terug  begin  verderprepost
[p. 41]

5 Het gotische substantief

5.1 Indeling

De vormen van het gotische substantief zijn volgens drie criteria te onderscheiden:

a.naar genus (geslacht): masculinum (mannelijk), femininum (vrouwelijk), neutrum (onzijdig);
b.naar numerus (getal): singularis (enkelvoud), pluralis (meervoud);
c.naar casus (naamval): nominativus, genitivus, dativus, accusativus, vocativus.

De substantieven worden in een groot aantal klassen verdeeld, waarvan de belangrijkste in het hieronderstaande overzicht zijn vermeld.

vocaalstammen  
   
ă-stammen: dags (masc.) ‘dag’, waúrd (neutrum) ‘woord’
jă-stammen: haírdeis (masc.) ‘herder’, harjis (masc.) ‘leger’, kuni (neutr.) ‘geslacht’
ō-stammen: giba (fem.) ‘gave’
jō-stammen: halja (fem.) ‘hel’, bandi (fem.) ‘band’
i-stammen: gasts (masc.) ‘gast’, ansts (fem.) ‘gunst’
u-stammen: sunus (masc.) ‘zoon’, handus (fem.) ‘hand’, faíhu (neutrum) ‘geld’

consonantstammen  
n-stammen: ăn-, jăn-, jō-, jōn- en īn-stammen:
ăn-stammen: guma (masc.) ‘man’, háirto (neutrum) ‘hart’
jăn-stammen: arbja (masc.) ‘erfgenaam’, sigljo (neutrum) ‘zegel’
ōn-stammen: tuggo ‘tong’
jōn-stammen: raþjo (fem.) ‘getal’
īn-stammen: managei (fem.) ‘menigte’
r-stammen: broþar (masc.) ‘broeder’, swistar (fem.) ‘zuster’
nd-stammen: nasjands (masc.) ‘redder’
wortelnomina: bijv. het fem. baúrgs ‘stad’

[p. 42]

5.2 Beschouwingen

De hierboven aangeduide klasse-indeling gaat in hoge mate voor het Gotisch op, zij is m.a.w. voor een zeer belangrijk deel synchroon verantwoord. De benamingen echter - termen dus als ă-stammen, i-stammen etc. - gaan niet meer voor het Gotisch op. Deze terminologie is gebaseerd op een analyse van de vormen in een vóór het Gotisch liggend stadium: het Oergermaans. De ă-stammen bijv. worden zo genoemd, omdat de stam van deze substantieven in het Oergermaans in een belangrijk aantal naamvallen uitging op een ă. Voor het Gotisch is deze term goed beschouwd niet meer te gebruiken, omdat in deze taal de stam van bijv. dags niet op een ă maar op een ǥ eindigt. De n-stammen zijn binnen het Gotisch te herkennen aan het veelvuldig voorkomen van een n in de uitgang: guma (nom. sg.), gumins (gen. sg.), gumin (dat. sg.) enz. De verschillende soorten vocaalstammen zijn goed te herkennen aan de vocaal die optreedt in de dat. plur.: dagam (ă-stam), gibom (ō-stam), gastim (i-stam), sunum (u-stam).

5.3. Paradigmata

(N.B. Als de vocatief niet vermeld wordt, is hij identiek aan de nominatief).

 

M = masculinum, N = neutrum of nominatief, F = femininum, G = genitief, D = datief, A = accusatief, V = vocatief

M ă-stam M jă-stam N ă-stam N jă-stam
sing. N dags harjis waúrd kuni
  G dagis harjis waúrdis kunjis
  D daga harja waúrda kunja
  A dag hari waúrd kuni
  V dag hari    
plur. N dagos harjos waúrda kunja
  G dage harje waúrde kunje
  D dagam harjam waúrdam kunjam
  A dagans harjans waúrda kunja

 

F ō-stam F jō-stam M i-stam F i-stam
sing. N giba bandi gasts ansts
  G gibos bandjos gastis anstáis
  D gibái bandjái gasta anstái
  A giba bandja gast anst
  V     gast anst

[p. 43]

plur. N gibos bandjos gasteis ansteis
  G gibo bandjo gaste anste
  D gibom bandjom gastim anstim
  A gibos bandjos gastins anstins

 

M u-stam M n-stam N n-stam F n-stam
sing. N sunus guma haírto tuggo
  G sunáus gumins haírtins tuggons
  D sunáu gumin haírtin tuggon
  A sunu guman haírto tuggon
  V sunu/sunáu      
plur. N sunjus gumans haírtona tuggons
  G suniwe gumane haírtane tuggono
  D sunum gumam haírtam tuggom
  A sununs gumans haírtona tuggons

 

F n-stam r-stam nd-stam wortelnomen
sing. N managei broþar nasjands baúrgs
  G manageins broþrs nasjandis baúrgs
  D managein broþr nasjand baúrg
  A managein broþar nasjand baúrg
  V     nasjand  
plur. N manageins broþrjus nasjands baúrgs
  G manageino broþre nasjande baúrge
  D manageim broþrum nasjandam baúrgim
  A manageins broþuns nasjands baúrgs

Biezonderheden

Mjǎ-stammen: harjis heeft een korte stam; bij haírdeis, met lange stam (vgl. 3.4.2), vinden we i.p.v. -jis -eis. Bij de onzijdige jă-stammen speelt het verschil in korte en lange stam geen rol; vgl. reiki ‘rijk’ - reikjis gen. sg.

jō-stammen: net als giba gaat halja met korte stam. Bandi heeft een lange stam (vgl. 3.4.2.).

ŭ-stammen: net als sunus gaan handus (fem. u-stam) en faíhu (neutr. u-stam). n-stammen: de hier gegeven n-stammen staan ook model voor de jăn- en de jōn-stammen. Het verschil in korte en lange stam speelt geen rol (zie 3.4.2). r-stammen: als broþar gaat ook swistar.

Wortelnomina: het masculiene wortelnomen manna ‘mens’ gaat als volgt: sg. manna, mans, mann, mannan; plur. mans/mannans, manne, mannam, mans/mannans.

prepostterug  begin  verder