terug  begin  verderprepost

61

Parijs, 5 Maart 1878

den WelEdelen Heer J.C. Loman Jr te Amsterdam

 

WelEdele Heer,

Met deze zelfde post verzend ik aan Uw adres het eerste gedeelte van de ge-

[p. 65]

drukte kopij mijner novelle ‘Uit Robert Bruce's Leerjaren.’ Het is een vierde of vijfde deel van het geheel. Aangenaam zal het mij zijn, proef met kopij te ontvangen. Overigens neem ik de vrijheid, te verwijzen naar mijn vorig schrijven. Met bijzonder genoegen las ik in den Gids van Februarij het artikel ‘Het onuitsprekelijke’, door Prof. A.D. Loman.106 Waarom verschijnen zulke stukken niet in Nederland? De heer A.D. Loman is immers uw broeder? Het eenige wat mij in Uw tijdschrift hindert, is het gezelschap der meeste medewerkers. De redakteur zou ook zelf beter stukken leveren, zoo hij zich beter omringd gevoelde. Dr. Ten Brink's ‘Wandelingen door Parijs’ zijn beneden de aandacht; althans het gedeelte daarvan, hetwelk in het Februarij-nummer het licht zag. Het Maart-nummer heb ik nog niet ontvangen. Het is eenigzins eene cirkelbeweging. Zoolang de redakteur zuik werk levert, zullen geen ernstige nieuwe medewerkers komen opdagen. En omgekeerd, zoolang de ernstige medewerkers wegblijven, zal de redakteur zich niet inspannen. U moest beproeven, dunkt mij, uit dien cirkel te geraken. Ten behoeve van een bundel, dien Ds. Berman dezer dagen bij Funke uitgeeft, vroeg en kreeg ik per omgaande eene novelle van de dame, die zich Constantijn noemt, auteur van ‘Hilda’.107 Zou dat geen goede medewerkster voor U zijn? En Huf van Buren, schrijver van ‘Eene Kroon van Gelderland’?108 En C. van Nievelt?109 En de Indische dame M.C. Franck, die eigenlijk Vanger heet (geloof ik) en in Den Haag woont?110 Ik noem maar eenige namen. En De Brieder?111 Indien dan Prof. Loman, Prof. A. Pierson112, Prof. Verdam113, en andere nieuwe

[p. 66]

docenten der Amsterdamsche universiteit, óók van tijd tot [tijd] iets wilden leveren, dan zou er in het tijdschrift wat beweging komen, en Dr. Ten Brink de dingen minder langs zijn kant laten gaan. En wat dunkt U van Jufvr. Opzoomer? Waarom is van haar ‘In dagen van strijd’ nog geen goede aankondiging in Nederland verscheenen?114 Misschien zou dit een middel zijn, haar aan het tijdschrift te verbinden, evenals Mevr. Bosboom-Toussaint. Een der professoren, die ik noemde, zou daarvoor de aangewezen persoon zijn. Prof. Opzoomer dweept zóó met zijn dochter, dat eene grondige beoordeling van haar werk (met Huf van Buren's roman verweg het fraaiste, wat 1877 in Nederland opgeleverd heeft), het tijdschrift ook in dien kring ongetwijfeld goed zou doen. U kunt niet klagen, dat de Gids U vóór is, noch met novellen (wat is dat nu weder in het Maart-nummer voor eene novelle, ‘Aan de Grenzen’?)115 noch met boekbeoordeelingen. Maar het is te weinig, niet achteraan te komen. U moet iets doen, om zelf aan de spits te geraken. Zou Prof. Fruin116, te Leiden, Jufvr. Opzoomer's roman niet willen aankondigen? Of Prof. Veth117, die vroeger in den Gids goede aankondigingen der romans van Freijtag schreef? Enfin, indien het kwâjongensachtige, dat Nederland thans aankleeft (kwâjongensachtig zonder geest en zonder stijl), niet langzamerhand verdwijnt, dan zie ik het einde van het gesukkel niet. Of is het te veel gevergd, dat er in het geheele rijk althans één leesbaar maandwerk zal gevonden worden?

Overtuigd dat U deze opmerkingen, die alleen het belang der zaak mij in de pen geeft, ten goede houdt, heb ik de eer mij hoogachtend te noemen

 

Uw Dw. Dr..
Cd. B. Huet

147 Bd. Saint-Michel.

106Prof. A.D. Loman, hoogleraar in de theologie te Amsterdam en bekend vertegenwoordiger van de Nieuwtestamentische kritiek, had in het februarinummer van De Gids (1878, I, blz. 193-247) onder de titel Het onuitsprekelijke een artikel geschreven, dat een vervolg is op een gelijknamig artikel in De Gids van 1876 (II, blz. 409 e.vv.). Wel merkwaardig is, dat hij inderdaad in 1879 aan Nederland een bijdrage geeft Uit het journaal van een réfugié (III, blz. 180-200). BA
107Ds. A.J. Berman, predikant te Watergang a/h Noordhollandse Kanaal, die zich in moeilijke financiële omstandigheden bevond, werd op initiatief van Huet geholpen door de uitgave van een bundel opstellen van Vrijzinnige vaderlandsche auteurs. De bundel is in drie delen in 1878 uitgekomen onder de titel Landjuweel. Onder het pseudonieum Constantijn had mevrouw M.P.W.C. van der Does-Scheltema in 1871 in De Gids de later afzonderlijk verschenen, rijkelijk theologiserende novelle Hilda gepubliceerd. Door Huet was deze novelle in De Java-Bode van 8 febr. 1872 in een opstel Annexatiën in de literatuur I besproken in vrij welwillende toon (zie Lit. fant. en krit. XV, blz. 201-205).
108J.A. Heuff Az., die het pseudoniem J. Huf van Buren gebruikte, schreef o.a. historische romans en novellen. De Kroon van Gelderland verscheen in 1877 en had op Busken Huet blijkens een brief aan mevrouw Bosboom-Toussaint van 4 juni 1877, veel indruk gemaakt (Brieven II, blz. 20). BA
109C. van Nievelt, redacteur van de N.R.C., schreef novellen en reisbeschrijvingen. BA
110Bedoeld is M.C. Frank, later Vanger-geb. Frank, die zich na haar terugkeer uit Nederlands-Indië in Den Haag aan letterkundig werk wijdde. BA
111F.C. de Brieder was in deze tijd hoofdredacteur van de Amsterdamsche Courant. BA
112Prof. A. Pierson was de bekende hoogleraar in de kunstgeschiedenis, esthetica en moderne letteren te Amsterdam. BA
113Prof. J. Verdam was achtereenvolgens hoogleraar te Amsterdam en te Leiden. Hij is vooral bekend wegens zijn studie van het Middelnederlands. BA
114Adèle S.C. Opzoomer had zich naam gemaakt met de onder het pseudoniem A.S.C. Wallis geschreven historische roman In dagen van strijd, die in 1876-'77 verschenen was. BA
115Aan de grenzen door Marion Hope verscheen in De Gids van 1878, I, blz. 516-536.
116Prof. R.J. Fruin was de beroemde historicus, hoogleraar in de vaderlandse geschiedenis te Leiden. BA
117Prof. P.J. Veth, bekend hoogleraar in de land- en volkenkunde van Oost-Indië aan de Leidse universiteit. BA
prepostterug  begin  verder