terug  begin  verderprepost

69

WelEdele Heer!

Inliggende briefkaart zal u doen bemerken, dat er zich omstandigheden voordoen, welke een redakteur kunnen noopen op zijn plan van staking zijner korrespondentie met den uitgever terug te komen.

Tevens blijkt mij uit uw brief, dat gijzelf over den toon van uw voorlaaste schrijven niet geheel voldaan zijt. Dit verheugt mij, omdat ik bedoeld schrijven als geheel partijdig en verkeerd van toon eenvoudig ter zijde legde. Ik meende tevens, dat zoodanige behandeling de beste was, daar uw brief mij geheel onnoodig beleedigde en krenkte en ik de stellige overtuiging bezit, dat ik deze behandeling niet verdiende.

Doch ter zake. a) De kopij v. d. heer Ten Hoet. Het is mijne meening, dat dit stuk vrij verdienstelijk is, zoodat ik mij uw tegenzin niet kan verklaren. - b) De zaak Winkl. Prins. Ik heb hem geandwoord en bedaard gezegd, hoe de vork in de steel zit. Het zou geen kwaad kunnen zoo ook van uwe zijde eenige tegemoetkoming aan zijn klachten werd geschonken. - c) De heer Huet. Het verbaast mij inderdaad, dat deze nu nog aanmerkingen maakt. Ik schreef hem, om te weten, of hij eigentlijk als kontroleur wilde optreden. Natuurlijk in vriendschappelijke termen daar ik het er voor houd, dat hij het goed meent. Hij andwoordde mij als volgt: ‘Gij overdrijft, wanneer gij mij tegen den algemeenen inhoud der 3 laatste nummers v. Ned. laat protesteeren. De bijdrage van ‘Oom Gideon’ vond ik zeer goed. Catharina's Warrin Jun. staat niet beneden ‘Aan de Grenzen’, waarmede de Gids deze maand optrad.131 Alleen de fran. Sekon. - schijnt mij toe de maat ten eenemaal te buiten te gaan.’

Nog voegde hij er bij:

[p. 76]

‘Juist de afgezakte toestand der andere tijdschriften, biedt de gelegenheid aan van Ned. iets goeds te maken. Tot heden moest ik mij bepalen tot bijdragen die reeds gedrukt waren in mijne Batav. courant: doch over twee of drie maanden zal ik zorg kunnen dragen, dat van de opstellen, die ik naar Indie zend, afschrift wordt gehouden. In mij zoudt gij dus reeds dadelijk eenigen steun vinden. Welligt prikkelt ons voorbeeld anderen tot navolging. Keulen en Aken zijn niet op één dag gebouwd. Een ijverig redakteur schijnt mij onmisbaar en gij daarvoor de aangewezen persoon. Aan de uitvoerbaarheid van Lomans plan - een redaktie gezelschap - geloof ik niet. Aan de Gids kan men zien, dat het toch niets geeft. Goede en getrouwe medewerkers is het eene noodige.’

Dat de heer Huet ons een goed hart toedraagt blijkt uit éen en ander. Het verwondert mij dus eenigszins zoo hij zoo haastig is, daar hij mij op Keulen en Aken wijst.

Uw voorlaast schrijven heb ik reeds als voorbijgaand beschouwd en raadpleeg daarom weder met u. Reorganisatie is dunkt mij niet noodig. Goede medewerkers is alles. Daartoe behoort de heer B.H. En in dít opzicht kan ik u iets goeds melden.

Vooreerst een stuk van Wallis - Mejuffrouw Opzoomer132 - en dan een stuk van Constantijn, de schrijfster v. Hilda.133 Over deze laatste heeft de heer B.H. mij geschreven en zal er u misschien melding van maken, ook ik zal weldra vervolg mijner parijsche schetsen zenden.

Wat Pierson betreft, is mij dit zeer aangenaam, doch ik hoop, dat hij mejuffr. Opzoomer niet aanvalt.134 Ik ben te zeer bevriend met de familie Opzoomer.135

 

Gaarne uw dienstvaardige
Jan ten Brink.

den Haag
4 April 78.

131Huet had in zijn brief van 5 maart zich al afkeurend over deze onnatuurlijke en sentimentele novelle uitgelaten. Hetgeen hij over Catharina's novelle zegt is nauwelijks een compliment. Overigens had hij haar in 1877 in zijn brieven aan Loman geprezen en evenzo tegenover mevrouw Bosboom (Brieven II, blz. 36).
132Het hier bedoelde stuk van Adèle Opzoomer is De twijfel in het drama, geplaatst in het septembernummer (III, blz. 51-98).
133Onder het pseudoniem Constantijn heeft mevrouw Van der Does haar stuk Frederic Marrens voor Nederland geschreven, dat eerst in de jaargang 1879 verschijnen zal. Het is het laatste stuk dat zij schrijven zou.
134Prof. Pierson droeg onder de titel De geschiedenis van Helena een recensie bij van Wallis' roman in de meiaflevering (II, blz. 3-48). Het stuk is herdrukt in Piersons Verspreide geschriften, 2e Reeks, III.
135Prof. C.W. Opzoomer was, toen Ten Brink in Utrecht theologie studeerde, zijn vereerde leermeester. BA
prepostterug  begin  verder