De vormen van het gotische werkwoord zijn naar de volgende criteria te onderscheiden:
| a. | naar genus (geslacht): activum of passivum. Van het passivum komt slechts het praesens voor; het praeteritum is perifrastisch. Voorbeelden: nasjada ‘hij wordt gered’, nasiþs was/warþ ‘hij werd gered’ (beide van het werkwoord nasjan ‘redden’). |
| b. | naar tempus (tijd): praesens of praeteritum. Voorbeelden: nasja ‘ik red’, nasida ‘ik/hij redde’. |
| c. | naar modus (wijze): indicatief, optatief (=conjunctief) of imperatief. Van de imperatief komen voor de 2e en 3e persoon singularis, de 2e persoon dualis en de 1e, 2e en 3e persoon pluralis. Voorbeelden: nasei ‘red’, nasjadáu ‘hij moet redden’, nasjats ‘redt’ (tot twee personen gericht), nasjam ‘laat ons redden’, nasjiþ ‘redt’ (tot meer dan twee personen gericht), nasjandáu ‘zij moeten redden’. |
| d. | naar numerus (getal): singularis, dualis of pluralis. Voorbeelden: nasja ‘ik red’, nasjos ‘wij beiden redden’ nasjam ‘wij redden’. |
| e. | naar persona (persoon): 1e, 2e en 3e persoon. Voorbeelden: nasja ‘ik red’, nasjis ‘jij redt’, nasjiþ ‘hij redt’. |
| f. | naar klasse: zie 4.2. |
Daarnaast komen de volgende zgn. nominale vormen voor:
| g. | een infinitief: nasjan ‘redden’. |
| h. | een participium praesens: nasjands ‘reddende’. |
| i. | een participium praeteritum: nasiþs ‘gered’. |
OPM. De participia worden verbogen. Zie 7.4.
De gotische werkwoorden zijn op grond van de praeteritumvorming in de volgende hoofdgroepen te verdelen:
| a. | de sterke werkwoorden: praet. en part. praet. worden zonder dentaalsuffix gevormd. Deze werkwoorden zijn weer in drie subgroepen te verdelen:
niman ‘nemen’ - nam ‘ik/hij nam’, letan ‘laten’ - laílot ‘ik/hij liet’, háitan ‘noemen’ - haíháit ‘ik/hij noemde’. De beide eerste groepen, de werkwoorden met Ablaut dus, vormen tesamen zeven klassen; in klasse 7 zitten de werkwoorden met Ablaut en reduplicatie, in de klassen 1 t/m 6 de werkwoorden met alleen Ablaut. Groep drie bestaat volgens de traditie uit vijf maar eigenlijk uit zes klassen. |
||||||
| b. | de zwakke werkwoorden: praet. en part. praet. worden met een dentaalsuffix gevormd. Deze zijn te verdelen in die zwakke werkwoorden die in hun praet. en part. praet. een tussenvocaal hebben en die welke zo'n vocaal niet hebben. Voorbeelden: nasjan ‘redden’ - nasida ‘ik/hij redde’, þagkjan ‘denken’ -þāhta ‘ik/hij dacht’. |
We onderscheiden bij de sterke werkwoorden vier categorieën van vormen:
| 1. | de infinitief met praes., imperatief en part. praes., |
| 2. | de 1e pers. sg. praet. indic. met 2e en 3e pers., |
| 3. | de 1e pers. plur. praet. indic. met de rest van het praeteritum, inclusief de hele optatief van het praeteritum, |
| 4. | de nom. sg. masc. (sterke flexie) van het part. praet. en de andere vormen daarvan. |
Er worden hieronder telkens vier vormen opgegeven: infinitief, 1e pers. sg. praet. indic., 1e pers. plur. praet. indic., nom. sg. masc. sterk part. praet. Kent men die vormen, dan kan men met behulp van de uitgangen (zie 4.7) de andere vormen daarvan afleiden. Zo heeft de infinitief van steigan ‘stijgen’ een ī <ei>; deze ī keert in het gehele praesens, de imperatief en het part. praes. terug. En zo heeft de 1e pers. sg. praet. indic. van háitan ‘noemen’ de reduplicatiesyllabe haí- (haíháit), die in de gehele 2e, trouwens ook in de 3e categorie voorkomt. Zoals men ziet is er per klasse niet altijd van vier categorieën sprake. Nog een voorbeeld: steigan heeft zowel in categorie 3 als in categorie 4 dezelfde vocaal ĭ.
Klasse 1 (1e cat.: ī vóór cons.):
| a. | steigan (ī) | ‘stijgen’ | stáig (ai) | stigum (ĭ) | stigans (ĭ) |
| b. | gateihan (ī) | ‘verkondigen’ | gatáih (ai) | gataíhum (ĕ) | gataíhans (ĕ) |
Gateihan heeft in de 3e en 4e cat. ĕ in de positie vóór χ (zie 3.3).
Klasse 2 (1e cat.: iu of ū vóór cons.):
| 1 | |||||
| a. | biudan (iu) | ‘bieden’ | báuþ (au) | budum (ŭ) | budans (ŭ) |
| b. | tiuhan (iu) | ‘trekken’ | táuh (au) | taúhum (ŏ) | taúhans (ŏ) |
| 2 | |||||
| lūkan (ū) | ‘sluiten’ | láuk (au) | lukum (ŭ) | lukans (ŭ) |
Tiuhan beeft in de 3e en 4e cat. ŏ in de positie vóór χ (zie 3.3).
Klasse 3 (1e cat.: ĭ of ĕ vóór nas. + cons. of liq. + cons.):
| a. | bindan (ĭ) | ‘binden’ | band (ă) | bundum (ŭ) | bundans (ŭ) |
| hilpan (ĭ) | ‘helpen’ | halp (ă) | hulpum (ŭ) | hulpans (ŭ) | |
| b. | waírpan (ĕ) | ‘werpen’ | warp (ă) | waúrpum (ŏ) | waúrpans (ŏ) |
In geval b. treden ĕ en ŏ op vóór r (zie 3.3).
Klasse 4 (1e cat.: ĭ of ĕ doorgaans vóór enkele nas. of liq.):
| a. | niman (ĭ) | ‘nemen’ | nam (ă) | nemum (ē) | numans (ŭ) |
| stilan (ĭ) | ‘stelen’ | stal (ă) | stelum (ē) | stulans (ŭ) | |
| b | baíran (ĕ) | ‘dragen’ | bar (ă) | berum (ē) | baúrans (ŏ) |
In deze klasse komt ook het geval voor van r + stamvocaal + consonant:
| brikan (ĭ) | ‘breken’ | brak (ă) | brekum (ē) | brukans (ŭ) |
De vormen van baíran vertonen ĕ en ŏ vóór r (zie 3.3).
Klasse 5 (1e cat.: ĭ of ĕ vóór enkele consonant die geen nasaal of liquida is):
| a. | giban (ĭ) | ‘geven’ | gaf (ă) | gebum (ē) | gibans (ĭ) |
| b. | saíhvan (ĕ) | ‘zien’ | sahv (ă) | sehvum (ē) | saíhvans (ĕ) |
Saíhvan en saíhvans vertonen een ĕ voor χu (zie 3.3).
Een j-suffix heeft bidjan ‘bidden’, een n-suffix fraíhnan ‘vragen’; beide suffixen komen slechts in de 1e cat. voor.
Klasse 6 (1e cat.: ă vóór enkele consonant):
| faran (ă) | ‘gaan’ | for (ō) | forum (ō) | farans (ă) |
| slahan (ă) | ‘slaan’ | sloh (ō) | slohum (ō) | slahans (ă) |
Een aantal werkwoorden van deze klasse heeft een j-suffix in de 1e cat.: bijv. hafjan ‘heffen’. Standan ‘staan’ heeft een n-infix in de 1e cat.: standan - stoþ - stoþum - part. praet. ontbreekt.
Keinan (1e klasse) ‘ontkiemen’ heeft een praesens-n; in het part. praet. kijans staat de stamvocaal dus niet vóór consonant. Het praet. gaat volgens klasse 4 van de zwakke werkwoorden: keinoda (zie 4.4). Ook digan ‘kneden’ behoort waarschijnlijk tot klasse 1; de praesensvocaal is dan afwijkend. Tot klasse 3 behoort ook het geval met de stamvocaal vóór lange nasaal (‘dubbele nasaal’): rinnan ‘rennen’, en het geval met de stamvocaal na liquida vóór een combinatie van twee consonanten: bijv. þriskan ‘dorsen’,þrask, þruskum, þruskans. Trudan ‘treden’ met afwijkende praesensvocaal u behoort tot klasse 4. Wrikan ‘wreken’ gaat afwijkend volgens klasse 5 (vgl. brikan). Voor itan ‘eten’ moeten als praet. vormen et en etum worden aangenomen: vgl. fret en fretum bij fraïtan ‘vreten’. In wahsjan ‘groeien’ (klasse 6) volgt op de stamvocaal een combinatie van twee consonanten.
Klasse 7 (1e cat.: ē of ε̄):
| a. | letan (ē) | ‘laten’ | laílot (ō) | laílotum (ō) | letans (ē) |
| b. | sáín (ε̄) | ‘zaaien’ | saíso (ō) | saísoum (ō) | sáíans (ε̄) |
Sáían heeft een ε̄, die optreedt vóór een onmiddellijk volgende vocaal (zie 3.4.1). Voor de principes van de reduplicatie zie onder c.
De principes van de reduplicatie zijn de volgende: de reduplicatie komt alleen in het praeteritum voor, dus niet in het part. praet.; de vocaal van de reduplicatie is altijd ĕ <ai>; alleen de beginconsonant wordt herhaald; uitzondering: in het geval van st- en sk- worden deze beide consonanten herhaald; begint de stam met een vocaal, dan bestaat de reduplicatiesyllabe alleen uit ĕ. De reduplicatiesyllabe draagt het accent.
Klasse 1 (stamvocaal: ai vóór cons.):
| háitan | ‘noemen’ | haíháit | haíháitum | háitans |
| skáidan | ‘scheiden’ | saískáiþ | skaískáidum | skáidans |
| fráisan | ‘bekoren’ | faífráis | faífráisum | fráisans |
Klasse 2 (stamvocaal: au vóór cons.):
| áukan | ‘zich vermeerderen’ | aíáuk | aíáukum | áukans |
Klasse 3 (stamvocaal: ă vóór liq. + cons.):
| gastaldan | ‘verwerven’ | gastaístald | gastaístaldum | gastaldans |
Klasse 4 (stamvocaal: ē vóór cons.):
| slepan | ‘slapen’ | saíslep | saíslepum | slepans |
(voor letan en sáian zie klasse 7 van de werkwoorden met Ablaut; slepan is het enige bekende voorbeeld van klasse 4 reduplicerend).
Klasse 5 (stamvocaal: ō vóór cons.):
| hvopan | ‘zich beroemen’ | hvaíhvop | hvaíhvopum | hvopans. |
Klasse 6 (stamvocaal: ā vóór cons.):
| fāhan | ‘vangen’ | faífāh | faífāhum | fāhans |
De hierboven gegeven indeling is primair gebaseerd op de vorming van praeteritum en participium praeteritum (met Ablaut en/of reduplicatie); volgens traditie zijn de sterke werkwoorden met Ablaut en reduplicatie als klasse 7 van de ablautende beschouwd, hoewel ze eigenlijk een groep apart tegenover de klassen 1 t/m 6 vormen.
De indeling van de werkwoorden met alleen Ablaut kan men gebaseerd zien op de vocaalalternantie in praeteritum rn participium praeteritum, waarbij de vocaal van de 1e categorie en de stamstructuur (aard van de volgende consonant(en)) van secundair belang zijn:
| 1: ái / ĭ / ĭ | 2: áu / ŭ / ŭ |
| 3: ă / ŭ / ŭ | 4: ă / ē / ŭ |
| 5: ă / ē / ĭ | 6: ō / ō / ă |
(Hierbij is afgezien van de varianten ĕ en ŏ vóór r, χ en χu.)
De indeling van de werkwoorden met alleen reduplicatie is op de stamvocaal gebaseerd; van de klassen 1 t/m 3 kan men deze terugvinden in de 2e cat. van de klassen 1 t/m 3 van de werkwoorden met alleen Ablaut. Omdat het reduplicatieprocédé voor alle werkwoorden hetzelfde is, is er in feite slechts sprake van één klasse.
We noemen voor deze werkwoorden telkens slechts drie vormen, waarvan alle andere vormen zijn af te leiden: infinitief - 1e pers. sg. praet. indic. - nom. sg. masc. sterk part. praet.
De hier bedoelde werkwoorden worden in vier klassen verdeeld:
Klasse 1 (infinitief op -jan):
| nasjan | ‘redden’ | nasida | nasiþs |
Klasse 2 (infinitief op -on):
| salbon | ‘zalven’ | salboda | salboþs |
Klasse 3 (infinitief op -an):
| haban | ‘hebben’ | habáida | habáiþs |
Klasse 4 (infinitief op -nan):
| fullnan | ‘in vervulling gaan’ | fullnoda |
OPM. Het merendeel van de zwakke werkwoorden van de 1e klasse heeft een causatieve betekenis, d.w.z. de betekenis is met doen of maken te omschrijven: hnáiws ‘nederig’ - hnáiwjan ‘vernederen’ (afgeleid van adjectief); táikns ‘teken’ - táiknjan ‘tonen’ (afgeleid van substantief); drigkan ‘drinken’ - dragkjan ‘drenken, doen drinken’ (afgeleid van werkwoord). De meeste werkwoorden van klasse 2 zijn afgeleid van substantieven: sunjon ‘verontschuldigen’ (van sunja Fjō ‘waarheid’), karon ‘zorgen’ (van kara Fō ‘zorg’). Die van 3 zijn over het algemeen niet afgeleid. Het biezondere van de werkwoorden van klasse 4 is dat ze van adjectieven of werkwoorden afgeleid zijn en het intreden van een nieuwe toestand betekenen: fulls ‘vol’ - fullnan ‘in vervulling gaan’; fraliusan ‘verliezen’ - fralusnan ‘verloren gaan’. Een part. praet. ontbreekt erbij.
Deze werkwoorden zijn als volgt in te delen:
a. de praeterito-praesentia (enkelvoud: praeterito-praesens).
Het kenmerk van deze werkwoorden is dat hun praesensvormen opmerkelijke overeenkomsten vertonen met de praeteritumvormen van de sterke werk-
woorden met Ablaut, en wel in twee opzichten: 1. ze hebben dezelfde uitgangen, 2. ze vertonen hetzelfde vocalisme. Op het laatste punt zijn er echter uitzonderingen. Het praet. en het part. praet . van deze werkwoorden zijn zwak gevormd, dus met een dentaalsuffix, evenwel zonder tussenvocaal en soms ook met nog meer ‘onregelmatigheden’.
Voorbeeld:
kunnan ‘kennen, weten’. Praesensvormen: kann ‘ik ken, weet’; kunnum ‘wij kennen, weten’ (te vergelijken met het praet. van de 3e klasse van de sterke werkwoorden: band - bundum). Praeteritum: kunþa (zonder tussenvocaal; vgl. de regelmatige vormen nasida, salboda etc.; de dentaal is geen đ maar þ). Part. praet. (adjectief geworden): kunþs ‘bekend’ (ook zonder tussenvocaal; vgl. bijv. nasiþs, salboþs).
Ander voorbeeld:
skulan ‘moeten’. Praesens: skal, skulum (op grond van de parallellie met klasse 4 van de sterke werkwoorden verwachten we skelum in plaats van skulum; vgl. stal - stelum). Praeteritum: skulda. Part. praet.: skulds ‘schuldig’ (adjectief geworden).
De praeterito-praesentia worden hieronder in klassen verdeeld, die corresponderen met de klassen van de sterke werkwoorden met Ablaut.
| Klasse | 1e en 3e pers.
sg. praes. indic. |
1e pers. plur.
praes. indic. |
1e en 3e pers.
sg. praet. indic. |
infinitief | |
|---|---|---|---|---|---|
| 1 | wáit | witum | wissa | witan | ‘weten’ |
| láis | - | - | - | ‘weten’ | |
| 2 | dáug | - | - | - | ‘deugen’ |
| 3 | kann | kunnum | kunþa | kunnan | ‘kennen’ |
| þarf | þaúrbum | þaúrfta | þaúrban | ‘nodig | |
| hebben’ | |||||
| gadars | gadaúrsum | gadaúrsta | gadaúrsan | ‘wagen’ | |
| 4 | skal | skulum | skulda | skulan | ‘moeten’ |
| man | munum | munda | munan | ‘menen’ | |
| 6 | gamot | gamotum | gamosta | gamotan | ‘ruimte |
| vinden’ | |||||
| og | ogum | ohta | ogan | ‘vrezen’ |
Moeilijker met een klasse in verband te brengen zijn:
| mag | magum | mahta | magan | ‘kunnen’ |
| ganah/binah | - | - | - | ‘genoeg/ |
| nodig zijn’ | ||||
| áih | áigum/áihum | áihta | áihan | ‘bezitten’ |
OPM. Magan sluit wat de stamstructuur en de vocaal van mag betreft aan bij klasse 5, maar verder kloppen de vocalen niet; ganah en binah sluiten er eveneens bij aan maar het adjectief geworden part. praet. binaúhts klopt weer niet wat de vocaal betreft; áihan sluit aan bij klasse 1, maar heeft ai in alle vormen en kenmerkt zich door een eigen consonantafwisseling.
b. het gotische werkwoord voor ‘willen’ (infin. wiljan), dat als een apart geval moet worden beschouwd:
praes. indic.
| sg.: | 1 | wiljáu | plur. | 1 | wileima |
| 2 | wileis | 2 | wileiþ | ||
| 3 | wili | 3 | wileina |
Deze praesensvormen vertonen dezelfde uitgangen als de praet. opt. vormen van de sterke werkwoorden; vgl. wiljáu ‘ik wil’ met nemjáu ‘dat ik name’ van niman. Het zwakgevormde praeteritum is wilda.
c. de andere zwakke werkwoorden zonder tussenvocaal in het praeteritum:
| briggan | ‘brengen’ | praet.: | brāhta |
| bugjan | ‘kopen’ | praet.: | baúhta (met ŏ vóór χ) |
| brūkjan | ‘gebruiken’ | praet.: | brūhta |
| waúrkjan | ‘werken’ | praet.: | waúrhta |
| þagkjan | ‘denken’ | praet.: | þāhta |
| þugkjan | ‘dunken’ | praet.: | þūhta |
OPM. In brāhta, þāhta en þūhta komt vóór χ een lange vocaal voor, die afwisselt met een korte vocaal + nasaal in infinitief en praesens. In het geval brāhta treedt bovendien Ablaut op, nl. de afwisseling van ĭ met ā.
In deze paragraaf komen nog twee ‘onregelmatige’ werkwoorden aan de orde:
| a. | gaggan ‘gaan’ met als praeteritum meestal iddja; |
| b. | het gotische werkwoord voor ‘zijn’, met vormen die op een nogal verschillende wijze gevormd zijn. Er zijn ten eerste vormen die in klasse 5 van de sterke werkwoorden passen: de infinitief wisan, het part. praesens wisands, het praeteritum was - wesum. De praesensvormen zien er heel anders uit. |
| indicativus | optativus | ||
|---|---|---|---|
| sg. | 1. | im | sijáu |
| 2. | is | sijáis | |
| 3. | ist | sijái | |
| dual. | 1. | siju | sijáiwa |
| 2. | sijuts | sijáits | |
| plur. | 1. | sijum | sijáima |
| 2. | sijuþ | sijáiþ | |
| 3. | sind | sijáina |
a. Infinitief
| sterk | zwak 4 | zwak 1 | zwak 3 | zwak 2 |
|---|---|---|---|---|
| niman | fullnan | nasjan | haban | salbon |
b. Praesens indicativus activum
| sterk | zwak 4 | zwak 1 | zwak 3 | zwak 2 | |
|---|---|---|---|---|---|
| sg. | nima | fullna | nasja | haba | salbo |
| nimis | fullnis | etc. | habáis | salbos | |
| nimiþ | etc. | habáiþ | salboþ | ||
| dual. | nimos | habos | salbos | ||
| nimats | ? | salbots | |||
| plur. | nimam | habam | salbom | ||
| nimiþ | habáiþ | salboþ | |||
| nimand | haband | salbond |
c. Praesens optativus activum
| sterk | zwak 4 | zwak 1 | zwak 3 | zwak 2 | |
|---|---|---|---|---|---|
| sg. | nimáu | fullnáu | nasjáu | habáu | salbo |
| nimáis | etc. | etc. | etc. | salbos | |
| nimái | salbo |
| dual. | nimáiwa | etc. | etc. | etc. | salbowa |
| nimáits | salbots | ||||
| plur. | nimáima | salboma | |||
| nimáiþ | salboþ | ||||
| nimáina | salbona |
d. Imperatief
| sterk | zwak 4 | zwak 1 | zwak 3 | zwak 2 | |
|---|---|---|---|---|---|
| sg. 2 | nim | fulln | nasei | habái | salbo |
| sg. 3 | nimadáu | etc. | nasjadáu | habadáu | salbodáu |
| dual. 2 | nimats | etc. | ? | salbots | |
| plur. 1 | nimam | habam | salbom | ||
| plur. 2 | nimiþ | habáiþ | salboþ | ||
| plur. 3 | nimandáu | habandáu | salbondáu |
e. Participium praesens
| sterk | zwak 4 | zwak 1 | zwak 3 | zwak 2 |
|---|---|---|---|---|
| nimands | fullnands | nasjands | habands | salbonds |
f. Praeteritum indicativus activum
| sterk | zwak 4 | zwak 1 | zwak 3 | zwak 2 | |
|---|---|---|---|---|---|
| sg. | nam | fullnoda | nasida | habáida | salboda |
| namt | fullnodes | etc. | etc. | etc. | |
| nam | fullnoda | ||||
| dual. | nemu | fullnodedu | |||
| nemuts | fullnodeduts | ||||
| plur. | nemum | fullnodedum | |||
| nemuþ | fullnodeduþ | ||||
| nemun | fullnodedun |
OPM. Bij biudan bijv. is de 2e pers. sg. báust: de slot-dentaal van de stam verschijnt voor -t altijd als s.
g. Praeteritum optativus activum
| sterk | zwak 4 | zwak 1 | zwak 3 | zwak 2 | |
|---|---|---|---|---|---|
| sg. | nemjáu | fullnodedjáu | nasidedjáu | habáidedjáu | salbodedjáu |
| nemeis | fullnodedeis | etc. | etc. | etc. | |
| nemi | fullnodedi | ||||
| dual. | nemeiwa | fullnodedeiwa | |||
| nemeits | fullnodedeits | ||||
| plur. | nemeima | fullnodedeima | |||
| nemeiþ | fullnodedeiþ | ||||
| nemeina | fullnodedeina |
h. Participium praeteritum
| sterk | zwak 4 | zwak 1 | zwak 3 | zwak 2 |
|---|---|---|---|---|
| numans | - | nasiþs | habáiþs | salboþs |
i. Praesens indicativus passivum
| sterk | zwak 4 | zwak 1 | zwak 3 | zwak 2 | |
|---|---|---|---|---|---|
| sg. 1 | nimada | - | nasjada | habada | salboda |
| 2 | nimaza | - | etc. | etc. | etc. |
| 3 | nimada | - | |||
| plur. 1/3 | nimanda |
j. Praesens optativus passivum
| sterk | zwak 4 | zwak 1 | zwak 3 | zwak 2 | |
|---|---|---|---|---|---|
| sg. 1 | nimáidáu | - | nasjáidáu | habáidáu | salbodáu |
| sg. 2 | nimáizáu | - | etc. | etc. | etc. |
| sg. 3 | nimáidáu | - | |||
| plur. 1/3 | nimáindáu | - |
Sterke werkwoorden met een praesens-j (bijv. bidjan) worden in het praesens, de imperatief en het part. praes. als zwakke werkwoorden van de 1e klasse vervoegd. Fraíhnan met praesens-n gaat in die vormen als een zwak werkwoord van de 4e klasse. Bij de zwakke werkwoorden van de eerste klasse speelt het verschil tussen korte en lange stam (zie 3.4.2) een rol: 2e en 3e pers. sg. en 2e pers. plur. praes. indic. act. sokeis, sokeiþ, sokeiþ naast nasjis, nasjiþ, nasjiþ; vgl. ook de 2e pers. plur. imper. sokeiþ. Van de praeterito-praesentia zijn de praesensuitgangen gelijk aan de praeteritumuitgangen van de sterke werkwoorden. De praeterita zonder tussenvocaal, bijv. brāhta, gaan als nasida, dus: brāhta, brāhtes, brāhtedu etc.. Bugjan en de andere ‘onregelmatige’ werkwoorden met een j in de infinitief gaan buiten het praeteritum als zwakke werkwoorden van de 1e klasse; briggan gaat als een sterk werkwoord.