|
|
|
| | | | | | | |
0. Inleiding
Er bestaan goede inleidingen in de historische (diachronische)
taalwetenschap. Niet te moeilijk zijn: Lehmann 1973, Bynon 1977 en Jeffers en
Lehiste 1980. Moeilijk maar belangrijk is Anttila 1972, verder Coseriu 1974.
Vrij recent zijn Hock 1991, Crowley 1992 en Croft 2000. Een nederlandse inleiding in de
problematiek van de taalverandering is de bundel Koefoed en Van Marle 1978. Zie
speciaal hierin Koefoed 1978. In algemene inleidingen in de taalwetenschap komt
meestal wel een gedeelte over de historische taalkunde voor: zie bijv. Robins
1969 (hoofdstuk 8). Oudere inleidingen die in dit opzicht belangrijk zijn, zijn
Bloomfield 1979 (vanaf hoofdstuk 18) en Sapir-Sötemann 1949 (in het biezonder
de hoofdstukken 7 t/m 9; sterk typologisch). Een overzichtelijk artikel, met
veel interessante voorbeelden over de relatie taalontwikkeling - historische
ontwikkeling (in de ruimste zin), is Kahane, Kahane en Ash 1979.
Aan die lezers die hun kennis van de algemene taalwetenschap
willen uitbreiden, wordt Dik en Kooij 1991 aanbevolen. Hierin komen ook
hoofdstukken voor gewijd aan de fonetiek en de fonologie. Nieuwe inleidingen zijn Appel, Baker e.a 2002 en Janssen 2002. Het laatste hoofdstuk
gaat over de historische taalwetenschap. Voor het Latijn valt een aardig
inleidend boek te noemen: De Groot z.j. Een elementaire grammatica van het
Gotisch bevat Van Bree 1987.
Een algemene inleiding tot de geschiedenis van de taalwetenschap
is Robins 1989.
In de volgende paragrafen verwijzen we over het algemeen niet meer
naar de algemene werken.
| |
1. Taalverwantschap en taalreconstructie
Belangrijk voor de typologische vergelijking is Sapir-Sötemann
1949. Voor een preciezer overzicht van de indoëuropese en vooral de germaanse
talenfamilie en van de Germaanse klankverschuiving en de Wet van Verner zie Van
Bree 1987. Een onderhoudend boek over de talen en de taalfamilies op de wereld
is Störig 1988. Voor de indeling in taalfamilies (kaart 1) en de problemen daarbij zie Crystal 1997. Een handboek voor de indoëuropeïstiek is Beekes 1990. Zie dit
handboek voor de moderne reconstructie van het Oerindoëuropees. De belangrijkste etymologische
woordenboeken voor het Nederlands zijn Franck-van Wijk 1912 en De Vries 1971. Een nieuw etymologisch woordenboek van het Nederlands is bezig te verschijnen.
Een beknopt en handzaam woordenboek is De Vries 1983. Voor het begrip
| | | | iconiciteit zie Van Bree 1995 en daar genoemde literatuur. Een
mooi voorbeeld van een interne reconstructie: de oerindoëuropese laryngalen,
geeft Anttila 1972, hoofdstuk 12. Het voorbeeld in 4.6 (de proef op de som) is
ontleend aan Robins 1969 hoofdstuk 8. Robins staat echter heel wat sceptischer
tegenover de reconstructies. Zie voor de geschiedenis van het schrift Neijt
1991. Voor de wetenschap van de grafematische analyse zie bijv. McLaughlin
1963. Zie ook Larsen 2001. Onze ‘uitspraak’ van het Middelnederlands is de titel van Van
Haeringen 1953, waarin de auteur kritiek uitoefent op de traditionele uitspraak
van het Middelnederlands. Over primair-visuele symbolen: Stutterheim 1937. Voor
oude nederlandse grammatica's en spellingkundes Bakker en Dibbets 1977; voor de
geschiedenis van de spelling en de spellingregeling zie Van der Wal en Van Bree
1994. De moeilijkheden bij de reconstructie van klankwaarden op grond van
oorkondentaal worden behandeld in Van Reenen 1986. Middelnederlandse
klankatlassen zijn Berteloot 1984, Mooijaart 1992 en Rem 2003. Over het letter-begrip bij
de oude grammatici handelt Caron 1947 in zijn eerste hoofdstuk. Over Lambert
ten Kate uitvoerig J. Knol in Bakker en Dibbets 1977; zie ook Van der Wal en
Van Bree 1994 en Noordegraaf en Van der Wal 2001. Het citaat van Jones is ontleend aan Robins 1967 blz. 134, de
fabel van Schleicher aan De Groot 1962 blz. 371. Over de fabel, met latere
herzieningen: Lehmann en Zgusta 1939. Op blz. 258 van De Groot 1962 vinden we
de term systemoïde. Over de junggrammatische idee van de Ausnahmslosigkeit zie
Koefoed en Schultink 1978.
| |
2. Taalverandering 1 (klank- en betekenisverandering)
Bij het schrijven van hoofdstuk 6 hebben we geprofiteerd van een
ongepubliceerd manuscript van Theo Vennemann over types klankverandering. Daar
vinden we ook een gedetailleerde beschouwing van de processen versterking en
verzwakking. Stemloze obstruenten worden bijv. als sterker beschouwd dan
stemhebbende, occlusieven als sterker dan fricatieven. Als een p een
f wordt, is er dus sprake van verzwakking. Zie Vennemann 1988. Voor
uitzonderingen op de klankwet van de diftongering van ī tot
ei <ij> zie Hamans 1979. Een kritische beschouwing van push en
drag chains vinden we in Bynon 1977 blz. 86 e.v. In verband met de push chain ē, eo > ī, ī > ei zie Goeman 1994. Over structurele factoren bij de overgang van -ps in -sp en omgekeerd zie Taeldeman 2000. Voor
de primaire veranderingstendenzen zie Labov 1994. Voor ‘abductive change’
Andersen 1973. De inspiratie voor schema 13 in 6.6.2 is van Labov afkomstig.
Over de rol van de syllabestructuur in klankveranderingen binnen het Germaans
zie Murray en Vennemann 1983. Het al dan niet optreden van bepaalde
klankveranderingen kan in verband worden gebracht met verschillende types
accentuatie: sterk centraliserend en zwak centraliserend (6.6.3); zie hierover
Van Coetsem, Hendricks en McCormick 1981. Vermeld zij ten slotte nog Jakobson
1968 over implicationele ordeningen: een foneem x impliceert een foneem y, en
over het verband daarvan met kindertaal en afasieprocessen.
Bij het schrijven van hoofdstuk 7 heeft het handboek van Anttila
(1972, hoofdstuk 6) grote invloed uitgeoefend. Over het ‘kat’-‘haan’-geval
uitvoeriger Bynon 1977 blz. 183 e.v. Over isomorfisme als functioneel
verklaringsprincipe Dik 1988. Over het (betrekkelijke) belang van het
Humboldtiaanse principe: Sassen 1979 of Sassen 1985. Reactie hierop in Van
Marle 1986. Zie ook Van Bree 2000. Over overkarakterisering: Van Marle 1986b. Over het belang van het
productieve bij de richting | | | | die een analogiewerking neemt: Mok
1981. In Van Coetsem en McCormick 1982 wordt op het belang van ‘optimal
patterning’ gewezen: hoe doorzichtiger een patroon, hoe beter het tegen
Ausgleich bestand is. Uit de geschiedenis van het Oudhoogduits blijkt dat een
paradigma met één vocaal voor de singularis en één vocaal voor de pluralis zich
beter weet te handhaven dan een paradigma waarin de betreffende vocalen door
elkaar heen voorkomen. Mayerthaler (Mayerthaler 1980) ontwikkelt een theorie
waarmee verklaard kan worden waarom in bepaalde gevallen analogie optreedt en
waarom ze dan in een bepaalde richting werkt. Hij wijst speciaal op de
ondoorzichtigheid (opaakheid) van alternanties als factor. De richting kan
bepaald worden door fonotactische regels: regels die in een taal de distributie
van fonemen regelen. Van belang is ook Wurzel 1988 (over natuurlijke
morfologie). Zie ook Hock 1991 hfdst. 10 voor de wetten van Kuryƚowicz en
de tendenties van Mańczak. Eén van de wetten van Kuryƚowicz houdt
in dat afgeleide vormen zich aanpassen aan basisvormen; één van de tendenties
van Mańczak dat binnen een paradigma korte vormen eerder lange
beïnvloeden dan omgekeerd. Over het verschijnsel productiviteit: Schultink 1962
en Van Marle 1981. Over morfologische netwerken: Van Marle en Koefoed 1980 en
Sassen 1981a. Het voorbeeld van geestdrifteling (7.6) is ontleend aan
Van Marle 1986a. Over de begrippen statisch en dynamisch Schultink 1962a.
Speciaal over betekenisverandering handelt Goyvaerts 1981. Zie ook
De Vooys 1967. Een uitvoerig overzicht van de lexicale semantiek biedt
Geeraerts 1986. Voor de diachronie zijn vooral de hoofdstukken over de
historisch-filologische semantiek en de cognitieve semantiek van belang, verder
de delen in hoofdstuk 3 (‘De structurele semantiek’) over de woordveldtheorie
en de structuralistische bijdragen tot de historische semantiek. Zie ook
hoofdstuk 8 in Geeraerts 1989. Een beknopte en duidelijke behandeling van de
prototypetheorie geeft Hudson 1981 in hoofdstuk 3. Instructief is ook Bartsch
1981; zie ook Bartsch 1987 hoofdstuk 5. Zie verder Taylor 1992. Zie Dik 1977
over inductieve generalisaties in betekenisverandering, n.a.v.o.a. het geval
eng. meat (zie 8.3.2). Over de moeilijke problematiek van de metafoor
bestaat een onafzienbare literatuur; de behandeling in 8.2 komt dan ook in
feite op aanstippen neer. Zie voor een belangrijke theorie over de metafoor
(die van de nederlandse linguïst Reichling) in het kort Reichling 1969. Over metonymie handelen Moerdijk 1989 en Moerdijk 1990. Over de verwarring van de
‘oorspronkelijke’ en de ‘eigenlijke’ betekenis Stutterheim 1960. Over de
woordveldtheorie: Basilius 1952 en Oehman 1953.
Meer in het algemeen over (oorzaken van) taalverandering: Koefoed
1978 en Hoppenbrouwers 1982. Over functionalistische verklaringen zie Dik
1986.
| |
3. Taalverandering 2 (grammaticale en lexicale
verandering)
Voor een uitvoerige structuralistische behandeling van de
diachrone fonologie: Van Wijk 1939.
Voor het hoofdstuk over morfologische verandering zijn veel
voorbeelden ontleend aan Van Loey 1970. Interessant materiaal biedt ook Van
Haeringen 1962. Een instructief overzicht is Van Marle 1978. Zie voor
letterwoorden, afkortingen e.d. Reker en Streekstra 1988 en Van den Toorn
1988. | | | |
Voor het verschil tussen flexie en derivatie (waarmee we in dit
boek gewerkt hebben) zie Dik en Kooij 1979 hoofdstuk 16. Voor een precieze
behandeling van het deflexieproces moet naar de diverse historische
grammatica's verwezen worden. Flecterend - agglutinerend en andere typologische
onderscheidingen worden o.a. in Sapir-Sötemann 1949 behandeld. Het
Nootka-voorbeeld (11.2.2.3) is ontleend aan Sapir-Sötemann (blz. 154). Voor het
ontstaan van het dentaalsuffix bij de zwakke werkwoorden uit vormen van een
oergermaans werkwoord met de betekenis ‘doen’ zie Tops 1978. Voor de
ontwikkeling van de Ablaut en de synchrone Umlaut in de germaanse talen zie de
diverse historische grammatica's.
De beregeling van de verbindingsklanken (bindfonemen) in de
mod.ndl. nominale samenstellingen komt ter sprake in Van den Toorn 1981 en
1982. Voor een overzicht van samenstellingsprocédés zie Van Loey 1970 blz. 189
e.v. en Booij en Van Santen 1995 hfdst. 6.
Over de productief geworden categorie op -esk zie Van den
Toorn 1978. Over halfsuffixen (knal-, bloed-; -arm, -vol) zie Van
den Toorn 1983. Van Marle 1987 laat zien hoe de categorie van adjectieven op
-lijk door sterk divergerende semantische ontwikkelingen improductief is
geworden. In Aronoff 1982 vinden we een andere visie op de oorzaken van
improductiviteit. Zie in dit verband ook Booij 1986 en Booij 1987. Over
nieuwvormingen als fietsotheek en in verband daarmee ook over oude
metanalyses als molenaar zie Hamans 1987. Over de reïnterpretatie van
bakkerij als een afleiding van de werkwoordsstam bak-: Sassen
1981. In het algemeen over het ontstaan van suffixen: Stein 1970.
Over de moeilijke kwestie van de samenstellende afleidingen zie
Booij en Van Santen 1995 hfdst. 9.
Algemeen over historische syntaxis: Muysken 1978. Een helder
overzicht geeft Hock 1991 in hfdst. 13. Over de geschiedenis van het
nederlandse accent: Zonneveld 1993. Over de ontwikkeling van ik heb ...
gevonden tot voltooide tijd zie o.a. Van der Wal 1986 en Duinhoven 1988;
over de betekenisontwikkeling van het voltooide deelwoord Duinhoven 1985. Ook
over het verdwijnen van de mogelijkheid om een stoffelijke adjectief
predikatief te gebruiken gaat een artikel van Duinhoven: Duinhoven 1976. De
geschiedenis van de constructies hij ligt en slaapt en hij ligt te
slapen wordt behandeld in Van den Toorn 1975. Voor het onderscheid VSO, SVO
en SOV en de correlaties daarvan met de volgorde genitief - substantief of
substantief - genitief etc. zie Greenberg 1980; een overzicht van dgl.
typologisch onderzoek geeft De Meersman 1988. In het algemeen: Vennemann 1974
en 1975. Over implicationele ordeningen bij woordvolgorde-veranderingen Canale
1976. Voor de germaanse talen zie Gerritsen 1987. Zie ook (speciaal over de
pragmatische factoren) Bossuyt 1988, De Meersman 1988 en De Schutter 1988. Over
het Middelnederlands speciaal Van der Horst 1981. Zie verder ook Weerman 1989. Belangrijk zijn Burridge 1993 en Shannon 1997. Men kan ook en in het algemeen voor de historische syntaxis van het Nederlands Weijnen 1971 raadplegen. Voor de evt. ontwikkeling van VSO naar SVO zie Dik 1980 hoofdstuk 7. Een wat oudere publikatie is Kooij 1973. De baskische voorbeelden zijn te danken aan Dr. Rudolf P.G. de Rijk (Amsterdam), de surinaams hindi voorbeelden zijn uit Marhé 1985.
Het (betrekkelijke) belang van syntactische homonymie en synonymie
en de reacties daarop komt ter sprake in Sassen 1985. Over een mogelijk
verschil in betekenis tussen zinnen met een ‘rode’ of een ‘groene’ volgorde
(resp. heeft afgewassen en afgewassen heeft) zie Pardoen 1991.
Voor het verband tussen deflexie en veranderingen in woordvolgorde zie o.a.
Vennemann 1974 en Gerritsen | | | | 1987. Voor het verschil tussen het
indirect object en de aan-bepaling zie Van Bree 1981 hoofdstuk 4 en daar
genoemde literatuur. Het ontstaan van uitdrukkingen wordt behandeld in
Goyvaerts 1981 hoofdstuk 4. Uitdrukkingen moeten worden onderscheiden van vaste
verbindingen waarin geen sprake is van een betekeniseenheid: vgl. iemand op
de schouder tikken. Een tussengeval is een blinde passagier, waarin
blind niet maar passagier wel zijn lexicale betekenis behoudt.
Vgl. voor dergelijke overgangen Verstraten 1988. Voor de regionale en
historische aspecten van de constructie met possessieve datief zie Van Bree
1981.
Voor de overgang van adjectieven in substantieven: o.a. Van Marle
en Koefoed 1987. Over naamgeving: De Vooys 1967. Voor de verandering van
substantieven en werkwoorden in grammaticale elementen (hulpwerkwoorden,
uitgangen e.d.) zie Hopper en Closs Traugott 1993. Over iconiciteit in
naamgeving en taalverandering zie Van Bree 1995 en daargenoemde literatuur.
Voor de syntactische reconstructie van prototalen zie Jeffers en
Lehiste 1980 hoofdstuk 7. Over de problematiek van de reconstructie van oudere
fasen (in syntactisch opzicht) en over het probleem van de acceptabiliteit
(grammaticaliteit) zie o.a. Van der Wal 1986 hoofdstuk 6.
Voor een behandeling van de fonologie (en morfologie) in
transformationeel-generatief kader zie King 1969 en verder Kiparsky 1988 en
daar vermelde literatuur. Over de historische syntaxis in (t)gg-kader bijv.
Lightfoot 1988 (idem).
| |
4. Het proces van taalverandering
Het voorbeeld van het hulpwerkwoord to do (14.3.1 en
15.1.3) is ontleend aan Tieken-Boon van Ostade 1987. Voor een pleidooi voor de
bestudering van veranderingen in het verleden binnen een sociolinguïstische
context zie Gerritsen 1989. Voor ‘socio-historical linguistics’ zie Romaine
1982. Voor taalvariatie en taalveranderingsprocessen in het algemeen: Chambers
en Trudgill 1980 en Hudson 1981. Zie verder ook Kiparsky 1988. Een reactie van
sociolinguïstische zijde op de neogrammatische, structuralistische en
generatieve visies is Weinreich, Labov en Herzog 1968. Voor het onderzoek van
Labov valt te noemen Labov 1977, voor het onderzoek van Trudgill Trudgill 1974. Zie ook Boves en Gerritsen 1995. Over een uitgebreid nederlands onderzoek (in
Nijmegen) gaat Van Hout 1989. Over de waarde van de werkelijke tijd- en de
schijnbare tijd-methode zie Gerritsen en Jansen 1982 en Van Bree 1986. Over
leeftijdsverschillen bij taalvariatie Gerritsen 1985. Over age grading zie
Hockett 1950. Voor het delftse onderzoek zie De Reus 1991. Voor het optreden
van fonetische analogie en formeel-semantische analogie (‘conceptuele
analogie’) zie o.a. Vennemann 1972. Voor ‘klankwettige’ aspecten bij analogie
zie Leys 1975 (betreffende de rekking van korte vocalen in open syllabe). Over
de conditionele geleidelijkheid bij het verdwijnen van de tweeledige negatie
zie Van der Horst en Van der Wal 1979. De leidse t-deletie is beschreven
in J.W. de Vries e.a. 1974. Zie voor de t-deletie meer in het algemeen Goeman 1999.
Over het optreden al dan niet van lexicale diffusie: Labov 1994.
Zie voor de bijdrage van sinologische kant o.a. Chen en Hsieh 1973. Hierbij
Phillips 1984 (zie ook Phillips 1983) over de besproken middelengelse
veranderingen. In Phillips 1983 ook over het verschijnsel van de fonetische
analogie. Zie ook Phillips 2001. Over lexicale diffusie in verband met het Westvlaams: Van der Hulst
1979. Verder hierbij ook | | | | Janson 1983, die ook de rol van hoorder
en spreker in zijn beschouwingen betrekt. Op deze publikatie gaat voor een
belangrijk deel paragraaf 15.1.4 terug.
Voor het begrip monitoring (15.2.2) zie Hagen 1981. Het voorbeeld
van de verandering in de uitspraak van roi (15.2.3.1) is ontleend aan
Anttila 1972 blz. 191.
Voor sexeverschillen kan naar de volgende literatuur verwezen
worden: Lakoff 1977, Brouwer e.a. 1978, Gerritsen 1985, Schatz 1985 en Brouwer
1989. Het onderzoek van de Milroy's is samengevat in Hudson 1981 hoofdstuk 5.
Zie ook Milroy 1987. Voor de uitspraak aai voor ei bij succesvolle vrouwen, het zogenaamde Poldernederlands, zie bijvoorbeeld Stroop 1997.
Over hypercorrectie zie Kloeke 1924 en Sassen 1963; in
laatstgenoemde publikatie wordt met de termen endogeen (‘van huis
meegekregen’) en exogeen (‘van buiten af geleerd’) gewerkt.
Theoretisch belangrijk voor het begrip taalattitude is Ebertowski
1980. Een inleiding tot de studie van taalattitudes is Knops 1987. Een
belangrijk overzicht van onderzoekingen biedt Giles en Powesland 1975. Zie
verder Ryan 1973 over de hardnekkigheid van variëteiten met laag prestige.
Geografische variatie komt aan de orde in Chambers en Trudgill
1980 en in Hudson 1981 (hoofdstuk 2). Voor de nederlandse dialecten zie
speciaal Goossens 1977 (met een definitie van het begrip nederlandse
dialecten). Een uitvoerig overzicht van de nederlandse dialecten is Weijnen
1966; in hoofdstuk 2 par. 18 vinden we daar een kritische behandeling van het
expansiebegrip. Voor de herkomst van de in 16 gegeven voorbeelden (voorzover
hier niet vermeld) zie men dit handboek en verder de literatuurverwijzingen bij
de kaarten. Zie voor de klankleer nu Weijnen 1991. Het voorbeeld van
vake en ducke (16.3.1) is uit Van den Berg 1938 en het voorbeeld
van erpel (id.) uit Teuchert 1944. Over de invloed van het
Standaardnederlands en het Standaardduits op de dialecten aan weerszijden van
de rijksgrens zie Kremer 1978. Over het verschil tussen extra- en
intern-linguïstische verklaringen zie Goossens 1977. Het
belang van de prestige-factor is vooral door Kloeke benadrukt (Kloeke 1927).
Voor het belang van de frequentiefactor: Janssen 1949, verder Gerritsen en
Jansen 1979 (ook over lexicale diffusie) en Gerritsen en Jansen 1980. Voor het
belang van de aard van de verandering (natuurlijk of onnatuurlijk): Gerritsen
en Jansen 1982. Zie ook Taeldeman 1996. Voor de rol van mannen en vrouwen bij geografische diffusie zie
de hierboven vermelde literatuur over sexe-verschillen. Over het verschijnsel
van de polarisatie zie Taeldeman 1987. Over lexicale diffusie: Stroop 1981;
over lexicale leemte: Stroop 1984. Het Zaanstad-geval waarbij de
ā-variant voor ei om systeemredenen niet geaccepteerd
wordt, wordt behandeld in Gerritsen en Jansen 1982. Het voorbeeld bij de
‘competing changes’ is ontleend aan Verhoeven 1974.
Het werk van Einar Haugen is verzameld in Haugen 1972. Voor
taalnormen, o.a. in verband met standaardisering, Bartsch 1987.
De
kritiek op het stamboommodel is geïnspireerd door De Groot 1962, de beschouwing
van het begrip ontlening door Anttila 1972.
Voor een uitgave, met engelse vertaling, en een bespreking van het
beroemde artikel van Schuchardt zie Vennemann-Wilbur 1972. Over Schuchart en
zijn betekenis voor de dialectgeografie, de etymologie en de sociolinguïstiek
handelt Hagen 1982. Voor het verschil tussen de franse en de duitse
dialectgeografie zie Bynon 1977 noot 1 op blz. 183 en 184. | | | |
Voor de (transformationeel-)generatieve benadering zie de
hierboven onder 3 genoemde literatuur.
| |
5. Talen in contact
Een belangrijk handboek over taalvariatie en taalverandering is Chambers, Trudgill en Schilling-Estes 2002.
De psychologische en sociologische aspecten van het verschijnsel tweetalige mens vinden we al besproken in Nuijtens 1962. Zie voor het begrip impositie Van Coetsem 1988 of 2000. Daarin ook over het verschijnsel van de (psycho)stabiliteit, verder ook over verschijnselen als generalisaties en reducties. Zie ook Van Bree 2002 en daar genoemde literatuur en De Vink 2004. Zie verder Van Bree 2002 en De Vink 2004 voor het verschijnsel van imperfect learning. Voor de manier waarop functiewoorden zich gedragen zie Muysken 2000 (en ook Van Hout en Muysken 1994 dat over ontlening handelt). Zie Van Coetsem 1988 voor de manieren waarop de term substraat kan worden gebruikt (raadpleeg het register); die term kan ook beperkt blijven tot het geval (zoals het ingweoonse) waarin de brontaal een sociaal niet-dominante eerste taal is. Verwant met de theorieën van Van Coetsem maar daarvan ook cruciaal afwijkend zijn die van Thomason en Kaufman 1988. Zie voor een kritische bespreking daarvan Smits 1996. In het algemeen over problemen van taalcontact en tweetaligheid gaat Appel en Muysken 1988. Het nederlandse substraat van het brussels-frans klanksysteem wordt behandeld in Grootaers 1953. Voor de wederzijdse inwerking van dialect en standaardtaal: Hagen 1981 (met een algemeen gedeelte over monitoring), Hagen en Münstermann 1984 (ook over minderheidstalen), Münstermann 1989 (in verband met Maastricht), Hamans 1985 (Roermond), Hoppenbrouwers 1990 (in het algemeen), Van Bree 1992 (in verband met het Twents), Hinskens 1992 (over Zuid-Limburg, zie ook Hinskens 1998), Bakkes 1996 (over Montfort) en De Vink 2004 (over Katwijk aan Zee). Uit Vandekerckhove 2002 wordt duidelijk dat in Vlaanderen de onderlinge invloed van de dialecten nog aanmerkelijk sterker is dan de invloed van de standaardtaal op het dialect. Voor de begrippen primaire en secundaire dialectkenmerken zie Schirmunski 1930 en 1956 of Hinskens 1086. Voor een implicationele ordening in een kempens regiolect zie Hoppenbrouwers 1983. Een beroemde studie van ‘taaldood’ (van een gaelisch dialect in Schotland) is Dorian 1981. Voor een hongaars-duitse situatie in de oostenrijkse plaats Oberwart zie Gal 1979.
Het onderscheid tussen culturele ontlening en ‘intimate borrowing’
is afkomstig van Bloomfield (Bloomfield 1979 hfdstn. 25, 26 en 27). Over
leenwoorden in het Nederlands bestaan talloze studies. Een overzicht door de
eeuwen heen (ook van het purisme) biedt De Vooys 1952. Hierin ook over de
Vlaamse Beweging. Over ‘germaanse repatrianten in de nederlandse woordenschat’
zie Huisman 1958. Bekend door zijn studie van de taal van noorse immigranten in
de Verenigde Staten is Einar Haugen: Haugen 1972. Het voorbeeld van de
hollandse kolonisatie van de friese streek het Bildt (19.3.3.1) wordt behandeld
in Kloeke 1927. Voor voorbeelden van ingweonismen zie men de historische
grammatica's van het Nederlands (o.a. Van Loey 1970 en Van Bree 1987). Voor een
heldere bespreking van ‘linguistic areas’ zie Bynon 1977 hoofdstuk 6; zie in
dit hoofdstuk ook de bespreking van het Kupwar- en het Mbugugeval (20.3.1).
De studie van het ontstaan en de ontwikkeling van pidgins en
creolentalen heeft tot een aparte tak van taalwetenschap geleid: de
creolistiek. Een goed en eenvoudig overzicht biedt Muysken 1979 of Appel en
Muysken 1987. Uitvoeriger werken zijn Bickerton 1985 en Mühlhäusler 1986. Het
ontwikkelingsschema in 19.5.4 gaat op P. Mühlhäusler terug. Instructief en
onderhoudend is ook Aitchison | | | | 1981 over het Tok Pisin, waaraan
nogal wat voorbeelden ontleend zijn. Binnen het kader van tweede
taal-verwerving worden pidginisatie en creolisatie besproken in Van Coetsem
1988. Hierin wordt een aparte casestudie aan het Zuidafrikaans gewijd, in
vergelijking met het middeleeuwse Engels. Zie voor het Zuidafrikaans ook Markey
1982, die laat zien dat deze taal tussen een creolentaal en een
niet-creolentaal in staat en die er de nadruk op legt dat een creolentaal door
natuurlijke tendenties gekenmerkt is. Foley 1988 bespreekt voorbeelden uit
Nieuw Guinea (o.a. het Tok Pisin) en gaat daarbij zowel op de sociologische als
op de linguïstische aspecten in. De opvattingen van Bickerton, in verband met
de bioprogrammatheorie, kan men ook leren kennen uit Bickerton 1988. Hierop
reageert Muysken (Muysken 1988) die meer nadruk legt op substraatinvloeden. Zie
ook Bickerton en Muysken 1988. Binnen het kader van taalvermenging worden
pidgins en creolentalen behandeld in Hudson 1980 2.5.3 en 2.5.4. Voor een
implicationele ordening (idee voor Jamaica ontwikkeld door DeCamp) zie o.a.
Bickerton 1973. Voor de (beperkte) toepasbaarheid van zijn model zie Guy 1980.
Voor een mogelijke verklaring van een implicationele ordening (op Jamaica) zie
Akers 1981.
Voor de in hoofdstuk 20 behandelde stof is Weinreich 1953 een
belangrijk boek. Belangrijk is ook Haugen 1972a. Een groot aantal
ontleningsgevallen zijn terug te vinden in J.W. de Vries 1988. Voor 20.1 punt 3
(zuiver formele beïnvloeding) zie Van Haeringen 1957. Over de integratie van
leenwoorden in de ontvangende taal: Poplack en Sankoff 1984 en Poplack, Sankoff
en Miller 1985. Over het romaanse vocabularium in het Nederlands o.a. Uhlenbeck
z.j. en Kooij z.j. Voor het behandelde in 20.3.3.2 (punt 2: reïnterpretatie van
de stam) zie Salverda de Grave 1906; voor het probleem welke woorden we uit het
Latijn en welke we uit het Frans hebben, Salverda de Grave 1900. Behalve
Salverda de Grave is ook Gerlach Royen voor het Nederlands een belangrijke
onderzoeker geweest (zie bijv. over het suffix -iteit Royen 1949). Over
de syntactische invloed van het Engels op Japans, Chinees enz. zie Wallace
1979; voor die op het Hindi Kachru 1979. Voor de in 20.4.2 besproken
constructie Zaalberg 1975 blz. 20 en 90. Voor de in 20.4.3 besproken parallelle
syntactische ontwikkelingen zie Bynon 1977 blz. 248 e.v. Over het werkwoord
bli(va) in het Zweeds: Markey 1969. Over genustoekenning in het
Nederlands aan leenwoorden: Geerts 1975. Over genustoekenning in het
Portoricaanse Spaans aan leenwoorden uit het Engels: Poplack, Pousada en
Sankoff 1982.
Een historisch en kritisch overzicht van taalcontactonderzoek
sinds Weinreich biedt Geerts 1986.
| |
6. Uitleiding
Voor de onzichtbare hand-theorie (die het eerst binnen de economie
is gebruikt) zie Keller 1990. Zie ook, over de oorzaken van taalverandering,
het inleidende artikel Hüning 1993 en de daar vermelde literatuur. Voor de
taalverwerving als bron van taalverandering: Andersen 1973. In het algemeen:
Andersen 1989. Verder Coseriu 1974.
|
|
|