terug  begin  verderprepost
[p. 87]

Op dezelfde 13de mei schrijft Busken Huet aan Francisca Gallé: ‘Gij vraagt of ik redacteur van Nederland geworden ben, of worden ga? O neen. Daar mijne vroegere betrekking tot den Gids mij verbiedt voor Van Kampen te werken, werk ik thans voor Loman, die, evenals Ten Brink, gaarne zou zien, dat Nederland er wat bovenop kwam’. (Brieven II, blz. 73).

Huet schrijft dit, terwijl hij nog steeds uitsluitend reeds in zijn Indische krant verschenen stukken ter beschikking van Nederland heeft gesteld. De Kunst- en Letterbode in Nederland krijgt ook ogenblikkelijk een tegenhanger onder de titel Letterbode in het Algemeen Dagblad. Deze Letterbode begint in het nummer van 22 juli 1878 met dezelfde besprekingen, door Huet in deze brief opgesomd. Als de schrijver wordt daar opgegeven Dr. J.T. B-n, terwijl een voetnoot vermeldt: ‘Door een medewerker van het Alg. Dagblad in Nederland’. In den vervolge zien wij nu de beide rubrieken parallel lopen met dien verstande, dat de rubriek in Nederland ook aankondigingen van anderen dan Huet bevat. De Letterbode in het Dagblad vertoont de bovengenoemde ondertekening maar zelden, doch de voetnoot wordt steeds herhaald.

79

Parijs, 13 Mei 1878.

WelEdele Heer,

De tijdschriften zal ik gaarne reeds nu ontvangen. Zelfs zou het goed zijn, dat ik ze ontving van 1 Januarij 1878 af. Er komt niet zooveel merkwaardigs in voor, dat men van elk nummer afzonderlijk melding maken kan. Van de weekbladen ontbreken mij: Eigen Haard en Uilenspiegel. Van de andere periodieken: Prof. Fruin's Bijdragen voor vad. gesch. en oudh., deel IX der vorige serie (vier afleveringen) en deel I der nieuwe (één afl.), - Bijdragen tot de taal-, land- en volkenkunde van N.I., door het Kon. Instituut (4o Reeks, eerste deel, drie drukken), - de Tijdspiegel, - het Theologisch Tijdschrift (van Prof. Kuenen, enz.)

Zijn er nog andere tijdschriften, die U toeschijnen in aanmerking te komen, ik zal ze gaarne ontvangen. Bijv. de Wetenschappelijke Bladen? Het lijstje van die, welke ik ontvang, gaf ik U reeds vroeger.

Opdat er zoo min mogelijk vertraging ontsta, verzoek ik alles regtstreeks aan mijn adres te ontvangen.

Mijn plan is niet, eerst te zien wat Dr. Ten Br. van het ‘Intermezzo’ maken zal, maar te beginnen hem bij te springen. Voor het nummer van 1 Junij zond ik hem vier korte aankondigingen, van: Max Rooses, Antwerpsche Schilderschool; Prof. Beets, Groote Mannen; Dr. van Vloten, Over Bellamy; Scheurleer, Twee Titanen.’163 Tevens verzocht ik hem, en ik verzoek ook U, wanneer er boeken ter beoordeeling inkomen, daarvan een gedeelte aan mij te zenden.

[p. 88]

Uw denkbeeld, met het plaatsen van Constantijn's novelle te wachten tot 1 Januarij 1879, zou ik niet durven ondersteunen. Tegen dien tijd zal Jufvr. Opzoomer wel met iets gereed zijn. Of misschien mevr. Bosboom. Of misschien ik zelf, met een nieuw gedeelte mijner ‘Bruce's’. Er moet thans getoond worden, dunkt mij, dat het ernst is, in ‘Nederland’ het beste te geven, wat voor het oogenblik te bekomen is.

Aan Ds. Hasebroek zal ik een dezer dagen schrijven.

Dr. Ten Brink maakte ik opmerkzaam op ‘De zuilen der zamenleving’, door Ibsen. Dat stuk werd, uit het Noorsch in het Duitsch vertaald, dezen winter vertoond op 34 Duitsche tooneelen. Te Amsterdam woont, of woonde, een jonge onderwijzer, Terwey164, die zeer goed uit het Noorsch vertaalt. Mij dunkt, zulk eene vertaling zou in ‘Nederland’ een beter figuur maken, dan veel van het oorspronkelijke dat in den laatsten tijd gegeven werd. Van Terwey verscheen in 1874 eene vertaling van Björnson in den ‘Gids’: dezelfde, die hij voor mijne Indische Courant geschreven had, op verzoek van den Heer Potgieter.165 Sommige buitenlandsche novellisten (ook Fransche, Duitse en Engelse) staan zóó hoog, dat onze broodvertalers hen teregt niet aandurven. Voor die keurbende behoorde in ‘Nederland’ plaats te zijn, vind ik.

U ontvangt hierbij onder kruisband het laatste gedeelte der kopij van ‘Uit Robert Bruce's Leerjaren’. Mijn eerstvolgende bijdrage zal vermoedelijk bestaan uit eene studie over Jacob Geel, die ik halfvoltooid in portefeuille heb.166

Met beleefde groeten hoogachtend,

Uw Dw. Dr.
Cd. B. Huet

147 Bd. Saint Michel.

 

PS. Inliggend blaadje behoort bij het laatste hoofdstuk van ‘R.B.'s Leerjaren’.

163Al deze bijdragen zijn in de eerste Kunst- en Letterbode (II, blz. 358-367) geplaatst.
164Het betreft hier Tijs Terwey, die, voor onderwijzer opgeleid, sinds 1876 leraar in de Nederlandse taal- en letterkunde was in Amsterdam. BA
165De vertaling van Björnson is Bruidsmarsch, te vinden in De Gids 1874, II, blz. 481-536. In het Algemeen Dagblad van Nederlandsch Indie komt ze voor in jg. 1873 in de nrs. van 20, 22, 23, 24, 27, 30 en 31 dec. en in jg. 1874 in de nrs. van 2-16 januari.
166Een studie over Jacob Geel ‘halfvoltooid in portefeuille’ zou overeenkomen met Huets verklaring in zijn brief van 11 juni, dat hij niet vordert met dit opstel. In zijn brief van 15 juli aan Ten Brink heet het echter: ‘Het noemen van Geel brengt mij te binnen, dat Ds. Berman in zoover onder uwe duiven heeft geschoten, als ik hem voor het 3de deeltje van zijn Landjuweel mijn analyse van Onderzoek en Phantasie heb afgestaan. Hij kwam (een kleinigheid!) zeventig bladzijden kopij, of liever, kopij voor zeventig bladzijden te kort, en met het drukken was men gevorderd tot de uiterste grens van dien afgrond. Ik heb toen gedaan wat ik kon, en wel doen moest, na anderen tot medewerking aangespoord te hebben.’ (Brieven II, blz. 81-82). Inderdaad komt onder de titel Jacob Geel herlezen het stuk voor in Landjuweel III, blz. 153-202. (zie Lit. fant. en krit. X, blz. 1-44). Echter - reeds in De Java-Bode van 29 december 1872 begint onder Mengelwerk een reeks artikelen over Geel, die met onderbrekingen zich tot in februari 1873 voortzet. Dit verklaart ook, dat het stuk in de Lit. fant. en krit. het jaartal 1872 draagt. Huets voorstelling van zaken is dus wel wonderlijk.
prepostterug  begin  verder