Schema:

| 1 | = | vóór r, χ, w en in de Auslaut |
| 2 | = | vóór i of j in de volgende syllabe. |
OPM. ăĭ en ŏĭ zijn als bifonematisch bedoeld, ai als monofonematisch. ê wordt binnen een bepaalde periode of dialect als teken gebruikt ter onderscheiding van de door rekking ontstane ē (resp. vanouds lange en gerekte klank). ê is in dit verband een overkoepelend teken voor alle klankwaarden die niet gelijk zijn aan ē [e.].
De combinatie ăĭ wordt hier apart behandeld, omdat ze geheel eigen reflexen heeft in het Ndl., nl. ei en ē. De spellingen zijn resp. <ei> en <e/ee>. We vergelijken hieronder een aantal got. en ndl. woorden. De got. woorden kunnen min of meer als representatief voor het Ggm. worden beschouwd.
| 1a got. | sáir | - ndl. | zeer |
| 1b | fáih | vete (mnl. vede) | |
| 1c | sáiws | zee | |
| 1d | wái | wee | |
| 2 | háiþi | heide | |
| 3 | stáins | steen |
We constateren op grond van deze en andere vormen dat het Ndl. altijd ē heeft vóór r (1a), vroegere χ (1b), vroegere w (1c) en in de Auslaut (1d), terwijl voor de overige gevallen geldt dat we ei vinden voor vroegere i of j
in de volgende syllabe (2) en anders weer ē (3). In het Duits vinden we ook in de laatstbedoelde gevallen <ei> (huidige uitspraak: [ai]). Vergelijk: sehr, Fehde, See, Weh, Heide, Stein. (De oude χ en w worden niet meer in alle vormen teruggevonden, maar vergelijk bij vete het ohgd. -fêhida, waarin de <h> de klankwaarde χ heeft, en bij zee de oude gen. sg. van het Mnl. sewes en het verwante woord Zeeuwen.)
OPM. In de jō-stam háiþi stond een i of j in de volgende syllabe; voor de a-stam stáins gold dat niet.
Conform het schema kunnen we ons de gang van zaken als volgt voorstellen: ggm. ăĭ wordt in het Owgm. ê vóór r, χ, w en in de Auslaut en wordt in de overige gevallen ei; deze ei blijft in het Onl. ei vóór i of j in de volgende syllabe en wordt (anders dan in het Duits) in de overblijvende gevallen ê. In het geval dat ăĭ staat vóór r, gevolgd door j, ontstaat volgens de geschetste gang van zaken ê: ggm. *lăĭzjăn > owgm. *lairjăn > leren (vgl. got. láisjan met waarschijnlijk analogische s). Op grond van de j in de volgende syllabe zouden we een vorm met ei verwachten; de r geeft als factor echter al in een vroeg stadium de doorslag. Verder blijkt de verandering van z in r (rhotacisme: zie 31.5.6) ouder te zijn dan die van ai in ê. In het Standaardndl. valt ê samen met ē in ē (zie 17.4).
OPM. Hoe precies de klankwaarde van de ê in oudere fasen was, is onzeker. In hedendaagse dialecten (zie 17.3) vinden we vaak een ie-achtige klank, bijv. [Iǝ̮].
Een voorbeeld van een alternantie kan zijn gereed tegenover bereid, resp. een oude ă- en een oude jă-stam: vgl. got. garáiþs ă-stam, ohgd. bireiti jă-stam. Heel vaak heeft gelijkmaking plaatsgevonden: zo is het oude eek (vgl. nog eekhoorn) vervangen door eik onder invloed van het stoffelijk bijv. nw. eiken, mnl. eikijn; omgekeerd heeft helen ê (standaardndl. ē) in plaats van ei (vgl. got. háiljan) onder invloed van het adj. heel (got. háils ă-stam).
OPM. Een jă-stam betekent dat in de oude casusuitgangen, dus in volgende syllaben, een j voorkwam.
Het Vlaams heeft een duidelijke voorkeur voor de ê (hedendaagse klankwaarde: [Iǝ̮]), ook wanneer in de volgende syllabe i of j stond, het oostelijke Limburgs evenals het Du. voor de ei ook wanneer dat niet het geval was. Met dit gegeven moeten we rekening houden bij mnl. teksten; vgl. in de vlaamse Reinaert beede voor beide (osa. bêthia) (zie kaart 7), cleene voor cleine (ohgd. chleini), ghereeden voor ghereiden (got. ráidjan ‘in orde brengen’) en bij de limburgse Hendrik van Veldeke in zijn Sint Servaes-

KAART 7
Legende weit voor weet (got. wáit), eyne voor eene (got. áins ă-stam), gheheiten voor gheheeten (got. háitans).
Deze dialectverschillen werken tot in het Standaardnederlands door: zo vinden we daar schede i.p.v. het verwachte scheide (vgl. osa. skêthia met i wellicht onder vlaamse, in ieder geval zuidelijke invloed, terwijl -stein in kasteelnamen (o.a. in Loevestein) in oostelijke richting wijst (vgl. got. stáins ă-stam). Ontleningen aan het Duits zijn heimwee (tegenover heem) en geheim (het Duits heeft nu Geheimnis).
Voor ei komt dialectisch wel ai of ε̄ voor: ai bijv. in het Rotterdams, ε̄ bijv. in het Haags en Leids (het Amsterdams kan zelfs ā hebben). Deze dialectische waarden gelden ook voor ei met andere oorsprong (zie 17.4). Voor typische dialectklanken voor ê zie eveneens 17.4.
OPM. 1. Een ingweoonse ontwikkeling van ăĭ tot ā vertoont de plaatsnaam Haamstede naast Heemstede en heim.
OPM. 2. Voor het Hollands moet misschien rekening worden gehouden met bewaard blijven van de ei vóór dentaal: scheiden (ook in het Standaardndl.; got. skáidan), vleis ‘vlees’.
De ei uit ăĭ is al in het Mnl. samengevallen met ei uit ĕ vóór nasaal + dentaal en de ei uit de owgm. klankgroepen ăǥĭ, ĕǥ en ĭǥĭ (zie 14.2.). Vgl. heide (ei uit ai), einde (ei uit ĕ vóór nasaal + dentaal) en zeide (ei uit ăǥĭ). Voor de verhouding tot ei <ij> zie 22.3.
In het Standaardndl. is de ê uit ai (de vanouds lange klank) samengevallen met de ē die door rekking ontstaan is uit ĕ of ĭ (zie 14.1 en 15.2): steen (ê uit ăĭ), geven (ē uit ĕ), schepen (ē uit ĭ), veen (ē uit ĕ uit ă). Synchroon voor het Standaardndl. kunnen we dus niet meer het tekenverschil ē/ê maken; in alle gevallen is de klankwaarde immers [e.], vóór r [I:]. Om historisch-grammaticale redenen wordt het echter wel gehandhaafd.
Het verschil tussen de gerekte: ē, en de vanouds lange klank: ê, moet in sommige hollandse dialecten, in ieder geval in het zich ontwikkelende Standaardndl., al vroeg verdwenen zijn. Spiegels Twespraack (1584) geeft het verschil niet meer; Ten Kate (Aenleiding, 1723) betreurt het verdwijnen ervan in Amstelland en Rijnland (Amsterdam, Leiden), vermeldt het echter nog voor Maasland (Rotterdam).
Een eigenaardigheid in sommige hollandse dialecten (bijv. Katwijks en Schevenings) is het optreden van een ī voor ê vooral vóór dentaal. In die dialecten vinden we dus geen samenval, althans niet over de hele linie. Deze ī-vormen zijn goed bekend uit de hollandse kluchten van de 17e en 18e eeuw, in de taal van boeren en buitenlui, die met die vormen als boers werd gekarakteriseerd. Uit Bredero's Klucht van de koe noteren we ien, gien, miest, (ich) mien, giesten ‘geesten, vrolijke kwanten’. Het verschil tussen ē en ê
komt ook nog in het Zeeuws, Vlaams en Brabants voor; de klankwaarde van ê is dan vaak de al eerder genoemde diftong [Iǝ̮]. ē klinkt dan als [e.]. Voor de, voor het grootste deel zuidelijke, mnl. teksten moeten we ook rekening met klankverschil houden. In vele teksten constateren we:
| 1. | dat ê zelden rijmt op ē, bijv. niet in de Reinaert; |
| 2. | dat ê zij het niet altijd consequent in open lettergreep met <ee> gespeld wordt, ē daarentegen altijd met <e>. |
Het spellingverschil komt vooral in vlaamse teksten voor. Voorbeelden: ghebeten, weten, lesen, wesen met ē (vgl. got. bitans, witan, lisan, wisan) tegenover beede, cleene, ghereeden met ê (vgl. got. bái, ohgd. chleini, got. ráidjan). Hoe het uitspraakverschil in het Mnl. was, is moeilijk te achterhalen. <ie>-spellingen, die vooral vóór dentalen optreden, wijzen voor sommige streken op een met [Iǝ̮] verwante klankwaarde van ê. Een oudere klankwaarde kan [εǝ̮] of [ε:] geweest zijn.
OPM. 1. In de nog niet herziene spelling van De Vries en Te Winkel werd op etymologische gronden nog spellingverschil gemaakt: <weten> naast <steenen>.
OPM. 2. De ê wordt wel de scherplange, de ē de zachtlange ee genoemd. Deze terminologie, trouwens ook de grote overeenkomst in de gebruikte tekens: ê/ē, suggereert ten onrechte dat de bedoelde klanken nog iets gemeen (gehad) hebben, iets ee-achtigs. Ze verschilden en verschillen echter evenzeer als bijv. in het Standaardndl. de ā en de ē, d.w.z, er was en er is foneemverschil; vgl. mnl. bede ‘gebed’ met ē en beede ‘beide’ met ê; vgl. verder Zeeuws stenen ‘steunen’ met ē en steenen ‘stenen’ met ê = [Iǝ̮].
We vergelijken twee got. woorden (representatief voor het Ogm.) met lat. en griekse; de laatste zijn altijd min of meer representatief voor het Oeride.
| 1. | got. | áiws | lat. | aevum | gr. | aiōn |
| áins | ūnus | oinos |
In geval 1 is oeride. ăĭ gereconstrueerd, in geval 2 oeride. ŏĭ. Het Lat. is slechts representatief voor het Oeride. in geval 1, waarbij we <ae> de klankwaarde ai toekennen.
We zien dus dat ook in de combinatie met ĭ oeride. ŏ zowel als oeride. ă in het Ogm., Ggm. als ă worden teruggevonden (vgl. 14.4). Hieruit wordt duidelijk dat we terecht voor Oeride., Ogm. en Ggm. combinaties van twee korte tautosyllabische vocalen aannemen. In ieder geval moet het eerste element met de in 14.4 besproken vocalen (ŏ, ă) worden geïdentificeerd.