Bij assimilatie dienen we onderscheid te maken tussen assimilatie in synchronische zin en assimilatie in diachronische zin; we illustreren dit met de volgende voorbeelden.
opdoen - Deze samenstelling klinkt gewoonlijk als obdoen; naast het morfeem ob- nu staat in andere woorden op- (bv. in optrekken) of het zelfstandige woord op; ook blijft het altijd mogelijk, zij het wat ‘onnatuurlijk’, opdoen met een p uit te spreken. We kunnen op grond van deze afwisseling van p/b van synchronische assimilatie spreken: p ‘wordt’ b vóór d op de morfeemgrens (en trouwens ook op de woordgrens, in de ‘sandhi’ dus, vgl. ob de bank). Van assimilatie in diachronische zin is geen sprake; in ieder geval is het zeer de vraag of er in de tijd een vorm opdoen aan de vorm obdoen is voorafgegaan.
koningen - De velaire nasaal η <ng> is in dit woord ontstaan uit ηg (velaire nasaal + stemhebbende velaire occlusief); mnl. coninghe, in het enkelvoud coninc met Auslautsverscherping. Het nnl. koning berust op analogie naar de verbogen vormen (zie 31.5.3.). Hier hebben we een geval van assimilatie in diachronische zin; de vorm met stemhebbende explosief gaat aan die met alleen velaire nasaal vooraf; van assimilatie in synchronische zin is in het hedendaagse Nederlands geen sprake meer. De synchronische assimilatie kan nog wel aangenomen worden voor de periode (mnl.) toen naast coninghe met η nog coninc voorkwam; op basis van laatstgenoemde vorm kunnen we uitgaan van een onderliggende vorm met /g/, die in de verbogen vormen door een assimilatieregel verdwijnt.
Mnl. ombinden - Deze vorm is een bijvorm van ontbinden, welke vorm we eveneens aantreffen. In dit geval kunnen we zowel assimilatie in diachronische zin aannemen: ontbinden was er eerder dan ombinden, als assimilatie in synchronische zin: beide vormen kwamen (en komen) immers naast elkaar voor.
Voor assimilaties in het Oeride. zie 31.10.2, in het Ogm. 31.14.
Assimilatie dient goed onderscheiden te worden van reductie: beide treden zowel in diachronische als synchronische zin op in bongǝrd naast boomgaard.
In synchronische zin is dit slechts het geval als men nog verband voelt. Door assimilatie is de m + ǥ tot η geworden; door reductie de ō tot ŏ en de ā tot ǝ. Nog een voorbeeld: door ‘totale’ diachronische assimilatie ontstaat in het Ogm. uit ln de geminaat ll (vgl. got. fulls); door reductie wordt dan later de geminaat tot enkele (korte) l (vgl. ndl. vol).
Assimilatie in diachronische zin, waarbij dus de ene vorm als ouder te beschouwen is dan de andere, zijn in ieder geval:
| de ogm. assimilatie van consonantcombinaties tot geminaten (zie 31.14) |
| de owgm. ontwikkeling van rz tot rr: vgl. got. marzjan - mnl. merren (hier kan ook aan rhotacisme gedacht worden) |
| de onl. ontwikkeling van mb tot mm (zie 31.5.1.) |
| de onl. ontwikkeling van χs tot ss (zie 31.3.3.) |
| de mnl. ontwikkeling van ηg tot η (zie 31.5.3.) |
| de mnl. ontwikkeling van sk tot sχ of s (zie 31.4.) |
Het is hier niet de plaats de (synchronische) assimilatie van het mod. Ndl. te bespreken; daarvoor moeten we verwijzen naar de bekende handboeken. Zoals zovele taalverschijnselen kunnen ook de assimilatieregels van streek tot streek en van periode tot periode verschillend zijn. Daarnaast moeten we ook per geval differentiëren, bijv. naar woord- of morfeemgrens. Bij de verklaring van woordvormen dienen we ons daarvan bewust te zijn.
Twee voorbeelden mogen dit illustreren:
| 1. | Bij samenstoten van stemloze fricatief en volgende stemhebbende occlusief heeft binnen het woord regressieve assimilatie plaats: avdoen, huizdeur; in de sandhi kan, regionaal bepaald, zowel regressieve als progressieve assimilatie plaatsvinden: iz dat waar naast is tat waar. Het Mnl. heeft ook niet nogdoe maar nochtoe. |
| 2. | Als algemene regel voor het mod. Ndl. kan gelden dat bij samenstoten van stemloze en volgende stemhebbende occlusief regressieve assimilatie optreedt: kruib door, widboek, zakdoek, laakbaar, rijkdom (de laatste drie vormen met stemhebbende velaire occlusief); vgl. hiermee echter bij de verleden tijd van de zwakke werkwoorden maakte, stroopte, haatte (maar in het Limburgs steeds -de: vgl. limburgs mnl. maecde). |
Assimilaties komen in de mod. ndl. spelling niet tot uitdrukking: vgl. <kruip door>, <witboek>, <zakdoek> enz. In het Mnl. wordt vaker op de klank af gespeld: vgl. het in 34.1. besproken <ombinden>.