terug  begin  verderprepost
[p. 132]

25 Rondingen en ontrondingen

25.1. Ronding

Ronding vindt in het Onl. plaats:

1. van ĕ of ĭ tot œ̆, die vervolgens gerekt wordt tot ø̄
2. van ĕ of ĭ tot œ̆ in gesloten syllabe
3. van ī tot

We plaatsen deze rondingen in het Onl., omdat we de geronde vormen al in het Mnl. aantreffen.

Ter verklaring van de onder 1 genoemde ronding kan men denken aan invloed van de ŏ (soms ŭ), die oorspronkelijk in de volgende syllabe stond. Zo kan leunen i.p.v. lenen (bekend nog als oude dichterlijke vorm) in verband gezien worden met osa. hlinon, veul met osa. filo (got. filu), zeuven (als telefoonwoord in gebruik gekomen) met osa. sibun (dus met ŭ als factor; vgl. got. sibun). In al deze gevallen is echter ook aan invloed van aangrenzende consonanten te denken: vooral aan de l, maar ook aan labialen en labiodentalen, in casu f en v. Leunen heeft de overhand gekregen, misschien doordat het rijmt op steunen en om verwarring te voorkomen met lenen ‘(geld) lenen’.

Deze ronding komt niet voor in het ZW; het standaardndl. woord veel moet daarom via de literaire taal uit het Vlaams afkomstig zijn. Zie kaart 14. In vele gevallen, wanneer de geronde vocaal in gesloten syllabe staat (geval 2), kan men niet aan een factor ŏ of ŭ denken; de ronding heeft dan in latere tijd plaats gevonden en is zeker toe te schrijven aan de omringende consonanten. Deze rondingsverschijnselen komen over een veel groter gebied voor, ook bijv. in het Vlaams. De beïnvloedende consonanten kunnen zijn: voorafgaande of volgende l (1), voorafgaande nog bilabiale w (2), volgende n (3), voorafgaande of volgende r (4); soms werd de ĕ na w tot ŏ gerond èn gevelariseerd (5):

(1)schulp naast schelp; blussen naast lessen (de b van blussen is een restant van het prefix be-);
(2)wuft naast wift (laatste vorm bij Kiliaen);
(1) en (2) wulp, wulps naast welp;
[p. 133]


illustratie
KAART 14
Dinsdag zonder nasaal (-); veel met ongeronde vocaal (---).
(Heeroma 1939)


(3)bun (‘koffertje, mandje’) naast ben; sunte- naast sinte-;
(4)rudder naast ridder (rudder komt o.a. in de Walewein voor); hollands vurf naast verf;
(5)worden naast mnl. werden; worstelen naast mnl. werstelen (eng. to wrestle).

OPM. Indien w niet in de Auslaut stond, ging hij met de volgende ĕ, ĭ soms in de œ̆ op: got. swistar, hgd. Schwester, ndl. zuster; hgd. zwischen, ndl. tussen.

Bij de onder 3 genoemde ronding moeten we aan invloed van de w denken: spuwen naast got. speiwan. Voor de bijvormen spouwen en spiën zie 28.3.

25.2. Ontronding

Ontronding vindt in het Onl. plaats:

1.van œ̆, ontstaan door i-Umlaut, tot ĕ of ĭ met vervolgens rekking in open syllabe tot ē
2.van œ̆, ontstaan door i-Umlaut, tot ĕ of ĭ
[p. 134]

De onder 1. genoemde ontronding is in de eerste plaats westvlaams maar komt ook wel elders voor. Voorbeelden: mnl. crepel voor kreupel (owgm. *krŭpĭl) bij kruipen, evel voor euvel (got. ubils).

De onder 2 genoemde ontronding is duidelijk ingweoons. Zie kaart 2 en 10.3. Ook in dit geval zijn de ontronde vormen niet in het Standaardndl. doorgedrongen. Voorbeelden: pit, pet voor put; brig, bregge voor brug. De vormen met ĕ zijn vooral noordelijk (vgl. de noordhollandse plaatsnaam Petten), die met ĭ vooral zuidelijk. Deze ontronding, die evenals die onder 1 Umlautsvocalen treft, vindt veelal plaats vóór een door jod-geminatie (zie 31.2) ontstane geminaat. Vgl. mnl. brugge, putte; osa. bruggia, lat. pute us (bij de ontlening van dit woord werd de ē als j geïnterpreteerd).

prepostterug  begin  verder