Voor het Ggm. kunnen de volgende obstruenten worden gereconstrueerd:
| lab. | dent. | vel. | labiovel. | strid. dent. | |
| 1. stemloze fricatieven | f | þ | χ | χu | s |
| 2. stemloze occlusieven | p | t | k | ku | - |
| 3. stemhebbende fricatieven | ƀ | đ | ǥ | ǥu | z |
| 4. stemhebbende occlusieven | b | d | g | gu | - |
De consonanten van de reeksen 3 en 4 (afgezien van de z) kwamen in complementaire distributie voor en mogen derhalve als foneemvarianten worden beschouwd. Stemhebbende occlusieven kwamen in ieder geval na nasaal voor; voor de Anlaut kunnen we met zekerheid een stemhebbende labiale en dentale occlusief aannemen (een stemhebbende velaire occlusief is niet zeker). Voor de overige posities moeten we stemhebbende fricatieven aannemen.
De stemloze fricatieven vinden we in het Got. als zodanig terug, met als uitzondering echter dat de χ in de Anlaut vóór vocaal al tot laryngaal (h) geworden is. Voorbeelden: fadar met f; broþar met þ; handus met h; filhan met χ; hveila met χu; sunus met s. Ook de stemloze occlusieven blijven in het Got. onveranderd: páida met p; taíhun met t; kiusan met k; qiman met ku. Verder vinden we ook de reeksen 3 en 4 van het Ggm. in het Got. terug; de distributie van fricatieven en occlusieven is echter veranderd. Als we afzien van de labiovelairen en van de z, kunnen we als regel stellen: 1. stemhebbende occlusieven b, d, g in de Anlaut (1), in de Inlaut na consonant (2), en in de Auslaut na consonant (3), 2. stemhebbende fricatieven ƀ, đ, ǥ in de Inlaut na vocaal (4) en 3. stemloze fricatieven f, þ, χ in de Auslaut na vocaal (5).
Voorbeelden:
| lab. | dent. | vel. | |
| 1. | bindan | dags | gasts |
| 2. | lamba | bindan | balgeis |
| 3. | lamb | band | balg |
| 4. | giban | biudan | dagos |
| 5. | gaf | báuþ | dag |
Ook in het Got. zijn resp. b en ƀ en d en đ varianten van één foneem geweest; bij de velair is er zelfs sprake van drie varianten: g, ǥ en χ (zie 3.4.1). Deze χ wordt dan verschillend gezien van de χ in bijv. filhan (χ'). Van de labiovelair ǥu blijkt in het Got. hetzij het labiale hetzij het velaire element verdwenen te zijn: vgl. resp. magus en mawi, al naar gelang de vocaal die volgt: een geronde (achter)vocaal of een ongeronde (voor)vocaal. Na nasaal vinden we deze klank terug als een combinatie van velaire nasaal + stemhebbende velaire occlusief: siggwan. De ggm. z vinden we als z terug.
Voordat we in de volgende paragrafen nagaan hoe we de ggm. obstruenten in het Ndl. terugvinden, bespreken we in deze paragraaf een owgm. klankwet, die in nauw verband staat met een van de besproken vocaalveranderingen, nl. de rekking in open syllaben met hoofdaccent.
Geminaten (lange, letterlijk ‘dubbele’ consonanten) kwamen al van oudsher in het Germaans voor. Ook voor het Gotisch worden ze aangenomen; we vinden ze daar dubbel gespeld. Vgl. fulljan, rinnan, imma, atta, wissa. In het Owgm. ondergaat het aantal geminaten een grote uitbreiding door de klankwet van de jod-geminatie. Deze klankwet houdt verlenging in van een consonant vóór onmiddellijk volgende j: vgl. got. hafjan zonder jod-geminatie met osa. heffian (met i uit j) en ndl. heffen. De osa. <ff> duidt de geminaat aan. Deze verlenging treffen we niet aan na lange vocaal of diftong; ze wordt dan nl. spoedig weer ongedaan gemaakt: vgl. got. sokjan - osa. sōkian - ndl. zoeken. Ook treffen we de verlenging alleen maar aan bij enkele consonanten; vgl. zonder geminatie osa. wendian (got. wandjan, ndl. wenden). De r wordt nooit door jod-geminatie getroffen, doordat al in een eerder stadium van het Owgm. zich tussen de r (die door rhotacisme uit z ontstaan kan zijn) en de j een ĭ had ontwikkeld, waardoor de r niet meer vóór onmiddellijk volgende j stond: vgl. got. arjan - mnl. eriën ‘ploegen’.
Door de jod-geminatie ontstaat een gesloten syllabe waarin dan de korte vocaal niet meer gerekt kan worden: vgl. heffen met korte ĕ en vgl. daarnaast
eriën, waarin de syllabe open bleef, zodat daar wel rekking kon optreden. De rekking valt dus later dan de jod-geminatie; de eerste is onl., de tweede owgm. Reeds vóór het Mnl., nl. in het Onl., verdwijnt de geminatie-(tevens Umlauts-)factor: vgl. opnieuw heffen; in het mnl. eriën wordt hij als overgangsklank tussen de i en de sjwa nog teruggevonden. In het Mnl. worden de geminaten weer verkort: vgl. de hedendaagse uitspraak van heffen. De klank-wet van de rekking is dan inmiddels uitgewerkt, zodat de vocaal in heffen niet alsnog gerekt wordt. De nog altijd geldende dubbele spelling berust op de oude lange uitspraak. In het oudste Mnl. zijn hoogstwaarschijnlijk de geminaten (ook die op een andere manier dan door jod-geminatie zijn ontstaan) nog aanwezig geweest: slechts zelden vindt men nl. verschrijvingen als <hefen> voor <heffen>, wat erop kan wijzen dat bij de spelling van dit woord de middeleeuwer nog steun had aan zijn ‘gegemineerde’ uitspraak. Zulke fouten zijn bij kinderen op de lagere school in onze tijd die nog niet alle spellingregels beheersen, zeer gebruikelijk. De moeilijkheid voor deze kinderen is dat de dubbele consonantspelling nu alleen nog maar dient om op indirecte wijze de aard van de voorafgaande vocaal aan te duiden. Zo stonden in het Mnl. tegenover elkaar <waken> en <wakker> met een dubbel klankverschil: lange (gerekte) tegenover korte vocaal en korte tegenover lange consonant (voordat de rekking plaatsvond was alleen laatstgenoemd verschil van toepassing). Laatstgenoemd verschil is verdwenen, maar de spelling is gebleven zoals ze was.
OPM. 1 De vorm lachen, zonder de verwachte i-Umlaut (vgl. got. hlahjan), is te verklaren door aan te nemen dat de jod-geminatie ouder is dan de i-Umlaut. De i-Umlaut in deze vorm (vgl. 14.1) is dan verhinderd door een lange velaire fricatief, die door jod-geminatie was ontstaan: vgl. osa. hlahhian met geminatie en zonder i-Umlaut.
OPM. 2 Geminatie trad ook op vóór onmiddellijk volgende l en r, maar minder consequent: vgl. got. akrs - ndl. akker (met secundaire sjwa) naast aker in akerboom ‘eikeboom’ en wakker naast waken en vgl. got. mikils - ndl. Mekkel(horst) (plaatsnaam in Overijssel; horst = met bos begroeide hoogte) naast mnl. mekel ‘groot’. In de vormen zonder geminaat is rekking opgetreden. (Got. mikils is wat misleidend doordat bij dit woord de k in geen enkele vorm onmiddellijk door de l gevolgd wordt.)
OPM. 3 Geminaten konden in het Onl. ook door bepaalde assimilaties ontstaan (zie 31.3.3 en 31.5.1).

In het Onl. werd de f (in Ogm., Ggm. nog wel bilabiaal) stemhebbend v (1), behalve in de Auslaut (2), in verbindingen met een stemloze consonant (3) en in nog een aantal hieronder genoemde gevallen.De geminaat ff bleef ook stemloos en werd in het Mnl. verkort tot f (4). (Van de verkorting van geminaten in de Auslaut reeds in de owgm periode zien we, ook verder in dit hoofdstuk, af.)
Voorbeelden:
| 1. | got. | faíhu | ndl. | vee |
| 2. | af | af | ||
| 3. | luftus | mnl. | luft | |
| 4. | hafjan | ndl. | heffen |
De anlautende f bleef meermalen bewaard in een syllabe met korte vocaal, gevolgd door een geminaat. Voorbeelden: flakkeren, frommelen. In foei hebben we te maken met klanksymboliek, evenals in flonkeren; een onoma-
topee is o.a. fluisteren. Overigens gaat anlautende f vaak gepaard met vreemde herkomst. Uit het Frans is bijv. fruit (tegenover vrucht, beide uit lat. fructus), uit het Duits folteren, uit het Engels fitten (naast oorspronkelijk ndl. vitten). In het Onl. ontwikkelde de verbinding ft zich tot χt. Vgl. bijv. du. Luft, Kraft, Schaft met ndl. lucht, kracht, schacht; ndl. achter met eng. after. Soms is analogisch de ft hersteld, bijv. in helft naar half, vijftig naar vijf, gift naar geven; het Mnl. heeft nog wel helcht, vichtig, gichte. Zie kaart 15.
Het oude Hollands heeft de ft bewaard; de χt drong daar pas laat door. Vgl. bij Hooft: Keizersgraft, en nu nog met oude ft bruiloft (verwant met bruid en lopen) tegenover mnl. (zuidelijk) brulocht.
Ook de þ werd in het Onl. stemhebbend; alleen in de Auslaut bleef hij stemloos. Bovendien vinden we hem in het Mnl. niet meer als fricatief, maar als occlusief terug: d (1 en 3) (in de Auslaut t (2)). De geminaat þþ werd in het Onl. tot ss, later in het Mnl. verkort tot s: mnl. smisse naast smid, smeden met -t en -d uit þ (vgl. eng. smith), nu met analogische t als <d> geschreven: smidse. Zie verder 31.8 voor latere syncope van de d en verandering van d in j.
Voorbeelden:
| 1. | got. | þreis | ndl. | drie |
| tunþus | tand (-t) | |||
| alþeis | oude |
OPM. Tand wordt om morfologische redenen met <d> geschreven (de regel van de gelijkvormigheid): vgl. plur. tanden met d <d>. In het Mnl. vinden we deze regel over het algemeen niet toegepast: tant.
In de Anlaut vóór vocaal moeten we voor het Ggm. als variant al een laryngaal (h) aannemen. Voor het Owgm. - Onl. kan verdwijnen van de klank via laryngalisering worden aangenomen voor de gevallen 2 t/m 6, d.w.z. laryngalisering in het Owgm. en verdwijnen van de klank in het Onl. De χ blijft vóór t (7) en in de Auslaut (8). De geminaat χχ werd in het Mnl. verkort tot χ, die zich handhaafde (9). Als het Standaardndl. in de Anlaut χ heeft, dan hebben we te doen met leenwoorden: chaos, chloor.
OPM. In vele dialecten verdwijnt ook anlautende h; <h>-loze vormen zijn zeer gewoon in middelvlaamse teksten: adden, ebben met daarnaast hyper-correcte vormen als honder, hoven. Zie verder kaart 16.

Voorbeelden:
| 1. | got. | haúrn | ndl. | hoorn |
| 2. | hleiþra | mnl. | leder ‘trap’ | |
| 3. | hráins | ndl. | rein | |
| 4. | hneiwan | nijgen/neigen | ||
| 5. | þwahan | mnl. | dwaen | |
| 6. | -filhan | ndl. | bevelen | |
| 7. | ahtáu | acht | ||
| 8. | naúh | nog | ||
| 9. | hlahjan | lachen |
OPM. Van χ na inlautende r is geen duidelijk voorbeeld. Soms ontbreekt tegen de regel in χ in de Auslaut; men kan dan aan twee verklaringen denken:
| 1. | aan analogie naar vormen in het paradigma waar de χ tussen vocalen of na l, r verdween, |
| 2. | aan de sandhi, nl. wanneer een woord met auslautende χ vóór een met een vocaal beginnend woord kwam te staan. |
Voorbeelden: mnl. ho (nog in hovaardig) naast hooch, mnl. no naast noch, mnl. beval i.p.v. *bevalch bij bevelen. Ho kan berusten op analogie naar de verbogen vormen; vgl. got. háuhis bij háuhs. Voor beval kunnen we denken aan de infinitief en de praesensvormen: vgl. got. filhan (praet. sg. falh), ndl. bevelen, in welke laatste vorm na syncope van de χ de vocaal gerekt is. No (got. naúh) zal wel aan invloed van de sandhi moeten worden toegeschreven.
De verbinding χs werd in het Onl. geassimileerd tot ss, dit in tegenstelling tot het Fries, het Engels en het Duits, waar χs tot ks werd. De ss werd in het Mnl. verkort tot s.
Voorbeelden:
| Ohgd. | Du. | Ndl. |
| wahsan | wachsen | wassen ‘groeien’ |
| fuhs | Fuchs | vos |
(Voor wahsan enz. vgl. got. wahsjan.)
OPM. Leenwoorden uit het Duits en het Engels hebben ks, bijv. heks en boksen.
(We behandelen hier alleen de belangrijkste posities.) In de Anlaut vóór vocaal (1,2) ontstond in het Owgm. de cluster χw, later hw, waarvan in het Onl. vóór geronde vocaal het labiale element (1), vóór ongeronde het laryngale element verloren ging (2). In het eerste geval bleef h over, welke h eveneens in vele dialecten afviel, in het tweede w, die in het Nnl. labiodentaal karakter heeft gekregen. In de Inlaut tussen vocalen vond in het Owgm. verzwakking plaats: verdwijnen van het labiale element en overgang van het velaire in een laryngaal element (3). Dit element (h) werd in het Onl. gesyncopeerd. In de Auslaut vinden we χ; ook in deze positie is in het Owgm. het labiale element verloren gegaan.
Voorbeelden:
| 1. | osa. hwo | ndl. | hoe |
| 2. | got. hva | wat | |
| 3. | got. ahva | A (waternaam) (ook: Ee, Ie, IJ) | |
| 4. | got. sahv | zag |
De s ontwikkelde zich in het Onl. tot een z in de Anlaut (1) (met de onmiddellijk hierna vermelde uitzonderingen) en in de Inlaut tussen vocalen (2),
hij bleef daarentegen s in de anlautende verbindingen sl, sm, sn, sp, st en sk (later sχ) (3, 4, 5, 6, 7, 8) en uiteraard in de Auslaut (9). De geminaat ss werd in het Mnl. verkort tot s (10).
Voorbeelden:
| 1. | got. | salt | ndl. | zout |
| swaran | zweren | |||
| 2. | wisan | wezen | ||
| 3. | slahan | slaan | ||
| 4. | smeitan | smijten | ||
| 5. | sneiþan | snijden | ||
| 6. | speiwan | spuwen | ||
| 7. | standan | staan | ||
| 8. | skohs | schoen | ||
| 9. | - | wees (imper. van wezen) | ||
| - | wees (substantief) | |||
| 10. | un-wiss | ge-wisse |
Overigens bleef de s evenals de f meermalen in de Anlaut in sommige woorden bewaard: sukkelen (bij ziek) (syllabe met korte vocaal gevolgd door geminaat); sijpelen (bij mnl. sipen), sissen (klanknabootsende woorden); in de leenwoorden suiker, sage, sein, resp. uit het Frans, Duits en Engels. Stemloos bleef een s ook als hij onmiddellijk vóór een liquida of een nasaal stond, bijv. in vreselijk bij vrezen en in woorden als bloesem en wasem. Let echter op de ingevoegde sjwa.
OPM. In strijd met de regel van de gelijkvormigheid wordt in het mod. Ndl. <wezen> - <wees> gespeld. Het Mnl. spelt nog in beide gevallen <s>: <wesen> - <wees>. In het eerste geval is de uitspraak al wel [z] geweest.
De ggm. stemloze occlusieven vinden we in het Ndl. als zodanig terug (1, 2, 3) met dien verstande dat de geminaten in het Mnl. verkort werden. De labiovelair werd, waarschijnlijk al in het Owgm., in de Anlaut bifonematisch: kw [kυv], later [kw] (4); elders k (5).
Voorbeelden
| 1. | got. | pund | ndl. | pond |
| 2. | táikns | teken | ||
| 3. | kiusan | kiezen | ||
| 4. | qemun | (wij) kwamen | ||
| 5. | sigqan | zinken |
OPM. Bij de vergelijking met duitse vormen moeten we rekening houden met de Hoogduitse klankverschuiving (zie 10.1): Pfund, Zeichen.
De verbinding sk vinden we in het Standaardndl. terug als s, behalve in de Anlaut, waar we sχ vinden (het Du. heeft evenals het Eng. overal š):
| got. | skohs | ndl. | schoen | du. | Schuh |
| fisks | vis | Fisch | |||
| fiskos | vissen | Fische |
Vgl. de oude spellingen <visch>, <visschen>. Het is onzeker of en in hoeverre het Mnl. in de Anlaut nog de sk-, in de In- en Auslaut nog de sk- of sχ-uitspraak had. De hedendaagse dialecttoestanden zijn gecompliceerd. Voor de anlaut zie kaart 17.

Voor twee posities moeten we in het Ggm. al een occlusief aannemen: in de Anlaut (1) en na de nasaal (2). Geminaten zullen ook altijd occlusief geweest zijn: bb (4). De combinatie -mb- wordt in het Onl. door assimilatie -mm-, in het Mnl. -m- (2); in de Auslaut ontstond klankwettig -mp; deze verbinding is analogisch vervangen door -m (3). In de overige gevallen vinden we nog een fricatief, nl. intervocalisch (5) en na l en r (6,7). Deze fricatief moet in eerste instantie labiaal geweest zijn [β] maar is nu labiodentaal [v]. Zie voor stemloos worden 31.5.5.
OPM. In een aantal posities, o.a. intervocalisch, vallen ggm. f en b dus samen in ndl. v.
Voorbeelden:
| 1. | got. | bindan | ndl. | binden |
| 2. | dumbái (plur.) | domme | ||
| 3. | dumb(s)(sg.) | mnl. | domp, ndl. dom | |
| 4. | sibja | sibbe | ||
| 5. | giban | ndl. | geven | |
| 6. | þarban | derven | ||
| 7. | halbái (plur.) | halve |
OPM. Het Duits heeft ook in de gevallen 5, 6 en 7 occlusief: geben, darben, halbe.
Stond de stemhebbende klank in Auslaut, dan vond in het Onl. zgn. Auslauts-verscherping (verstemlozing) plaats: onl. (Psalmen) dump-heide (mnl. domp, ndl. dom), onl. (Psalmen) līf (mnl. lijf, ndl. lijf; plur. live, lijven). In sommige gevallen vond de Auslautsverscherping plaats na de nnl. apocope van de slot-sjwa: web [wεp] ‘web’ naast de oudere vorm webbe, graaf naast mnl. grave ‘heerser over een graafschap’.
OPM. De regel van de gelijkvormigheid wordt toegepast bij de occlusief: <web> - <webben>, niet bij de fricatief: <lief> - <lieve>.
De dentaal đ vinden we in het Ndl. altijd als occlusief d, in de Auslaut t. In de posities van de Anlaut (1), na nasaal (2) en misschien ook na de l (3) moet de occlusief al voor het Ggm. aangenomen worden, in andere posities, na r (4) en intervocalisch (5), vindt ontwikkeling tot occlusief in het Owgm. plaats. (De Onl. Psalmen schijnen overigens na r nog đ te hebben.) Geminaten moeten altijd occlusief geweest zijn (6). Zie verder 31.5.5. voor bepaalde gevallen van stemloos worden en 31.8. voor d-syncope en verandering van d in j.
Voorbeelden:
| 1. | got. | dags | ndl. | dag |
| 2. | bindan | binden | ||
| 3. | haldan | houden | ||
| 4. | haírdeis | herder | ||
| 5. | biudan | bieden | ||
| 6. | midjis | midden |
Ook bij de dentaal vond in twee fasen Auslautsverscherping plaats, voor èn na de sjwa-apocope: vgl. onl. (Psalmen) wort ‘woord’ (mnl. wort, plur. worde; got. waúrd, waúrda); verder mnl. ende ‘einde’, nnl. eint <eind> en ent <end> naast nog einde.
OPM. 1. Op grond van de regel van de gelijkvormigheid wordt <woord> met <d> gespeld: vgl. de plur. woorden met d <d>. Het Mnl. heeft echter meestal <wort>.
OPM. 2. Het is duidelijk dat in het Ndl. samenval van ggm. þ en đ heeft plaatsgevonden; in beide gevallen vinden we d, in de Auslaut t; in beide gevallen kan syncope of ontwikkeling tot j plaatsvinden. Samenval van de klanken vinden we niet in het Du.:
| got. | þreis | ndl. | drie | du. | drei |
| dags | dag | Tag |
(De du. vorm Tag moet binnen het kader van de Hoogduitse klankverschuiving (zie 10.1) worden begrepen.) Een uitzondering vormen de Auslaut en de positie na n:
| got. | bindan | ndl. | binden | du. | binden (ohgd. bintan) |
| band | bond (=-t) | band (=-t) | |||
| finþan | vinden | finden (ohgd. findan) | |||
| fanþ | vond (=-t) | fand (=-t) |
De velair ǥ vinden we in het Ndl. in de in aanmerking komende gevallen altijd als fricatief ǥ, in de Auslaut χ. Zie echter 31.7. Het Ggm. had in ieder geval occlusief g na nasaal (1). De verbinding van velaire nasaal + stemhebbende velaire occlusief -ηg moet nog hebben bestaan in het Mnl., getuige de stemloze velaire occlusief die in de Auslaut optreedt; vgl. mnl. coninc naast coninghe. -ηg assimileerde in het Mnl. tot enkele velaire nasaal -η-: koning(en). In de Auslaut zou klankwettig -ηk- bewaard moeten zijn gebleven; treffen we -η aan, dan berust dat op analogie naar de verbogen vormen: koning. Vergelijk echter nog de k in koninklijk, koninkrijk, ook in bijv. lankmoedig, langzaam ([laηksa:m]); vgl. hiervoor mnl. lanc naast langhe.
Let ook op verkleinwoorden als penninkje en woninkje. Ook in dialecten is nog wel auslatend -ηk bewaard gebleven. In de Anlautspositie had het Ggm. waarschijnlijk nog fricatief die in het Ndl. bewaard gebleven is (2). Voor de geminaat moeten we weer occlusieve uitspraak gg aannemen, die ook nog in het Mnl. moet zijn voorgekomen, getuige de spelling <chg> (naast <ggh>). Deze spelling zou ook de klankwaarde gǥ kunnen representeren. Later ontstond ǥǥ, die verkort werd tot ǥ (3). In de overige gevallen, na l (4), na r (5) en intervocalisch (6), bleef de fricatief bewaard. Zie 31.5.5 voor bepaalde gevallen van stemloos worden.
Voorbeelden:
| 1. | got. | laggs | mnl. | lanc (nnl. lang) |
| laggái | langhe | |||
| 2. | giban | ndl. | geven | |
| 3. | lagjan | mnl. | lecghen, ndl. leggen | |
| 4. | balgeis (plur.) | ndl. | (blaas)balgen | |
| 5. | baírgan | bergen (ww.) | ||
| 6. | liugan ‘liegen’ | liegen |
OPM. Afgezien van geval 1, waarin ook in het Duits assimilatie is opgetreden, heeft het Duits overal de occlusief: geben, Brücke (mnl. brugge), Balge, bergen, lügen.
Ook bij de velair vindt de Auslautsverscherping in twee fasen plaats: vgl. voor de 1e fase onl. (Psalmen) ūtganc (mnl. uutganc), weh (mnl. wech); voor de 2e fase mnl. brucghe, brugghe naast nnl. brug. In het laatste geval verloopt de ontwikkeling van -gg- via -ǥǥ- en -ǥ- naar -χ. Let op de sjwa-apocope.
OPM. Ook hier is de regel van de gelijkvormigheid van toepassing: <weg> - <wegen>, <brug> - <bruggen>. Het Mnl. heeft echter meestal <wech>.
De labiovelair ǥu werd afgezien van de positie na nasaal tot ǥ of w, resp. vóór geronde (achter-) en vóór ongeronde (voor- of midden)vocaal: zagen (praet. van zien) uit ggm. *[sε:γuum] (got. sehvum met analogische χu); sneeuw, got. snáiws uit ggm. *[snαiγu-] (vgl. lit. sniêgas, waarin het velaire element bewaard bleef). Deze ontwikkelingen kunnen het best in het Ggm. geplaatst worden; ook het Got. laat ze nl. al zien (zie 31.1). Na nasaal verdween in het Owgm. het labiale element, terwijl het velaire element (occlusief!) bewaard bleef; in het Mnl. vond assimilatie plaats van velaire nasaal + stemhebbende velaire occlusief tot een enkele velaire nasaal: zingen (in Auslaut klankwettig -ηk; vgl. mnl. sanc). Vgl. got. siggwan (zie 31.1) met nog het velaire zowel als het labiale element.
Stemloos worden (onl.) vindt men soms vóór een onmiddellijk volgende liquida of nasaal (later kon tussen de fricatief of occlusief en de liquida of nasaal een svarabhaktivocaal ontstaan), maar vóór vocaal is de fricatief of occlusief stemhebbend gebleven. Op deze wijze is het verschil te verklaren tussen:
| wafel - weven (osa. wevan) |
| mnl. entelijc - ende (got. andeis) |
| loochenen - mnl. loghenen (got. láugnjan) |
| vergankelijk - mnl. verganghen met g na velaire nasaal. |
| vgl. de adjectieven op -lijk, jonger -elijk: lieflijk, liefelijk (got. liuba-) (vgl. echter ook mogelijk) |
| vgl. ook de substantieven op -nis: begrafenis (got. graban), verbintenis (got. bindan) |
| verder de frequentativa: schuifelen (got. skiuban) |
De doubletten (bijv. even/effen; got. ibns) kunnen aan casus- of dialect-verschil worden toegeschreven; mogelijk is in effen de korte vocaal bewaard gebleven vóór f die ook geminaat was. Verkorting van de vocaal is opgetreden in tichel < tiegele (lat. tegula; ook tegel).
Zie ook 31.3.5. voor de s die onmiddellijk vóór liquida of nasaal stemloos bleef.
De ggm. z wordt in het Owgm. door ‘rhotacisme’ r. Voorbeelden: ggm. *nǎzjǎn- met z (maar got. naar analogie van nisan nasjan) - osa. nerian, mnl. gheneren.
OPM. 1. In de Auslaut wordt de z (of r uit z) in het Owgm. geapocopeerd: vgl. ogm. *dǎǥǎz (nom. sg.) > ohgd. tag, mnl. dag. Bij monosyllaba met z (r) na korte vocaal - meestal pronomina - werkt deze regel echter niet in het Ohgd., wèl in de ingweoonse dialecten: vgl.o.a. du. mir tegenover ndl. mij, eng. me (alle uit ogm. *mǐz). Voor het geval mnl. miede vgl. 21.1.
OPM. 2. Rhotacisme (owgm.) valt eerder in de tijd dan de overgang intervocalisch van s tot z (onl.; zie 31.3.5). Wezen (naast waren uit ggm. *wε̄zum) heeft z uit s; deze z wordt niet meer tot r.
De occlusieven en fricatieven die in het Ggm. aanwezig waren, vinden we in grote lijnen als volgt in het Ndl. terug. Van detaillering per positie is in deze paragraaf afgezien en ook is doorgaans geen onderscheid gemaakt tussen enkele consonant en geminaat. In de Auslaut en vóór stemloze consonant vinden we altijd een stemloze klank. Zie verder 31.7 en 31.8.
a. stemloze fricatieven |
|
| f als v of f | |
| þ als d of t(þþ > s) | |
| χ als h, NUL of χ | |
| χu als h, NUL, χ of w | |
| s als z of s | |
Opvallend is het stemhebbend worden bij de labialen en de dentalen, bij de niet-stridente dentaal ook het occlusief worden. De velairen en labiovelairen gedragen zich op een aparte manier.
b. stemloze occlusieven: |
|
| p als p | |
| t als t | |
| k als k | |
| ku als kw of k | |
c. stemhebbende fricatieven en occlusieven: |
|
| ƀ/b als v, f of b, p | |
| đ/d als d of t | |
| ǥ als ǥ of χ | |
| ǥu als ǥ of w | |
| z als NUL of r | |
Opvallend is het occlusief worden bij de labialen en vooral bij de niet-stridente dentalen (en in geringe mate ook bij de velairen; zie 31.5.3).
Biezondere ontwikkelingen zijn: ft > χt (zie 31.3.1); χs > s (zie 31.3.3); sk > sχ of s (zie 31.4); -mb- > -m- (zie 31.5.1) en -ηg- > -η- (zie 31.5.3).
| 1. | Een anlautende ǥ <g> wordt vóór palatale vocaal wel eens tot j: vgl. du. gegen - ndl. jegens (tegen < tejegen); vergelijk ook de ontwikkeling in sommige delen van het taalgebied van het prefix gi- via ji-, i- tot ǝ-; in andere delen is zelfs dit restant verdwenen (Overijssels ezegt, Gronings en Twents zegt). Zie verder ook de ontwikkeling van ĕǥĭ tot ei in 14.2. |
| 2. | De omgekeerde, fonetisch minder te verwachten, overgang treffen we aan bij: got. jáins - du. jener - ndl. gene (aan gene zijde van), ginds, ginder; got. jūs - westelijk ndl. jij, jou - brabants gij. |
Intervocalisch worden de ǥ, de v en de d vaak in het Mnl. of het Nnl. gesyncopeerd; bij ǥ en v gebeurt dat nu en dan (vgl. mnl. hevet > heet, heit, mnl. hovet > hoot; mnl. geseghet > geseet), bij de d uit þ en đ is het verschijnsel zeer verbreid. Deze syncope treedt niet op na korte vocaal, anders gezegd: nooit bij een ǥ of een d die teruggaat op een oude geminaat.
Bij de ‘d-syncope’ onderscheiden we de volgende gevallen: d-syncope met verlies van een syllabe: schade > scha, slede > slee, koude > kou, blijde > blij, luiden > lui; vader > vaar, veder > veer, moeder > moer, kwedelen > kwelen, ledig > leeg; lieden > lien, goden > goon (dichterlijke taal); d-syncope zonder verlies van een syllabe: snijden > snijen, beduiden > beduien, spouden (= splijten) > spouwen. In deze gevallen, na diftong dus, ontwikkelden zich overgangsklanken (j of w). Een overgangsklank j ontstond ook na ē of ie; vgl. geleden > geleeje, wieden > wieje.
OPM. Mogelijk is intervocalisch d eerst đ geworden en daarna gesyncopeerd.
Naast deze d-syncope komt een mnl. of nnl. overgang van intervocalische d tot j voor: kwade > kwaaie, rode > rooie, broeden > broeien. De gevallen met overgangsklank j (snijden etc.) zouden ook in dit kader kunnen worden geplaatst.
OPM. 1. De j in kwaaie enz. kan men moeilijk als overgangsklank beschouwen; na ā en zeker na ō en oe verwacht men een w. Om die reden is overgang van d in j te onderscheiden van d-syncope.
OPM. 2. Mogelijk vindt ook de overgang van d in j via een tussenstadium đ plaats.
De totaliteit van het ‘Nederlands’ laat een verwarrende afwisseling zien van vormen met d, vormen met j en vormen met onmiskenbare syncope. We moeten rekening houden met:
| 1. | regionale verschillen: zo komt de d-syncope op een groter gebied voor dan de overgang d > j, die althans oorspronkelijk vooral brabants en limburgs is (vgl. de Spaanse Brabander: de Antwerpenaar Jerolimo spreekt van vayer en moeyer, de Amsterdammer Robbeknol van vaar (of vader) en moer); |
| 2. | chronologische verschillen: de d-syncope bijv. is het oudst wanneer op de na de d staande consonant (r of l) nog een of meer klankgroepen volgden: mnl. vlederik > vlerk; |
| 3. | verschillen tussen geschreven en gesproken taal (stilistische verschillen): |
| op papier wist de <d> zich goed te handhaven. Hiermee hangt samen dat de vormen met d over het algemeen hoger genoteerd staan, in het licht waarvan men hypercorrecties kan zien als: geschieden voor geschien, wijden voor wiën etc.; | |
| 4. | betekenisverschillen die ontstaan zijn: zo kan broeder ‘verpleger’ betekenen of een speciale betekenis in kerkelijk taalgebruik hebben, broer kan dit niet. |
Behoud van d doet zich vooral voor in de volgende gevallen:
| 1. | wanneer functioneel belangrijke verschillen bewaard moeten blijven: vergelijk de verleden tijd leidden (steeds met d) bij lei(d)en en luidden (idem) bij lui(d)en, daarentegen mét d-syncope bijv. zei bij zeggen (er was voldoende verschil met het praesens); vergelijk verder bodem ter onderscheiding van boom (boom ‘bodem’ komt echter toch wel voor), vermoeden ter onderscheiding van vermoeien (homonymievermijding); |
| 2. | wanneer in nauw verwante woorden d (> t) blijft staan: kwade naast kwaaie en kwa(jongen) onder invloed van kwaad; dode naast dooie en do(Jan) onder invloed van dood; raden naast raaien en raân onder invloed van ik/hij raad(t), eventueel ook van het substantief raad. |
Een d als overgangsklank - we hebben dan dus geen oude d - kan in het Mnl. of Nnl. ontstaan tussen l, r, n en een volgende (meestal) sonantische r; als ‘verzorgd’ ervaren is deze d slechts tussen r en r, verder tussen l of n en r in een aantal losse woorden (niet in de comparatief). Voorbeelden: zwaarder (comparatief bij zwaar), bestuurder, boerderij; kaalder (= kaler), mulder, daalder; fijnder (= fijner), minder, diender, buitenstaander (maar bijv. boosdoener), gaanderij, donder, Hendrik. Het Mnl. kent deze d-epenthese nog niet op zo'n grote schaal als later Nederlands (vgl. mnl. naast minder nog minre).
Hetzelfde verschijnsel doet zich wel vóór een l voor: zindelijk voor zinnelijk (vgl. nog Bredero: sinnelijcke Nel ‘zindelijke Nel’), fatsoendelijk voor fatsoenlijk.
(Toelichting: ∅ = valt weg; ( ) = gecompliceerd; - = niet van toepassing; z(s) = gewoonlijk z maar ook wel eens s; bij Auslaut ook: in verbinding met stemloze consonant).
| OGM. | ANLAUT | INLAUT | GEMINAAT | AUSLAUT | BIEZ. ONTW. |
|---|---|---|---|---|---|
| f | v(f) | v | f | f | ft > Xt |
| þ | d | d, j, ∅ | d | t | |
| χ | h vóór voc. | ∅ | χ | χ | χs > s |
| ∅ | |||||
| χu | h, w | ∅ | χ | χ | |
| s | z(s) vóór | z(s) | s | s | |
| voc. | |||||
| z vóór w | |||||
| s | |||||
| p | p | p | p | p | |
| t | t | t | t | t | |
| k | k | k | k | k | sk > sX in Anlaut |
| sk > s overigens | |||||
| ku | kw | k | k | k | |
| ƀ | b | v (f, ∅) | b | p | mb > m |
| đ | d | d, j, ∅(t) | d | t | |
| ǥ | ǥ (j) | ǥ (χ, ∅) | ǥ | χ | ηg > η |
| ǥu | ( ) | ǥ, w | ( ) | χ, w | ηg > η |
| z | - | r | - | ∅ |
Voor de herkomst van de ggm. obstruenten is in de eerste plaats de Germaanse klankverschuiving van belang. Dit voor het Germaans zo belangrijke complex van klankwetten houdt het volgende in:
| 1. | De oeride. stemloze occlusieven p, t, k, ku worden in het Ogm. stemloze fricatieven f, þ, χ, χu (als tussenstap kunnen hierbij geaspireerde stemloze occlusieven worden aangenomen: ph, th, kh, kuh); hierop zijn een tweetal uitzonderingen:
|
||||
| 2. | De oeride. stemhebbende occlusieven b, d, g, gu worden in het Ogm. stemloze occlusieven p, t, k, ku. |
| 3. | De oeride. stemhebbende geaspireerde occlusieven bh, dh, gh, guh worden in het Ogm. ƀ, đ, ǥ, ǥu. |
OPM. Oeride. s en z gaan in het Ogm. als s en z over.
Het Oeride. kende dus de volgende reeksen obstruenten (per kolom een articulatieplaats):
| lab. | dent. | strid. dent. | palat. | vel. | lab. vel. | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| steml. occl. | p | t | - | k̂ | k | ku |
| stemh. occl. | b | d | - | ĝ | g | gu |
| stemh. geasp. occl. | bh | dh | - | ĝh | gh | guh |
| steml. fric. | - | - | s | - | - | - |
| stemh. fric. | - | - | z | - | - | - |
OPM. 1. De z treedt alleen maar op vóór stemhebbende consonant en mag dus als variant van het foneem /s/ worden beschouwd.
OPM. 2. Evenals in vele andere indoëuropese talen is in het Germaans van het verschil tussen palatalen en velairen niets meer terug te vinden; in de zgn. centum-talen zijn ze namelijk tot velairen samengevallen. In de zgn. satem-talen is het verschil bewaard, met dien verstande dat de palatalen daar als sis-klanken teruggevonden worden. In die talen zijn de labiovelairen met de velairen samengevallen doordat ze hun labiale element verloren hebben, terwijl in de centum-talen de labiovelairen nog als zodanig bestaan.
Tot de satem-talen behoren o.a. de groepen van het Indisch, het Iraans, het Slavisch en het Baltisch; tot de centum-talen o.a. die van het Grieks, het Germaans en het Keltisch en verder het Latijn.
Vgl. voor een oeride. woord met anlautende k̂ lat. centum, gr. (he)katon, got. hund (met h uit ogm. χ) met av. satem, skrt. šatam, lit. šim̃tas. Vgl. verder voor een woord met anlautende k lat. carpere ‘plukken’, gr. krōpion ‘sikkel’, ndl. herfst, eng. harvest ‘oogst’ met skrt. krpāna- ‘zwaard’ en lit. kerpù ‘met een schaar snijden’. (De oorspronkelijke betekenis van herfst moet geweest zijn ‘tijd waarin men plukt’.)
De benamingen centum- en satem-talen zijn ontleend aan de representaties van het oeride. woord voor ‘honderd’: *k̂m̥tòm, in resp. het Latijn en het Avestisch.
Voorbeelden voor de Germaanse klankverschuiving:
| Oeride. | Ogm. | Lat. | Got. | |||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 1 | p | - | f | pater | fadar | |
| t | - | þ | tres | þreis | ||
| k | - | χ | centum | hund | ||
| ku | - | χu | sequi | saíhvan | ||
| 1a | sp | - | sp | spuere | speiwan | |
| st | - | st | stare | standan | ||
| sk | - | sk | piscis | fisks | ||
| 1b | pt | - | ft | captus | hafts | |
| kt | - | χt | octō | ahtáu | ||
| 1c | tt | - | ss | Oeride. | *wǐttǒ- | wissa |
OPM. 3. Na lange vocaal werd in het Ogm. of Ggm. de ss al verkort tot s: got. weis uit oeride. *wěǐttǒ.
| Oeride. | Ogm. | Skrt. | Lat. | Got. | |||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2 | b | - | p | scabere | skapjan | ||
| d | - | t | ducere | tiuhan | |||
| g | - | k | gustus | kustus | |||
| gu | - | ku | venīre | qiman | |||
| 3 | bh | - | ƀ | bharāmi | ferre | baíran | |
| lubhyati | libet | liuba- | |||||
| dh | - | đ | dadhāti | facere | -deþs | ||
| madhya- | medius | midjis | |||||
| gh | - | ǥ | hostis | gasts | |||
| stighnoti | steigan | ||||||
| guh | - | ǥu | Oeride. | *sǒηguh- | saggws |
Bij de voorbeelden onder (1) en (2) is het Lat. representatief voor het Oeride. met uitzondering van de labiovelair onder (2) (lat. <v> = w). Bij de voorbeelden onder (3) is het Lat. niet representatief, evenmin als het Grieks; het Sanskrit is het voor een belangrijk deel wel, daarom zijn onder (3) voorbeelden uit deze taal toegevoegd. Het Lat. heeft voor oeride. bh in de Anlaut f, in de Inlaut b; voor oeride dh in de Anlaut f, in de Inlaut d; voor oeride. gh in de meeste gevallen h (maar vgl. got. laggs - lat. longus). De labiovelair laten we hier buiten beschouwing. Het Got. is representatief voor het Ogm. bij de voorbeelden onder (1) en (2); alleen heeft het voor anlautende χ vóór vocaal h (hund). Bij de voorbeelden onder (3) heeft het nog de oude stemhebbende fricatief of al de stemhebbende occlusief (zie 31.1.).
In het Oeride. geldt een assimilatieregel met de volgende inhoud: stemhebbende occlusief + stemloze occlusief wordt stemloze occlusief + stemloze occlusief. Hiermee is onder andere de consonantafwisseling in got. briggan - brāhta, ndl. brengen - bracht te verklaren. Got. briggan heeft -ηg- uit oeride. -ηĝh-; voor het praeteritum moeten we uitgaan van de combinatie -ηĝh-t-, door assimilatie -ηk-t-, welke combinatie door de Germaanse klankverschuiving -ηχ-t- oplevert. In de betreffende vorm heeft dan in het Ggm. Ersatz-dehnung plaats gevonden. Een voorbeeld van assimilatie van -g-t- tot -k-t- hebben we in het praet. van got. þagkjan, ndl. denken (met k uit oeride. g): þāhta (ndl. dacht), ogm. þǎηχt-, met -χt uit -kt-. Een combinatie -t-t- levert in het Ogm. -s-s- op. Vgl. got. witan met t uit oeride. d en daarbij het praeteritum wissa met -ss- uit oeride. -tt-, via assimilatie te herleiden tot -d-t- (voor ndl. wist zie 37.7.2). Ook buiten de werkwoorden vinden we dergelijke consonantafwisselingen: vgl. got. giban, ndl. geven met ƀ uit oeride bh, naast got. gifts, ndl. gift met -ft- uit oeride. -bh-ti-, waarin ti een suffix ter vorming van abstracta is. (De f van gift(s) is dus niet door verscherping uit ƀ ontstaan.) Vgl. verder got. skapjan met p uit oeride. b en het daarvan afgeleide abstractum -skafts met -ft uit oeride. -b-ti-, door assimilatie -p-ti-.
OPM. 1. Got. halpt ‘jij hielp’ moet analogie naar hilpan enz. (oeride. b) zijn: klankwettig zou zijn halft (oeride -pt-). De slot-t van báust ‘jij bood’ is analogisch naar vergelijkbare vormen op -t. Bij biudan met d uit oeride. dh zou klankwettig horen báus met -s via -ss uit oeride. -d-t- (= -t-t-).
OPM. 2. De regel dat als gevolg van de besproken ontwikkelingen vóór t van de labialen, velairen en labiovelairen slechts de stemloze fricatief kon optreden, moet in het oude Germaans zeer dwingend geweest zijn, getuige bijv. een geval als kopen - kocht (mnl. cochte). Kopen is een leenwoord uit het Lat. (caupo ‘marskramer’) en is zeker pas overgenomen ná de Germaanse klankverschuiving. Toch vinden we ook hier i.p.v. -pt- -ft- (cofte, later cochte). Vgl. verder 37.7.1.
Een belangrijke klankwet die in het Ogm. plaatsvond, is de Wet van Verner. Deze wet kan als volgt worden geformuleerd: stemloze fricatieven worden stemhebbend in stemhebbende omgeving (bijv. tussen vocalen) behalve wanneer het hoofdaccent op de onmiddellijk voorafgaande syllabe valt (ook de Anlautspositie is uitgesloten). De Wet van Verner werkt dus in het Ogm., in een periode waarin de oude oeride. accentverhoudingen nog bestonden (zie 11). Na de wet vindt de eveneens in 11 besproken accentverschuiving plaats, waarmee we het Ggm. laten beginnen.
De Wet van Verner verantwoordt dus dat bijv. met een oeride. t soms een
oude germaanse þ en soms een đ correspondeert: vgl. lat. frater met got. broþar en lat. pater met got. fadar.
Door de Wet van Verner ontstond soms binnen een paradigma of tussen verwante woorden afwisseling van stemloze en stemhebbende fricatief. Deze afwisseling noemen we grammatische wisseling oftewel Grammatischer Wechsel (zie voor deze term hieronder). Het beroemdste voorbeeld daarvan vindt men bij de sterke werkwoorden. Daar rustte namelijk ten tijde van de wet van Verner het accent in de vormen van de eerste categorie (praesens) en de tweede (sg. praet. indic.) op de eerste syllabe, in de derde (rest praet.) en de vierde (part. praet.) op een volgende. Als gevolg daarvan bleven in de eerste en de tweede categorie de stemloze fricatieven behouden, maar ontstonden er in de derde en vierde stemhebbende. Vóór de accentverschuiving, dus in het Ogm., was het optreden van die stemloze of stemhebbende fricatief dus geassocieerd met de plaats van het accent. Door de accentverschuiving gaat dat verband verloren. Binnen paradigma's is het optreden van stemloze of stemhebbende fricatief vanaf die tijd gebonden aan bepaalde categorieën, bijv. bij de sterke werkwoorden aan resp. de eerste en tweede en de derde en vierde categorie. De accentverschuiving heeft de condities waaronder de stemhebbende fricatieven waren ontstaan, onherkenbaar gemaakt. De alternantie is niet meer fonologisch, maar morfologisch bepaald; er is nu met recht sprake van ‘grammatische’ wisseling. Deze ondoorzichtigheid is er de oorzaak van geweest dat in de ene taal overigens meer dan in de andere de afwisseling door analogie is verdwenen. Vgl. het volgende voorbeeld:
| ogm. 1 | *kĕ̍ŭsan | - | *kă̍ŭs- | - | *kŭsŭ̍m- | - | *kŭsă̍n- |
| ogm.2 (na Verner) | *kĕ̍ŭsăn- | - | *kă̍ŭs- | - | *kŭzŭ̍m | - | *kŭză̍n- |
| ggm. (na acc. versch.) | *kĕ̍ŏsăan- | - | *kă̍ŭs- | - | *kŭ̍zŭm- | - | *kŭ̍zăn- |
| got. (met analogie) | kiusan | - | káus | - | kusum | - | kusans |
| mnl. (zonder analogie) | kiezen | - | coos | - | coren | - | ghecoren |
OPM. Op weg naar het Mnl. toe is in de 1e categorie s intervocalisch z geworden en is in de 3e en 4e rhotacisme opgetreden: z wordt r.
In het Gotisch is zoals in praktisch alle sterke werkwoorden analogie opgetreden. Ook voor het Nnl. constateren we analogie: vgl. kiezen - koos - kozen - gekozen, maar vgl. daarnaast nog als oud part. praet. uitverkoren. Voorbeelden waarin in het Gotisch nog wel de grammatische wisseling te zien is, zijn fraþi ‘verstand’ - frodei ‘wijsheid’ en filhan ‘verbergen’ - fulgins (oud part. praet., adjectief geworden) ‘verborgen’. Waarschijnlijk voelde men niet meer duidelijk het verband tussen de vormen, hetgeen er de oorzaak van geweest kan zijn dat geen Ausgleich is opgetreden. Merkwaardig is dan wel dat de grammatische wisseling bewaard is gebleven in het geval frawaírþan ‘te gronde gaan’ - frawardjan ‘te gronde richten’, waarbij het verband toch nog wel voelbaar geweest moet zijn (frawardjan is bij frawaírþan een causatief,
waarin de klemtoon in het Oeride./Ogm. volgens de regel op het suffix lag waarvan de j in het Gotisch een restant is).
Een probleem is de relatieve chronologie van de verschillende onderdelen van de Germaanse klankverschuiving en de Wet van Verner. We geven hier alleen de traditionele visie. Deze visie houdt in dat onderdeel (1) aan onderdeel (2) voorafgaat; de door (2) ontstane stemloze occlusieven worden immers geen stemloze fricatieven meer. (3), waarbij ook fricatieven ontstaan, is als parallel met (1) op te vatten. De Wet van Verner (V) volgt in ieder geval op (1), valt dus na de ontwikkeling van de stemloze fricatieven; in het schema plaatsen we hem ook na (2). De door de Wet van Verner ontstane stemhebbende fricatieven vallen samen met de stemhebbende fricatieven die volgens (3) ontstaan. De stemhebbende fricatieven (behalve de z) werden, zoals in 31.1. besproken, reeds in het Ggm. in bepaalde posities stemhebbende occlusieven. Toen dat gebeurde, was onderdeeel (2) uitgewerkt; de nieuwe stemhebbende occlusieven werden dus niet meer tot stemloze.
Schema:
(Ogm. 1 = vóór de Wet van Verner, Ogm. 2 = na de Wet van Verner, V = Verner)

Zoals onder 31.11 is uiteengezet, kon door de Wet van Verner een afwisseling van stemloze en stemhebbende fricatief ontstaan bij verwante woorden of bij vormen van hetzelfde paradigma: grammatische wisseling. Uit wat onder 31.3 en 31.5 behandeld is, kan worden afgeleid dat we deze wisseling, behoudens analogiewerking, in het Ndl. kunnen terugvinden bij de velairen, de labiovelairen en de stridente dentalen. Zie hiervoor onderstaand schema; de geminaten zijn daarin buiten beschouwing gelaten. Ook de Anlaut - daar werkt ‘Verner’ immers niet - is buiten beschouwing gebleven.
Schema:
| ggm. | fˊ | - ƀ | --- | ndl. | v | - v | (Auslaut: | f - f) |
| þ | - đ | --- | d | - d | ( | t - t) | ||
| χ | - ǥ | --- | NUL | - ǥ | ( | χ - χ) | ||
| s | - z | --- | z | - r | ( | s - r) | ||
| χu | - ǥu | --- | NUL | - ǥ/w | ( | χ - χ) |
OPM. Wanneer r, ontstaan door rhotacisme, in de Auslaut staat, is deze klank pas secundair, bijv. door ǝ-apocope, in die positie terecht gekomen: vgl. keur - mnl. keure. Vgl. 31.5.6 voor oude apocope van z dan wel r.
Voorbeelden bij de sterke werkwoorden:
1. van ndl. NUL/ǥ (ohgd. h/ǥ; ggm. χ/ǥ):
| ohgd. | slahan | sluoh | (-χ) | sluogum | gislagan (6e klasse) |
| ndl. | slaan | sloeg | (-χ) | sloegen | geslagen |
2. van ndl. z/r (ohgd. s/r; ggm. s/z):
| ohgd. | kiosan | kōs | kurum | gikoran |
| mnl. | kiesen | coos | coren | ghecoren |
| nnl. | kiezen | koos | kozen | gekozen (met analogie) |
In het Gotisch heeft in deze gevallen Ausgleich plaatsgevonden:
| slahan | sloh | slohum | slahans |
| kiusan | káus | kusum | kusans |
Andere voorbeelden:
| 1. | ohgd. ziohan ‘trekken’ (sterk werkwoord 2e klasse) - zugil (subst.); mnl. tien - teugel |
| 2a. | ohgd. ginesan (sterk werkwoord 5e klasse) - nerian (causatief; ggm. *năzjăn); mnl. genezen - (hem) gheneren (vgl. ndl. nering) OPM. Het Gotisch heeft nasjan naar analogie van -nisan. |
| 2b. | ndl. vaars (uit ggm. *fărs-) - ndl. var (mnl. varre, uit ggm. *fărz-). |
OPM. Hierboven hebben we afgezien van de labiovelairen, omdat daar moeilijk duidelijke voorbeelden van te vinden zijn.
Een gecompliceerd geval vormt mnl. vaen (evenals haen): vaen - vinc - vinghen - ghevanghen. In de 3e en 4e categorie werkt de Wet van Verner,
dus wordt de stemloze fricatief stemhebbend; de stemloze blijft staan in de 1e en 2e. Na de Wet van Verner nu, in het Ggm., vindt vóór stemloze fricatief Ersatzdehnung plaats (zie 29.1): d.w.z. de nasaal verdwijnt en de vocaal wordt gerekt. In de 1e categorie moeten we dus voor χ klankwettig een lange vocaal krijgen: vgl. got. fāhan, corresponderend met mnl. vaen (1e cat.). In de 3e en 4e categorie blijven korte vocaal + η vóór stemhebbende fricatief (door latere ontwikkeling stemhebbende occlusief) gehandhaafd; vgl. mnl. vinghen - ghevanghen, met in het Nnl. assimilatie tot enkele nasaal. Vinc (2e cat.) met nasaal en met auslautende k i.p.v. χ berust op analogie naar cat. 3 en 4; klankwettig zou men immers een χ en een door Ersatzdehnung gerekte lange vocaal verwachten.
In het Got. zijn de lange vocaal en de stemloze fricatief in het hele paradigma doorgedrongen: fāhan - faífāh - faífāhum - fāhans. Mnl. vanghen i.p.v. vaen en ghevaen i.p.v. ghevanghen zijn analogisch. In het Nnl. hebben de vormen met nasaal het gewonnen evenals bijv. bij dringen (got. þreihan; zie 29.1.). (Voor de vocaalalternantie in het Ndl. tegenover de reduplicatie in het Gotisch bij vangen - vaen zie 36.3.8.).
De oudgermaanse geminaten zijn over het algemeen door assimilatie ontstaan; we vinden ze als zodanig in het Got. terug. Zo werd de ogm. combinatie ln tot ll, in het Got. als <ll> gespeld: got. fulls (ndl. vol) - lit. pìlnas ‘vol’ (lat. plēnus). Deze geminaat komt ook voor in het van fulls afgeleide fulljan; het is goed te bedenken dat de ll hier niet door jod-geminatie ontstaan kan zijn, die immers wel in het Owgm., maar niet in het Got. werkt. Andere voorbeelden: got. rinnan (mnl. rinnen) uit ogm. *rĕnwăn; mnl. dunne uit ogm. *þŭnw-, verwant met lat. tenuis (oeride. *tn̥ŭ-).
OPM. 1. In bijv. bukken naast buigen kan de geminaat aan intensiefvorming worden toegeschreven: buigen heeft intervocalisch ogm. ǥ, in bukken is geminaat ontstaan (tevens occlusief) die stemloos wordt: gg > kk.
OPM. 2. Een geminaat van vóór de Germaanse klankverschuiving hebben we in de ss van bijv. got. wissa. Zie 31.10.
OPM. 3. We hebben de assimilatie van ln tot ll en soortgelijke assimilaties in het Ogm. geplaatst, hoewel ook het Ggm. in aanmerking kan komen. Plaatst men ze in het Ggm. na de a-Umlaut van ĭ tot ĕ en van ŭ tot ŏ (zie 15.5 en 16.6) en na de overgang van ĕ tot ĭ, dan kan men bij de formulering van de condities van deze klankwetten lange nasaal laten vervallen.