en 't merrich uyt de pypen,2348
 
Ghy weecke halve vrou van kinderlijcke kracht.
2350
Maar holla, is hy niet van Koninghlijck gheslacht,
 
Van Vorsten oor of bloedt, zoo stiert hem zyner vaarden,2351
 
Want d'oorsaack van 't verschil dat is van grooter waarden.2352
keyzer
 
Hy is dan wie hy is, alwaar hy lomp of grof,
 
Ghy hebt alleen gheeyscht een Ridder van mijn hof.
amaran
2355
Is hy gheen Konincx kindt, hy werdt niet aanghenomen;
 
Zoo is den strijt alreets ten eynde al ghecomen.
keyzer
 
Wel wederroeptse dan, want u uytvlucht is slecht,
 
Die tuyghen dat ghy zijt beancxsticht voor't ghevecht.
+
een schilt-knaap met de blancke helm knielt.
 
Prins Amaran, mijn vrouw de Koningin van Tharsen,
2360
Die raat u desen slach te setten uyt u harsen:2360
 
Want ziet, den stommen Heer die ghy beroept ten strijt,
 
Die is van hoogher zaat en stercker als ghy zijt:2362
[p. 180]
 
En 't recht is op zijn zijd', dies zoud' ghy onderlegghen.
amaran
 
Ghy mooght de Koningin van mynent weghen segghen,
2365
Haar raat komt al te laat en dat ick niet en stel
 
Betrouwen noch gheloof int vollick vande hel.
 
En is de Ridder zulcx als ghy hier komt verklaren,2367
 
Te liever is hy mijn, ick wacht de uytkompst garen.
schilt-knaap schenckt Zeege-Heer de helm.
 
Edele jonghe Heer, mijn vrou u desen schenckt,
2370
Op dat ghy haar daar na tot zijnder tijdt ghedenckt.
zeege-heer
 
Me-vrouw', de Koningin komt my meer goets verlienen,
 
Als ick nu niet en kan, maar hope te verdienen.
De jonge gaat binnen.
keyzer
 
Komt herwaarts Vrederijck, komt herrewaarts by mijn,
 
En ghy Heer Olymaal, ghy zult de Rechters zijn:2374
2375
Gaat zeght de Keyserin, wil zy 't ghevecht aanschouwen,
 
Dat zy ter venster gaat met al haar staat Joffrouwen.
Zeege-Heer comt gewapent uyt.
 
Daar komt den Wapen-Heer, nu krijcht de Prins de rest,
 
Wel aan, steeck de Trompet, dat elleck doe zijn best.
Hier 't ghevecht, hy doot hem en brengtet hooft voor de Heeren.
[p. 181]
zeege-heer
 
Lecht daar, o boosen schalck, die stoutlijck dorst verdichten2379
2380
Een helsche Duyvels vont, en die een maacht antichten.2380
 
Me-vrouw', daar is de kop, ghelieft u anders yet?
aartsche diana
 
Neen Helt, ick ben voldaan, my is ghenoegh gheschiet.2382
keyzer
 
Grootmoedich jongheling, mijn woordt zal ick u houwen,
 
En doen u tot een Bruydt u zelfs ghewonnen trouwen.2384
2385
Mijn Heeren, wat dunckt u, lach dese Prins ter neer,
 
Waar ick op huyden niet de alderarmste Heer?
 
En waar ick niet gheweest bedwonghen te kastyen,2387
 
Mijn dochter zou de doot onschuldich moeten lyen:
 
De Goden hebben danck, en u heldich bestaan,2389
2390
Die van mijn droevich hart de zorghen hebt ghedaan.2390
 
Ten gheve u niet vreemt, ghy Koningen en Heeren,2391
 
Zoo ick boven ghewoont den edellingh wil eeren,
 
Want sodanigen volck die maken haar gheacht2393
 
De gantsche werelt door, door deuchden ende kracht:
2395
Haar komt de eere toe, en niet die haar begheven2395
 
+In yd'le feesten groots, noch in een vroomlijck leven,2396
 
Van luye ledicheydt en and're mack'lijckheen.
 
Wat eer dat ick bedenck zy is my noch te kleen,
[p. 182]
 
Om dieswil dat hy heeft beschermt met zijn handen
2400
Het leven van mijn kint, en het rijck vande schanden
 
Verlost: En daar toe noch den vyandt selfs ghedoot,
 
Dat my en u al t'saam bereydt een blijdtschap groot.
 
Maar overluckighe, hoe varen doch u wonden?2403
 
Komt gaan wy, o mijn zoon! zoo werden zy verbonden.
Aartsche Diana en Zeege-Heer, sittende in een flouwelen stoel.
aartsche diana
2405
Ick bidde u, mijn vriendt, om 't gheloof vande Goon,2405
 
En om de liefde daar ghy mede naamt de kroon
 
Van Brandemantes hooft, dat ghy my wilt verklaren
 
U naam en u gheslacht, en wie u ouders waren,
 
En van waar dat ghy zijt, u sweerend' op mijn eedt,
2410
Dat ick u loonen zal met 't dierste dat ick weet,
 
Dat's met mijn eyghen hart, dat ghy te vreen sult stellen
 
Met de begeerten die 't met lust om weten quellen:
 
Met dien bedinghe dat ghy sult voort zijn ghelijck
 
De Meester van mijns zelfs, en van mijns Vaders rijck,
2415
En voort van al het zijns: Vertrout ick zal't u maken.2415
 
Ick zegh u dinghen die mijn op het naaste raken2416
 
Met ongheveynsde mont: daarom, mijn ziel! indien
 
Ghy teghenwoordich my niet stracx wilt sterven zien,2418
 
Zo doet als ghy behoort, en wilt eens overlegghen,
2420
Wat stercke liefde my tot andermaal doet segghen
[p. 183]
 
De jonsten van mijn hart, so vry als onbequaam,2421
 
Met groot perijckel van mijn eerelijcke naam.
 
De min heeft mijn vervoert mijn schreumhartighe vreesen,2423
 
En mijn natuur en is niet zoo sy plach te wesen.
2425
Met wat een lijdtsaamheyt verdroech ick stil by my
 
De bitterheyt des smaats van uwe weyghery:
 
Als ick oock by u quam en sprack u vande saack
 
Door feyl van u ghehoor, en manghel van u spraack.2428
 
Maar nu u alles is ten vollen weer-ghegeven,
2430
En nu ghy voor u ziet de gheen die zelfs haar leven
 
Zou off'ren voor u op, so bid ick u, en weest
 
Zoo halstarrich of zoo hart, noch onbedacht van gheest,
 
Dat ghy afslaat het goedt dat u werdt aangeboden
 
Van 't luck, van min, van my, en vande goede Goden
2435
Tot loon, om dat ghy my beschermt hebt mijn lijf.2435
 
Ontfanght my u vriendin, en tot u wettich wijf.2436
zeege-heer
 
Doorluchtighe Princes en groot vermoghen Vrouwe,
 
De machtichste Monarch sou hem gheluckich houwen
 
Die u verwerven mocht ten aanzien van u jeught,2439
2440
En rijcke rijckdom groot, en u volmaackte deught.
 
Hoe veel te meer dan ick, doolende arme Ridder,
 
Die niet meer goets en heeft als een beroyden bidder,2442
 
Die ghy behouwen hebt, en zoo vert hebt ghebracht,
 
Dat ick de grootste my van al de wereldt acht.
2445
Ghy heft my op den top des eers op 't onvoorsienste:
[p. 184]
 
Daarom mijn waarde vrou, heb ick eenighe dienste
 
Mijn leven u ghetoont, sy quamen u recht toe,
 
En 't is mijn leet dat ick gheen meerder u en doe.
 
Maar na dat u belieft mijn staat en naam te weten,
2450
Zoo weet dan dat ick ben den vondeling gheheten:
 
Zo mijn de Koningin van Tarssen deet verstaan;
 
Van mijn gheslacht heeft sy mijn noch geen kunt ghedaan.2452
 
Dus overdenckt met raat, o Vorstin aller vrouwen,2453
 
Oft u al nut zal zijn dat ghy zoo laach zout trouwen.2454
2455
Indient u wel ghevalt zoo sweer ick u mijn trou,
 
En neem u daat'lijck tot mijn ghetroude vrou.
aartsche diana
 
En ick u tot mijn man.
zeege-heer
 
Ick heb niet durven dencken
 
Op 't geen dat u gelieft aan my zoo heus te schencken.
aartsche diana
 
Komt gaan wy, o mijn troost! op dat wy voort de feest
2460
Bestellen alst betaamt.
amoureusje
 
Ghy hebt wel uyt geweest,2460
 
Ghy hebje vrydach wel evast, doeje niet propertje?2461
 
Ick moetje laten uytschild'ren frays ghewijs op een koopertje,2462
[p. 185]
 
En dragen jou as de Weesmannetjes op mijn verweende borst,
 
In plaats van een suflet. Elementen! 'k heb sulcken dorst!2464
2465
Hoort volckje, blijft wat staan, ick moet jou allegaar wat vraghen:
 
Zel ghy jou ghelt of tijdt uytgaande oock beklaghen?2466
 
Maar statet jou wel an, zo doet my lustich na,
 
En klapt eens in u hant, en roept eenstemmich ja.

Ao. 1618. den 8. Iunij.

 

't Kan verkeeren.

 

G.A. BREDERO.

2007 slotpunt voor / - 2008-10 interpunctie volgens G - 2016 slotpunt voor / - 2020 uitroepteken aan het eind volgens G
2006verradery: verraderlijke streken.
2009of: als.
2016mijn jonst die ick ... stelden: de gunst die ik (u) betoonde.
2020staal: voorbeeld, puik.
2021Ziet wat ghelegentheyt enz.: in deze scène bezigt Aartsche Diana vrijwel dezelfde woorden als Aardighe in vs. 1599-1604, die daarvoor door haar als een toonbeeld van schaamteloosheid werd veroordeeld.
2022u ... verkloeckt: vat wat moed, verstout u.
2024verzoeckt: uitnodigt.
2025-27 interpunctie volgens G
2024ontzet my: bevrijd mij.
2027weder waardelijck: op rampspoedige wijze, noodlottig.
2031doet ... doon: doet mij duizend doden sterven.
2032maken kondigh: uiten, uiting geven aan.
2035van reys op reys: telkens weer.
2036Ghewoone tockeling: prikkeling waaraan ik gewoon geworden ben.
+G 2 ro
2037onlastich: zonder dat het mij tot last wordt, gemakkelijk.
2041deftich: van hoge afkomst en rang.
2042op bromt: zich op verheft, mee praalt.
2044 onvertzaacht E onversaecht - 2052 begh'nadicht B-G beg(h)enadight - na 2053 in G de toneelaanwijzing: Binnen. - 2055-56-61-67-72-74-76-76 interpunctie volgens G
2049vlugghe weelde: voorbijgaande wellust.
2053ben ghetuchticht: zelftucht bezit, mij weet te beheersen; bezadicht: kalm.
2055dat ... dorst: als ik het durfde ondanks mijn schaamte.
2056onaardich: onaantrekkelijk.
2057troetelinghen: strelingen, liefkozing.
2060bloedt: sukkel, vent.
2062hanghe-bast: galgestrop, iemand die verdient te worden opgehangen.
2063van haar: door hen.
2066fiel: fielt, schoft.
2079 ghehadt volgens B-G; in A: gheacht - 2081-83 interpunctie volgens G - 2084 die wij vo gens B-G; in A diemen; konnen volgens B-G; in A kan - 2086 Alderbraafste B-E O alderbraafste
2070schudd': schooier.
2073onbekenzaamheyt: onerkentelijkheid.
2076schotsche: ruwe, onbeleefde.
2077dapper: flink.
2079beschelt: scheldt op.
+G 2 vo
2081Die yder enz.: die van iedereen houden en geen neiging getrouw blijven.
2083onentlijck: oneindig.
2088brallert: pronker, pronkjuweel; ick was te wanghelatich: ik heb mij te onbehoorlijk gedragen.
2089deg'lijckheyt: datief bij vernoecht.
2090weeseloos: onbezonnen, onbeheerst; propte vol: propvol, geheel vervuld.
2091ritsche: wulpse, wellustige.
2092begheven: verlaten.
2095 hert volgens B-G; in A: hart - 2099 komma achter vrou volgens G - 2101 mog'lijck E, G moog(h)elijck; kommapunt volgens G - 2105 kommapunt volgens G - toneelaanwijzing boven 2108 onder uyt ontbr. in E en G - 2110 uitroepteken volgens G - 2113 een ooghenblick B, D, E, G en ooghenblick
2095voor ballingh-slants: als een uit het land verbannene.
2096my ... opsteyg'ren: zich in mij verheffen.
2097dreutsich: hooghartig.
2102ghelijck: gelijkelijk.
2107Hoe ick hem enz.: óf met hoe vuriger liefde ik hem begeer, óf hoe meer ik hem goeds toewens.
2108Daar leyt enz.: hier begint het tweede toneel van het vijfde bedrijf; gezien vs. 2134 is de Keyzer er gedurende dit toneel nog niet.
2110't gheluyt Mijns lichaams: wat ik door mijn spreken kan uiten.
2111om ... uyt: om met voldoende nadruk uiting te geven aan mijn leed.
2112hem gaat voorsetten: zich voorstelt te doen.
2118 Ach E en G O - 2119 / na ghemeen weggelaten volgens G - 2120 slotpunt voor / - 2121 mijn B-G my - 2123-24-26 interpunctie volgens G - 2128 zo groot een E, G so grooten, - 2131 interpunctie volgens G
2115Ach! door enz.: door het ongeluk dat u en mij zo onverwacht getroffen heeft.
2116hoe: waarom.
+G 3 ro
2123Van haar: aan haar begaan; of wordt hier reeds de beschuldiging van vs. 2151 aangekondigd?
2125vrouwe: meesteres, in de zin van beminde.
2127versuymt: niet tijdig genoeg verzorgd (in een ziekte), veronachtzaamd; vgl. vs. 1943.
2128zulck wesen ... te dryven: zich zo te gedragen.
2136-38-40-43-46-47-49-52-54 interpunctie volgens G - 2156 heymelick B-G heym'lijck
2136Wat mach enz.: hier begint het derde toneel van het vijfde bedrijf.
-glorieuselijck: met trots gebaar, aanmatigend.