terug  begin  prepost
[p. 268]

Zaakregister

accentverschuiving 11, 31.11, 35.4
algemeen beschaafd nederlands zie Standaardnederlands
angelsaksisch 10.1
Anlaut passim (het beste op te vatten als aan het begin van een syllabe)
aphaeresis van h zie procope van h
apocope van n 12.3, 35.9
apocope van r, z 31.5.6
apocope van sjwa 12.3, 31.5 passim, 35.9
apocope van w 28.6
aspiraat 1.3
assimilaties 19.2, 29.1, 31.3.3, 31.5 passim, 31.10.12, 31.14, 34, 35.3, 35.7, 35.8
Auslaut passim (het beste op te vatten als op het einde van een syllabe)
auslautsverscherping 3.4.2, 28.6, 31.1, 31.5 passim, 35.5, 35.7, 35.9
degeminatie 31.2, 35.8
depalatalisatie 27
diftongen, ontstaan van 26, 28 passim, 35.7 en zie diftongeringen
diftongeringen 14.2, 19.2, 21.1, 22.1, 23 passim, 24.1, 35.6, 35.9
duits 10.1
engels 10.1
epenthesis, d- 31.9
Ersatzdehnungen 29.1, 31.10.2, 31.13.2, 35.4, 35.5
fries 10.1
gemeengermaans 10.1, 35.4
geminaat 1.3
geminaten, ontstaan van zie 31.3.3, 31.3.5, 31.14, 35.3 en geminatie
geminatenverkorting zie degeminatie
geminatie 31.2
geminatie, jod- 25.2, 31.2, 31.3 passim, 31.4, 31.5, 35.6
germaanse klankverschuiving 31.10, 31.12, 35.3
gotisch 2-9, 10.1, 35.5
grammatische wisseling 31.11, 35.4
hoogduitse klankverschuiving 10.1, 31.4, 31.5.2
ingweoons 10.1, 10.3
Inlaut passim (het beste op te vatten als midden in een syllabe)
labiovelair 1.3
laryngalisering 31.3 passim, 35.4, 35.6
metathesis, 1- 33.2
metathesis, r- 33.1
middelengels 10.1
middelhoogduits 10.1
middelnederduits 10.1
middelnederlands 10.1, 35.8
monoftongeringen 17.1, 17.3, 18.1, 19.2, 21.1, 22.2, 23.3, 24.1, 35.6, 35.7, 35.9
nieuwnederlands 10.1, 35.9
noordgermaans 10.1
occlusief worden van obstruenten 31.1, 31.3.2, 31.5 passim, 35.4, 35.5, 35.6, 35.7
oergermaans 10.1, 35.3
oerindoëuropees 10.1, 35.2
oerindogermaans zie oerindoëuropees
oerwestgermaans 10.1, 35.6
ontrondingen 10.3, 25.2, 27, 35.7
oostgermaans 10.1
oudengels zie angelsaksisch
oudfries 10.1
oudhoogduits 10.1
oudnederfrankisch 10.1
oudnederlands 10.1, 35.7
oudsaksisch 10.1
oudwestgermaans 10.1
palatalisaties 14.2, 18.2, 20.2, 20.3, 27
palatalisatie, spontane 16.3, 23 passim, 35.7
[p. 269]
procope van h 31.3 passim, 35.7
protoïndoëuropees zie oerindoëuropees
reducties 12.1, 12.3, 14.1, 19.2, 21.1, 24.1, 28.2, 28.6, 30.2, 34.2, 34.4, 35.7
rekkingen 14 passim, 15 passim, 16 passim, 17.4, 18.4, 20.3, 25.1, 25.2, 27, 29, 30.2, 31.2, 35.7
resonanten 35.2
rhotacisme 17.1, 31.2, 31.5.6, 31.11, 35.6
rondingen 25.1, 35.7
Rückumlaut (zgn.) 12.2
samensmelting van vocalen 29.3, 35.7
sonantisch 1.3
Standaardnederlands 10.1, 10.2
stemhebbend worden van obstruenten 31.3 passim, 35.7
stemloos worden van obstruenten 31.5.5, 35.9 en zie Auslautsverscherping
strident 1.3
svarabhaktivocalen 12.3, 28.6, 31.2 35.6
syncope van d 31.8 passim, 35.9
syncope van g 14.2, 31.8.1
syncope van h 31.3 passim, 35.7
syncope van reductievocalen 12.3
syncopewet van Sievers 12.2, 37.6.4
syncope van v 31.8.1
syncope van z 21.1
Umlaut, a- 15 passim, 16 passim, 19 passim, 35.4
Umlaut (ggm. i, j, u-) 15.5, 16.6, 19.5, 35.4
Umlaut, i- 14 passim, 15.2, 15.5, 16 passim, 18.2, 20.2, 23.1, 24.2, 25.2, 26, 31.2, 35.6, 35.7
verkorting van geminaten zie degeminatie
verkorting van vocalen 29.2, 35.7, 35.9
Verner, wet van 31.11, 31.13, 35.3
verzwakking van d tot j 31.8 passim, 35.9
westgermaans 10.1
zuidafrikaans 10.1
zuidgermaans zie westgermaans

Herkomst van de standaard-Ndl. klanken

vocalen

ă: 14, 26, 27, 29.1, 29.2
ā: 14, 17.3, 18.2, 20, 27
ĕ: 14, 15, 25.2, 27, 29.2
ē: 14, 15, 17, 20.2, 21.2, 25.2, 27, 28.2, 29.3
ei <ei, ij>: 14.2, 17, 21.2, 22
ĭ: 14.2, 15, 25.2, 29.2
ī <ie>: 17.4, 19, 21, 22, 29.3
ŏ: 16, 25.1, 26, 27, 29.2
ō: 16, 18, 23.2, 27, 28.2, 28.4
ou: 18.1, 23, 26, 28
ū <oe>: 23.2, 23.5, 24
ŏe<u>: 16, 25.1, 27, 29.2,
oei <ui>: 19, 23
ø̄ <eu>: 16, 18.2, 25.1
ȳ: 19, 23, 25.1, 28
ǝ <e>: 12.3

consonanten:

b: 31.5.1
d: 31.3.2, 31.5.2, 31.9
f: 31.3.1, 31.5.1, 31.5.5
g: 31.5.3, 31.5.4, 31.7
h: 31.3.3, 31.3.4
j: 31.7, 31.8.2, 32.1
k: 31.3.3, 31.4, 31.5.3, 31.5.5
l:33.2
m: 31.5.1, 33.3
n: 33.3, 33.4
p: 31.4, 31.5.1
r: 31.5.6, 33.1
s: 31.3.3, 31.3.5, 31.4
t: 31.3.2, 31.4, 31.5.2, 31.5.5
v: 31.3.1, 31.5.1
w: 31.3.4, 31.4, 31.5.4, 32.2
z: 31.3.5
η <ng>: 31.5.3, 31.5.4
χ <ch>: 31.3.1, 31.3.3, 31.3.4, 31.4, 31.5.3.
(Voor de obstruenten zie ook 31.1 en 31.10).
[p. 270]

Gotisch

abraba (adv.) ‘zeer’
af (vz. + dat.) ‘van, van ... vandaan’ 31.3.1
afar (vz. + dat.) ‘achter’, (+acc.) ‘na’ 9.1
afarsabbate ‘na de sabbat’
aftana (adv.) ‘van achteren’
aftra (adv.) ‘weer’
aftumist (superl.) ‘laatste’ - in: aftumist habáiþ ‘is stervende’
usagljan (zw.1 + dat.) ‘in het gezicht slaan’
ahtáu (num.) ‘acht’ 8.1, 14.4, 31.3.3, 31.10.1
ahtuda (num.) ‘achtste’ 8.2
ahva (Fō) ‘rivier, water’ 3.2, 31.3.4
áihan (prt. prs.) ‘bezitten’ 4.5
áihtron (zw. 2) ‘bédelen’ 9.4
áinlif (num.) ‘elf’ 8.1, 29.2, 41
áins (num. a) ‘een, alleen’ 6.6, 8.1, 9.1, 9.3, 17.5
áinshun (pron. indef.) ‘iemand’ - in: ni ... áinshun ‘niemand’ 6.6
áir (adv.) ‘vroeg’
aírþa (Fō) ‘aarde, land’ 27
áistan (ww) ‘ontzien’
áiþei (Fn) ‘moeder’
áiþs (Ma) ‘eed’ 3.2
aíþþáu (vw) ‘of, of anders’ 3.3, 9.1, 9.3
áiws (Ma/i) ‘tijd, eeuwigheid’ 17.5, 40.10
ak (vw) ‘maar’
akei (vw) ‘maar’
akrs (Ma) ‘akker’ 2.3, 3.3, 3.4.2, 14.4, 31.2
alhs (wortelnomen) ‘tempel’ 9.4
alls (adj. a) ‘geheel, alle’
alþeis (adj. ja) ‘oud’ 31.3.2
amen ‘voorwaar, amen’
ana (vz. + dat.: rust, of acc.: beweging) ‘op, aan’
andanems (adj. i) ‘aangenaam’ 3.1
andastaþjis (Mja) ‘tegenstander’
andawaúrdi (Nja) ‘antwoord’ 11
andeis (Mja) ‘einde’ 14.2, 31.5.5
andhuleins (Fi/ō) ‘onthulling, openbaring’ 3.1
andwaírþi (Nja) ‘aangezicht’
ansts (Fi) ‘vreugde, gunst’ 5.1, 5.3
anþar (num. a) ‘ander, tweede’ 8.2, 41
apaústaúlus (Mu/i) 'apostel) 3.3
arbja (Mn) ‘erfgenaam’ 5.1, 38.10
arjan (onregelm. red.) ‘ploegen’ 31.2
armahaírtiþa (Fō) ‘aalmoes, barmhartigheid’
armáio (Fn) ‘barmhartigheid, aalmoes’
arman (zw. 3) ‘zich ontfermen over’
arms (adj. a) ‘arm’ 7.4, 27
arms (Mi) ‘arm’ 27
aromata ‘specerijen’
at (vz. + dat.) ‘bij’ (ook ter versterking van het tijdsbegrip bij een datief absolutus) 9.1
atta (Mn) ‘vader’ 3.2, 9.1, 9.2, 31.2, 39.1
aþþan (vw) ‘maar’
áugo (Nn) ‘oog’ 18.1
áuhjodus (of aúhjodus) (Mu) ‘lawaai’
áuhjon (of aúhjon) (zw. 2) ‘lawaai maken’
áuk (adv.) ‘namelijk’ 9.1
áukan (red. 2) ‘zich vermeerderen’ 3.2, 4.3, 18.4
áuso (Nn) ‘oor’ 18.1
awiliudon (zw. 2 + dat.) ‘danken’
baíran (st. abl. 4) ‘dragen’ 4.3, 27, 30.2, 31.10.1, 36.3.4
baírgahei (Fn) ‘bergstreek’ 27
baírgan (st. abl. 3) ‘bergen, behoeden’ 3.2, 31.5.3, 36.3.3.1
baíhrtei (Fn) ‘helderheid, openbaar’
baírhts (adj. a) ‘helder’ 33.1
balgs (Mi) ‘zak’ 31.1, 31.5.3
bandi (Fjō) ‘band’ 5.1, 5.3, 7.3, 3.4.2, 38.1
bandja (Mn) ‘gevangene’ 3.4.2
barn (Na) ‘kind’
batists (superl. van goþs) ‘best’ 7.4, 39.5
batiza (comp. van goþs) ‘beter’ 7.4, 39.5
báúan (onregelm. w.w.) ‘wonen’ 3.3, 23.1
baúrgs (wortelnomen) ‘stad’ 5.1, 5.3, 38.1
usbeidan (st. abl. 1 + ana + dat.) ‘geduld hebben met’
beitan (st. abl. 1) ‘bijten’ 3.3, 3.4.1, 17.4
andbeitan (st. abl. 1) ‘berispen, bedreigen’
bi (vz. + dat.) ‘bij’, (+acc.) ‘over, met
[p. 271]
betrekking tot’
bidjan (st. abl. 5) ‘bidden’ 4.3, 4.7, 9.4, 36.3.5, 37.2.2, 37.6.5
bindan (st. abl. 3) ‘binden’ 3.2, 4.3, 4.5, 3.4.1, 3.4.2, 12.3, 15.2, 15.5, 16.2, 30.1, 31.1, 31.5.1, 31.5.2, 31.5.5, 35.7, 36.1, 36.3.3.2
biþe (vw.) ‘wanneer, toen’
-biudan (st. abl. 2) ‘bieden’ 3.1, 3.2, 3.3, 4.3, 4.7, 16.2, 19.2, 19.3, 31.1, 31.5.2, 31.10.2, 36.1, 36.3.2.1, 37.1
anabiudan (st. abl. 2) ‘bevelen’
bliggwan (st. abl. 3) ‘slaan’ 28.3
blinds (adj.a) ‘blind’ 7.2, 7.3, 39.1, 39.2
bloma (Mn) ‘bloem’ 9.3, 24.1, 24.3, 29.2
bloþ (Na) ‘bloed’ 9.1
botjan (zw. 1) ‘beter worden, erop vooruitgaan’ 9.1
briggan (onregelm. zwak) ‘brengen’ 3.2, 4.5, 4.7, 29.1, 31.10.2, 37.2.3, 37.7.1, 37.7.2
brikan (st. abl. 4) ‘breken’ 4.3, 36.1, 36.3.4
broþar (Mr) ‘broer’ 3.2, 3.3, 5.1, 5.3, 11, 24.1, 24.3, 31.1, 31.11
brūkjan (onregelm. zwak) ‘gebruiken’ 3.3, 4.5
brunna (Mn) ‘bron’ 9.1
brusts (plur. F wortelnomen) ‘borst’
bugjan (onregelm. zwak) ‘kopen’ 4.5, 4.7
usbugjan (onregm. zwak) ‘kopen’
dags (Ma) ‘dag’ 3.1, 3.3, 3.4.1, 5.1, 5.2, 5.3, 6.3, 7.3, 9.1, 12.1, 14.1, 31.1, 31.5.2, 38.1, 38.2, 39.1, 40.4
afdáiljan (zw. 1) ‘uitdelen’
dáils (Fi), ‘deel’
dáug (pr. pr. 2) ‘het deugt’ 4.5, 37.7.2
daúhtar (Fr) ‘dochter’ 3.2, 3.4.1, 9.4, 16.2
dáupjan (zw. 1) ‘dopen’ 37.1
daúrons (plur. Fn) ‘deur’ 19.3
gadaúrsan (prt. prs. 3) ‘wagen, durven’ 4.5, 37.7.2
gadáuþnan (zw. 4) ‘sterven’
Daweid ‘David’
-deþs (Fi) ‘daad’ 20.4, 31.10.1
digan (onregelm. st. abl. 1) ‘kneden’ 4.3
diupei (Fn) ‘diepte’ 12.3
dius (Na) ‘wild dier’ 22.1
domjan (zw. 1) ‘oordelen, beoordelen’ 29.2
dragan (st. abl. 6) ‘dragen’ 14.3
dragkjan (zw. 1) ‘drenken’ 4.4
draibjan (zw. 1) ‘lastig vallen’
-drausjan (zw. 1) ‘doen vallen’
drigkan (st. abl. 3) ‘drinken’ 3.2, 4.4, 37.2.3
gadriusan (st. abl. 2) ‘vallen’
drus (M) ‘val’ 3.4.2
du (vz. + dat.) ‘tot, naar, voor, met betrekking tot, met het oog op’; (met infinitief) ‘om te’ 9.1, 9.3, 9.4
-dūbo (Fn) ‘-duif’ 3.3
duhve (adv.) ‘waarom’ 3.3
dumbs (adj. a) ‘stom’ 31.5.1
ei (vw. + opt.) ‘opdat, dat’ 9.4
fadar (Mr) ‘vader’ 3.3, 11, 14.4, 31.1, 31.10.1, 31.11
fāhan (red. 6) ‘vangen’ 3.3, 4.3, 29.1, 29.3, 31.13.2, 36.3.8.2
fáih (Na) ‘bedrog’ 17.1
faíhu (Nu) ‘vermogen’ 5.1, 5.3, 29.3, 31.3.1
wáifaírhvjan (zw. 1) ‘weeklagen’
faírhvus (Mu) ‘wereld’ 3.2
faírraþro (adv.) ‘van verre’
faírzna (Fō) ‘hiel’ 27
fani (Nja) ‘slijk’ 14.1, 38.10
faran (st. abl. 6) ‘trekken’ (intr.) 4.3, 36.1, 36.2, 36.3.6.2
Fareisáius (Mu/i) ‘Farizeeër’
fastan (zw. 3) ‘vasthouden, vasten’ 9.2
faúra (vz. + dat) ‘voor’ 9.4
faúrhtei (Fn) ‘vrees’
faúrhtjan (zw. 1 + dat. refl.) ‘vrezen’
faúrþizei (vw. + opt.) ‘voordat’ 9.4,
fidwor (num.) ‘vier’ 8.1
filhan (st. abl. 3) ‘verbergen’ 3.2, 31.1, 31.3.3, 31.11, 36.3.6.3, 37.3
filu (subst. + gen. part.) ‘veelheid’, (bw.) ‘in hoge mate, zeer’
filuwaúrdei (Fn) ‘omhaal van woorden’
filuwaúrdjan - zie onder: waúrdjan
fimf (num.) ‘vijf’ 8.1, 29.1
finþan (st. abl. 3) ‘te weten komen’ 31.5.2, 35.7
fimftataíhunda (num.) ‘vijftiende’ 8.2
fisks (Ma) ‘vis’ 3.3, 31.4, 31.10.1
[p. 272]
fotus (Mu) ‘voet’ 3.2, 3.4.1, 38.6
fraíhnan (st. abl. 5) ‘vragen’ 4.3, 4.7, 37.2.2
fráisan (red. 1) ‘beproeven, bekoren’ 4.3
fráistubni (Fjō) ‘verzoeking, bekoring’
fram (vz. + dat.) ‘van, van de kant van door, vanwege’ 9.1, 9.4
fraþi (Nja) ‘verstand’ 31.11
fráuja (Mn) ‘heer’ 3.2, 9.3
frawaúhrts (adj. a.) ‘zondig’
frijon (zw. 2) ‘houden van’
frijonds (Mnd) ‘vriend’ 38.6
frodei (Fn) ‘wijsheid’ 31.11
froþs (adj. a) ‘wijs’ 7.4
fruma (comp. num.) ‘eerdere, eerste’ 8.2, 41
frumists (superl. num.) ‘eerste’ 41
fugls (Ma) ‘vogel’ 3.3
fulgins (adj. a) ‘verborgen’ 31.11, 36.3.6.3
fulhsni (Nja) ‘verborgene’
fulljan (zw. 1) ‘vullen’ 16.2, 31.2, 31.14
fullnan (zw. 4) ‘vol worden’ 4.4, 4.7, 37.2.3
fulls (adj. a) ‘vol’ 3.2, 4.4, 31.14, 34.2
fūls (adj.) ‘in ontbinding’ 23.7
ga-: prefix met perfectiverende of collectiverende waarde 37.4.3
gaggan (w.w.) ‘gaan’ 3.2, 4.5
afargaggan (ww.) ‘meegaan’
atgaggan (ww.) ‘heengaan’ 9.1, 9.3
faúrgaggan (ww.) ‘voorbijgaan’
faúrbigaggan (+acc.) ‘(iemand) vooruitgaan’
innatgaggan (ww.) ‘naar binnen gaan’
usgaggan (ww.) ‘uitgaan’ 9.4
-gaírns (adj. a) ‘begerig’ 27
gajuk (Na) ‘paar’ 3.1
gajuko (Fn) ‘gelijkenis’ 9.3
galáubeins (Fi.) ‘geloof’
galeikon (zw. 2 + dat.) ‘lijken op’
galeiks (adj. a) ‘gelijk’ 3.1
Galeilája ‘Galilea’
gaqumþs (Fi) ‘samenkomst’
garaíhts (adj. a) ‘rechtvaardig’
garáiþs (adj. a) ‘geregeld’
gards (Mi) ‘huis’ 27
garuns (Fi) ‘markt’
gaskafts (Fi) ‘schepping’ 31.10.2
gaskohi (Nja) ‘schoeisel’ 37.4.3
gasts (Mi) ‘vreemdeling, gast’ 5.1, 5.2, 5.3, 14.3, 31.1, 31.10.1, 38.1, 38.10
gáumjan + dat. (zw. 1) ‘bemerken’
gawaírþi (Nja) ‘vrede’
gawi (Nja) ‘gauw, omgeving’ 28.4
usgeisnan (zw. 4) ‘zich ontzetten’
giba (Fō) ‘gave, geschenk’ 5.1, 5.2, 5.3, 7.3, 39.1
giban (st. abl. 5) ‘geven’ 3.2, 4.3, 7.4, 3.4.1, 3.4.2, 12.3, 15.2, 15.5, 30.1, 31.1, 31.5.1, 31.5.3, 31.10.2, 36.1, 36.3.5, 37.6.2
usgiban (st. 5) ‘vergelden’
-gifts (Fi) ‘gift’ 31.10.2
gistradagis (adv.) ‘morgen’ 2.3
bigitan (st. abl. 5) ‘vinden, aantreffen’
giutan (st. abl. 2) ‘gieten’ 3.4.1
goþS (adj. a) ‘goed’ 7.4, 9.2, 9.3, 39.1
faírgreipan (st. abl. 1) ‘grijpen’
gretan (st. abl. 7 + red.) ‘wenen, klagen’
gulþ (Na) ‘goud’ 26
guma (Mn) ‘man’ 3.3, 3.4.2, 5.1, 5.2, 5.3, 7.3, 30.2, 38.4
Guþ (Ma) ‘God’ 9.3, 9.4
haban (zw. 3) ‘hebben’ 4.4, 4.7, 9.1, 9.3, 37.2.3, 37.3
hafjan (st. abl. 6) ‘heffen’ 4.3, 31.2, 31.3.1, 36.6.1, 36.3.6.3, 37.2.2, 37.4.1
ushafjan (st. abl. 6) ‘opheffen’
hafts (adj. a + dat.) ‘behept met’ 31.10.1
háhan (red. 6) ‘hangen’ 29.1, 29.3, 36.3.8.2
háihs (adj. a) ‘eenogig’ 3.3
háiljan (zw. 1) ‘helen, genezen’ 35.7
gaháiljan (zw. 1) ‘herstellen, helen’
gaháilnan (zw. 4) ‘beter worden, genezen’
háils (adj. a) ‘gezond, genezen’ 9.1, 9.2, 17.2, 35.7
haírdeis (Mja) ‘herder’ 5.1, 5.3, 7.3, 3.4.2, 9.2, 9.3, 27, 31.5.2, 38.1, 38.2, 39.1
haírto (Nn) ‘hart’ 3.2, 5.1, 5.3, 7.3, 27, 38.4
háitan (red. 1) ‘bevelen’ 3.4.1, 4.2, 4.3, 17.3, 36.1, 36.3.8.2, 37.2.2
atháitan (red. 1) ‘naderbij roepen’
háiþi (Fjō) ‘heide’ 17.1
halbs (adj.a) ‘half’ 31.5.1
haldan (red. 3) ‘hoeden, weiden’ 31.5.2, 36.3.8.1, 36.3.8.2
halja (Fō) ‘hel’ 3.4.2, 5.1, 5.3, 7.3, 38.1, 38.10
[p. 273]
hana (Mn) ‘haan’ 3.2, 3.4.1, 14.1, 38.2, 38.4
handus (Fu) ‘hand’ 2.3, 3.3, 5.1, 5.3, 31.1, 38.10
hardus (adj. u) ‘hard’ 7.2, 7.3, 27, 39.1
harjis (Mja) ‘leger’ 3.4.2, 5.1, 5.3, 7.3, 38.1
háuhjan (zw. 1) ‘verhogen’ 9.4
usháuhjan (zw. 1) ‘verhogen’
háuhs(adj. a) ‘hoog’ 3.3, 18.1, 31.3.3
haúrds (Fi) ‘deur’
haúrn (Na) ‘hoorn’ 27, 31.3.3
haúrnjan (zw. 1) ‘uitbazuinen’ 9.4
háusjan (zw. 1) ‘horen’ 18.4, 37.4.3, 37.6.3
andháusjan (zw. 1) ‘verhoren’
gaháusjan (zw. 1) ‘vernemen, horen’ 37.4.3
hawi (Nja) ‘hooi’ 28.4
hazeins (Fi/ō) ‘lof, loflied’
hazjan (zw. 1) ‘loven, prijzen’ 3.4.1
her (adv.) ‘hier’ 21.1, 21.3
heþjo (Fn) ‘kamer’
hilpan (st. abl. 3) ‘helpen’ 4.3, 16.2, 30.1, 31.10.2, 36.3.3.1
himins (Ma) ‘hemel’
himma daga (adv.) ‘vandaag, heden, op deze dag’ 6.3, 40.4
hindar (vz. + dat. of acc.) ‘achter, aan/naar de andere zijde’
hiri (adv. imper.) ‘kom hier!’ 3.3
hirjats (adv. imper; dual.) ‘kom hier!’ 3.3
hirjiþ (adv. imper.; plur.) ‘kom hier!’ 3.3
hlahjan (st. abl. 6) ‘lachen’ 31.2, 31.3.3, 36.3.6.3
bihlahjan (st. abl. 6) ‘uitlachen’
hláifs (Ma) ‘brood’ 9.3
hláiw (Na) ‘graf’ 3.2, 9.1, 9.3, 28.2
-hláupan (red. 2) ‘springen’ 3.2, 3.3, 18.1, 36.3.8.2
hleiduma (comp.) ‘linker, links’
hleiþra (Fō) ‘tent, hut’ 31.3.3
hlifan (st. abl. 5) ‘stelen’ 3.2
hnáiwjan (zw. 1) ‘vernederen’ 4.4
gahnáiwjan (zw. 1) ‘vernederen’ 9.4
hnáiws (adj. a) ‘nederig’ 4.4
hneiwan (st. abl. 1) ‘zich neigen’ 31.3.3
hors (Ma) ‘hoereerder’ 3.3, 3.4.2
hráins (adj. i/ja) ‘rein’ 3.2, 7.2, 7.3, 31.3.3, 39.1
hráiwadūbo (Fn) ‘tortelduif’ 28.2
ushramjan (zw. 1) ‘kruisigen’
hropjan (zw. 1) ‘roepen’
hulþs (adj. a) ‘genadig’
hund (Na) ‘honderd’ 16.6, 31.10.1
hunsl (Na) ‘offer’ 3.2
-hūs (Na) ‘-huis’ 23.1
huzd (Na) ‘schat’ 3.2
hva (interr. adv.) ‘waarom?’ 40.8
hvairban (st. abl. 3) ‘rondwandelen’ 33.1
hvarjis (pron. interr.) ‘wie’ 6.6
hvas (pron. interr.) ‘wie’ 6.5, 6.6, 9.4, 40.8, 40.10
hvaþar (pron. interr.) ‘wie van beiden’ 40.8
hve (pron. interr. instrum.) ‘waarmee’ 40.8
hveila (Fō) ‘tijd’ 9.1, 31.1
hveits (adj. a) ‘wit’ 3.2, 3.4.1, 9.1, 9.2
hvileiks (pron. interr.) ‘hoedanig’ 40.8
hvopan (red. 5) ‘zich beroemen op’ 4.3, 36.3.8.2
Iaíreiko ‘Jericho’ 9.3
Iakobus ‘Jakobus’
ibái (vw) ‘opdat niet misschien’
ibns (adj. a) ‘even’ 31.5.5
iddja - zie: gaggan
Iesus ‘Jezus’
iggqar (pron. poss.) ‘u beiden toebehorend’ 6.2
ik (pron. pers.) ‘ik’ 6.1, 6.4, 40.1
im - zie: wisan, of: is
in (vz. + gen.) ‘wegens’, (+dat.: rust) ‘in, op’, (+acc.: beweging) ‘in, op’ 9.1, 9.2, 9.3, 9.4
inn (adv.) ‘naar binnen, erin’
insandjan (zw. 1) ‘zenden’ 3.1
inwinds (adj. a) ‘onrechtvaardig’
inwindiþa (Fō) ‘onrechtvaardigheid’
Iohannes ‘Johannes’
is (pron. pers.) ‘hij’ 6.1, 9.1, 9.2, 9.3, 9.4, 31.2, 40.4
itan (st. abl. 5) ‘eten’ 4.3
fra-itan (st. abl. 5) ‘vreten’ 4.3, 36.2
iþ (vw.) ‘maar’, (adv.) ‘toch’ 9.4
iþ sweþaúh (vw) ‘maar’
izwar (pron. poss.) ‘jullie’ 6.2, 9.1, 40.6
izwara - zie: jus (jus (jūs)
izwis- zie: jūs)
jabái (vw.) ‘indien’
jabái jah (vw.) ‘ook al’
[p. 274]
Jaeirus ‘Jaïrus’ 9.1
jah (vw.) ‘en, ook’ 3.2, 3.4.1, 9.1, 9.3, 35.5
jáins (pron. dem.) ‘gene, die’ 31.7, 40.7
jer (Na) ‘jaar’ 3.3, 9.1, 38.6
juggaláuþs (Mi) ‘jongeling’
juk (Na)‘juk’ 3.2, 3.3, 3.4.1, 16.6
jus (jūs) (pron. pers.) ‘jullie’ 9.4, 31.7, 40.1
kannjan (zw. 1) ‘bekend maken’ 12.2, 14.2
kara (Fō) ‘zorg’ 4.4
karon (zw. 2) ‘zich bekommeren om, zich bemoeien met’ 4.4
keinan (st. abl. 1) ‘kiemen’ 4.3, 37.2.2
kiusan (st. abl. 2) ‘beproeven’ 19.5, 31.1, 31.4, 31.11, 31.13.1, 35.7
kniu (Na) ‘knie’ 3.2
Kreks (Ma) ‘Griek’ 3.3
miþanakumbjan (zw. 1) ‘mee aanliggen’ 3.1
kuni (Nja) ‘geslacht’ 5.1, 5.3, 3.4.1, 3.4.2, 38.10
kunnan (prt.-prs. 3) ‘kennen, weten’ 4.5, 37.7.1, 37.7.2
frakunnan (prt. prs. + dat.) ‘verachten’
ufkunnan (prt. prs. 3) ‘bemerken’
kunþs (adj. a) ‘bekend’ 4.5, 37.7.1
kustus (Mu) ‘beproeving’ 31.10.1
laggs (adj. a) ‘lang’ 9.1, 31.5.3, 31.10.1
lagjan (zw. 1) ‘leggen’ 3.2, 31.5.3
galagjan (zw. 1) ‘(neer)leggen’ 9.3
láis (prt. prs. 1) ‘ik weet’ 4.5
láisareis (Mja) ‘leraar’
láistjan (zw. 1) ‘volgen’
lamb (Na) ‘lam’ 3.2, 31.1
laþon (zw. 2) ‘uitnodigen’ 3.2, 3.4.1
galáubjan (zw. 1) ‘geloven’ 18.2
láugnjan (zw. 1) ‘loochenen’ 31.5.5
láun (Na) ‘loon’ 9.1, 9.3
láusjan (zw. 1) ‘losmaken, verlossen’ 18.2
bileiban (st. abl. 1) ‘blijven’ 41
leík (Na) ‘lichaam’
galeikon - zie onder g-
leitils (adj. a) ‘weinig’ 7.4
-leiþan (st. abl. 1) ‘gaan’ 3.4.2, 35.7
galeiþan (st. abl. 1) ‘komen, gaan’
usleiþan (st. abl. 1) ‘uit-, weggaan’
lekeis (Mja) ‘arts’
letan (st. abl. 7 + red.) ‘laten’ 3.3, 4.2, 4.3, 21.3, 36.1, 36.2, 36.3.8.1, 37.2.2
afletan (st. abl. red. 7 + dat. van de persoon) ‘vergeven’ 9.3
fraletan (st. abl. 7 + red.) ‘toelaten’
liban (zw. 3) ‘leven’
ligan (st. abl. 5) ‘liggen’ 36.3.5
lisan (st. abl. 5) ‘lezen, verzamelen’ 17.4
liuba- vgl. liubaleiks (adj. a) ‘liefelijk’ 31.5.5, 31.10.1
liugan (st. abl. 2) ‘liegen’ 31.5.3
liuhaþ (Na) ‘licht’ 3.3
fraliusan (st. abl. 2) ‘verliezen’ 4.4
liuta (Mn) ‘huichelaar’
luftus (u) (overgeleverd: luftu, luftáus, luftáu) ‘lucht’
-lūkan (st. abl. 2) ‘sluiten’ 4.3, 36.1, 36.3.2.2
galūkan (st. abl. 2; + dat.) ‘sluiten’
fralusnan (zw. 4) ‘verloren gaan’ 4.4
magan (prt. prs.) ‘kunnen’ 3.4.1, 4.5, 37.7.2
magus(Mu) ‘knaap’ 31.1
mahts (Fi) ‘macht, kracht’
máis (adv. compar.) ‘meer’
máists (superl.) ‘grootst’ 7.4
máiþms (znw.) ‘geschenk’ 3.3
máiza (compar.) ‘groter’ 3.4.2, 7.4
managei (Fn) ‘menigte’ 5.1, 5.3, 7.4, 38.4
manags (adj. a) ‘veel’ 3.1, 7.4
manna (M wortelnomen) ‘mens’ (manna ni ‘niemand’) 3.2, 5.3, 6.6, 9.4, 38.6
mannahun, in: ni mannahun ‘niemand’ 6.6
mannisks (adj. a) ‘menselijk’ 38.4, 39.1
marei (Fn) ‘zee’ 3.2, 3.4.1
Marja so Iakobis ‘Maria de (moeder) van Jakobus’
Marja so Magdalene ‘Maria Magdalena’
marka (Fō) ‘mark, grens’ 27
marzjan (zw. 1) ‘ergeren’ 3.2, 34.3
matjan (zw. 1) ‘eten’
mats (Mi) ‘voedsel’ 38.1, 38.10
maúrþr (Na) ‘moord’ 16.6
mawi (Fjō) ‘meisje’ 31.2
mawilo (Fn) ‘meisje’
meins (pron. poss.) ‘mijn’ 6.2, 40.6
merjan (zw. 1) ‘verkondigen’ 3.2
midjis (adj. a) ‘midden’ 7.2, 7.3, 15.5, 31.5.2, 31.10.1, 39.1
mikils (adj. a) ‘groot’ 7.4, 31.2
[p. 275]
miluks (F wortelnomen) ‘melk’ 12.3
minnists (superl.) ‘kleinste, geringste’ 7.4
minniza (compar.) ‘kleiner, geringer’ 7.4
missadeþs (Fi) ‘zonde, misdaad’
misso (adv.) ‘wederzijds, elkaar’ (sis misso: elkaar)
miþ (vz. + dat.) ‘met, bij, onder’, (adv.) ‘mede’
miþþanei (vw) ‘terwijl’ 9.3
mizdo (Fn) ‘loon’ 9.3, 21.1
gamotan (prt. prs. 6) ‘ruimte vinden’ 4.5, 37.7.2
motareis (Mja) ‘tollenaar’
munan (prt. prs. 4) ‘menen’ 4.5
binah (prt. prs.) ‘het is nodig’ 4.5
ganah (met acc.) ‘het is (voor iemand) genoeg’ 4.5
nahts (F wortelnomen) (dat. plur. nahtam) ‘nacht’ 3.2, 3.4.1
namo (Nn) ‘naam’ 9.1, 9.2, 9.4
naqaþs (adj. a) ‘naakt’ 3.2
nasjan (zw. 1) ‘redden’ 4.1, 4.2, 4.4, 4.5, 4.7, 31.5.6, 31.13.1, 37.2.3, 37.4.3, 37.6.3, 37.6.5
ganasjan (zw. 1) ‘redden’
nasjands (Mnd) ‘redder’ 5.1, 5.3, 7.4, 37.4.2
naúh (adv.) ‘nog’ 31.3.3
naúhþanuh (adv.) ‘nog’ 9.1
Nazoráius ‘Nazarener’
nehva (vz. + dat.) ‘nabij’ 9.3
neþla(Fō) ‘naald’ 33.2
ni (adv.) ‘niet’ 9.1, 9.3, 9.4
nibái (vw) ‘behalve’
nih (adv.) ‘noch, zelfs niet’ 3.3, 9.3
niman (st. abl. 4) ‘nemen’ 3.3, 4.2, 4.3, 4.5, 4.7, 12.3, 16.2, 30.1, 36.1, 36.3.4, 37.4.3, 37.5, 37.6.2, 37.6.3, 37.7.1, 37.7.2
andniman (st. abl. 4) ‘aannemen, ontvangen’ 3.1
ganiman (st. abl. 4) ‘medenemen’
-nisan (st. abl. 5) ‘genezen’ 31.5.6, 31.13.1, 37.2.3
ganisan (st. ald. 5) ‘genezen; gered worden’
niu = ni (negatie) + u (vraagpartikel) - ‘niet’ (in vragen) 9.3, 9.4
niun (num.) ‘negen’ 8.1
niunda (num.) ‘negende’ 8.2
niutan (st. abl. 2) ‘treffen, bereiken’ 38.4
nu (adv.) ‘nu’ 23.1
ogan (prt. prs. 6 + dat. refl.) ‘vrezen’ 3.3, 4.5
páida (Fō) ‘onderkleed’ 3.2, 3.4.1, 31.1
Paítrus ‘Petrus’ 3.3
Peilatus ‘Pilatus’ 3.3, 3.4.1
plapja (Fjō) ‘straat’
praúfetus (znw.) ‘profeet’ 3.1
pund (Na) ‘pond’ 31.4
-qaírnus (F?u) ‘molen, kweern’ 27
qiman (st. abl. 4) ‘komen’ 31.1, 31.4, 31.10.1, 36.3.4
fraqiman (m. dat.) ‘uitgeven’
gaqiman (st. abl. 4; refl.) ‘bijeenkomen’
qino (Fn) ‘vrouw’ 3.2, 3.4.1, 9.1
qiþan (st. abl. 5) ‘zeggen’ 3.2, 9.1, 9.3
-qiujan (zw. 1) ‘levend maken’ 4.3.2
raíhtis (adv.) ‘namelijk, toch’
-raíhtjan (zw. 1) ‘richten’ 15.2
rasta (Fō) ‘mijl’ 33.1
raþjo (Fn) ‘getal’ 5.1
ráuþs (adj. a) ‘rood’ 18.4
reiks (M wortelnomen) ‘heerser, overheidspersoon’ 5.3
reiran (zw. 3) ‘sidderen, trillen, beven’
reiro (Fn) ‘siddering’
rinnan (st. abl. 3) ‘rennen, lopen’ 31.2, 31.14
urrinnan (st. abl. 3) ‘opgaan’ 9.1
riqis (Na) ‘duisternis’ 3.2, 3.4.1
rodjan (zw. 1) ‘spreken’ 9.1
runs (M(i)) ‘loop, verloop’ 9.1
sa (pron. dem.) ‘die, de’ 6.3, 9.1, 9.2, 9.3, 39.1, 40.7, 40.9
sabbato (gen. sabbatáus, sabbate) ‘sabbat’
saei (pron. rel.) ‘(hij) die’ 6.4, 9.4
saggws (Mi) ‘zang’ 3.2, 31.10.1
sah (pron. dem.) ‘juist die’ 9.4
sahvazuh saei (pron. indef. + pron. rel.) ‘alwie’
sái (tussenwerpsel) ‘zie’
sáían (st. abl. 7 + red.) ‘zaaien’ 3.3, 4.3, 20.1, 36.3.7
saíhs (num.) ‘zes’ 8.1, 15.2, 15.5
saíhsta (num.) ‘zesde’ 8.2
saíhvan (st. abl. 5) ‘zien’ 3.2, 3.3, 4.3, 9.1, 9.4, 29.3, 31.3.4, 31.5.4, 31.10.1, 36.3.5, 37.6.2
atsaíhvan (st. abl. 5) ‘erop toezien’
[p. 276]
gasaíhvan (st. abl. 5) ‘zien’
insaíhvan (st. abl. 5) ‘opkijken’
ussaíhvan (st. abl. 5) ‘ziende worden’
-sáiljan (zw. 1) ‘met een touw vastbinden’ 35.7
sáir (Na) ‘pijn’ 17.1
sáiwala (Fō) ‘ziel’ 3.2, 38.4
sáiws (M) ‘meer’ 17.1, 28.2
salbon (zw. 2) ‘zalven’ 3.3, 4.4, 4.7, 37.2.3
gasalbon (zw. 2) ‘zalven’
Salome ‘Salome’
salt (Na) ‘zout’ 26, 31.3.5
sandjan (zw. 1) ‘zenden’ 37.6.2
Saúlaúmon ‘Salomo’ 9.3
seins (pron. poss.) ‘zijn/haar (eigen)’ 6.2, 9.3, 40.4, 40.5
-seþs (Fi) ‘zaad’ 20.1, 20.4
sibja (Fjō) ‘verwantschap’ 31.5.1
sibun (num.) ‘zeven’ 8.1
sibuntehund (num.) ‘zeventig’ 8.1, 41
siggwan (st. abl. 3) ‘zingen, reciteren’ 31.2, 31.5.4, 35.4, 35.5
sigljo (Nn) ‘zegel’ 5.1
sigqan (st. abl. 3) ‘zinken’ 3.2, 31.4
sik (pron. refl. acc.) ‘zich’ 6.1, 9.3, 9.4
silba (pron. dem.) ‘zelf’ 9.4, 40.7
sineigs (adj. a) ‘oud’ 7.4
sinista (superl. van sineigs) ‘oudste’ 7.4
sinteino (adv.) ‘altijd, dagelijks’
sinteins (adj. a) ‘dagelijks’ 9.3
sinþs (Ma) ‘keer’
siponeis (Mja) ‘leerling’
sitan (st. abl. 5) ‘zitten’ 3.4.1, 36.3.5
dissitan (st. abl. 5) ‘bezit nemen van’
-skadwjan (zw. 1) ‘beschaduwen’ 3.2
-skafts - zie: gaskafts 31.10.2
skáidan (red. 1) ‘scheiden’ 4.3
-skapjan (st. abl. 6) ‘scheppen’ 31.10.1, 31.10.2, 36.3.6.3
skeinan (st. abl. 1) ‘schijnen, lichten’ 3.2
gaskeirjan (zw. 1) ‘verklaren, uitleggen’
skeirs (adj. a of ja) ‘helder, duidelijk’ 3.3, 22.1
skip (Na) ‘schip’
-skiuban (st. abl. 2) ‘schuiven’ 31.5.5
skohs (Ma) ‘schoen’ 31.3.5, 31.4, 38.9
skula (Mn) ‘schuldenaar’ 9.3
skulan (prt. prs. 4) ‘schuldig zijn, moeten’ 4.5, 37.7.2
skulds (part. praet., adj.) ‘schuldig’ 4.5, 26
slahan (st. abl. 6) ‘slaan’ 4.3, 31.3.5, 31.13.1, 37.6.2
slahs Mi ‘slag, kwaal’
slepan (red. 4) ‘slapen’ 4.3, 36.3.8.1, 36.3.8.2
-smeitan (st. abl. 1) ‘strijken’ 31.3.5
snáiws (M) ‘sneeuw’ 3.2, 31.5.4
sneiþan (st. abl. 1) ‘snijden, oogsten’ 31.3.5
sokjan (zw. 1) ‘zoeken’ 4.7, 24.1, 31.2, 37.6.2
spaíkulatur ‘opziener’ 3.3
speiwan (st. abl. 1) ‘spuwen’ 25.1, 28.2, 31.3.5, 31.10.1
spráuto (adv.) ‘snel, spoedig’
stáins (Ma) ‘steen’ 3.3, 9.3, 9.4, 17.1, 17.3
gastaldan (red. 3) ‘verdwenen’ 4.3
standan (st. abl. 6) ‘staan’ 4.3, 30.2, 31.3.5, 31.10.1, 36.3.6.1, 37.2.2
gastandan (st. abl. 6) ‘blijven staan, halt houden’
staþs (Mi) ‘plaats, plek’
stáúa (Fō) ‘gericht’ 3.3, 24.1
stáúa (Mn) ‘rechter’ 3.3, 24.1
stáutan (red. 2) ‘stoten’ 3.4.1., 18.1, 35.7
steigan (st. abl. 1) ‘stijgen’ 3.2, 3.4.1, 3.4.2, 4.3, 15.2, 15.5, 31.10.1, 36.1, 36.3.1, 37.2.2
stilan (st. abl. 4) ‘stelen’ 3.2, 4.3
stiurjan (zw. 1) ‘opstellen, doen gelden, beweren’ 19.2
stojan (zw. 1) ‘richten, rechtspreken over’ 24.1
sums (pron. indef. sterk a) ‘een of ander, sommig’
sunja (Fjō) ‘waarheid’ 4.4
sunjon (zw. 2) ‘verontschuldigen’ 4.4
sunno (Nn) ‘zon’ 9.1
suns (adv.) ‘spoedig’
sunsáiw (adv.) ‘dadelijk, onmiddellijk’ 9.1
sunus (Mu) ‘zoon’ 3.2, 3.4.1, 5.1, 5.2, 5.3, 16.2, 38.10
swa (adv.) ‘zo’
swaíhra (Mn) ‘schoonvader’ 3.2
swaleiks (pron. dem. sterk, adj. a) ‘zodanig’ 40.7
[p. 277]
swaran (st. abl. 6) ‘zweren’ 31.3.5, 36.3.6.3
swaswe (vw) ‘zoals’ 9.3
swe (vw) ‘zoals’ 9.3
swein (Na) ‘zwijn’ 22.1, 22.5
sweþaúh - zie: iþ sweþaúh
gaswiltan (st. abl. 3) ‘sterven’ 9.4
swistar (Fr) ‘zuster’ 3.2, 5.1, 5.3, 25.1
swnagogafaþs (Mi) ‘overste van de synagoge’
tagl (Na) ‘haar’ 3.3
taíhswa (adj. a zwak) ‘rechter’ (in: taíhswái ‘aan de rechterkant’
taíhun (num.) ‘tien’ 3.2, 3.3, 8.1, 31.1
taíhunda (num.) ‘tiende’ 8.2
taíhuntaíhund (num.) ‘honderd’ 8.1
táiknjan (zw. 1) ‘tonen’ 4.4
táikns (Fi) ‘teken’ 3.3, 4.4, 31.4
-taíran (st. abl. 4) ‘scheuren’ 27
taleiþa kumei (Aramees), ‘meisje, sta op’
-tamjan (zw. 1) ‘(be)heersen, (be)dwingen’ 3.2
táujan (zw. 1) ‘doen, maken, handelen’ 3.4.2, 9.1, 28.4
-teihan (st. abl. 1) ‘(ver)kondigen’ 22.5, 29.3, 36.3.1
gateihan (st. abl. 1) ‘verkondigen’ 4.3
tekan (st. abl. 7 + red. + dat.) ‘aanraken’ 30.2, 36.3.7
attekan (st. abl. 7 + red. + dat.) ‘aanraken’ 9.1
tiuhan (st. abl. 2) ‘trekken, voeren’ 3.3, 4.3, 19.5, 29.3, 31.10.1, 36.3.2.1
tráúan (zw. 3 + dat.) ‘vertrouwen’
triggws (adj. a) ‘trouw’ 3.2
triu (Na) ‘boom’ 3.2, 3.4.1
trudan (st. abl. 4) ‘treden’ 4.3, 36.3.4
tuggo (Fn) ‘tong’ 3.4.1, 5.1, 5.3, 12.3, 38.2, 38.4
tunþus (Mu) ‘tand’ 31.3.2
twa hunda (num.) ‘tweehonderd’ 8.1
twái (num.) ‘twee’ 8.1, 9.4
twái tigjus (num.) ‘twee tientallen, twintig’ 8.1, 41
twalif (num.: gen. twalibe) ‘twaalf’ 8.1, 9.1, 41
twos þūsundjos (num.) ‘tweeduizend’ 8.1
þagkjan (onregelm. zwak) ‘denken, overdenken’ 3.3, 4.2, 4.5, 29.1, 31.10.2, 37.7.1, 37.7.2
þahan (zw. 3) ‘zwijgen’
þamma - zie: sa
þan (vw. + opt.) ‘wanneer’; (bw.) ‘dan’
þanamáis (adv.) ‘verder, nog, meer’
-þarban (zw. 3) ‘zich onthouden’ 27, 31.5.1
þarei (adv.) ‘waar’
þaruh (adv.) ‘daar, toen’
þatáinei (adv.) ‘alleen, slechts’
þatei (vw) ‘dat’ (heeft vaak de waarde van een dubbele punt) 9.3
þáu (vw.) ‘dan’ (na compar.); ni þáu (adv.) ‘ook niet’
þaúrban (prt. prs. 3) ‘nodig hebben’ 4.5, 9.1, 37.7.2
þaúrfts (adj. a) ‘nodig’ 33.1
gaþaúrsnan (zw. 4) ‘ver-, uitdrogen’ 9.1
þaúrstei (Fn) ‘dorst’ 27
gaþeihan (st. abl. 1) ‘naar voren komen’ 29.3
þeins (pron. poss.) ‘jouw’ 6.2, 9.2, 9.4
þiuda (Fō) ‘volk’
þiudangardi (Fjō) ‘koninkrijk’
þiudinassus (Mu) ‘koninkrijk’
þiudisks (adj.) ‘heidens’; þiudisko (adv.) ‘heidens’ 19.2
þiufs (Ma) ‘dief’ 3.2, 3.4.1
þius (Ma) ‘dienaar, bediende’ 3.4.2
-þláihan (red. 1) ‘aansporen, troosten’ 29.3
þliuhan (st. abl. 2) ‘vlieden’ 3.2
gaþliuhan (st. abl. 2) ‘op de vlucht slaan’
þreihan (st. abl. 1) ‘dringen, aandringen op’ 29.1, 31.13.2
þreis (num.) ‘drie’ 3.2, 8.1, 31.3.2, 31.5.2, 31.10.1
þridja (num.) ‘derde’ 8.2, 41
þriskan (st. abl. 3) ‘dorsen’ 4.3, 36.1, 36.3.3.3
usþriutan (st. abl. 2 + dat.) ‘lastigvallen’
þu (pron. pcrs.) ‘jij’ 6.1, 6.4, 9.1, 9.4, 40.1
þugkjan (onregelm. zw. + dat.) ‘dunken’ 4.5, 29.1, 37.7.1
gaþulan (zw. 3) ‘lijden, verdragen’
þūsundi (Fjō) ‘duizend’ 8.1
þwahan (st. abl. 6) ‘wassen’ 31.3.3, 37.6.2
ubils (adj. a) ‘kwaad, slecht’ 7.4, 16.2, 25.2
[p. 278]
ufar (vz. + dat.) ‘over, boven’
-uh (part. enclitisch bij het eerste woord van de zin) ‘en’ 3.3, 6.3, 6.6
und (vz. + acc.) ‘tot (op)’ 6.3, 40.4
und andi ‘tenslotte’
und filu máis ‘zoveel te meer’
unsar (pron. poss.) ‘onze’ 6.2, 9.3, 40.6
unte (vw) ‘want’
unwiss (adj.) ‘onzeker’ 31.3.5
urráisjan (zw. 1) ‘opwekken’
urreisan (st. abl. 1) ‘opstaan’ 3.3
us (vz. + dat.) ‘uit’
usfilmei (Fn) ‘ontzetting’
usgrudja (adj. zwak) ‘moedeloos’
usskáus (adj.) ‘voorzichtig’ 18.1
ūta (adv.) ‘buiten’ 3.4.1
wahsjan (st. abl. 6) ‘wassen, groeien’ 4.3, 31.3.3, 36.3.6.1,
wái (interj.) ‘wee’ 17.1
biwáibjan (zw. 1) ‘omkleden’ 9.1, 9.2
wáifaírhvjan - zie onder faírhvjan
waíhsta (Mn) ‘hoek’
waíhts (Fi) ‘ding, zaak, iets.’ - in: ni waíhtái ‘in niets’ 9.1, 40.10
waír (Ma) ‘man’ 3.2, 3.4.1, 3.4.2, 15.5
waírpan (st. abl. 3) ‘werpen’ 3.3, 4.3, 27
uswaírpan (st. abl. 3) ‘uitwerpen’ (+ dat)
waírs (adv. compar.) ‘slechter’
waírsiza (compar.) ‘slechter’ 7.4
waírþan (st. abl. 3) ‘worden, geschieden’ 3.4.2
frawaírþan (st. abl. 3) ‘te gronde gaan’ 31.11
gawaljan (zw. 1) ‘uitverkiezen’
afwalwjan (zw. 1) ‘wegwentelen’ 9.4
atwalwjan (zw. 1) ‘erheen rollen’ 9.3
wandjan (zw. 1) ‘wenden’ 14.1, 31.2
gawandjan (zw. 1) ‘wenden’
frawardjan (zw. 1) ‘te gronde richten’ 31.11
warjan (zw. 1) ‘weren’
wasjan (zw. 1) ‘kleden’ 3.4.1
gawasjan (zw. 1 + dat.) ‘bekleden met’ 9.3
wato (Nn) ‘water’ 3.4.1
wasti (Fjō) ‘kleed’ 9.1, 9.2
waúrd (Na) ‘woord’ 5.1, 5.3, 7.3, 27, 31.5.2, 38.6
andwaúrdjan (zw. 1) ‘antwoorden’ 11
filuwaúrdjan (zw. 1) ‘veel woorden gebruiken’
waúrkjan (onregelm. zw.) ‘werken, maken’ 4.5, 37.7.1
waúrms (M) ‘worm, slang’ 3.3, 27
waúrstw (Na) ‘werk’ 3.2
waúrstwja (Mn) ‘arbeider’ 3.2
weihnan (zw. 4) ‘geheiligd worden’ 9.4
weihs (adj. a) ‘heilig’ 9.2, 39.1
wein (Na) ‘wijn’ 22.1
weis (pron. pers.) ‘wij’ 9.3, 40.1
fraweitan (st. abl. 1) ‘wreken’
wens (Fi) ‘hoop’ 14.1
widuwo (Fn) ‘weduwe’ 15.5
wigs (Ma) ‘weg’
wilja (Mn), ‘wil’ 38.8
wiljan (onregelm. ww.) (willen) 4.5, 37.8.3
wilþeis (adj. ja) ‘wild’ 7.2, 39.1
wilwa (Mn) ‘rover’
wisan (st. abl. 5) ‘zijn’ 4.6, 9.1, 9.2, 9.3, 9.4, 17.4, 31.3.5, 37.8.2
inwisan (st. abl. 5) ‘voorbij zijn.’
witan (prt. prs. 1) ‘weten’ 4.5, 17.4, 31.2, 31.10.1, 31.10.2, 31.14, 37.7.1, 37.7.2
wláiton (zw. 2) ‘omkijken’
wlits (M) ‘(aan)gezicht, gelaat’ 3.2
wopjan (zw. 1) ‘roepen’ 9.3
wrikan (st. abl. 5) ‘vervolgen’ 4.3, 36.3.4
gawrikan (st. abl. 5) ‘wreken’ 9.3, 19.4
wulþus (Mu) ‘heerlijkheid’
wunds (adj. a) ‘verwond’ 16.2

Grieks

(a)kouein ‘horen’ 18.4
(he)katon ‘honderd’ 31.10.1
(korak)īnos ‘jonge raaf’ 22.5
(ti)thēmi ‘ik plaats’ 20.4
agros ‘akker’ 14.4
aiōn ‘leven, tijd’ 17.5
auksanein ‘vermeerderen’ 18.4
deik(nūmi) ‘ik wijs’ 22.5
ethos ‘zede’ 15.5
geuomai ‘proeven’ 19.5
grūmea ‘restje’ 23.7
kleptō ‘ik steel’ 30.1
krōpion ‘sikkel’ 31.10.1
[p. 279]
lukos ‘wolf’ 38.1
mūs ‘muis’ 23.7
oida ‘ik weet’ 37.7.1
oinos ‘één op de dobbelsteen’ 17.5
oktō ‘acht’ 14.4
patēr ‘vader’ 11, 14.4
pempō ‘ik zend’ 30.1
pherō ‘ik draag’ 30.1
phōr ‘dief’ 30.2
phoreō ‘dragen’ 30.2
phrātēr ‘lid van een broederschap’ 11, 24.3
pūon ‘etter’ 23.7
strephō ‘ik draai’ 30.1

Latijn

Catō 39.1
Graecus ‘Griek’ 21.2
aevum ‘tijd’ 17.5
ager ‘akker’ 14.4
augēre ‘vermeerderen’ 18.4
beta ‘biet’ 21.2
bonus ‘goed’ 39.1
breve ‘(kort) schrijven’ 21.2
campio ‘vechter’ 23.2
capere ‘pakken, vangen’ 36.3.6.1, 37.4.1
capiō ‘ik vang’ 37.4.1
captus ‘gevangen’ 31.10.1
carpere ‘plukken’ 31.10.1
cāseus ‘kaas’ 20.3
catus ‘geslepen’ 39.1
caupo ‘marskramer’ 31.10.2
centum ‘honderd’ 16.6, 31.10.1
cepi ‘ik heb gevangen’ 36.3.6.1
claustrum ‘kluister’ 23.2
clōstrum ‘kluister’ 23.2
coepi ‘ik begin’ 37.7.1
corōna ‘krans’ 23.2
crēta ‘krijt’ 21.2, 22.1, 23.2
dicere ‘zeggen’ 22.5
dominus ‘heer’ 39.1
ducere ‘trekken’ 19.5, 31.10.1
est ‘is’ 39.1
facere ‘maken’ 31.10.1
feci ‘ik heb gemaakt’ 20.4
fenestra ‘venster’ 14.2
fēriāri ‘vieren’ 21.2
fero ‘ik draag’ 30.2
ferre ‘brengen’ 31.10.1
fingere ‘zich verbeelden’ 14.2
flōs ‘bloem 24.3
fors 30.2
frāter ‘broeder’ 24.3, 31.11
grūmus ‘aardheuvel’ 23.7
gustus ‘smaak’ 31.10.1
homo ‘mens’ 38.1
hostis ‘vijand’ 31.10.1
iugum ‘juk’ 16.6
libet ‘het lust (mij)’ 31.10.1
longus ‘lang’ 31.10.1
lupus ‘wolf’ 38.1
mancus ‘verminkt’ 14.2
medius ‘midden’ 15.5, 31.10.1
memini ‘ik herinner me’ 37.7.1
mensa ‘tafel’ 38.1
mors ‘dood’ 16.6
mūlus ‘muildier’ 23.2
mūrus ‘muur’ 23.2
mūs ‘muis’ 23.7
nidus ‘nest’ 15.5
nōvi ‘ik ken’ 37.7.1
octō ‘acht’ 14.4, 31.10.1
ōdi ‘ik haat’ 37.7.1
offendimentum ‘kinband aan muts’ 15.5
pangere ‘vastslaan, vaststellen’ 29.1
pater ‘vader’ 14.4, 31.10.1, 31.11
pecu ‘vee’ 38.1
pensāre ‘overwegen’ 14.2
piscis ‘vis’ 31.10.1
plēnus ‘vol’ 31.14
plūma ‘veer’ 23.2
poena ‘straf’ 21.2
prō ‘voor’ 41
pūs ‘etter’ 23.7
puteus ‘put’ 25.2
regula ‘regel’ 21.2
rūfus ‘rood’ 18.4
rumpo ‘breken’ 37.2.2
rūpi ‘ik heb gebroken’ 37.2.2
rūta ‘ruit’ 35.7
saeda ‘zijde’ 21.2
scabere ‘krabben’ 31.10.1
sēmen ‘zaad’ 20.4
sequi ‘volgen’ 31.10.1
sex ‘zes’ 15.5
sitis ‘dorst’ 38.1
spegulum ‘spiegel’ 21.2
spuere ‘spuwen’ 31.10.1
stāre ‘staan’ 30.2, 31.10.1, 36.3.6.1
status ‘stand’ 30.2, 36.3.6.1
[p. 280]
suīnus (adj.) ‘van het zwijn’ 22.5
tegula ‘dakpan’ 31.5.5
tenuis ‘dun, fijn,’ 31.14
tongēre ‘leren kennen’ 29.1
trēs ‘drie’ 31.10.1
ūnus ‘een’ 17.5
venīre ‘komen’ 31.10.1
vidēre ‘zien’ 37.7.1
vidua ‘weduwe’ 15.5
vīnum ‘wijn’ 22.1
vir ‘man’ 15.5

Litouws

kerpù ‘met een schaar snijden’ 31.10.1
pìlnas ‘vol’ 31.14
šim͂tas ‘honderd’ 16.6, 31.10.1
sniêgas ‘sneeuw’ 31.5.4
trenkiù ‘met kracht stoten’ 29.1

Middelnederlands

Blode ‘laf, bleu’ 39.3
bluwen ‘slaan’ 28.3, 28.5
(ter)curen ‘in hoge mate’ 23.3
dennen (stoff. bnw.) 14.3
diepe ‘diepte’ 12.3, 38.4
dijn ‘jouw’ 10.5
dorren ‘durven’ 37.7.1
du 22.3, 40.2, 40.3
dwaen ‘wassen, reinigen’ 31.3.3, 36.3.6.3., 37.6.2
erien ‘ploegen’ 31.2
ger(u)wen ‘tooien, looien’ 28.6
gheneren ‘in het leven houden’ 31.5.6, 31.13.1, 33.1, 37.2.3
ghereeden ‘gereed maken’ 17.3, 17.4
ghunt (dem.) 39.2
hane ‘haan’ 38.2
herde ‘herder’ 38.2, 38.8.1
hoghe ‘hoogte’ 38.4
labure ‘werk’ 23.3
leder ‘trap’ 31.3.3
liden ‘gaan’ 35.7, 37.4.3
mekel ‘groot’ 31.2
merren ‘talmen’ 34.3
miede ‘loon’ 21.1
nisten ‘nestelen’ 15.5
nochtoe ‘toen nog’ 34.4
onnen ‘gunnen’ 37.7.1, 37.7.2
ors ‘paard’ 33.1
oude ‘ouderdom’ 38.4
prenden ‘nemen’ 37.3
ree, reeuw ‘lijk’ 28.2
rinnen ‘stromen, rennen’ 31.14
roeken ‘geven om’ 37.7.1
sibbe ‘verwantschap’ 31.5.1
standen ‘staan’ 36.3.6.3
tien ‘trekken’ 29.3, 31.13.1
treken ‘trekken’ 36.3.4
u 40.3
vlaen ‘villen’ 36.3.6.3
vruchten ‘vrezen’ 10.5
ware ‘zorg’ 11
weder ‘wie van beiden’ 40.8

Nederlands

A 31.3.4
Adelbert 33.1
Baarn 33.1
Christus 33.1
Denderleeuw 28.2
Edam 29.3
Ee 31.3.4
Gooi 28.4
's-Gravenhage 38.4
Griek 21.2
Haamstede 17.3
Heemstede 17.3
Heiligerlee 28.2
Hendrik 31.9
s-Herenberg 38.4
s-Hertogenbosch 38.4
Hoge Rijndijk 11
IJ 31.3.4
Ie 31.3.4
Jood 16.2
Kaag 18.2
Keizersgracht 31.3.1
Kerst 33.1
Koog 18.2
Krommenie 29.3
Loevestein 17.3
Mekkelhorst 31.2
[p. 281]
Nieuwersluis 39.2
Nijkerk 28.3
Oldebroek 26
Oldehove 26
Oosterwolde 26
Pekela 29.3
Petten 10.3, 25.2
Schelde 38.10
Schiermonnikoog 22.1
Schouwen 38.10
Uwe Edelheid 40.2
Viestraat 29.3
Weteringschans 11
Woldberg 26
Zeeuwen 28.2
aalmoes 38.9
aan 38.2
aanhoudend 11
aanstalten 26
aard 12.3
aarde 12.3, 27
acht 31.3.3
-achtig 14.1
achter 31.3.1
achtste 41
af 31.3.1
afdoen 34.4
agente 12.3
akerboom ‘eikeboom’ 31.2
akker 31.2
altaar 26
amandelen 33.4
amechtig 14.1
ander 33.4, 39.1,41
anderhalf 41
antwoord 11
antwoorden 11
appel 38.5
arbeidzaam 11
arm 27
baak 38.9
baar: zie draagbaar
bakker 38.5
bal 14.2
banaan 10.2
baren 27, 30.2
bed 35.8, 38.4
bede 35.8,