terug  begin  verderprepost
[p. 47]

7 Het gotische adjectief

7.1 Algemene opmerkingen

De vormen van het gotische adjectief verschillen in klasse (ă-stam, jă-stam etc.), flexie (sterk en zwak), genus (masculinum, femininum, neutrum), numerus (singularis en pluralis) en casus (nominativus, genitivus, dativus, accusativus). Dat wil zeggen: een adjectief behoort tot een bepaalde klasse; het wordt in de zin gekenmerkt door een bepaald genus, numerus en casus; het wordt over het algemeen zwak geflecteerd in geval van bepaaldheid en sterk in geval van onbepaaldheid. Sommige adjectieven hebben echter slechts één van beide flexies. Zie voor het gebruik van de adjectivische vormen verder 9.2. Voor de termen waarmee de klassen worden aangeduid zie 5.2.

7.2 Paradigmata adjectief

N.B. Voor de verklaring van de uitroeptekens zie 7.3.

Sterke flexie

ă-stam: blinds ‘blind’

masc. neutr. fem.
sing. N blinds blind, blindata(!) blinda
  G blindis blindis blindáizos (!)
  D blindamma (!) blindamma (!) blindái
  A blindana (!) blind, blindata (!) blinda
plur. N blindái (!) blinda blindos
  G blindáize (!) blindáize (!) blindáizo (!)
  D blindáim (!) blindáim (!) blindáim (!)
  A blindans blinda blindos

jă-stam: midjis ‘midden’ (korte stam)

sing. N midjis midi, midjata (!) midja
  G midjis midjis midjáizos (!)

[p. 48]

  D midjamma (!) midjamma (!) midjái
  A midjana (!) midi, midjata (!) midja
plur. N midjái (!) midja midjos
  G midjáize (!) midjáize (!) midjáizo (!)
  D midjáim (!) midjáim (!) midjáim (!)
  A midjans midja midjos

OPM. Het langstammige wilþeis ‘wild’ heeft in de nom. en gen. sg. masc. en in de gen. sg. neutr. -eis i.p.v. -jis; zie 3.4.2. De nom. sg. fem. luidt wilþi.

 

i-stam: hráins ‘rein’

masc. neutr. fem.
sing. N hráins (!!) hráin (!!), hráinjata (!) hráins (!!)
  G hráinis (!!) hráinis (!!) hráinjáizos (!)
  D hráinjamma (!) hráinjamma (!) hráinjái
  A hráinjana (!) hráin (!!), hráinjata (!) hráinja
plur. N hráinjái (!) hráinja hráinjos

(verder als midjis)

 

u-stam: hardus ‘hard’

sing. N hardus (!!) hardu (!!), hardjata (!) hardus (!!)
  G hardáus (!!) hardáus (!!) hardjáizos (!)
  D hardjamma (!) hardjamma (!) hardjái
  A hardjana (!) hardu (!!), hardjata (!) hardja
plur. N hardjái (!) hardja hardjos

(verder als midjis)

Zwakke flexie

ă-stam: blinds

masc. neutr. fem.
sing. N blinda blindo blindo
  G blindins blindins blindons
  D blindin blindin blindon
  A blindan blindo blindon
plur. N blindans blindona blindons
  G blindane blindane blindono
  D blindam blindam blindom
  A blindans blindona blindons

[p. 49]

OPM. Op,dezelfde wijze gaan midja (jă-stam), hráinja (i-stam) en hardja (ŭ-stam). Bij de langstammige jă-stam wilþja vinden we in de uitgangen niet ei maar ji: bijv. gen. sg. masc. wilþjins (vgl. 3.4.2.).

7.3 Analyse van de uitgangen

De sterke flexie vertoont uitgangen die identiek zijn aan de flexie van de substantieven (vocaalstammen) en/of de flexie van de pronomina demonstrativa. Vgl. hiervoor bijv. de masculiene vormen van blinds met de flexie van de masc. ă-stammen in 5.3 en de flexie van het demonstrativum in 6.3.

In de nom. sing. is de uitgang van het adjectief identiek aan die van het substantief, in de gen. sing. en de acc. plur. aan die van het substantief zowel als aan die van het pronomen, in de overige naamvallen alleen aan die van het pronomen (waarbij we het verschil tussen -áize en -ize verwaarlozen). Is dat laatste het geval, dus is de uitgang van het adjectief wèl identiek aan die van het pronomen maar niet aan die van het substantief, dan spreken we van een ‘pronominale uitgang’. Zo'n uitgang is in de paradigmata met een uitroepteken gemarkeerd. In de beide andere gevallen spreken we van ‘substantivische uitgangen’. Omdat de substantivische uitgangen van blinds, althans van het masculinum en neutrum, bij de substantieven van het type dags of van het type waúrd (ă-stammen) teruggevonden worden, noemen we blinds een ă-stam. De substantivische femininum-uitgangen vinden we terug bij de ō-stammen onder de substantieven (type giba); beter zou het derhalve zijn blinds een ă/ō-stam te noemen.

Naast deze gemengd substantivisch-pronominale flexie staat de zwakke flexie, die in haar uitgangen identiek is aan de flexie van de n-stammen bij de substantieven. Vgl. hiervoor bijvoorbeeld de masculiene vormen van blinda met de flexie van de masc. n-stam guma bij de substantieven. De vrouwelijke uitgangen zijn identiek aan die van een vrouwelijke n-stam bij de substantieven (type tuggo): blindo, blindons, blindon etc., de onzijdige aan die van een onzijdige n-stam (haírto): blindo, blindins, blindin etc.

Midjis moeten we voor de substantivische uitgangen in masculinum en neutrum vergelijken met de jă-stammen bij de substantieven: harjis, kuni, en voor die in het femininum met de jō-stammen: halja. Voor het langstammige wilþeis vergelijken we resp. haírdeis en bandi. De substantivische uitgangen van hráins en hardus komen ten dele overeen met die van de substantivische i- of u-stammen, ten dele met die van de substantivische jă- of jō-stammen. Eerstgenoemde uitgangen zijn met dubbele uitroeptekens gemarkeerd. Bij midjis, hráins en hardus komt voor een pronominale uitgang en in de zwakke flexie steeds een j te staan, die als de slotklank van de stam beschouwd dient te worden.

[p. 50]

7.4 Andere woorden met adjectivische valentie

Participia praesens. Deze hebben de zwakke flexie; naast de zwakke nom. sg. masc. komt echter een sterke vorm voor, naast bijv. gibanda (zwak) gibands (sterk) bij giban. De vrouwelijke vorm is gibandei, die verbogen wordt als een vrouwelijke n-stam (subst.) van het type managei.

 

OPM. De participia praesens moeten niet verward worden met de nd-stammen bij de substantieven (type nasjands ‘redder’), die een geheel eigen flexie hebben (zie 5.3).

 

Participia praeteritum. Deze hebben zowel de sterke als de zwakke flexie.

 

Comparatieven. Deze hebben de zwakke flexie. Het femininum eindigt op -ī <ei>. Er zijn twee suffixen mogelijk: -ĭz- en -ōz-. Bijv. manags ‘veel’, manag-iz-a ‘meer’ (nom. sg. masc.); froþs ‘wijs’, frod-oz-a ‘wijzer’ (idem). Vrouwelijke vormen (nom. sg.): managizei, frodozei.

 

Superlatieven. Deze hebben de sterke en de zwakke flexie. Er zijn twee suffixen mogelijk: -ist- en -ōst- (= comparatiefsuffix + dentaalsuffix). Voorbeeld: manag-ist-s ‘meest’ (nom. sg. masc. sterk), arm-ost-s ‘armst’ (idem, bij arms ‘arm’).

 

Onregelmatige vormen van comparatief en superlatief:

goþs ‘goed’ - batiza ‘beter’ - batists ‘best’
ubils ‘kwaad’ - waírsiza ‘slechter’ - -  
mikils ‘groot’ - máiza ‘meer’ - máists ‘meest’
leitils ‘klein’ - minniza ‘minder’ - minnists ‘minst’
sineigs ‘oud’ - -   - sinista ‘oudst’

Pronomina possessiva. Deze pronomina (zie 6.2) hebben alleen de sterke flexie.

prepostterug  begin  verder