begin  verder
[p. V]

Voorrede.

Het dagverhaal mijner reis en oponthoud in de kolonie Suriname, was niet voor de pers bestemd; en te vergeefs zoude men daarin eene beschrijving dier kolonie zoeken, het is zoo min voor geleerden geschreven, als dat het aanspraak maakt, om in eene boekenkamer te pronken; het zijn de waarnemingen, zoo als ik die ter plaatse zelve deed en mogen als zoodanig tot eene bijdrage verstrekken ter nadere kennis dier volkplanting, terwijl het hier en daar nuttige wenken bevat en zoo ik hoop een aan genaam onderhoud verschaffen zal.

Het was op raad van eenen vriend, dat ik tot de uitgave besloot, en dit voornamelijk, om eenig nader licht te verspreiden omtrent den toestand en de behandeling der slaven; immers de berigten en oordeelvellingen, welke men, vooral in den laatsten tijd, daaromtrent in brochures en dagbladen verspreidt, loopen geheel uiteen en getuigen van eenzijdigheid en vooroordeelen. Blijkbaar zijn de meeste dezer schriften ternedergesteld door schrijvers, die van hooren zeggen hunne bespiegelingen

[p. VI]

afleiden; die nimmer in de kolonie zich ophielden en alzoo daarover niet altijd met grond eenig oordeel kunnen vellen.

Het zij echter verre van mij, dat ik den slavenhandel zou willen verdedigen of begunstigen; maar ik misprijs het valsch en overdreven licht, waarin men den toestand der slaven in onze koloniën plaats. Overdrijving is altijd eener goede zaak nadeelig, en doet aan de waarheid te kort. Ik heb uit eigen oogen gezien en de behandeling der slaven met onpartijdigheid gadegeslagen. Liefde tot de waarheid, beschouw ik in deze als mijnen eersten pligt, en heb ik mij steeds voor oogen gehouden.

Daar het den lezer onverschillig zal zijn en ter zake niets afdoet, heb ik mijnen naam weggelaten en zal uit bescheidenheid, ook die van anderen, hierin voorkomende, niet noemen.

 begin  verder