Dit boek behandelt de historische klank- en vormleer (flexie) van het Nederlands. Hieraan vooraf echter gaat een beknopte klank- en vormleer van het Gotisch (2 t/m 8), die vooral datgene geeft wat nodig is voor een goed begrip van de ontwikkeling van het Nederlands en naar het Nederlands toe. Met het oog op de tekstfragmenten zijn enige syntactisch-semantische opmerkingen toegevoegd (9). Achterin bevindt zich een register waarin alle gotische woorden met hun betekenissen zijn opgenomen die ergens in dit boek aan de orde komen.
Met het inleidende hoofdstuk 10 begint het eigenlijke boek: de historische klank- en vormleer van het Nederlands. In 11 worden enkele opmerkingen over de geschiedenis van het accent gemaakt en in 12 over klankveranderingen in zwak geaccentueerde syllaben; de veranderingen in geaccentueerde syllaben, die voor het hedendaagse nederlandse systeem van het allergrootste belang zijn, worden behandeld in de hoofdstukken 13 t/m 35. Het algemene behandelingspatroon is dat per oudgermaanse klank of groep van klanken eerst de ontwikkeling van het oude Germaans naar het Nederlands wordt beschreven, vervolgens de ontwikkeling in teruggaande lijn van het oude Germaans naar het Oerindoëuropees, de prototaal van de indoëuropese talen. Gereconstrueerde ontwikkelingen, van de taalkundige prehistorie, worden dus apart gesteld van die ontwikkelingen die in de geschiedenis te volgen zijn. Er wordt steeds expliciete aandacht besteed aan het effect van klankwetten in de vorm van alternanties, aan gelijkmakingen, dialectische ontwikkelingen en samenval van klanken. Een aantal hoofdstukken (25 t/m 29, 34) behandelen enige additionele onderwerpen: ronding en ontronding, invloed van de l, r en w op voorafgaande vocalen, rekking, verkorting en samensmelting van vocalen, assimilatie bij consonanten. Het is het duidelijkst deze verschijnselen niet telkens bij iedere afzonderlijke klank aan de orde te stellen maar ze in aparte hoofdstukken bijeen te brengen, zoals ook in het befaamde handboek van Schönfeld/Van Loey gebeurt. De Ablaut, het complex van vocaalalternanties dat een erfenis is van het Oerindoëuropees, wordt in het algemeen in hoofdstuk 30 besproken.
Hoofdstuk 35 vat de hoofdstukken 11 t/m 34 samen en wel zodanig dat de verschillende veranderingen per periode worden opgesomd. Het effect
dat hiermee beoogd wordt, is de samenhang van de verschijnselen duidelijker dan soms in de voorafgaande hoofdstukken mogelijk is, in het licht te stellen. Helaas is het door ruimtegebrek niet mogelijk de veranderingen en het effect ervan op de grammatica op een strakke structuralistische of generatieve wijze te beschrijven. Voor zover er sprake is van een theoretisch kader, is dat het kader van het structuralisme. De opzet: eerst een min of meer atomistische wijze van behandelen en daarna per periode, is om didactische redenen gekozen: de student kan zo gemakkelijk de ontwikkelingslijnen van Oerindo-europees naar Nederlands overzien.
Op de klankleer volgt de vormleer met hoofdstukken over de werkwoorden (36 en 37), de substantieven (38), de adjectieven (39) en de pronomina (40), waarin minder nadrukkelijk dan bij de klankleer onderscheid gemaakt wordt volgens historische en ‘prehistorische’ ontwikkelingen. Om didactische redenen worden in 36 eerst de sterke werkwoorden apart behandeld voordat in 37 het totale werkwoordensysteem aan de orde komt.
De beschrijving is behalve op het overgeleverde Middelnederlands vooral op het Standaardnederlands gericht. Dialectische ontwikkelingen worden vooral in de beschouwingen betrokken voorzover ze voor het Middelnederlands of voor het Standaardnederlands van belang zijn. Het zijn dan ook voornamelijk de dialecten van het zuiden of van het zuidwesten van het taalgebied waaraan aandacht gegeven wordt.
In de bibliografische aantekeningen geheel achterin wordt de student geattendeerd op literatuur die dienen kan om het inzicht in bepaalde onderwerpen te verdiepen. Deze aantekeningen zijn zeer selectief; het is dus bepaald niet een verantwoording van de literatuur waarop de behandeling in het boek is gebaseerd. Vanuit de aantekeningen wordt verwezen naar de titellijst (bibliografie) achterin. Op de titellijst volgen dan nog een aantal registers; deze registers bevatten de in het boek besproken woorden uit verschillende talen (Nederlands, Middelnederlands en diverse oude talen) met zo nodig de betekenis ervan; hieraan vooraf gaat een zaakregister waarbij zeker niet naar volledigheid is gestreefd en een overzicht van de herkomst van de ndl. klanken.
Om de tekst niet te onrustig te maken is ervan afgezien consequent fonetische of fonologische tekens te gebruiken; dergelijke tekens worden slechts hier en daar ter verduidelijking gebruikt. Over het algemeen zal men de tekens aantreffen zoals die in de historische grammatica traditie zijn geworden, bijv. ā voor ndl. baak of du. Bahn; een evt. lengteverschil wordt daarbij verwaarloosd. Doordat (o.a.) een dergelijk verschil verwaarloosd wordt, fungeert ā als een overkoepelend teken. Een ander voorbeeld is ă, waarbij een kwali-
teitsverschil genegeerd wordt: [α] als in ndl. bad of [a] als in du. Bad. Het voordeel hiervan is dat we niet voor alle perioden of dialecten de precieze klankwaarden behoeven vast te stellen. Voor het Gotisch bijv. is die onzeker: [α] of [a] in een woord als dags. In een aantal gevallen worden ook fonetische tekens zonder vierkante haken gebruikt: ε, ɔ, χ, χu enz. De fonetische tekens zijn over het algemeen ontleend aan het International Phonetic Alphabet, maar er zijn een aantal afwijkingen, o.a. doordat een aantal extra onderscheidingen zijn gemaakt. Zo wordt bij de stemloze fricatieven wel onderscheiden tussen Χ (velair) en Χ΄ (zwakker gearticuleerd; laryngaal?). En zo wordt voor de vocaal van buut het teken ȳ gebruikt en niet ǖ om de suggestie te voorkomen dat de ndl. uu-klank door i-Umlaut zou zijn ontstaan. Om een dergelijke reden wordt de vocaal van ndl. put met œ̆ en niet met ü aangeduid; deze vocaal is slechts in een deel van de gevallen met i-Umlaut te verklaren.
Behalve tekens zonder afbakening en fonetische tekens tussen vierkante haken worden nog tekens voor fonemen, tussen / /, en tekens voor spellingen, tussen < > gebruikt. (Tussen schuine streepjes kunnen, binnen een generatief kader, ook ‘onderliggende segmenten’ worden geplaatst.) Betekenissen staan tussen enkele aanhalingstekens. Hier volgt van een en ander een voorbeeld: mod. ndl. baar heeft een vocaal die in het algemeen met ā wordt aangeduid, verduidelijkt kan worden met het fonetische teken [a:], gespeld wordt met <aa> en als een lange variant van het foneem /a./ kan worden beschouwd. De betekenis van het woord, althans van één van de in aanmerking komende homofonen, is ‘staaf van gegoten (kostbaar) metaal’.
Complete woorden worden meestal in de gebruikelijke spelling gegeven, bijv. het zojuist genoemde woord: baar. Bij de gotische woorden wordt de traditionele transcriptie gebruikt (zie 2.2); ter aanduiding van lengte- en mogelijk ook kwaliteitsverschillen, die in de overgeleverde gotische spelling niet tot uitdrukking worden gebracht, worden diacritische tekens gebruikt (zie 3). Ook bij woorden uit andere oude talen, Latijn, Grieks enz., worden lengteverschillen aangegeven, bijv. bij rex ‘koning’ en rēgis ‘van de koning’ met resp. korte en lange vocaal. Uit deze voorbeelden blijkt dat korte vocalen niet gemarkeerd worden. Ook griekse vormen worden getranscribeerd (zie 1.3). Gereconstrueerde vormen worden in de in de historische grammatica gebruikelijke tekens weergegeven; hierbij worden zowel korte als lange vocalen aangeduid. Deze vormen worden uiteraard van een asterisk voorzien. Deze asterisk wordt weggelaten bij die gotische vormen die weliswaar niet overgeleverd zijn, maar toch met grote zekerheid uit de wel overgeleverde zijn af te leiden.
| SCHEMA A MONOFTONGEN | voor-ongerond | voor-gerond | midden | achter |
| gesloten (+ hoog - mid) |
ĭ [i] - du. Fisch (zie ook beneden)
ī [i] of [i:] - biet; bier |
œ̆ [œ] - du. füllen (zie ook beneden)
ȳ [y] of [y:] - buut; buur |
[ɨ:] (als ongeronde ȳ te realiseren) | ŭ [u] - du. dumm (zie ook beneden)
ū [u] of [u:] - boek, boer |
| half gesloten
(+ hoog + mid) |
ĭ[I] - pit (zie ook boven)
ē [e:] of [e.] - du. Fehme; ndl. been ē [I:] - beer ê - zie 17 |
œ̆ [œ] - put (zie ook boven)
ø̄ [ø:] of [ø.] - du. Söhne; reuk œ̅ [œ:] - beur |
ǝ [ǝ] - de | ŏ [ǫ] - dom of: [ɔ] - doch (zie beneden)
ó [ǫ] - dom ō [o:] of [o.] - du. Sohn; droom ō [ǫ:] - boor ô - zie 18 |
| half open
(- hoog + mid) |
ĕ [ɛ] - bed
ɛ̄ [ɛ:] - serre |
ɔ̄ē [ɔe:] - freule | [ʌ] - eng. but | ŏ [ɔ] - doch of: [ǫ] - dom (zie boven)
ò [ɔ] - doch ɔ̄ [ɔ:] - rose |
| open
(- hoog - mid) |
æ [æ] - eng. back
æ̅ [æ:] of [æ.] - zeeuws laeten |
ă [a] - du. Bad (zie ook rechts)
ā [a:] of [a.] - baar; baak â - zie 20 |
ă [α] - bak (zie ook links)
å = klank tussen [α] en [ɔ] in å̄ = klank tussen [a:] en [ɔ:] in |
OPM. De genasaleerde vocalen worden met ~ aangeduid: ã enz.
| SCHEMA B CONSONANTEN | bilabiaal | labiodentaal | dentaal | strident dentaal | |||
| halfvocaal | w [υ] - bouwen
u̯ = w[υ] |
w (w) - water | |||||
| sonantische
liquida |
l̥ [l̥] - got. fugls
r̥ [r̥] - got. broþrs |
||||||
| liquida | l [l] - lopen
r [r] - rennen |
||||||
| sonantische
nasaal |
m̥ [m̥] - got. maiþms | n̥ [n̥] - got. táikns | |||||
| nasaal | m [m] - moeder | n [n] - nemen | |||||
| stemloze
fricatief |
f [Φ] - ogm. *făđēr | f [f] - fier | þ [þ] - eng. thin | s [s] - samen | |||
| stemhebbende
fricatief |
ƀ [β] - ogm. *ƀĕnđ - | v [v] - vier | đ [δ] - eng. there | z [z] - zeef | |||
| stemloze
occlusief |
p [p] - paal | t [t] - ton | |||||
| stemhebbende
occlusief |
b [b] - baal | d [d] - dier | |||||
| geminaat | mm, ff, pp, bb | ff | ll, rr, nn
þþ, tt, dd |
ss | |||
| aspiraat | ph, bh | th, dh |
| SCHEMA B CONSONANTEN | palataal | velair | labiovelair | ||||
| halfvocaal | j [j] - juk
i̯ = j |
||||||
| sonantische
liquida |
|||||||
| liquida | r [R] - zgn. huig-r | ||||||
| sonantische
nasaal |
|||||||
| nasaal | ɲ [ɲ] - franje | ŋ [ŋ] - zang | |||||
| stemloze
fricatief |
š [š] - chocolade
ç [ç] - du. brechen |
χ [χ] - lachen | χu [χu] - got. ahva | ||||
| stemhebbende
fricatief |
ž [ž] - garage | ǥ[γ] - geven | ǥu [γu] - ogm. *săŋǥu - | ||||
| stemloze
occlusief |
k̂ [k̂] - oeride.
* k̂m̥to̍m |
k [k] - koken | ku [ku] - got. qiman | ||||
| stemhebbende
occlusief |
ĝ [ĝ] - oeride.
* ĝnō - |
g [g] - du.
geben |
gu [gu] - oeride.
*guĕm - |
||||
| geminaat | rr, χχ, kk, gg | ||||||
| aspiraat | kh, gh | kuh, guh |
OPM. De h [h] is het beste als stemhebbende laryngale fricatief te karakteriseren. Waarschijnlijk heeft ook de <h> in bijv. got. ahtáu een laryngale uitspraak gehad: zie 3.4.1.
Vocaaltekens (monoftongen): zie schema A
Consonanttekens: zie schema B
Diftongtekens:
De (fonetische) tekens ter aanduiding van diftongen bestaan uit combinaties van (fonetische) monoftongtekens. Let daarbij op het verschil in notatie tussen een combinatie van twee korte vocaalfonemen, bijv. ĕŭ [εu], en een als één foneem op te vatten diftong, bijv. ei [ɛi̮].
| 1. | Men doet er het beste aan ĭ, œ̆ en ă met de vocaal van de nederlandse woorden uit te spreken; men laat dan duidelijk horen dat korte vocalen bedoeld zijn. Mogelijk echter moeten we voor sommige perioden en dialecten de duitse klankwaarde aannemen. |
| 2. | Men dient er goed op te letten dat u de klankwaarde van de oe in ndl. boek heeft, dus niet die van de vocaal van put of buren. |
| 3. | De tekens ī, ȳ en ū worden ook voor ndl. biet, buut en boek gebruikt, hoewel de vocalen in deze woorden kort worden uitgesproken. In het algemeen gedragen deze vocalen zich echter als lánge vocalen, o.a. doordat ze op het woordeinde kunnen voorkomen. Vóór r worden ze ook lang uitgespróken. |
| 4. | Een sonantische nasaal of liquida is een nasaal of liquida die syllabe-dragend is, d.w.z. als meest sonore element binnen een syllabe de functie heeft van een vocaal. Vgl. de slotklank van lopen zoals dat in de noordoostelijke dialecten wordt uitgesproken: loopm (bisyllabisch). |
| 5. | Strident betekent met meer geruis uitgesproken. Vgl. s met þ. |
| 6. | Een labiovelair is een velair die uitgesproken wordt met gelijktijdige lippenronding. |
| 7. | Let erop dat g de klankwaarde heeft van de beginklank van het duitse geben. Voor de beginklank van ndl. geven wordt het teken ǥ gebruikt. |
| 8. | Een geminaat (lett. ‘dubbele consonant’) is een consonant die lang aangehouden wordt. |
| 9. | Een aspiraat is een consonant gevolgd door een h-achtig geluid: vgl. de beginklank van du. Tag (aspiraat) met ndl. tak. |
| α = a | η = ē | ν = n | τ = t |
| β = b | θ = th | ξ = ks | υ = u |
| γ = g | ι = i | ο = o | φ = ph |
| δ = d | κ = k | π = p | χ = kh |
| ε = e | λ = l | ρ = r | ψ = ps |
| ζ = dz | μ = m | σ, ς = s | ω = ō |
| ags. | = angelsaksisch |
| av. | = avestisch |
| du. | = duits (nieuwhoogduits) |
| eng. | = engels |
| fra. | = frans |
| fri. | = fries |
| ggm. | = gemeengermaans |
| got. | = gotisch |
| gr. | = grieks |
| ingw. | = ingweoons |
| lat. | = latijn |
| lit. | = litouws |
| mnl. | = middelnederlands |
| ndl. | = nederlands |
| ngm. | = noordgermaans |
| nhgd. | = zie du. |
| nnl. | = nieuwnederlands (na 1500) |
| oeride. | = oerindoëuropees |
| ofra. | = oudfrans |
| ofri. | = oudfries |
| ogm. | = oergermaans |
| ohgd. | = oudhoogduits |
| onl. | = oudnederlands |
| osa. | = oudsaksisch |
| owgm. | = oer- of oudwestgermaans |
| owvla. | = oudwestvlaams |
| skrt. | = sanskrit |
| wgm. | = westgermaans |