Het (hoofd)accent ligt in de gotische woorden op de eerste syllabe: da̍/ge ‘van de dagen’, bi̍u/dan ‘bieden’ prau̍feteis ‘profeten’, ma̍/nagizo ‘meer’.
De belangrijkste uitzondering op deze regel is dat in werkwoorden met een ‘prefix’ het accent op de stamsyllabe ligt: and/ni̍/man ‘ontvangen’ (met prefix and-); miþ/a/na/ku̍mb/jan/da/ne ‘van de mede-aanliggenden’ (met de prefixen miþ- en ana-). De band tussen ‘prefix’ en stam was nog tamelijk los; vgl. inuhsa̍ndidedun ‘en zij zonden’ met het partikel uh ‘en’ tussen in en sandidedun van het werkwoord insandjan ‘zenden’.
Nomina met prefix krijgen het accent op de eerste syllabe: a̍n/da/nems ‘aangenaam’ (met het prefix anda-), a̍nd/hu/leins (met het prefix and-) ‘onthulling’. Een uitzondering hierop vormen mogelijk de nomina met het prefix ga-, bijv. gale̍iks ‘gelijk’ en gaju̍k ‘paar’, met het accent op de stam.
Het is niet zeker of deze regels ook gelden voor vreemde woorden en namen, maar voor het gemak zou men dat kunnen aannemen.
OPM. Het teken ΄ dat hier gebruikt wordt om het accent aan te duiden moet niet verward worden met het teken ˊdat bij <ai> en <au> gebruikt wordt om uitspraakverschillen aan te duiden (zie 3.3).
| 1. | <w>. Klankwaarde: bilabiaal als de w van eng. water [υ] (gemakshalve kan een ndl. w worden uitgesproken: [w]). Voorbeelden:
|
||||||||||||||||
| 2. | <j>. Klankwaarde: als de ndl.j. Voorbeelden:
|
| 3. | <r>. Klankwaarde: als de ndl. r. Voorbeelden:
|
||||
| 4. | <l>. Klankwaarde: als de ndl. l. Voorbeelden:
|
||||
| 5. | <m>. Klankwaarde: als de ndl. m. Voorbeelden:
|
||||
| 6. | <n>. Klankwaarde: als de ndl. n. Voorbeelden:
|
||||
| 7. | <p>. Klankwaarde: als de ndl. p. Voorbeelden:
|
||||
| 8. | <t>. Klankwaarde: als de ndl. t. Voorbeelden:
|
||||
| 9. | <k>. Klankwaarde: als de ndl. k. Voorbeelden:
|
||||
| 10. | <q>. Klankwaarde: een k met gelijktijdige lippenronding (labio-velair): ku. We hebben hier dus met één segment te maken, maar gemakshalve kunnen we de uitspraak k + w aanhouden. Voorbeelden:
|
||||
| 11. | <f>. Klankwaarde: als de ndl. f. Voorbeelden:
|
OPM. Mogelijk is de uitspraak niet labiodentaal maar nog bilabiaal geweest: [Φ].
| 12. | <þ>. Klankwaarde: die van <th> in het engelse think, een stemloze non-strident dentale fricatief þ. Voorbeelden:
|
||||||||||||
| 13. | <s>. Klankwaarde: als de ndl. s. Deze s moet altijd duidelijk stemloos worden uitgesproken. Voorbeelden:
|
||||||||||||
| 14. | <z>. Klankwaarde: als de ndl. z. Voorbeelden:
|
||||||||||||
| 15. | <h>. Klankwaarde: die van <ch> in ndl. nacht, dus als een stemloze velaire fricatief χ, maar in de Anlaut vóór vocaal die van de h van ndl. hand, dus als laryngaal. Voorbeelden:
|
||||||||||||
| 16. | <hv>. Klankwaarde: een χ met gelijktijdige lippenronding (labio-velair): χu. Ook hier hebben we wel met één segment te maken, dat we gemakshalve kunnen uitspreken als χ + w. Voorbeelden:
|
||||||||||||
| 17. | <b>. Klankwaarde: tweeërlei, als de b in ndl. binden in de Anlaut en in de Inlaut en Auslaut na consonant en als een b (bilabiaal: [β]), gemakshalve uit te spreken als de v in ndl. vinden, in de Inlaut na vocaal (in de Auslaut na vocaal komt het teken <b> niet voor). Voorbeelden:
|
OPM. De auslautende <b> moet stemhebbend worden uitgesproken.
| 18. | <d>. Klankwaarde: tweeërlei, als de d van ndl. dag in de Anlaut en in de Inlaut en Auslaut na consonant en als een đ dat is de klankwaarde van <th> in eng. there (stemhebbende non-strident dentale |
|
fricatief), in de Inlaut na vocaal (in de Auslaut na vocaal komt het teken <d> niet voor). Voorbeelden:
|
OPM. 1. De auslautende <d> moet stemhebbend worden uitgesproken.
OPM. 2. De uitspraak van <d> loopt dus parallel met die van <b> als stemhebbende occlusief in de Anlaut en in de Inlaut en Auslaut na consonant en als stemhebbende fricatief in de Inlaut na vocaal.
| 19. | <g>. Vierderlei klankwaarde:
|
OPM. De lettercombinatie <ggw> kan tweeërlei waarde hebben: de waarde van velaire nasaal + stemhebbende velaire occlusief + w (vgl. het hierboven besprokene): saggws ‘gezang’, of die van een lang aangehouden (‘dubbele’) stemhebbende velaire occlusief (geminaat) + w, in bijv. triggws ‘trouw’. In het laatste geval geldt na vocaal dus niet fricatieve (vgl. punt 2 hierboven), maar occlusieve uitspraak. De klankwaarde die we voor <ggw> aannemen, wordt bepaald door wat verwante, andere germaanse talen laten zien. Vgl. saggws met ndl. zang (ook met velaire nasaal) en triggws met ndl. trouw (zonder zo'n nasaal).
We nemen dus aan dat <g> net als <b> en <d> nu eens als stemhebbende occlusief, dan weer als stemhebbende fricatief (in de Auslaut ook als stemloze fricatief) moet worden uitgesproken. Voor <b> en <d> is op dit punt een bewijsvoering mogelijk; vgl. lamba/lamb en bindan/band (stemhebbende occlusief die ook in de Auslaut optreedt) tegenover giban/gaf en biudan/báuþ (stemhebbende fricatief die in de Auslaut stemloos wordt). Bij de <g> is dat niet zo; vgl. baírgan/barg en steigan/stáig. We nemen dus maar aan (zéker
is het niet) dat de uitspraak van de <g> parallel loopt met die van <d> en <b>. Dit houdt ook in dat we voor stáig (Auslaut na vocaal) stemloze fricatief aannemen. Opmerkelijk is dan dat Wulfila ter aanduiding van die stemloze velaire fricatief niet het teken <h> gebruikt. De verklaring kan zijn dat hij dit teken niet gebruiken kon omdat de <h> een zwak gearticuleerde (non-stridente), wellicht laryngale fricatief aanduidt (afwisselend met de blaasklank h), terwijl in stáig enz. een sterk gearticuleerde velaire fricatief χ moet worden aangenomen. Dat we in beide gevallen het teken χ gebruiken, zou dan niet juist zijn.
| 20. | In het bovenstaande hebben we ons beperkt tot de korte consonanten. Daarnaast moet het Gotisch lange consonanten (geminaten) gekend hebben, die in de spelling met dubbele consonanten worden aangeduid. Voorbeelden:
|
| 1. | <a>. Klankwaarde: zowel kort als lang, ten naaste bij als de vocaal van ndl. dag en als de vocaal van ndl. maar (duidelijk lang!). We kunnen voor deze verschillende klankwaarden de tekens ă en ā gebruiken; in de spelling van Wulfila wordt het kwantiteitsverschil echter niet tot uitdrukking gebracht. We houden in het vervolg in gotische woorden de tekens a en ā aan. De ā komt in oorspronkelijk gotische woorden alleen vóór χ <h> voor; daarnaast komt hij ook in andere posities Voorbeelden:
|
OPM. De lengte van de vocaal wordt gebaseerd op de herkomst: zo gaat bijv. in got. þāhta ‘ik/hij dacht’ de ā terug op ă + velaire nasaal (vgl. de infinitief þăgkjan ‘denken’). Uit deze combinatie ontstond een lange genasaleerde vocaal, die later zijn nasaliteit verloor (zie 29.1).
| 2. | <e>. Klankwaarde: altijd als de vocaal van du. dehnen oftewel als die van ndl. weten maar dan duidelijk lang: ē. Voorbeelden:
|
OPM. Deze klank vinden we nooit vóór vocaal.
| 3. | <i>. Klankwaarde: ongeveer gelijk aan de vocaal van ndl. vis: ĭ. In de regel treffen we deze klank niet aan vóór r, χ <h> en χu <hv>. Uitzonderingen zijn nih ‘noch’, hiri ‘kom hier’, hirjats (id. dualis) en hirjiþ (id. pluralis). Voorbeelden:
|
||||
| 4. | <ei>. Klankwaarde: als de vocaal van ndl. bier: ī. Voorbeelden:
|
OPM. Dit is het enige geval dat kwantiteit in de spelling tot uitdrukking wordt gebracht: vgl. <i> en <ei>, waarschijnlijk doordat Wulfila de spelling <ei> voor ī aan het Grieks kon ontlenen.
| 5. | <o>. Klankwaarde: altijd als de vocaal van du. Sohn oftewel als die van ndl. zoon maar dan duidelijk lang: ō. Voorbeelden:
|
OPM. Deze klank vinden we nooit vóór vocaal.
| 6. | <u>. Klankwaarde: evenals in het geval van <a> tweeërlei, kort èn lang. Voor de korte vocaal (ŭ) is de vocaal van ndl. boek te vergelijken, voor de lange (ū) die van ndl. boer. De ŭ treffen we evenals de ĭ (zie onder 3) in de regel niet vóór r, χ <h> en χu <hv> aan. Uitzonderingen: duhve ‘waarom’, -uh ‘en’ en het prefix ur- in bijv. urreisan ‘opstaan’. Binnen gotische woorden onderscheiden we voortaan tussen u en ū; in de spelling van Wulfila vinden we dit onderscheid echter niet. Voorbeelden:
|
OPM. Ook nu zijn herkomst en taalvergelijking bepalend voor de kwantiteit die aangenomen wordt.
| 7. | <ai>. Klankwaarde: drieërlei, nl. 1. als de vocaal van ndl. bed: ĕ, 2. als die van ndl. serre (dus lang): ε̄, 3. ongeveer als die van du. Stein: ai. Ter onderscheiding van deze klankwaarden in got. woorden gebruiken we de volgende tekens: ái, áí en aí; in de oorspronkelijke tekst komen deze onderscheidingen echter niet voor. De ĕ vinden we in de regel slechts vóór r, χ <h> en χu <hv>; hierop zijn een aantal uitzonderingen, o.a. een vreemde naam als Paítrus maar ook het got. nevenschikkende voegwoord aíþþáu ‘of’ en de reduplicatie-syllabe (zie 4.3c). De ε̄ treedt altijd vóór een vocaal op. De bepaling van de klankwaarde geschiedt weer op basis van herkomst en taal-vergelijking. Voorbeelden:
|
Het is in het biezonder een controversieel punt welke klankwaarde we in geval 3 moeten aannemen. Er is ook de opvatting dat net als in geval 2 de klankwaarde een lange vocaal ε̄ is geweest. Het is immers niet waarschijnlijk dat Wulfila, terwijl hij zijn eigen spelling kon ontwerpen, zo verschillende klanken als ai en ĕ/ε̄ op dezelfde wijze zou hebben weergegeven. En aangezien de klankwaarde van aí (waírpan) onomstreden is, ligt het voor de hand voor alle gevallen de waarde [ε] aan te nemen, die dan kort èn lang kan zijn geweest. Evenals bij de <a> en de <u> heeft Wulfila hier kwantiteitsverschillen in de spelling verwaarloosd. Aan de andere kant valt er echter niet aan te twijfelen dat de ε̄ in geval 3, in bijv. stáins, op een oudere ai teruggaat. Aangezien deze klank dichter staat bij die van het Oergermaans, waarop zowel het Nederlands als het Gotisch teruggaan, heeft het voor de historische klankleer van het Nederlands zijn voordelen deze klank toch maar aan te houden.
| 8. | <au>. Klankwaarde: drieërlei, nl. 1. als de vocaal van ndl. pot: ǒ, 2. als die van ndl. rose (dus lang): ɔ̄, 3. ongeveer als die van duits Braut: au. Ter onderscheiding van deze klankwaarden in got. woorden gebruiken we de volgende tekens: aú, áú en áu; in de oorspronkelijke tekst komen deze onderscheidingen echter niet voor. De ŏ vinden we in de regel slechts vóór r en χ <h> (van een ŏ in de positie vóór χu <hv> bestaat geen voorbeeld). In een leenwoord als apaústaúlus ‘apostel’ treffen we de ŏ echter twee keer in een andere |
|
positie aan. De ɔ̄ treedt alleen vóór vocaal op. De bepaling van de klankwaarde geschiedt weer op basis van herkomst en taalvergelijking. Voorbeelden:
|
Ook hier is het een controversieel punt welke klankwaarde we in geval 3 moeten aannemen; de problematiek loopt parallel met die bij de <ai>. De klankwaarde van aú (waúrms) is onomstreden; het ligt dus voor de hand die op grond van de uniforme spelling ook voor geval 3 aan te nemen. In de gevallen 2 en 3 moet dan weer lange vocaal worden aangenomen. Het staat echter vast dat de ɔ̄ in geval 3 op een oudere au teruggaat, en aangezien die klank dichter bij het Oergermaans staat, zal hij in het vervolg worden aangehouden.
| 9. | <iu>. Klankwaarde: als een diftong iu, te realiseren als een combinatie van de vocaal van vis en die van boek. Voorbeelden:
|
Ook de klankwaarde van <iu> is omstreden. Zo is het goed mogelijk dat we evenals in het geval van ai en au eigenlijk met een monoftong te maken hebben: bijv. [ɨ:], een lange gesloten ongeronde mediale vocaal, een klank tussen ī (ndl. bier) en ū (ndl. boer) in.
| 10. | Bij de vocalen sluiten zich fonetisch de liquidae en de nasalen aan die in bepaalde syllaben, nl. tussen obstruenten en in de Auslaut na obstruent, als vocalen fungeren, m.a.w. dan sonantisch zijn oftewel het meest sonore element in de syllabe: r̥, l̥, n̥, m̥. Voorbeelden:
|
Bij de beschrijving van de fonologie van het Gotisch gaan we uit van de in de vorige paragrafen vastgestelde uitspraak, dat wil o.a. zeggen dat
we aan <ái>, <áu> en <iu> de klankwaarde van diftongen toekennen. Bij de vaststelling van de gotische fonemen kan het door de beperktheid van de bronnen wel eens moeilijk zijn minimale paren te vinden. Als een minder strenge eis kunnen we aannemen dat de veronderstelde fonemen elkaar globaal in positioneel opzicht niet mogen uitsluiten. We kunnen dan de volgende systemen opstellen:

Als varianten van één foneem vatten we ĭ en ĕ resp. ŭ en ŏ op; er is nl. complementaire distributie zodanig dat ĕ en ŏ steeds vóór r, χ en χu voorkomen en ĭ en ŭ in de andere gevallen. In de tijd van Wulfila echter zijn daarop al uitzonderingen ontstaan (zie 3.3 sub 3, 6, 7 en 8). Eveneens als varianten van één foneem vatten we ē en ε̄ resp. ō en ɔ̄ op, waarbij ε̄ en ɔ̄ vóór vocaal en ē en ō vóór consonant voorkomen. De ā moet in oorspronkelijk gotische woorden in complementaire distributie tot ă + velaire nasaal hebben gestaan: ā vóór χ en ă + vel. nas. in andere gevallen. Tengevolge van ontleningen kwam ā ook in andere posities voor, waarom deze klank al wel als zelfstandig foneem moet worden opgevat.
Ter ondersteuning van het hierboven opgestelde systeem kunnen we de volgende reeks woorden met de vocaal in de positie vóór t aanvoeren: bitum ‘wij beten’, gutum ‘wij goten’, wato ‘water’, beitan ‘bijten’, ūta ‘buiten’, setum ‘wij zaten’, fotus ‘voet’, Peilātus ‘Pilatus’, giutan ‘gieten’, háitan ‘noemen’ en stáutan ‘stoten’.

obstruenten:

Het hierboven staande schema bevat een aantal vereenvoudigingen: zo is geen rekening gehouden met de lange consonanten, die als zelfstandige fonemen tegenover de korte moeten worden opgevat (vgl. schaarse minimale paren als ina ‘hem’ tegenover inna ‘binnen’), en met de sonantische varianten van de liquidae en nasalen, die tussen obstruenten en in de Auslaut na obstruent voorkomen.
De η is de variant van /n/ vóór velaire consonant. Ook h en χ΄ staan tot elkaar in complementaire distributie, waarbij de h in de Anlaut vóór vocaal voorkomt en de χ΄ in de overige posities (vgl. 3.2 sub 15, bijv. hana en jah). De χ΄ is van een diacritisch tekentje voorzien om hem te onderscheiden van de χ in bijv. stáig (zie 3.2 sub. 19), die bij de obstruenten is ondergebracht. We hebben voor het schema de χ΄ evenals de h als een laryngaal opgevat. Bij de obstruenten doet zich complementaire distributie voor bij b en ƀ resp. d en đ: ƀ en đ treden op in de Inlaut na vocaal, b en d in de overige posities. Bij de velairen vertonen drie klanken complementaire distributie: ǥ in de Inlaut na vocaal, χ (indien verschillend van χ΄) in de Auslaut na vocaal (ook na vocaal vóór s en t; vgl. dags ‘dag’ en magt ‘je kunt’) en g in de overige posities. De betreffende fonemen kunnen we aanduiden als /b/, /d/ en /g/.
Ter ondersteuning van het opgestelde schema voeren we weer een reeks woorden aan, waarin de consonant in de Anlautspositie vóór vocaal staat: juk ‘juk’, waír ‘man’, riqis ‘duisternis’, laþon ‘uitnodigen’, marei ‘zee’, nahts ‘nacht’, páida ‘rok’, tuggo ‘tong’, kuni ‘geslacht’, qino ‘vrouw’, fotus ‘voet’, þiufs ‘dief’, sunus ‘zoon’, hana ‘haan’, hveits ‘wit’, bindan ‘binden’, daúhtar ‘dochter’ en giban ‘geven’. Alleen z komt in die positie niet voor; dat we hier toch een zelfstandig foneem t.o.v. s hebben, bewijst hazjan ‘loven’ tegenover wasjan ‘kleden’, beide met de betreffende consonant in de Inlaut tussen vocaal en j.
Voor het Gotisch geldt een Auslautsverscherpingsregel die inhoudt dat in de Auslaut alleen een stemloze en dus niet een stemhebbende fricatief
mogelijk is: vgl. giban - gaf, biudan - báuþ, steigan - stáig, máiza ‘meer’ adj. - máis ‘meer’ adv.. In de Auslaut na vocaal zijn dus de opposities /f/ - /b/, /þ/ - /d/ en /s/ - /z/ geneutraliseerd; alleen /f/, /þ/ en /s/ zijn dan mogelijk. Bij de velairen ligt dat anders, als tenminste de auslautende χ inderdaad verschillend is van de in 3.4.1 besproken χ΄; de χ is dan variant van het foneem /g/. Overigens kan een auslautende stemloze fricatief ook naast eenzelfde stemloze fricatief in de Inlaut voorkomen; vgl. bijv. -leipan ‘gaan’ - -láiþ ‘ik/hij ging’, waírþan ‘worden’ - warþ ‘ik/hij werd’. Bij de occlusieven vinden we geen Auslautsverscherping: vgl. lamba - lamb, bindan - band, baírgan - barg.
Binnen paradigmata kunnen iu en iw, áu en aw en ĭ en j afwisselen.
Voorbeelden: triu ‘boom’ - triwis ‘van de boom’, þius ‘dienaar’ - þiwis ‘van de dienaar’, -qiujan ‘levend maken’ - -qiwida ‘ik/hij maakte levend’; táujan ‘doen’ - tawida ‘ik/hij deed’; kuni ‘geslacht’ - kunjis ‘van het geslacht’.
Voor de flexie kan het verschil tussen lange en korte stam van belang zijn. Een korte stam bevat een korte vocaal gevolgd door één consonant of een lange vocaal die niet door een consonant gevolgd wordt. Lang is een stam met een lange vocaal, gevolgd door één consonant, of een stam met een korte vocaal plus twee consonanten (of een geminaat). Lang is ook een stam met meer dan één syllabe. De j waarop de stam kan eindigen, speelt in het bepalen van de lengte geen rol.
Een voorbeeld is het substantief harjis ‘leger’ met als gen. sg. eveneens harjis. Dit substantief heeft een korte stam: ă + één consonant. Haírdeis ‘herder’, dat tot dezelfde klasse (van de zgn. jă-stammen) behoort, met eveneens haírdeis als gen. sg., heeft een lange stam: ĕ + twee consonanten; vandaar -eis en niet -jis. De lengte van de stam is ook van belang bij een andere klasse van de substantieven (de ō-stammen): zo vinden we halja ‘hel’ met korte stam naast bandi ‘band’ met lange stam. Niet altijd echter is het verschil van belang. Vergelijk uit weer een andere klasse van de substantieven (de n-stammen) gumins gen. sg. bij guma ‘man’ naast bandjins en niet bandeins als gen. sg. bij bandja ‘gevangene’.
De uitgang -s zoals die bijv. in de nom. sg. masc. van substantieven voorkomt (vgl. dags), valt af wanneer de stam al op een s eindigt: vgl. drus ‘val’ i.p.v. druss (gen. sg. masc. drusis). Deze -s vervalt ook na korte vocaal + r: waír ‘man’ i.p.v. waírs (gen. sg. masc. waíris). In akrs ‘akker’ en hors ‘hoereerder’ blijft de -s echter staan: in akrs gaat aan de (sonantische) r niet onmiddellijk een vocaal vooraf, in hors is de vocaal die voorafgaat lang.