terug  begin  verderprepost

91

Parijs, 14 Julij 1878

WelEdele Heer,

Uwe bezwaren tegen het gelijktijdig verschijnen van mijn werk in ‘Nederland’ en in het ‘Algemeen Dagblad’ kan ik niet uit den weg ruimen.180

Laat ons dus aannemen, dat U casu quo bereid zoudt zijn, het geschrift over Belgie afzonderlijk uit te geven; - met vrijheid aan mij, van sommige gedeelten gebruik te maken voor mijne Courant.

Dit laatste kan aan het debiet in Indie niet alleen schaden; maar mijn boek over Italie heeft bewezen, dat het daaraan zeer bevorderlijk is. En dit ligt in de rede, want Indie is zoo groot, en de verspreiding zoo moeijelijk.

Ik wensch te kunnen beschikken over twintig vel, en ben bereid U het kopijregt

[p. 96]

af te staan voor ƒ 75 het blad; indien U ten minste U verbinden wilt, de helft van het honorarium vooruit te betalen, in den vorm bijv. van een wissel op zes maanden.

Voor rekening van mijne Bataviasche firma wil ik van het boek 100 exx. nemen, betaalbaar acht maanden na verzending uit Amsterdam; onder voorwaarde, dat het boek in Nederland eerst twee maanden na die verzending in den handel zal gebragt worden.

Kunt U met deze voorwaarden genoegen nemen?

In onze berekening van hetgeen ik in de eerste zes maanden voor ‘Nederland’ leverde, gaan wij nagenoeg akkoord. Ik vind Januarij 16 bladzijden, Maart 14, April 32, Mei 30, Junij 28; te zamen 120 bladzijden, of 7 1/2 vel, waarvoor mij ƒ 300 zou aankomen.

Trekken van hier op Amsterdam is zoo gemakkelijk niet. Zend mij liever Hollandsch bankpapier svp., in een aangeteekenden brief.

Wat ik voor den Kunst- en Letterbode lever, kan einde 1878 verrekend worden. U verstrekt een gedeelte der tijdschriften: ik het andere gedeelte. Later zal daarin verandering moeten komen. Laat ons dus voorloopig bepalen, dat U die boekaankondigingen op dezelfde wijze honoreert, als mijne andere bijdragen, met ƒ 40 de 16 bladzijden. U weet, niet waar? welke gedeelten van Dr. Ten Brink, en welke van mij zijn.

Indien het 3/m tijdschrift Het Tooneel blijft voortbestaan, dan zult U mij dit voortaan moeten toezenden.181 Ik teekende alleen in voor den eersten jaargang. Het tijdschrift van het Kon. Instituut voor Ind. taal-, land- en volkenkunde, ontving ik nog niet. Evenmin Van Hoëvell's Tijdschrift voor Nederlandsch Indie.182 Het overige ontvang ik geregeld.

Met beleefde groeten, hoogachtend

Uw Dw. Dr.
Cd. B. Huet

147 Bd. Saint-Michel.

 

PS. Bij het ramen van den omvang van mijn geschrift over Belgie op 20 vel, denk ik aan het formaat van ‘Parijs en Omstreken’. Ik noem dit echter slechts als een maat, om mede te meten. Veel aangenamer zou het mij zijn, indien U het boek uitgaaft in royaal-oktavo, op fraai papier, en geïllustreerd. Er bestaat keus genoeg van Belgische platen; en zulk een werk over Belgie zou niet alleen in Nederland koopers vinden, maar ook in Belgie zelf, althans in Vlaanderen. Houd mij de opmerking ten goede, dat de meeste nederlandsche uitgaven een schriel en smakeloos aanzien hebben. Bijna altijd dun papier, en te veel en te breede regels op één blad-

[p. 97]

zijde. Waarom brengt de boekhandel te Uwent daarin geen verandering? Vooral dat gemeen, doordrukkende papier is eene ergernis.

180Loman heeft dus blijkbaar aan Huet te kennen gegeven voor een gelijktijdige publikatie in Nederland en Indië niet te voelen.
181Het tijdschrift Het Tooneel, opgericht in 1877, onder redactie van J.N. van Hall en C.N. Wijbrands, heeft slechts tot juni 1878 bestaan.
182W.R. baron van Hoevell richtte als predikant te Batavia en president van het Bataviaas Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in 1838 het Tijdschrift van Nederlandsch-Indië op, waarin tegen de regering in Nederland stelling genomen werd. In Indië gestaakt is het bij Van Hoevells terugkeer in Nederland in 1849 in Nederland voortgezet.
prepostterug  begin  verder