terug  begin  verderprepost

Na zijn breuk met Busken Huet toonde Ten Brink toch weer een zekere toenadering. In het Zondagsblad van het Nieuws van den Dag van 8 juli 1877 plaatste hij een artikel Immortellen voor Potgieter naar aanleiding van Huets Potgieter 1860-1875, Persoonlijke herinneringen, dat bij de uitgever G.L. Funke in 1877 was verschenen. Ten Brink schrijft daarin: ‘In zeer vele opzichten is het mij dikwijls moeilijk den grooten en geestigen schrijver in Cd. Busken Huet te waardeeren - en ik kan mij best voorstellen, hoe deze zelf zich haasten zou, toe te geven, als ik de vrijmoedige gissing waagde, dat mijne waardeering hem zelfs niet aan zijne koude kleêren raakte. Wat mij afstoot zeide ik vroeger op deze plaats - wat mij thans aantrekt in zijn ‘Potgieter’ wensch ik heden met een kort woord er bij te voegen’. Het stuk, dat overigens vooral over Potgieter en Ten Brinks eigen herinneringen gaat, haalt uit Huets geschrift enige persoonsbeschrijvingen aan.

In het Zondagsblad van 28 oktober en 11 november wijdde Ten Brink twee uitvoerige, zeer lovende hoofdartikelen aan Huets Oude romans. ‘Zijn jongste werk ‘Oude romans’ is een der vruchtbaarste bijdragen tot de kennis der buitenlandsche letteren, die sints jaren ten onzent het licht zagen.’

Busken Huet reageerde op deze bespreking met een brief van 18 november 1877 aan Ten Brink aldus:

‘Waarde Heer Ten Brink. Aangemoedigd door uwe meer dan heusche beoordeeling mijner Oude Romans in het Zondagsblad van het Nieuws van den Dag, - mij toegezonden door den uitgever, - kom ik U uitnoodigen mij uwe hulp te verleenen voor het bereiken van een liefdadig doel.’ [Er volgt dan een mededeling over de bundel van Ds. Berman, genoemd in de brief van 5 maart]. (Brieven II, blz. 37). Natuurlijk hielp Ten Brink met een bijdrage en een geregelde correspondentie van

[p. 57]

Huet met Loman en een evenzo geregelde, ietwat overdreven beleefde briefwisseling met Ten Brink is het gevolg.

50

Amice!

Van B.H. hoor ik met genoegen.

De vrede is nu hersteld. Zoudt Gij nu niet met uw oud plan kunnen voortgaan? Om hem te houden zou het niet kwaad zijn, dat Gij hem een exemplaar v. N. zondt. Ik heb hem dit half en half toegezegd.

Met die L. zit ik verlegen.88 Misschien schrijft hij mij wel en kan ik hem dan een woord zeggen.

Op den omslag zou ik alleen maar zetten -: De Redaktie vraag het adres van Beta.

Er zou een schimpscheut op het stukjen ‘Aan Zee’ in Asmodée gestaan hebben89 - weet ge er iets van.

Ik zond u een klein opstel: ‘Herinneringen uit de schooljaren’90 - met verzoek mij proef te zenden. Daar heb ik nog niets van gezien.

Steeds van harte
tt
Jan ten Brink

den Haag.

22 Dec. 77

 

NB. B.H. zou graag mijn artikelen over Zola lezen. Mijn afdrukken zijn op. Kunt Gij er hem aan helpen?

88L = Lütkebühl.
89In Asmodée, het bekende satirieke weekblad, staat inderdaad in het nummer van 1 november 1877 een stukje Wansmaak, waarin - niet ten onrechte overigens - van leer getrokken wordt tegen de novelle Aan zee, die domheid en wansmaak wordt aangewreven. Het artikeltje eindigt: ‘En Dr. Jan ten Brink, die een Cours de littérature voor Dames in den Haag geeft en de Fransche novellisten in ons eerbaar Nederland binnenleidt! Waar gaan we heen?’
90Bedoeld is: Max, Herinneringen uit mijn schooltijd.
prepostterug  begin  verder