terug  begin  verderprepost

55

Parijs, 2 February 1878

WelEdele Heer,

Hiernevens, in antwoord op Uwe letteren van 14 Januarij, mijne bijdrage voor het Maart-nummer van Nederland. Gaarne ontving ik proef met kopij. Ten aanzien der voorwaarden regel ik mij naar Uw zooeven genoemd schrijven.

Mijn voornemen is, U de kopij van mijne novelle toe te zenden onder kruisband,

[p. 62]

als drukwerk.100 Het geheel bestaat uit 12 hoofdstukken, maar van ongelijke lengte. Eene verdeeling in vijven komt mij het verkieslijkst voor; telkens (naar ik gis) twee vel van Uw formaat. De paginering gaat geregeld door, van I tot VII. Te beginnen met VIII, zijn bladzijden weggenomen, die ik achterhoud voor een later te geven Vervolg.101 Alles echter wat ik U zenden zal, vormt in zichzelf een geheel, dat naauwkeurig gepagineerd is. De zetter zal hebben bij te voegen: Eerste Hoofdstuk, Tweede Hoofdstuk, enz., en daaronder de door mij aangeduide titels.

Gelief van deze inlichtingen nota te nemen, opdat ik de kopij verzenden kunne zonder te veel râtures; iets, waar de postkantoren hier zeer naauw op zien.

De algemeene titel moet luiden: Uit Robert Bruce's Leerjaren.

Wanneer U mijne eerste bezending in proef zult hebben doen brengen (Hoofdst. I-V), zal ik kunnen oordeelen, hoeveel pagina's van mijne kopij noodig zijn, om een blad van Nederland te vullen. Het overige zult U dan zelf wel regelen. Alleen stel ik er prijs op, van elk blad eene revisie te ontvangen, met kopij.

Uwe stukken, betreffende Eigendomsregt, zijn mij geworden. Ik kende ze reeds uit de bijbladen van het Nieuwsblad, doch zal bijzonder gaarne door U omtrent den verderen loop der zaak op de hoogte gehouden worden.102

Met beleefde groeten, hoogachtend,

Uw Dw. Dr.
Cd. B. Huet

147 Bd. Saint-Michel.

100Loman heeft dus het aanbod voor Uit Robert Bruce's leerjaren aanvaard.
101Vgl. wat Huet aan mevrouw Bosboom-Toussaint schrijft op 6 mei 1878: ‘Zeer, zeer langzaam werk ik voort aan mijn Bruce's. In dat gedeelte hetwelk U bekend is, heb ik het snoeimes gezet, de weggenomen hoofdstukken voor een volgend gedeelte bewarend. Dat wat ik nu onder handen heb, is bestemd de inleiding te vormen van het geheel. Wanneer U de moeite nemen wilt, de hoofdstukken die thans in Nederland verschijnen en met nog twee of hoogstens drie nummers kompleet zullen zijn, à vol d'oiseau te overzien, dan zult U erkennen, hoop ik, dat uwe kritiek ter harte genomen, en er meer licht en meer lucht in het verhaal gekomen is (Brieven II, blz. 70-71).
102De desbetreffende stukken zijn een Adres van het bestuur van de boekhandelsvereniging aan de Ministers van Justitie, Binnenlandse Zaken en Koloniën inzake het Ontwerp van Wet tot regeling van het auteursrecht en het Ontwerp zelf. Respectievelijk Bijvoegsels tot het Nieuwsblad van den Boekhandel van 26 oktober en 24 augustus 1877.
prepostterug  begin  verder