De r is waarschijnlijk oudtijds een tong-r geweest. Zeer verbreid is op het ogenblik in het hedendaagse Nederlands de velaire r, die zich vermoedelijk in de 18e eeuw vanuit het hofcentrum Den Haag verspreid heeft. Opvallend is behalve de invloed op voorafgaande vocalen (vgl. 27) de veelvuldige metathesis die kan optreden. We moeten daarbij twee types onderscheiden:
| 1. | r verspringt in het Onl. in de verbinding r + korte vocaal + dentaal (d, t, s, n), behalve wanneer hij in de anlaut staat of de vocaal door de verbindingen nd en nt wordt gevolgd; deze metathesis is ingweoons, in ieder geval niet hoogduits. Voorbeelden: Christus / Kerst; du. Brunnen, bron (leenwoord)/mnl. borne, Baarn; got. brinnan, brannjan, du. brennen/mnl. bernen, barnen. In brand heeft vóór de nd-verbinding geen metathesis plaatsgevonden; het werkwoord branden kan hiervan een afleiding zijn. Voor de Anlaut vgl. men rust (got. rasta). In het geval van mnl. ors stond er oorspronkelijk voor de r (die versprongen is) een χ (owgm. *χrŏss); du. Ross, eng. horse. OPM. Zowel owgm. *brĭnnăn als *brănnjăn moeten klankwettig in het Mnl. bernen geven: *brĭnnăn > *bĭnăn > bernen (zie 27); *brănnjăn > *brĕnnăn > bernen. Sterke vormen, die bij *brĭnnăn horen, komen in het Mnl. nog voor (barn, ghebornen), de algemeen gebruikte zwakke vormen, bij brănnjăn, zijn brande, ghebrant (zie 14.2). Ook deze vormen kunnen van invloed zijn geweest bij het ontstaan van de werkwoordsvorm branden. |
| 2. | r springt in het Onl. naar ‘links’ voor χt <cht>: got. faúrhtei, hgd. Furcht/ godsvrucht; got. baírhts ‘helder, duidelijk’/Adelbrecht naast Adelbert. Deze χt kan op ft teruggaan (gewricht, verwant met werven (oude betekenis ‘draaien’; got. hvaírban) en wervel); ook kan metathesis plaatsvinden voor bewaarde ft: got. þaúrfts ‘nodig’, hgd. (Not)durft, ndl. derven/(nood)-druft. De r gaat terug op oeride. r (rennen), r̥ (moord, via ogm. ŭr, zie 16.6), s via z (gheneren, via rhotacisme; zie 31.5.6) of z. |
Ook bij de l doet zich wel metathesis voor: vgl. got. neþla, hgd. Nadel/ndl. naald. Voor de invloed van de l op voorafgaande of volgende vocaal zie 25.1 en 26. Zie ook 26 voor verdwijnen van de l. De l gaat terug op oeride. l (helpen) of l̥ (geholpen, via ogm. ŭl; zie 16.6).
T.a.v. de m merken we slechts op dat die in het Onl. of Mnl. in de Auslaut tot n wordt: mnl. (ic) bem naast (ic) ben. In ongeaccentueerde syllaben kan hij blijven staan: vgl. bezem.
De m gaat terug op oeride. m (nemen) of op m̥ (genomen, via ogm. ŭm, zie 16.6).
Voor wegval van de n met daarmee gepaard gaande rekking van de voorafgaande vocaal zie men 29.1. Voor de n-apocope zie 12.3.
Vooral voor de 17e-eeuwse literatuur (kluchten, hekeldichten etc.) is het van belang te letten op de velarisering van de n (dus tot η) tussen korte meestal velaire vocaal en dentaal (d, t, s). Op die velarisering kan dan assimilatie volgen van ηd tot η en van ηt via ηkt tot ηk.
Voorbeelden:
angder, ongse; onverstanckt; onger < ongder, verstanck < verstanckt.
Deze vormen worden echter altijd plattelanders of platsprekende stedelingen in de mond gelegd; dit klopt met het feit dat ze in het Standaardndl. niet geaccepteerd zijn. Nu hoort men ze nog in vele dialecten, met uitzondering van de noordoostelijke; wijd verspreid is het woord mangelen voor amandelen.
De n gaat terug op oeride. n (binden) of n̥ (gebonden, via ogm. ŭn, zie 16.6). Voor de n van honderd zie 16.6.