begin  prepost
[p. 21]

Het wonder van Molenbeek
De herkomst van de tekstverzameling in het handschrift-Van Hulthem1

Herman Brinkman

Een proclamatie uit 1399

In het handschrift-Van Hulthem is, tussen de vele sproken, gebeden, rijmspreuken en toneelspelen, als eenling in zijn genre de tekst opgenomen (nr. 191.1-2) van een proclamatie van twee wonderbaarlijke gebeurtenissen die kort na elkaar plaatsvonden in de kerk van Sint-Jans-Molenbeek, thans een Brusselse deelgemeente, maar toentertijd nog een dorp buiten de stad. Na de plechtige aanhef ‘Ghi goede liede, wet dat u cont es ghedaen ende te wetene die waerheit’, vernemen we het volgende.2

Op de dag van de heilige Michael (de aartsengel was met Sint Goedele schutspatroon van Brussel) van het jaar 1399, betrad een jongen van ongeveer veertien jaar samen met zijn moeder de kerk van Sint Jan Baptist. Hij zeeg ter plekke neer en bleef twee uur lang bewegingloos liggen. Toen zijn moeder in wanhoop de hulp van Johannes de Doper inriep, kwam de jongen weer bij, en verklaarde dat hij in zijn slaap contact had gehad met Johannes de Doper. De heilige had hem bevolen driemaal op zijn blote knieën om de kerk te kruipen. Hem was tevens opgedragen om aan de kerk(voogden) te melden, dat al wie dit ritueel zou uitvoeren, beschermd zou blijven tegen de ‘plaghe’ die in de wereld woedde.

Aansluitend op deze verklaring volgt dan het relaas van een blinde plattelandsvrouw die, twee dagen na het visioen van de jongen, komend uit de richting van Geraardsbergen, een mijl aflegde om in de kerk van Johannes Baptist een levende kip te offeren, in de hoop te genezen van haar al zeven maanden durende oogkwaal. Na het overhandigen van de kip werd zij terstond genezen. In haar vreugde beloofde zij haar leven lang op Sint-Jansdag als pelgrim naar Molenbeek te komen. De proclamatie moet kort na de beschreven wonderen zijn opgesteld, want er wordt medegedeeld dat iedereen zich kan overtuigen van de juistheid van de gemelde gebeurtenissen door de geofferde kip te aanschouwen op het altaar van de kerk. Het stuk lijkt daarmee belangstellenden en nieuwsgierigen naar de kerk te willen lokken. Bovenal lijkt het bedoeld te zijn als promotie van de kerk van Sint-Jans-Molenbeek als bedevaartsoord.

Aan de aanwezigheid van deze tekst in het handschrift-Van Hulthem is nooit bij-

[p. 22]

zondere aandacht geschonken, behalve dan dat hij meer dan eens is aangehaald in het kader van de datering en de lokalisering van het handschrift.3 Het centrale gegeven van de tekst kan immers zowel naar plaats als naar tijd exact gedetermineerd worden - ook daarmee is de tekst binnen de verzameling een unicum. Niet het minst belangrijk is bovendien dat het tevens de jongste gedateerde tekst is.

In dit artikel zal ik proberen duidelijk te maken dat deze tekst niet op zichzelf staat, maar dat er een relatie aanwijsbaar is met verscheidene andere teksten in het handschrift. Het belang van de tekst bij de bepaling van de origine van de verzameling zal mede daardoor nog groter blijken te zijn dan tot nog toe werd verondersteld.

Codex en verzameling

De vraag waar, wanneer en voor wie het handschrift-Van Hulthem werd geschreven zal nooit volledig en definitief beantwoord kunnen worden. De codex bevat immers geen aantekeningen omtrent het tijdstip en de plaats van vervaardiging, de identiteit van de kopiist, de eventuele opdrachtgever, de vroegste bezitters of het milieu waartoe zij behoorden en evenmin bevat hij ondubbelzinnige aanwijzingen over zijn bestemming of geïntendeerde gebruikswijze. Het aandeel teksten dat op enigerlei wijze met Brussel kan worden verbonden wijst sterk op een ontstaan in of nabij die stad,4 maar terzelfdertijd moeten we constateren dat niet weinig andere teksten juist gerelateerd kunnen worden aan plaatsen of streken die elders, soms zelfs ver van Brussel zijn gelegen.5

Van deze plaatsen heeft tot dusverre vooral Leuven de aandacht getrokken.6 Er komen in het handschrift drie teksten voor waarin Leuven expliciet, terloops of impliciet wordt genoemd. Bij nadere beschouwing blijken twee daarvan toch ook weer verbonden te kunnen worden met het Brusselse. De situering van het raadsel in Ene questie (nr. 141) ‘te Loeven in die Loe’ verwijst namelijk niet naar Leuven zelf, maar naar de hertogelijke domeinbossen van de Lo, die zich buiten de stad bevonden.7 En de preek getiteld Den guldenne berch (nr. 45) die de leesmeester van Straatsburg (Nicolaas van Straatsburg) heeft gehouden in het Leuvense predikherenklooster, kan gemakkelijk zijn weg hebben gevonden naar het hof, aangezien vertegenwoordigers van dit klooster gewoon waren gedurende de vastenperiode te Brussel voor de hertog en de hertogin te preken.8 Over de derde, impliciete verwijzing naar Leuven (een plaats in Die corte cornike van Brabant (nr. 101) waar de plaatsaanduiding ‘Leuven’ is vervangen door ‘hier neder’), werd reeds eerder opgemerkt dat deze in zeer globale zin als ‘de omgeving van Leuven’ begrepen moet worden en daardoor ook op Brussel betrekking kan hebben.9 Een opvallende relatie met Leuven lijkt in de verzameling dus niet per se aanwezig te zijn.

Een intrigerend aspect van de collectie is het aandeel teksten dat uit Holland afkomstig is.10 Auteurs als Willem van Hildegaersberch en Augustijnken, beiden met drie sproken vertegenwoordigd, waren hoofdzakelijk daar actief.11 De sproken van

[p. 23]

Hildegaersberch zijn nog tijdens zijn leven in de verzameling terecht gekomen.12 Ook andere sproken getuigen van een Hollands referentiekader of kunnen op andere wijze aan Holland worden gerelateerd.13 De Vlaamse achtergrond van enkele andere teksten komt hierna nog ter sprake.

Zoals Van Anrooij en Van Buuren na een onderzoek naar de situering van het handschrift concludeerden, lijkt Brussel niettemin ‘de beste papieren te hebben’.14 De vraag naar de identiteit van de oorspronkelijke bezitter schijnt evenwel nagenoeg onoplosbaar te zijn. Het enige ‘harde’ aanknopingspunt met het primaire milieu zou immers de hand die de codex schreef kunnen zijn. En tot dusverre is er geen enkel ander document bekend waarin deze hand wordt aangetroffen.

In aansluiting op het meest concrete tekstuele gegeven, namelijk dat het handschrift in ieder geval na 30 september 1399 moet zijn geschreven, de dag waarop het tweede wonder gebeurde dat wordt beschreven in Ene mierakele van mijn here sente Jan Baptista van Molenbeke te Brusele (nr. 191.1-2)15, is de datering aangescherpt door onderzoek naar de ouderdom van het papier dat voor het handschrift is gebruikt. We kunnen daardoor met vrij grote zekerheid zeggen dat het handschrift in het eerste decennium van de vijftiende eeuw, waarschijnlijk omstreeks de jaren 1405-1408 in een relatief kort tijdsbestek tot stand kwam.16 Hoewel er nog nooit een systematisch onderzoek is uitgevoerd naar het dialect van de kopiist van het handschrift-Van Hulthem waarbij alle teksten werden betrokken, wijzen de resultaten van voorlopig en partieel onderzoek erop dat de kopiist een Brabander was.17

Stalenboek of particuliere verzameling?

De schraalheid aan concrete gegevens rond de herkomst van de codex staat in schril contrast met de inhoudelijke rijkdom van de verzameling. Het belang van het handschrift heeft ertoe geleid dat talrijke onderzoekers hebben geprobeerd langs indirecte weg meer over de herkomst en bestemming van het handschrift te weten te komen. De veronderstellingen die daarbij naar voren zijn gebracht hebben nog altijd niet geleid tot een algemeen aanvaarde hypothese. Veelvuldig is het idee geopperd dat het handschrift afkomstig is uit een wereldlijk Brussels schrijfatelier en daar gefunctioneerd zou hebben als ‘stalenboek’ waaruit klanten teksten zouden kunnen selecteren om die vervolgens door het personeel te laten afschrijven.18 Deze veronderstelling is gefundeerd op de aanname dat de opgave van de tekstomvang (in aantallen versregels) die we vinden onder de berijmde teksten, alleen bedoeld kan zijn voor de berekening van het schrijfloon van een kopiist. Dat deze aanname onvoldoende onderbouwd is, werd reeds naar voren gebracht door Klein.19 Dat niet alle onderzoekers de scriptoriumhypothese onderschrijven, blijkt uit enkele ‘dissidente’ opvattingen van auteurs die in het handschrift veeleer een ‘privé-collectie’ of simpelweg een ‘literaire bloemlezing’ willen zien.20

Terwille van de zuiverheid van het onderzoek is het raadzaam de ontstaansgeschie-

[p. 24]

denis van het handschrift te onderscheiden van die van de tekstverzameling. Daarmee kan de discussie over de functie van het handschrift worden gescheiden van de discussie over de origine van de collectie.21 Op grond van een zekere ‘opeenhoping’ van teksten die stammen uit de periode ca. 1380/140022 en de voltooiing van de compilatie tussen 1399 en ca. 1405-1408 ligt een datering van de werkzaamheid van de compilator omstreeks het einde van de veertiende eeuw het meest voor de hand. De enige gegevens waarmee wij de origine van de tekstverzameling kunnen achterhalen, worden ons geboden door de de teksten zelf. Het zijn ook deze gegevens waarop het gangbare vermoeden van een Brusselse oorsprong van het handschrift is gebaseerd.23 De tekstcollectie is tot op heden echter zelden integraal onderzocht op specifieke kenmerken die ons dichter bij dit milieu zouden kunnen brengen. Allerminst zeldzaam zijn daarentegen uitspraken waarin het brede spectrum van de totale verzameling in algemene zin wordt beklemtoond. Maar juist door benadrukking van zijn inhoudelijke rijkdom (‘'s Levens felheid in één band’), lijkt Hulthem wel een kleurrijke, maar in wezen ook karakterloze verzameling te zijn. Wanneer men meent dat de compilator ‘alles wat hij zoal onder ogen kreeg’ afschreef (de verdedigers van de scriptoriumhypothese menen bovendien: voor louter commerciële doeleinden), dan zou dit impliceren dat we behalve met die bonte verscheidenheid toch ook met een verzameling van doen hebben die slechts in beperkte mate het persoonlijk stempel van zijn compilator draagt.24

Ik denk niet dat het handschrift-Van Hulthem zo'n onpersoonlijk karakter draagt. Een vogelvlucht-verkenning van de inhoud leert ons, dat op de inhoudelijke verscheidenheid zeker niets hoeft te worden afgedongen. Maar de collectie kent ook duidelijke accenten. En die accenten kunnen ons iets leren over de plaats waar en de omstandigheden waaronder de tekstcollectie totstand is gekomen. Elders hebben Schenkel en ik de verzameling gekenschetst als - in de kern - een collectie sproken, spreuken en gebeden (al dan niet berijmd).25 Bij de grote verscheidenheid aan teksten binnen deze genres is het een opvallend gegeven dat er ook teksten zijn opgenomen die als eenling in de collectie figureren. Een voorbeeld - buiten de genoemde tekst over de mirakelen te Molenbeek - is de routebeschrijving naar Santiago de Compostela (nr. 197). In een verzameling die zou zijn aangelegd om als keuzemateriaal voor scriptoriumklanten te dienen, zou men toch een paar van zulke (lucratieve) teksten mogen verwachten, met daaronder op zijn minst de voornaamste grote pelgrimsreisdoelen. De aanwezigheid van slechts één enkele reistekst valt moeilijk te rijmen met de veronderstelde stalenboek-functie van het handschrift, maar veeleer te begrijpen als een persoonlijke selectie van de compilator.

De vraag moet derhalve worden gesteld of er in de verzameling een spoor is terug te vinden van degene (of eventueel degenen) die haar totstand bracht. Daartoe zal ik allereerst proberen om via een bestudering van de religieuze devotie te komen tot een nadere profilering van het milieu van de compilator. Daarna zullen we zien of er ook een bepaalde politieke oriëntatie in de verzameling zichtbaar kan worden gemaakt.

[p. 25]

Het religieuze profiel van de verzameling

Van Anrooij en Van Buuren hebben in een beknopt overzicht van de teksten ‘die behoren tot het terrein van de devotie’ twee zwaartepunten aangewezen: Mariaverering en aandacht voor Christus' lijden en dood.26 Deze op zichzelf juiste constatering versluiert echter door de nadruk op het algemene aspect enkele belangwekkende, maar in kwantitatief opzicht minder in het oog lopende karakteristieken.

Een nuancering in het beeld ontstaat wanneer wij alle afzonderlijke teksten opsommen die getuigen van bijzondere aandacht voor één of meer heiligen, en daarbij de teksten die spreken van verering voor Christus en zijn moeder (vooralsnog) uitzonderen. We komen dan tot onderstaande lijst.

19.1 Sente Berbera
19.2 Sente Goedele
19.3 Sente Magriete
(berijmde gebeden tot Sint Barbara, Sint Goedele en Sint Margareta; door bladverlies ontbreken waarschijnlijk gebeden tot God, Maria, Johannes de Doper, Christoffel, Michael, Joris en Antonius)27
   
35 De ewangielie in dietsche In principio erat verbum
(evangelie-perikoop, proloog van het Johannes-evangelie (vs. 1-14), waarin, behalve van de Vleeswording van het Woord en de komst van het Licht in de duisternis, melding wordt gemaakt van het optreden van Johannes de Doper)
   
41.1 Dits sente Jans Baptisten name ende op elc lettere van sinen name enen lof
41.2 Dit es een ander ghebet
41.3 Een suete ghebet van sente Jan Baptista
(twee berijmde gebeden en een prozagebed tot Johannes de Doper)
   
65 Van sente Katheline
(berijmd gebed tot Sint Catharina)
   
191.1 Ene mierakele van mijn here sente Jan Baptista van Molenbeke te Brusele
191.2 Noch ene mierakele die ghesciede dachs daer na
(proclamatie van twee wonderen die Johannes de Doper bewerkstelligde te Molenbeek)
   
192 Sente Ghetrwden minne ende sente Jans vrienscap die deen vrient den andren gheeft
(sproke over de oorsprong van de heildronk op Sint Gertrudis)
   
197 Den wech van Parijs tot sente Jacobs
(afstandstabel van de route Parijs-Santiago)

[p. 26]

Wanneer we de reisroute naar Santiago niet meerekenen, dan blijken we hier een aantal religieuze teksten te hebben die direct in verband kunnen worden gebracht met een zeer lokaal bepaald complex van devoties en gebruiken. Verering van Johannes de Doper, Sint Gertrudis, Sint Catharina en Sint Goedele is namelijk kenmerkend voor de cultus in Sint-Jans-Molenbeek. Voordat we dit toelichten is een nadere kennismaking met dit dorp op zijn plaats (zie afbeelding).

Het voormalige dorp Molenbeek grensde aan het noord-westelijke deel van de Brusselse stadsmuur.28 Het is wel omschreven als ‘een van de hoofdingangspoorten van Brussel’ dat ‘in de oudste tijden buiten Brussel het knooppunt [beheerste] van alle wegen, die, hetzij over Aalst of Dendermonde, naar Vlaanderen leiden’.29 Het centrum ervan werd gevormd door de kerk die gewijd was aan Johannes de Doper. Door de voortdurende expansie van Brussel kwam het zuid-oostelijke deel van de oude parochie Molenbeek binnen de stadsgrenzen te liggen.30 In de parochie bevonden zich, behalve de Sint-Janskerk, nog drie andere religieuze instellingen: de Catharinakapel, een dochterkerk van de Sint Jan; het begijnhof, genaamd Vinea beghinarum of Wijngaert, gesticht door een pastoor van Molenbeek; en het Witte-Vrouwenklooster van augustinessen (later genaamd Jericho), gewijd aan Sint Catharina. Behalve de Sint-Janskerk zelf, lagen deze instellingen in de tweede helft van de veertiende eeuw binnen de stadsmuren van Brussel. Sint-Jans-Molenbeek was een zelfstandige parochie, maar het Brusselse kapittel van Sint Goedele bezat het patronaat, dat wil zeggen het recht de pastoor te benoemen.31

Naast het hoofdaltaar, dat aan Johannes de Doper was gewijd, bevonden zich in de Sint-Janskerk reeds in de veertiende eeuw drie kapelanijen: één van O.L. Vrouwe, één van Sint Jan en een Zielekapelanij.32 In de Catharinakapel bevond zich een kapelanij van het H. Kruis.33

Als kerkelijke plechtigheden worden speciale vieringen vermeld op de beide feestdagen van Sint Jan (24 juni en de laatste zondag van augustus).34 Op 24 juni werden de kerkmeesters aangesteld; dit was ook de dag waarop de schepenen van Brussel werden beëdigd. Op Sint-Jans Onthoofding (de laatste zondag van augustus) vond er een grote processie plaats, evenals met Allerheiligen. Over elke bedevaartganger die de kerk bezocht las de priester de perikoop uit het Sint-Jansevangelie.

De tweede patrones van de kerk was Sint Gertrudis.35 De achtergrond daarvan moet zijn gelegen in de vermoedelijke stichting van de kerk vanuit de Sint Gertrudisabdij te Nijvel. Het oudste getuigenis van speciale verering van Gertrudis dateert overigens uit 1399 (dat dit jaartal niet toevallig overeenkomt met de datering van de mirakeltekst in Hulthem zal in het vervolg nog blijken). Naast de kerk bevond zich een put die aan Sint Gertrudis was gewijd en waaraan bovennatuurlijke krachten werden toegekend. In de hagiografie van deze heilige leest men dat ook de grond van het kerkhof wonderen kon bewerkstelligen en dat vrouwen met hun jonge kinderen naar Molenbeek kwamen om daar het evangelie van Johannes (bedoeld zal zijn de proloog) te laten lezen; daarbij werden dan ook gebeden tot Sint Gertrudis gericht.36

[p. 27]

De gebeden in het handschrift-Van Hulthem tot Sint Jan Baptist, tot Sint Goedele, tot Sint Catharina, het relaas over de wonderen in de Sint-Janskerk, maar ook de sproke over Sint Gertrudis - die in het handschrift overigens onmiddellijk volgt op de tekst over de mirakelen - sluiten precies aan bij de devotiegebruiken in deze parochie. De onder nummer 194 opgenomen bevelinghe sluit bij nader toezien nauw bij deze devotie aan: na God en Maria worden ‘den groten here sente Janne Baptista’ en ‘den groten here sente Janne Ewangeliste’ als enigen bij name aange-

[p. 28]

roepen.

illustratie
Brussel en omgeving (kort na 1550). Kaart van Jacob van Deventer (Brussel, KB, hs. 22.090). De donkere gedeelten geven inondatiegebieden weer. Molenbeek (1) en Koekelberg (2) liggen ten noord-westen van de stad (naar Danckaert 1989, 14, afb.4).

De in Hulthem zo prominente Mariadevotie strookt voorts geheel met de aanwezigheid van een O.L.Vrouwe-altaar in de Sint-Janskerk. Eenzelfde parallel kan men constateren voor de kruisdevotie (de kapelanij in de Catharinakapel), die behalve in Dboec vanden houte (nr. 5) ook naar voren treedt in Sheylich crws ghetide in dietsche (nr. 203), in de berijmde kruisgetijden (nrs. 22, 33, 105) en, in ruimere zin, in de gedichten op de passie (nrs. 3, 4, 85 en 104).37

De nauwe relatie die er blijkt te bestaan tussen Molenbeek en een aantal teksten in het handschrift-Van Hulthem beperkt zich niet slechts tot religieuze teksten. Zoals Pleij reeds eerder heeft laten zien, komen er in de verzameling twee satirische teksten voor waarin de spot wordt gedreven met begijnen.38 In beide gevallen, namelijk het lied Van eenre baghinen ene goede boerde (nr. 132) en in de strofische rijmtekst Dits vanden tanden (nr. 164), wordt de handeling expliciet gesitueerd te Brussel (nr. 164 heeft Buten Bruesele) en wel inden Wigaert. Eén van de teksten is daarbij geschreven door een auteur die goed op de hoogte was van de plaatselijke topografie.39 Ook het in Molenbeek gelegen begijnhof is dus opvallend in de verzameling aanwezig, zij het juist niet in de sfeer van de devotie. Dat ook in teksten van dit type een connectie met Molenbeek manifest wordt, duidt erop dat we met het conglomeraat ‘Molenbeek-teksten’ méér hebben dan een getuigenis van speciale devotie. Een niet onbelangrijke observatie is voorts dat deze teksten niet als gesloten groep voorkomen, maar verspreid over de hele verzameling. Dat maakt het weinig plausibel dat de compilator slechts uit één specifieke bron putte die hij tijdelijk tot zijn beschikking had. Het is veel waarschijnlijker dat hij op diverse tijdstippen teksten verzamelde die betrekking hadden op Sint-Jans-Molenbeek. Dit alles brengt mij tot het vermoeden dat de Hulthem-compilator in nauwe betrekking stond tot Sint-Jans-Molenbeek en dat we zijn milieu in of in de nabije omgeving van dit dorp mogen veronderstellen.

Het politieke profiel van de verzameling

Voor het overgrote deel draagt de tekstverzameling in het handschrift-Van Hulthem een literair karakter. Het proza is, op één uitzondering na (het later verminkte orakelboek, nr. 200), louter religieus.40 Proza van administratieve aard of zuiver bestuurlijke stukken treft men er niet in aan. Het is wel zo dat we in deze verzameling naar verhouding slechts weinig teksten kunnen aanwijzen waaruit een duidelijke betrokkenheid spreekt met een welbepaalde wereldlijke overheid, of die nu vorstelijk dan wel stedelijk is. En ook is het zo dat enkele teksten direct betrekking hebben op bestuurlijke kwesties. Maar het gaat in deze gevallen meestal om belerende teksten die breed toepasbaar zijn, en minder om teksten waaruit een onmiddellijk verband blijkt met de politieke actualiteit. Toch is daarmee nog niet gezegd dat alle sporen van politieke of dynastieke preoccupaties zouden ontbreken.

[p. 29]

Ten aanzien van algemene vraagstukken van bestuurlijke aard, blijkt de compilator interesse te hebben gehad in richtlijnen voor het bestuur van zowel een stad als een landstreek. Het eerste blijkt uit de (tweevoudige) opname van Hoemen ene stat sal regeren (nrs. 148.24 en 189), een korte spreuk waarin vuistregels worden gegeven voor een ethisch verantwoord stadsbestuur; het tweede uit de aanwezigheid van een wat langer excerpt uit Boendales Lekenspiegel (nr. 92) waarin puntsgewijs de gewenste kwaliteiten van een landsheer uit de doeken worden gedaan. De sproke Vander vledermws een bispel (nr. 97) wordt door Hogenelst terecht tot de ‘politieke sproken’ gerekend, maar in deze fabel over het gedrag van verraders (die door de verteller ook nog eens in hoofs-amoureuze zin wordt uitgelegd) zoekt men tevergeefs verwijzingen naar reële politieke verwikkelingen.41

Meer houvast biedt de enige kroniek die in de verzameling voorkomt, Die corte cornike van Brabant (nr. 101). Daarin wordt de Brabantse dynastieke geschiedenis beknopt verhaald vanaf de vlucht van ‘Hectors gheslachte’ uit Troje tot aan het aantreden van hertog Jan III in 1312. Het lijdt nauwelijks twijfel dat de aanwezigheid van excerpten uit Maerlants Historie van Troyen (nrs. 143-147), die, zoals Jongen heeft laten zien, primair moeten worden opgevat als bloemlezing van geschiedenissen rond de figuur van Hector, vanuit dezelfde belangstelling van de compilator kan worden verklaard.42 Nog afgezien van de onmiskenbaar Brabantse kleuring die het politieke aspect van de tekstcollectie daarmee bezit, blijkt door de titel van het eerste excerpt (Dits tprieel van Troyen) er in het bijzonder een interesse in Brussel, de stad die reeds door Hennen van Merchtenen met die vleinaam werd aangeduid, aan de dag te treden.

Al eindigt de korte kroniek met Jan III, hij is niet de laatste Brabantse hertog die in de verzameling figureert. In één van de twee opgenomen lijkklachten wordt hertog Wenceslas herdacht, die overleed in december 1383 (nr. 139). De andere lijkklacht, van de hand van dezelfde dichter, Jan Knibbe van Brusel (nr. 130), is geschreven naar aanleiding van het overlijden van de Vlaamse graaf Lodewijk van Male, kort na Wenceslas, in januari 1384.43 Nu was Lodewijk van Male gehuwd met een zuster van de Brabantse hertogin Johanna. Daardoor kan het geheel vanuit een Vlaams perspectief geschreven gedicht ook nog wel een zekere relevantie voor een Brabander hebben gehad. Niettemin wekt het op zijn zachtst gezegd enige bevreemding dat bij een zo zwakke politieke kleuring van de totale verzameling een Vlaamse kwestie niet alleen in dit gedicht centraal staat, maar tevens in de enige onverhuld politieke sproke, De maghet van Ghend (nr. 100).44 Onderwerp is de opstand van Gent tegen graaf Lodewijk van Male (1379-1385), verbeeld in een allegorisch kader. Het gedicht bestaat voor een belangrijk deel uit een verheerlijkte beschrijving van Gent aan de hand van een opsomming van alle beschermheiligen en mondt uit in een bede om bescherming van de Gentenaren en om verzoening met de graaf.

Met name door de aanwezigheid van dit gedicht vertoont de verzameling in politiek opzicht een op het oog nogal hybride profiel. Dat nu juist de enige tekst met

[p. 30]

een zuiver politieke lading (niet slechts in de zin dat er wordt gerefereerd aan concrete gebeurtenissen, maar ook dat de tekst blijk geeft van een pro-Gentse stellingname) betrekking heeft op de stad Gent maakt het problematisch om de verzameling in dit opzicht zonder meer een exclusief Brabants-Brusselse signatuur toe te schrijven. De lijkklacht op Lodewijk van Male, maar ook de opname van twee (niet-politieke) gedichten (nrs. 23 en 195) van de alleen uit Gentse bronnen bekende Boudewijn van der Loren (wellicht dezelfde als Bauwijn, die De maghet van Ghend schreef), versterken dit Vlaamse accent en manen ons in dit opzicht tot de nodige voorzichtigheid.

Molenbeek en Koekelberg

Zoals we zagen geeft het religieuze profiel van de collectie aanleiding om de compilator van de tekstverzameling in eerste instantie te zoeken in of in de nabijheid van Sint-Jans-Molenbeek. Het politieke profiel blijkt problematischer te zijn. Voor zover het naar Brabant, mogelijk naar Brussel wijst, stemt het met het religieuze profiel overeen, althans is het daarmee niet strijdig. De vraag is echter of de Vlaams-Gentse component van de verzameling wel in verband kan worden gebracht met dit milieu.

Wanneer we zoeken naar een wereldlijk milieu van enige importantie binnen de parochie Molenbeek dan gaat de aandacht onvermijdelijk allereerst uit naar het voormalige kasteel Koekelberg, dat gelegen was nabij de kerk van Molenbeek, en het centrum vormde van de gelijknamige heerlijkheid. Vanuit een kerkelijk-administratief oogpunt is deze heerlijkheid een anomalie: pas in de achttiende eeuw werd Koekelberg een zelfstandige parochie. Voordien was het gebied opgedeeld tussen de parochie Sint-Agatha-Berchem en Sint-Jans-Molenbeek. In zijn studie over het parochiewezen in Brabant tot het einde van de dertiende eeuw toont Verbesselt zich onzeker over de precieze grens tussen deze parochies. Het ‘oude hof Koekelberg’ acht hij gesitueerd te zijn op de grens tussen de drie ‘gemeenten’ Berchem, Molenbeek en Laken.45 Maar enkele belangrijke documenten uit het einde van de veertiende en het begin van de vijftiende eeuw laten over de parochiale afhankelijkheid van het kasteel geen misverstand bestaan. We kunnen aan de hand daarvan vaststellen dat het kasteel Koekelberg tot de parochie Molenbeek behoorde, en tevens dat de heer van Koekelberg en zijn functionarissen grote invloed uitoefenden op het bestuur van de kerk.46

De heer van Koekelberg - in de periode 1382-1417 was dit Willem van den Heetvelde - toonde zich persoonlijk betrokken bij allerlei voor de kerk van Molenbeek belangrijke en minder belangrijke initiatieven. Zo werd er bijvoorbeeld in 1409 een lijvig perkamenten register aangelegd, waarvoor alle Latijnse akten die betrekking hadden op schenkingen ten behoeve van de ‘huusarmen’ van de parochie, werden vertaald en systematisch afgeschreven. Uit de aanhef van het

[p. 31]

handschrift blijkt dat de opdracht tot vervaardiging uitging van de parochiepriester, de beheerders van de armenkas en van ‘heeren Willem vanden Heetuelde, ridder, woenachtich int hof te Cockelberghe binnen der prochien voirseid’.47 Nog een voorbeeld. In een akte uit 1399, hetzelfde jaar waarin de wonderen plaatsvonden die beschreven worden in het handschrift-Van Hulthem, legt het kerkbestuur verantwoording af van de aankoop van twee antifonalia ‘eene somer pertie ende eene winter pertie, ter vorseider kerken behoef, dies groete noet was in de vorseider kerke’ en van de instelling van een jaarlijkse schenking van bier aan pelgrims die op de dag voor de feestdag van Sint Jan de kerk komen bezoeken: ‘alle jaere in Sente Jans auonde den pelgherimen die in de vorseide kerke ligghen hem allen een vat hoppen te deilene of biers den vorseiden pelgherimen ende elken euen vele’. Aan het slot wordt medegedeeld dat dit alles gebeurde met de uitdrukkelijke toestemming van de heer van Koekelberg en enige niet nader genoemde anderen: ‘Ende dit was ghedaen bi here Willemme vanden Heetfelde, riddere, bi sinen consente ende bi anderen goeden lieden vander seluer parochien die haere consente toe daden’.48 De akte is gedateerd op 16 maart, de dag die voorafgaat aan het feest van Sint Gertrudis. Het wijst er eens te meer op hoe de devotie voor Johannes de Doper en Sint Gertrudis in Molenbeek hand in hand gingen. Meer blijken van de sterke verwevenheid tussen het kasteel Koekelberg en de kerk van Molenbeek vindt men in de personele bezetting van sommigen ambten. Zo komen we rond deze tijd een meier van Koekelberg tevens tegen als bestuurder (provisoer) van de Sint-Janskerk.49

Het jaar 1399 is voor de parochie Molenbeek een initiatiefrijk jaar geweest. Een aantekening in het Register van quotidianen, een handschrift dat werd aangelegd in 1381, maar waarin ook latere aantekeningen voorkomen (zoals de hierboven aangehaalde akte uit 1399), maakt melding van verbouwingswerkzaamheden aan de kerk en van de voltooiing van een ‘tafele in den hoeghen coer’. Beide gebeurtenissen vonden plaats in 1399. De tafele was hoogst waarschijnlijk het beschilderde tabula dat in 1637 door Josephus Geldolphi a Ryckel wordt beschreven als een monumetum (sic) perantiquum. Hoewel dit paneel verloren ging tijdens de godsdiensttroebelen, is de tekst die erop te lezen was door A Ryckel wel overgeleverd. Deze tekst maakt gewag van de stichting van de kerk door Sint Gertrudis en wijst op de aanwezigheid van de Sint-Gertrudisput naast het kerkhof, waarvan reeds tallozen de heilzame werking zouden hebben ondervonden.50

Een kerkverbouwing, een kostbare inventarisuitbreiding, een stimulering van de Gertrudisdevotie, de instelling van een jaarlijkse schenking van bier aan pelgrims die Molenbeek bezoeken en tot slot twee wonderbaarlijke gebeurtenissen in de Sint-Janskerk, dit alles in 1399. Het moge duidelijk zijn dat er in dit jaar gepoogd is Molenbeek op de kaart te zetten als aantrekkelijk bedevaartsoord, en dat, behalve het kerkbestuur en de parochiepastoor, met name de heer van Koekelberg tot de initiatiefnemers moet worden gerekend. Een nauwe relatie tussen dit lokale ‘offensief’ en ‘Molenbeek-teksten’ in het handschrift-Van Hulthem mag worden

[p. 32]

verondersteld. Het kan nauwelijks toeval zijn dat, direct volgend op de proclamatie van de mirakelen er een sproke is opgenomen over Sint Gertrudis' minnedronk, de dronk die reizigers elkaar toedrinken ter heugenis aan de bescherming die Gertrudis bood aan de ridder uit de legende.51 Er lijkt een onmiddellijk verband te bestaan tussen de selectie van deze tekst en het initiatief om pelgrims die de kerk op Sint-Jansdag bezoeken een gratis dronk aan te bieden.

Wellicht hoopte men met het aantrekken van grotere aantallen pelgrims meer inkomsten voor de parochie te kunnen genereren. Het valt echter te vrezen dat de publiciteitscampagne nauwelijks het gewenste resultaat heeft gehad. In zijn studie van opgelegde bedevaarten heeft Van Herwaarden een lijst opgenomen van alle bedevaartsoorden waarnaar wetsovertreders uit de Nederlanden bij wijze van straf konden worden veroordeeld door hun lokale overheden. Onder de meer dan vijfhonderd plaatsen in de Nederlanden en daarbuiten die in deze lijst voorkomen, bevinden zich vier Brusselse pelgrimsoorden die interregionaal bekend waren, maar de kerk van Sint-Jans-Molenbeek komt er niet in voor.52 Hieruit blijkt wel dat, ondanks enkele late berichten die spreken van een grote toeloop van bedevaartgangers, de rol die Molenbeek als pelgrimsoord heeft gespeeld slechts zeer lokaal en beperkt is gebleven.53

Hoe dicht de Hulthem-verzameling raakt aan het milieu van de plaatselijke initiatiefnemers kan ook worden afgeleid uit de zeer geringe bekendheid van de mirakelen. Niet alleen kennen we de tekst erover slechts uit het handschrift-Van Hulthem, elke andere vermelding van de voorvallen schijnt te ontbreken. In het genoemde Register van quotidianen, een contemporaine bron die in de kerk zelf is bijgehouden, worden wel de aanschaf van de antifonalia, de verbouwing van de kerk en de voltooiing van het paneel als memorabele gebeurtenissen aangetekend (los van de akten die hierop betrekking hebben), maar vinden we geen notitie over de mirakelen. En ook in goed gedocumenteerde studies als die van Verbesselt over de middeleeuwse parochie Molenbeek en van Van den Haute over het kasteel Koekelberg, ontbreekt een vermelding van de wonderen.54

Omdat we achter de eerder genoemde initiatieven telkens de bemoeienis van Willem van den Heetvelde onderkennen, is er alle aanleiding om een verband tussen de persoon en het milieu van deze ridder en de onstaansgeschiedenis van de Van Hulthem-verzameling nader te onderzoeken.

Koekelberg en Gent

Willem van den Heetvelde nam een vooraanstaande plaats in in het Brusselse openbare leven. In 1371 verwierf hij het poorterschap, en tussen 1381 en 1414 bekleedde hij zeven maal het ambt van schepen. Na in 1378 één van het college van acht bestuurders van het lakengilde geweest te zijn, werd hij tot tweemaal toe, in 1384 en 1396, gekozen tot deken. In 1388 was hij overdeken van het grote

[p. 33]

Brusselse kruisboogschuttersgilde. Terwijl zijn maatschappelijke positie dus stevig verankerd was in de hoogste Brusselse bestuurslaag, behoorde hij tevens, sinds zijn benoeming tot ridder in 1382, tot de Brabantse adel. Vanaf datzelfde jaar wordt hij ook vermeld als echtgenoot van vrouwe Maria van Coeckelbergh.55

Door een huwelijk tussen Elisabeth, de zuster van Maria van Coeckelbergh en Jan van den Heetvelde, zoon van Zeger (II) stammend uit een andere tak van de familie, verkreeg de familie Van den Heetvelde, die oorspronkelijk afkomstig was uit het Land van Gaasbeek, een grote invloed op het noord-westelijke deel van de Brusselse regio.56 De aanstelling van Jan van den Heetvelde als meier van Koekelberg bekrachtigde deze positie.57

Willem van den Heetvelde was dus een aanzienlijk en invloedrijk edelman, die behoorde tot de Brusselse politieke elite. Wat hem voor ons zo interessant maakt, is niet alleen dat hij zijn invloed in de parochie Molenbeek liet gelden, maar dat de oudste van zijn twee dochters, Maria, gehuwd was met de Gentse ridder Symoen SerSanders. Daar Willem zelf geen zoons had, zal het de bedoeling zijn geweest dat zijn dochter en haar Gentse echtgenoot de heerlijkheid eens zouden beërven. Deze SerSanders overleed echter in 1399. De dochter hertrouwde nog hetzelfde jaar met Claes de Swaeff.58 Tenminste tot 1399, zo mogen we dus concluderen, had de heer van Koekelberg behalve in Brussel, ook gewichtige connecties en belangen in Gent.59

Vanuit het perspectief van de tekstverzameling in het handschrift-Van Hulthem is het een belangwekkend gegeven dat Symoen SerSanders in de jaren 1377 en 1380 schepen van Gent was. Ten tijde van de Gentse oorlog maakte hij dus deel uit van het stadsbestuur dat rebelleerde tegen Lodewijk van Male.60 Het is niet erg waarschijnlijk dat een man die op politiek niveau zo direct betrokken was bij de opstand tegen de graaf van Vlaanderen onbekend zou zijn geweest met De maghet van Ghend. Maar, zo zou men zich kunnen afvragen, zijn dit gedicht en de klacht op het overlijden van Lodewijk van Male, vanuit het standpunt van een geëngageerde compilator dan niet tegenstrijdig? Wie zorgvuldig leest, ziet dat dit niet zo is. De maghet van Ghend is geen revolutionair pamflet, maar in laatste instantie een pleidooi voor verzoening tussen Lodewijk van Male en de stad; het perspectief is onmiskenbaar Gents, maar beslist niet anti-grafelijk. Als het aan de graaf had gelegen, was het nooit tot een oorlog gekomen.61 De gelijktijdige aanwezigheid in dezelfde verzameling van een politiek pro-Gents gekleurd gedicht en een klacht op de dood van de tegenstrever van die stad in het conflict is daarom slechts paradoxaal. Het werkelijke conflict had Gent - althans, zo stelt het gedicht het voor - niet met de graaf, maar met zijn raadslieden.

Toen SerSanders in 1399 overleed, waren hij en zijn vrouw woonachtig in een huis aan de Hoogpoort te Gent.62 Als we veronderstellen dat de compilator van de tekstverzameling in het handschrift-Van Hulthem behoorde tot de omgeving van Willem van den Heetvelde, dan zou de familieband tussen de Van den Heetveldes van Koekelberg en SerSanders ook de aanwezigheid van de twee (andere) teksten

[p. 34]

van de verder alleen uit Gent bekende Boudewijn van der Lore (nrs. 23 en 195) in de Brabants-Brusselse verzameling op eenvoudige wijze kunnen verklaren.

Koekelberg en Gaasbeek

In een verkenning van de belangrijkste contacten en connecties van Willem van den Heetvelde mag zijn afkomst uit het Land van Gaasbeek niet onbesproken blijven. Willems vader, Filip van den Heetvelde, was heer van het ‘hof van Heetvelde’ te Oetingen in het Land van Gaasbeek. Willem was zijn enige erfgenaam, en we mogen ervan uitgaan dat dit hof na zijn vaders dood aan hem toeviel.63 Zoals veel andere leden van zijn familie, stond Willem van den Heetvelde in een bijzondere betrekking tot de heer van Gaasbeek.

Bijna een halve eeuw, van 1357 tot aan zijn dood in 1400, was de uit Holland afkomstige Zweder van Abcoude heer van Gaasbeek.64 Deze periode werd slechts onderbroken door een vijfjarig intermezzo van 1376-1381 waarin Zweder zijn Brabantse bezittingen had geruild tegen Wijk bij Duurstede, dat behoorde aan zijn broer Willem. Zweder was verreweg de machtigste edelman in het gebied ten westen en zuid-westen van de Brabantse hoofdstad en als raadsman van zowel de hertog (later de hertogin) van Brabant als van de graaf van Holland, behoorde hij tot de meest invloedrijke edelen in de Nederlanden. Zijn welhaast tomeloze ambitie manifesteerde zich in voortdurende gebiedsuitbreidingen in de richting van Brussel. Maar ook in Holland beschikte hij over kapitale bezittingen. Zo was hij bijvoorbeeld heer van Putten en Strijen. Om zijn invloed te laten gelden aan het Hollandse hof hield hij er tevens een huis in Den Haag op na.65

Overeenkomstig zijn stand nam Zweder volop deel aan de literaire en muzikale cultuur van zijn tijd. Het kasteel te Gaasbeek moet regelmatig door rondreizende sprekers zijn bezocht: Zweder zelf had een heraut, verscheidene speellieden en een spreker, meester Jan genaamd, in dienst. Deze meester Jan wordt ook wel eens aangeduid als zanger. Al deze functionarissen en artiesten zijn geattesteerd aan het Hollandse, het Bloise en het Brabantse hof.66 Het is vrijwel zeker dat meester Jan de spreker van Gaasbeek, Willem van Hildegaersberch persoonlijk kende: ten minste tweemaal kunnen we vaststellen dat meester Jan gelijktijdig met meester Willem een optreden voor het Hollandse hof verzorgde.67

Banden tussen leden van het geslacht Van den Heetvelde en Zweder van Abcoude - en na diens overlijden zijn enige zoon Jacob en diens voogd Willem van Abcoude - zijn talrijk. Om met de heraldiek te beginnen: de Van den Heetveldes voerden een wapen dat ‘overladen’ was met het wapen van Gaasbeek.68 De vader van Jan van den Heetvelde (de latere meier van Koekelberg), Zeger (II) was in 1366 als baljuw van Gaasbeek met Dirc van den Heetvelde, amman van Brussel, getuige bij het huwelijk van Willem van Abcoude en Maria de Walcourt.69 In 1378 is hij opnieuw baljuw van Gaasbeek. In 1371 toonde hij zich samen met een Arnoud van den Heetvelde tij-

[p. 35]

dens de veldtocht naar Bäsweiler onder meer dan veertig mannen de belangrijkste getrouwe van Willem van Gaasbeek.70 In 1383 wordt hij gerekend tot een groep ‘manne Sweders here van Gaesbeke’.71

In 1396 zijn de ridders Seger, Willem en Dirc van den Heetvelde mede bezegelaars van een vonnis dat Zweder van Gaasbeek uitsprak tegen Jan van Heelbeke en Jan van den Voerde (die gehuwd was met een bastaarddochter van Zweder) nadat zij, met enkele helpers, Willem van Kleef, de baljuw van Gaasbeek (een bastaardzoon van Zweder), hadden aangevallen.72

In 1400, niet lang na het overlijden van Zweder, laaide in het ontstane machtsvacuum de strijd op tussen de Gaasbeek-getrouwen. Opnieuw is het Zweders natuurlijke zoon Willem van Kleef die het mikpunt wordt van enkele invloedrijke edelen en adellijke bastaarden. Ditmaal sprak de hertogin zelf recht. Onder de aanvallers, die opereerden onder aanvoering van Jan van Lombeek, bevond zich de reeds genoemde kersverse nieuwe echtgenoot van Marie van Coeckelberghe, heer Claes den Zwaeff, de jonge, met wie Marie was gehuwd na het overlijden van Symoen SerSanders. De straf voor Jan van Lombeek (en ook voor zijn helpers?) was ‘een bedevairt te Sente Jacobs te Galissen ende eenre manet na dat hi van Sent Jacobs wedercomen es [...] noch een bedevairt [...] tonser Vrouwen te Vendomme’.73 Of de in Hulthem opgenomen routebeschrijving naar Santiago de Compostela een relatie heeft met dit vonnis, is moeilijk uit te maken. Het mag echter niet onvermeld blijven dat de beschreven route begint in Parijs en voert langs de plaats Vendôme. Daarmee wijkt de route significant af van de weg die traditioneel door pelgrims vanuit Parijs werd genomen, de Via Turonensis. De belangrijke bedevaartplaats Orléans, vanouds een must voor elke pelgrim die langs deze route reisde, bleef daardoor (letterlijk) links liggen.74 De routebeschrijving in het handschrift-Van Hulthem is van nut geweest voor iemand die èn Vendôme èn Santiago wilde bezoeken.

In de jaren na Zweders dood was Willem van den Heetvelde, evenals als zijn nieuwe schoonzoon Claes den Zwaeff, nochtans één van de ‘magen ende vrienden’, die Willem van Abcoude, dan voogd van Zweders enige zoon Jacob en van de weduwe Gaasbeek, terzijde stonden.75

In de nabije omgeving van Brussel zullen er weinig kastelen zijn geweest die een zo grote aantrekkingskracht uitoefenden op Nederlandstalige sprekers en zangers, als dat van de puissant rijke heer van Gaasbeek.76 Maar nog afgezien daarvan behoeven we er niet aan te twijfelen dat de veelvuldig gedocumenteerde hofaanwezigheid (zowel in Brabant als in Holland) van Zweder van Abcoude, er borg voor staat dat deze edelman menige Hollandse spreker heeft beluisterd. Voor de reeds gesignaleerde ‘Hollandse’ component in de verzameling zou hier wellicht een verklaring kunnen worden gevonden. Van de sproke Een rikelijc scip dat Augustijnken maecte (nr. 129) mogen we bijvorbeeld veronderstellen dat hij door de heer van Gaasbeek met meer dan gewone belangstelling zal zijn gelezen of aangehoord, niet slechts vanwege de allegorie zelf, maar toch zeker ook vanwege de lokalisering van de verhaalde gebeurtenissen. Augustijnken vertelt hoe hij vanuit Dordrecht in een bootje stroom-

[p. 36]

afwaarts de Merwede vaart, tot hij bij stilstaand water komt. Als hij aanmeert en aan land gaat, treft hij daar een kasteel aan dat bevolkt wordt door een groot aantal vrouwen die er een groot schip bouwen. Door een hoofse vrouw worden hem alle onderdelen van het schip allegorisch verklaard. Aan het slot van zijn gedicht vertelt hij hoe hij weer stroomopwaarts roeit en in de avond terugkeert naar de stad en daar temidden van ‘Goet gheselscap vander stede’ aan ‘heren van hogher aert’ vertelt wat hem overkomen is. In het spel dat Augustijnken speelt met realiteit en verbeelding heeft hij Dordrecht gekozen als vertrek- en eindpunt van zijn sproke en voor het allegorische middendeel een niet nader aangeduide plaats in de onmiddellijke nabijheid. Voor de toenmalige toehoorders moet het echter duidelijk zijn geweest dat deze plaats zich bevond op het grondgebied van Zweder van Abcoude, die heer was van Putten en Strijen. Wanneer men vanuit Dordrecht over de Merwede westwaarts vaart, gaat men dit gebied binnen.77

We mogen aannemen dat er veel gelegenheden zijn geweest waarbij Zweder, als Hollands edelman, kan hebben kennisgemaakt met de sproken van Augustijnken. Zulke gelegenheden hebben zich zeker voorgedaan tijdens de Pruissenreis die Jan van Blois ondernam in 1368-1369. In diens gevolg bevond zich behalve Zweder van Abcoude, ook Augustijnken.78

Besluit

Via een eeuwenlang proces van vererving en verkoop viel de heerlijkheid Koekelberg omstreeks het midden van de achttiende eeuw toe aan Jean Baptiste Bonaventure Joseph Helman, baron van Willebroek, een broer van de vroegst bekende eigenaar van het handschrift-Van Hulthem, Philippe Joseph Hubert Helman, heer van Termeeren, enz. (1715-1783).79 Helaas kan langs deze weg niet worden aangetoond dat het handschrift-Van Hulthem, via de familie Helman, teruggaat op een verzameling die is aangelegd in de directe omgeving van Willem van den Heetvelde. Maar de codicologie reikt ons wellicht toch een argument aan dat naar dit milieu wijst. Ter voorbereiding van de recente editie van het handschrift-Van Hulthem werden door de editeurs meer dan tachtig papieren documenten, vrijwel alle uit de periode 1400-1410, onderzocht op watermerken die mogelijk overeenkwamen met watermerken in het handschrift-Van Hulthem. Onder deze documenten waren er slechts zeer weinige waarin identieke watermerken werden aantroffen. Het document dat daarbij de meeste overeenkomsten liet zien met papier in het handschrift-Van Hulthem was het ‘Manboek van Gaasbeek’, een onder Zweders zoon Jacob van Abcoude aangelegd leenregister, daterend uit 1408.80 Hierboven zagen we dat Willem van den Heetvelde in deze periode tot de intimi van Jacob en diens voogd Willem van Abcoude behoorde.

We kunnen bij gebrek aan zo vele gegevens nooit de pretentie hebben om de herkomst van het handschrift-Van Hulthem met zekerheid vast te stellen. Niettemin is

[p. 37]

er een aantal aanknopingspunten in de tekstverzameling dat voldoende aanleiding geeft tot de hypothese dat de compilatie moet zijn ontstaan nabij Sint-Jans-Molenbeek, mogelijk in de omgeving van Willem van den Heetvelde. Voor het handschrift-Van Hulthem zelf is het veel moeilijker om een uitspraak te doen, maar gezien het relatief korte tijdsverloop tussen de completering van de verzameling en de vervaardiging van het handschrift dat wij hebben, kan wellicht aan een gerelateerd milieu worden gedacht.81

 

In 1856 publiceerde J. Vanderstichele het verslag van de wonderen van Molenbeek onder de titel ‘Dietsche kleinigheden’ in de Rumbeeksche avondstonden, een boek dat in zeer kleine oplage werd gedrukt en dat aan slechts weinigen bekend was.82 Tot het verschijnen van de integrale diplomatische editie van het gehele verzamelhandschrift was dit de enige editie. Niemand zal betwisten dat de tekst en de voorvallen die erin worden verhaald op zichzelf genomen inderdaad slechts van gering belang zijn. Maar in de context van de verzameling als geheel krijgt de proclamatie opeens een andere betekenis. De inhoudelijke rijkdom van het handschrift-Van Hulthem heeft latere onderzoekers bij herhaling verleid tot het verlenen van prikkelende aanduidingen die recht doen aan het bijzondere karakter van de verzameling. Na ‘De Nachtwacht van de Middelnederlandse letterkunde’ lijkt thans ‘'s Levens felheid in één band’ in zwang. Misschien is het handschrift met die twee deviezen wel afdoende getypeerd, maar wie zich de omvang, de verscheidenheid en het belang van de verzameling realiseert, en daarbij ook de vermoedelijke herkomst van dit alles betrekt, zal wellicht nog het liefst spreken van een verbazingwekkend ‘Wonder van Molenbeek’.

Literatuur

Adam, P. & F. Collon, ‘Armoiries brabançonnes médiévales d'après des sources inédites’, in: Brabantica 4 (1959), 145-192; 5 (1960), 112-143.
Anrooij, W. van, Spiegel van ridderschap. Heraut Gelre en zijn ereredes. Amsterdam, 1990, NLCM 1.
Anrooij, W. van, ‘Bijdrage tot een geografische situering van het handschrift-Van Hulthem’, in: Spiegel der letteren 28 (1986), 225-233.
Anrooij, W. van, ‘“Hoemen ene stat regeren sal”. Een vroege stadstekst uit de Zuidelijke Nederlanden’, in: Spiegel der letteren 34 (1992), 139-157.
Anrooij, W. van, ‘29 september 1399: In Brussel vinden twee mirakelen plaats, die kort daarop in het handschrift-Van Hulthem worden opgeschreven. Literaire veelzijdigheid in een stedelijke verzamelcodex’, in: M.A. Schenkeveld-van der Dussen (hoofdred.), Nederlandse literatuur, een geschiedenis. Groningen, 1993, 86-91.
Anrooij, W. van, & A.M.J. van Buuren, ‘'s Levens felheid in één band: het handschrift-Van Hulthem’, in: H. Pleij e.a., Op belofte van profijt. Stadsliteratuur en burgermoraal in de Nederlandse letterkunde van de middeleeuwen. Amsterdam, 1991, NLCM 4, 184-199, 385-391.
[p. 38]
Baere, G. de, V. Fraeters & F. Willaert, ‘Vanden bogaert die ene clare maecte’, in: H. van Dijk, W.P. Gerritsen, O.S.H. Lie & D.E. van der Poel (red.), Klein kapitaal uit het handschrift-Van Hulthem. Zeventien teksten uit hs. Brussel, K.B. 15.589-623 uitg. en ingel. door neerlandici, verbonden aan tien universiteiten in Nederland en België. Hilversum, 1992, MSB 33, 77-85.
Bergmans, S., ‘Un fragment peint du Pèlerinage des Épileptiques à Molenbeek-Saint-Jean, oeuvre perdue de Pierre Bruegel l'Ancien’, in: Revue belge d'archéologie et d'histoire de l'art 41 (1972), 41-57.
Bottineau, Y., Les chemins de Saint-Jacques. Paris, 1964.
Brinkman, H., & J. Schenkel (ed.), Het handschrift-Van Hulthem. Hs. Brussel, Koninklijke Bibliotheek van België, 15.589-623. Hilversum, 1999, MVN 7, 2 dln.
Dabrówka, A., Untersuchungen über die mittelniederländischen Abele Spelen (Herkunft - Stil - Motive). Warszawa, 1987.
Danckaert, L., Brussel. Vijf eeuwen cartografie. Knokke, 1989.
Demuynck, R., ‘De Gentsche oorlog (1379-1385). Oorzaken en karakter’, in: Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, N.R., 5 (1951), 305-318.
Dickstein-Bernard, C., ‘La gestion financière d'une capitale à ses débuts: Bruxelles, 1334-1467’, in: Annales de la Société royale d'Archéologie de Bruxelles 54 (1977), 1-504.
Duerloo, L. & P. Janssens, Wapenboek van de Belgische adel van de 15de tot de 20ste eeuw. F-M. Brussel, 1992.
Ernsting, P. & J.D. Winsemius, Regesten van oorkonden en akten voorkomende in de registers van de heren van Putten en Strijen. 's-Gravenhage, 1969.
Gestel, C. van, Historia sacra et profana archiepiscopatus Mechliniensis; sive Descriptio archi-dioecesis illius [...]. Hagae Comitum, 1725, 2 dln.
Godding, Ph., Le droit foncier à Bruxelles au moyen âge. Bruxelles, 1960, Études d'histoire et d'ethnologie juridiques, 1.
Gouw, J.L. van der, ‘Een geneeskundig recept uit 1390’, in: Hollandse studiën 3 (1972), 67-75.
Gouw, J.L. van der, Rekeningen van de domeinen van Putten 1379-1429. 's-Gravenhage, 1980, Rijks Geschiedkundige Publicatiën, Grote serie, 170.
Groot, A.G. de, ‘Zweder en Jacob van Gaasbeek in Zuid-Holland’, in: Zuid-Hollandse studiën 8 (1959), 39-99.
Gumbert, J.P., Die Utrechter Kartäuser und ihre Bücher im frühen fünfzehnten Jahrhundert. Leiden, 1974.
Haute, R. van den, Le château de Koekelberg. Bruxelles, 1980.
Henne, A. & A. Wauters, Histoire de la ville de Bruxelles. Bruxelles, 1845, 3 dln.
Herwaarden, J. van, Opgelegde bedevaarten. Een studie over de praktijk van opleggen van bedevaarten (met name in de stedelijke rechtspraak) in de Nederlanden gedurende de late middeleeuwen (ca 1300-ca 1550). Assen, 1978.
Hogenelst, D., Sproken en sprekers. Inleiding op en repertorium van de Middelnederlandse sproke. Amsterdam, 1997, NLCM 16, 2 dln.
Jonckbloet, W.J.A., Geschiedenis der Middennederlandsche dichtkunst. Derde deel, tweede stuk. Amsterdam, 1855.
Jonckbloet, W.J.A., Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Tweede deel. 4e dr., herz. door C. Honigh. Groningen, 1889.
[p. 39]
Jongen, L., ‘Met voorbedachte rade. De Troje-bloemlezing in het handschrift-Van Hulthem’, in: K. Porteman, W. Verbeke & F. Willaert (red.), Tegendraads genot. Opstellen over de kwaliteit van middeleeuwse teksten. Leuven, 1996, 111-118.
Jungmann S.J., J.A., Missarum sollemnia. Eine genetische Erklärung der römischen Messe. Fünfte, verbesserte Auflage. Z.p., 1962, 2 Bd.
Juvyns, M.-J., ‘Le couvent des Riches-Claires à Bruxelles (1343-1585)’, in: Franciscana 19 (1964), 120-136; 20 (1965), 141-163; 21 (1966), 75-106, 131-177.
Kienhorst, H., ‘Middelnederlandse verzamelhandschriften als codicologisch object’, in: G. Sonnemans (red.), Middeleeuwse Verzamelhandschriften uit de Nederlanden. Congres Nijmegen 14 oktober 1994. Hilversum, 1996, MSB 51, 39-60.
Klein, J.W., ‘(Middelnederlandse) handschriften: produktieomstandigheden, soorten, functies’, in: Queeste 2 (1995), 1-30.
Lambert, E., Études médiévales. Toulouse, 1956, 4 dln.
Leendertz jr., P. (ed.), Middelnederlandsche dramatische poëzie. Leiden, [1900-1907], BML 63, 66, 67 & 71.
Lievens, R., ‘[recensie van] H. Pleij, Het literaire leven in de middeleeuwen. Leiden, 1984’, in: Spiegel der letteren 32 (1990), 327-330.
Lindemans, J., ‘Oude Brabantse geslachten: Van Overstraeten’, in: Brabantica 2 (1957), 221-284.
Lingbeek-Schalekamp, C., Overheid en muziek in Holland. Een onderzoek naar de rechten en plichten van zangers, organisten, beiaardiers en speellieden, in overheidsdienst in de Nederlanden, in het bijzonder in Holland, tot 1672. [Rotterdam], 1984.
Lodder, F.J., Lachen om list en lust. Studies over de Middelnederlandse komische versvertellingen. Ridderkerk, 1997.
Madou, M., De heilige Gertrudis van Nijvel. I. Bijdrage tot een iconografische studie; II. Inventaris van de Gertrudisvoorstellingen. Brussel, 1975, Verhandelingen van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België, Klasse der Schone Kunsten, jg. 37, nr. 29.
Martens, M., L'administration du domaine ducal en Brabant au moyen âge (1250-1406). Z.p., 1952.
Martens, M. (red.), Histoire de Bruxelles. Toulouse, 1976.
Meder, T. (a), Sprookspreker in Holland. Leven en werk van Willem van Hildegaersberch (circa 1400). Amsterdam, 1991, NLCM, 2.
Meder, T.(b), ‘De Sint Gertrude-sproke van Willem van Hildegaersberch’, in: De nieuwe taalgids 84 (1991), 320-333.
Meerbeeck, L. van, Archives générales du Royaume: Archives ecclésiastiques du Brabant, supplément. Inventaires sommaires d'archives déposées par des fabriques d'églises de la Province de Brabant. Bruxelles, 1973.
Mierlo, J. van, ‘Is Jan Dille de dichter van onze abele spelen?’, in: Verslagen en mededelingen der Koninklijke Vlaamse Academie voor taal- en letterkunde (1957), 67-83.
Nuffel, E. van, ‘Het parochie-archief van Ganshoren’, in: Eigen schoon & De Brabander 46 (1963), 185-197.
Oosterman, J.B., ‘Heiligengebeden en een verdwenen blad uit het handschrift-Van Hulthem (Brussel, KB, Hs. 15.589-623)’, in: Spiegel der letteren 36 (1994), 307-318.
Parijs, H.C. van, Généalogie des familles inserites aux lignages de Bruxelles en 1376 d'après les travaux de J.B. Houwaert et d'après les sources originales. Brussel, 1957-1971, 10 dln.
Pinchart, A., ‘La cour de Jeanne et de Wenceslas et les arts en Brabant, pendant la seconde moitié du xive siècle’, in: Revue trimestrielle 6 (1855), 5-31.
[p. 40]
Pleij, H., De sneeuwpoppen van 1511. Literatuur en stadscultuur tussen middeleeuwen en moderne tijd. Amsterdam, 1988.
Raadt, J.-Th. de, Sceaux armoriés des Pays-Bas et des pays avoisinants (Belgique - Royaume des Pays-Bas - Luxembourg - Allemagne - France). Recueil historique et héraldique. Tome I, Bruxelles, 1897.
Reynaert, J., ‘Boudewijn van der Luere en zijn “Maghet van Ghend”’, in: Jaarboek De Fonteine (1980-1981), 109-130.
Ryckel, Josephus Geldolphi a, Vitae S. Gertrvdis, abbatissae Nivellensis, Brabantiae tvtelaris, historicae narrationes tres. Lovanii, 1632.
Ryckel, Josephus Geldolphi a, Historia S. Gertrvdis Principis Virginis, Primae Nivellensis Abbatissae. Bruxelae, 1637.
Ryckman de Betz, baron de, Armorial général de la noblesse belge. Liège, 1957.
Schenkel, J., ‘Het handschrift-Van Hulthem, het Comburgse handschrift en de scriptoriumhypothese’, in: Queeste 4 (1997), 42-59.
Sleiderink, R., ‘Dichters aan het Brabantse hof (1356-1406)’, in: De nieuwe taalgids 86 (1993), 1-16.
Tack, P., ‘Onderzoek naar den ouderdom van het Hulthemse handschrift’, in: Het Boek 2 (1913), 81-91.
Uyttebrouck, A., Le gouvernement du duché de Brabant au bas moyen âge (1355-1430). z.p., 1975, 2 dln..
Uytven, R. van, Stadsfinanciën en stadsekonomie te Leuven van de XIIe tot het einde der XVIe eeuw. Brussel, 1961, Verhandelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België, Klasse der Letteren, 23 (1961), 44.
Vanderstichele, J., ‘Dietsche kleinigheden’, in: Rumbeeksche avondstonden. Gent, 1856, 16-26.
Vennekens, F., La seigneurie de Gaesbeek (1236-1795). Avec une introduction de G. Lockem. Hekelgem, 1935.
Vennekens, F. & C. Coppens, ‘Chronologische lijst van de stukken voorhanden in het Charterboek van Gaasbeek’, in: Eigen schoon & De Brabander 31 (1948), 303-324.
Verbesselt, J., Het parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13e eeuw. Deel IV. Tussen Zenne en Dender - III. Pittem, 1965.
Verbesselt, J., ‘De Sint-Janskerk van Molenbeek de oudste kerk van Brussel en Sint-Gorik of Sint-Michiel de oudste kerkpatroon van Brussel?’, in: Eigen schoon en De Brabander 78 (1995), 1-20.
Vercruysse, J., ‘Een eerherstel: Sweder van Abcoude’, in: Eigen schoon & De Brabander 46 (1963), 382-401.
Wackers, P., Het belang van de studie van verzamelhandschriften’, in: G. Sonnemans (red.), Middeleeuwse Verzamelhandschriften uit de Nederlanden. Congres Nijmegen 14 oktober 1994. Hilversum, 1996, MSB 51, 23-37.
Warnar, G., ‘Een sneeuwbui in het Zoniënwoud. Middelnederlandse geestelijke letterkunde ten tijde van Jan van Ruusbroec’, in: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde 113 (1997), 101-115.
Wauters, A., Histoire des environs de Bruxelles ou Description historique des localités qui formaient autrefois l'ammanie de cette ville. Bruxelles, 1855, 3 dln.
Wiele, J. van de, Regesten op de Jaarregisters van de Keure. Schepenjaar 1404-1405. Gent, 1981.
Willaert, F., ‘[recensie van] A. Dabrówka, Untersuchungen über die mittelniederländischen Abele Spelen (Herkunft - Stil - Motive), Warschau, 1987’, in: Spiegel der letteren 33 (1991), 307-312.
Win, P. de, ‘Abcoude, Jacob van, heer van Gaasbeek, Putten, Strijen, Abcoude, Wijk en Duurstede’, in: Nationaal biografisch woordenboek. Deel 9, Brussel, 1981, k. 1-8.
Wynant, L., Regesten van de Gentse staten van goed. Eerste reeks: 1349-1400. Band II. 1371-1400. Brussel, 1985.
1Ik ben veel dank verschuldigd aan W. van Anrooij, H. van Dijk en J.A.A.M. Biemans, die waardevol commentaar leverden op een voorstudie van dit artikel. Drs. R. Sleiderink dank ik voor zijn belangeloze hulpvaardigheid. Mijn Leidse NLCM-collega's hebben tijdens stimulerende gedachtenwisselingen niet weinig bijgedragen aan de definitieve inhoud van het artikel.

2Het handschrift-Van Hulthem wordt bewaard in de Koninklijke Bibliotheek van België te Brussel onder de signatuur hs. 15.589-623. De tekst over de wonderen (f. 188va-189ra) is geëditeerd in Brinkman & Schenkel 1999. Het nummer van de tekst verwijst, evenals de overige tekstnummers in dit artikel, naar deze editie.
3Zie de beschrijvingen in Leendertz 1900-1907 en Tack 1913 en verder ook Van Anrooij 1993.

4Op grond van de auteur, de opdrachtgever, de plaats van handeling of het referentiekader kunnen de volgende teksten in verband worden gebracht met Brussel (ik baseer me op Van Anrooij & Van Buuren 1991, 190-192): 6, 130, 139, (212) (auteur); 13 (opdrachtgeefster); 132, 164, 191 (plaats van handeling); 19, (37), (67), (101), (135), 143, 153 (referentiekader). Teksten waarbij het verband met Brussel niet volstrekt evident is, zijn tussen haakjes geplaatst. De teksten 45, 111 en 178 worden door Warnar (1997, 110) gerelateerd aan het geestelijke klimaat van de Brusselse kloosters Groenendaal en Rooklooster.
5Brabant: 101 [Antwerpen] (auteur); 45 [Leuven], 141 [Leuven] (plaats van handeling); 101 [Leuven] (referentiekader); Holland: 49, 102, 129, 166, 179, 192 (auteur); 129 [Dordrecht e.o.], 151 [Dordrecht] (plaats van handeling); 30 [Haarlem] (referentiekader); Vlaanderen: 23 [Gent], 100 [Gent], 195 [Gent] (auteur); 100 [Gent], 163 [Lokeren] (plaats van handeling); 130, 206b [Kortrijk, Gent] (referentiekader); Luik: 131 [Hasselt] (plaats van handeling); 211 [Maastricht] (referentiekader). De excerpten uit het werk van Maerlant, Boendale en Velthem zijn hier niet genoemd, daar het om (anonieme) citaten en excerpten gaat. Zie verder Van Anrooij & Van Buuren 1991, 191.
6Zie met name Van Anrooij 1986 en Meder 1991a, 172.
7Van Uytven 1961, 409-410. De hertogelijke residentie bevond zich ten tijde van Wenceslas en Johanna te Brussel.
8Pinchart 1855, 23-24.
9Van Anrooij & Van Buuren 1991, 190-191.
10Op grond van dit gegeven heeft Van Mierlo de mogelijkheid van een Hollandse oorsprong van het handschrift serieus overwogen (Van Mierlo 1957, 79-80).
11Tegen achttien bekende betalingen aan Augustijnken in rekeningen van Blois en Holland, staat niet één vermelding in een Brabantse rekening. Wel bezocht Augustijnken Mechelen in 1362 en het Brusselse hof in 1366, beide keren in het gevolg van zijn heer Jan van Blois (Jonckbloet 1855, 623, 638) en vinden we hem in Antwerpen bij de Hollandse graaf (Jonckbloet 1855, 601). Overigens vermoedt Sleiderink dat Augustijnken hertog Wenceslas beter kende dan uit deze rekeningposten blijkt (Sleiderink 1993, 6-7). Van Willem van Hildegaersberch zijn tientallen optredens bekend, die echter alle plaatsvonden in de Noordelijke Nederlanden (Meder 1991a, 46). Dat in Augustijkens sproke Een rikelijc scip dat Augustijnken maecte (nr. 129) nog een Hollandse dialecteigenaardigheid doorschemert, is dus begrijpelijk. De kopiist van het handschrift spelt zeer consequent Vlaams-Brabants es, maar laat in regel 167 van deze tekst de (binnen de contekst van Hulthem) zeer zeldzame Hollandse vorm is er tussendoor glippen.
12Van Anrooij 1993, 87.
13De boerde Van den cnape van Dordrecht ene sotte boerde (nr. 151) speelt zich niet alleen af in Dordrecht, maar lijkt ook het werk te zijn van een Hollandse auteur (Lodder 1997, 128). In Wisen raet van vrouwen (nr. 30) wordt het publiek verondersteld bekend te zijn met niet nader genoemde voorvallen die plaatsvonden in Haarlem. Jan van Hollant, de auteur van Van den verwenden keyser (nr. 24) is alleen bekend van twee optredens aan het Hollandse hof (Meder 1991a, 568; Hogenelst 1997, I, 39). Jan Dille, auteur van Venus boem met VII coninghinnen (nr. 99) is zowel uit Brabant als uit Holland bekend (Meder 1991a, 568; Sleiderink 1993, 7-8).
14Van Anrooij & Van Buuren 1991, 192.
15De datering van de tekst in het colofon (28 september 1399) komt niet precies overeen met de datering van de wonderen in de tekst zelf. In de tekst is namelijk sprake van twee wonderen, één op Sint-Michielsdag (29 september) en één op de dag daarna (zie ook Van Anrooij 1986, 228).
16Voor de meest recente datering zie Brinkman & Schenkel 1999, 42-47.
17Onderzoek waarin wordt beoogd de taal van de kopiist en die van de (ongetwijfeld vele) onderliggende substraten te onderscheiden is nog altijd een desideratum. Een aanknopingspunt tot differentiatie tussen de taal van het handschrift zelf en dat van de legger kan wellicht worden gevonden in zelfcorrecties van de kopiist waar een dialectgeografische ratio achter kan worden vermoed. Als voorbeelden noemen wij de vele plaatsen waar door superscripte toevoeging van de letter e een klinker wordt verlengd (houe gewijzigd in hoeue (1vb27), wert gewijzigd in weert (6va37), ansichte gewijzigd in aensichte (9ra16)) en waar dialectisch bepaalde orthografie wordt gecorrigeerd (bem herzien in ben (9rb17)). Het eerstgenoemde verschijnsel werd voor het eerst door Verdeyen gesignaleerd (zie Dabrówka 1987, 61).

18Zie over de scriptoriumhypothese Schenkel 1997 en Brinkman & Schenkel 1999, 26-28.
19Klein 1995, 24; zie ook Brinkman & Schenkel 1999, 28. In een separaat artikel zal ik aangeven waarom de scriptoriumhypothese, hoe aantrekkelijk zij ook lijkt, te zwak gefundeerd is om aanspraak te kunnen maken op voldoende waarschijnlijkheid.
20Lievens 1990; Willaert 1991; Klein 1995; Kienhorst 1996; Wackers 1996.
21Of het handschrift-Van Hulthem nu louter een afschrift is van een legger waarin alle teksten reeds in dezelfde volgorde voorkwamen - en daar zijn nogal wat argumenten voor te geven - of juist niet, die scheiding blijft van principieel belang. De verhouding van het handschrift-Van Hulthem tot zijn legger(s) zal hier buiten beschouwing blijven en in het in noot 19 aangekondigde artikel aan de orde worden gesteld.
22De observatie is van Van Anrooij & Van Buuren (1991, 189).
23Namelijk in het eerder genoemde onderzoek van Van Anrooij & Van Buuren 1991.
24Het citaat is van Van Anrooij (1993, 87).
25Brinkman & Schenkel 1999, 16.
26Van Anrooij & Van Buuren 1991, 196.
27Zie voor de reconstructie van deze onvolledig overgeleverde groep gebeden Oosterman 1994.
28Bedoeld is de tweede stadsmuur, waarvan de aanleg begon in 1357 (Martens 1976, 103). Gegevens over Sint-Jans-Molenbeek zijn met name ontleend aan Wauters (1855, I, 323, 326, 539) en Verbesselt (1965, 159-199).
29Verbesselt 1965, 163.
30Zie de kaarten in Verbesselt 1965 op pp. 166 en 178.
31Het kapittel was er ook verantwoordelijk voor de rechtspraak. Er bestond een speciaal college ‘schepenen van Sint Goedele in Molenbeek’ (Godding 1960, 313).
32Verbesselt 1965, 188.
33Verbesselt 1965, 197.
34De kerkelijke plechtigheden in Molenbeek worden genoemd in Verbesselt 1965, 198-199.
35Verbesselt 1965, 173.
36Een gebed zoals dat te lezen was in de Sint-Janskerk (inc.: Salve nobilis virgo Gertrudis) wordt gegeven door J.G. a Ryckel (1632, 198). Dat vrouwen die 's nachts wakker lagen van hun huilende baby's en zij die juist hun kraambed achter de rug hadden naar de Sint-Janskerk gingen om daar over hun kinderen het Sint-Jansevangelie te laten lezen, vermeldt hij elders (1637, 609-610). Aan het einde van de Middeleeuwen is de Johannes-proloog deel gaan uitmaken van het slot van de mis. De geografische verspreiding hiervan is zeer verschillend. Voor het eerst is een zodanig gebruik gedocumenteerd in 1256. In het bisdom Luik komt het voor het eerst voor omstreeks 1285, maar dan alleen in de privé-mis. In het Duitse rijk is het op veel plaatsen in de vijftiende eeuw nog niet doorgedrongen (Jungmann 1962, II, 555). Een verklaring van het opnemen van de perikoop als vast onderdeel van de mis, ligt waarschijnlijk in het aloude gebruik ervan als zegen, onder meer (zoals ook in Molenbeek) over pasgedoopte kinderen (ibid., 555 n. 11). Zie voor de Sint-Gertrudisverering in de Nederlanden en daarbuiten Madou 1975.
37De litanie van alle heiligen die achter de vertaling van de zeven boetpsalmen is opgenomen (nr. 6) kan gefunctioneerd hebben bij de Allerheiligenprocessie.
38Pleij 1988, 158.
39In tekst 164 treft de ik-figuur, op zijn weg de stad uit, een begard en een begijn aan ‘Neuen tslots berghe inden wigaert’ (164, vs.4; overigens schreef de kopiist in plaats van ‘tslots’ abusievelijk ‘tflots’). Het tot dusverre nog niet geïdentificeerde ‘slotsberghe’ (blijkens de tekst naast het begijnhof gelegen), kan moeilijk iets anders zijn geweest dan het kasteeltje waarvan de ruïnes zich in elk geval nog in 1565 ter plaatse bevonden, op een heuvel midden in de Bontgracht. Henne en Wauters (1845, III, 513) beschrijven de plaats als volgt: ‘Au milieu du Bontgracht, il y avait, en 1565, un monticule couvert de murs et de créneaux, restes d'une ancienne habitation’. Op of nabij deze plaats verrees later een kasteeltje dat de bijnaam ‘het Slotje’ droeg (Henne & Wauters 1845, III, 513). Aan de overzijde van het water bevond zich een gebied genaamd de ‘Begynenvyver’ (zie de bijgevoegde kaart in Godding 1960).

40Over het religieuze karakter van de pelgrimsreistekst (nr. 197) kan men van mening verschillen.
41Hogenelst 1997, II, R80.
42Jongen 1996, 117-118.
43Zie voor beide dateringen Van Anrooij & Van Buuren (1991, 186).
44Voor een geannoteerde editie en een interpretatie van dit gedicht zie Reynaert 1980-1981.

45Van den Haute (1980, 4) signaleert een tot het kasteel behorende kapel, die zich evenwel niet bevond in het kasteelcomplex, maar die ressorteerde onder de parochie Sint-Agatha-Berchem.
46Zie behalve de hierna te citeren bronnen ook Van Nuffel (1963, 187), waarin sprake is van een document uit 1501 betreffende ‘het hof Couckelberghe te Brussel in de parochie St.-Jans-Molenbeke’.
47Brussel, Algemeen Rijksarchief, Archives ecclésiastiques, Supplément, inv.nr. 25.456, f. 35r. De volledige aanhef luidt: Desen boec daer men inne vinden sal scepene brieue van Bruessel ghetranslateert ende ghetrocken vten Latine in Dietsche, sprekende van alrehande ende gheheelen renten, goeden ende cheinsen, toebehoerende den huusarmen van Sinte Jans van Molenbeke in Bruessel was gheordineert ende ghemaect bi heeren Janne Mouweric, priester, cureit der kerken van Sinte Jans voirseid, heeren Willem vanden Heetuelde, ridder, woenachtich int hof te Cockelberghe binnen der prochien voirseid, bi Gillisen van Ossegier, cousmaker, Gillisen Pauwels, prouisoers ende besorghers der huusarme voirseid ende bi den anderen goiden lieden der seluer prochien int jaer ons heeren doe men screef duysent vierhondert ende neghen te Sinte Jans misse Baptisten in den midsomer.
48Brussel, Algemeen Rijksarchief, Archives ecclésiastiques, Supplément, inv.nr. 25.314, f.30v.
49Henri de Riemnayere (ook: de Riemmakere) is in 1371-1377 en 1391 geattesteerd als meier van Koekelberg en in 1381 als provisoer van de kerk van Molenbeek (Godding 1960, 318 n.109 en Van Meerbeeck 1973, 44).
50De tekst luidde (naar A Ryckel 1637, 517): ‘Notam sit omnibus & singulis, quorum intererit, S. Gertrudem donasse fundum hunc seu aream, in quo primò fundata fuit olim Basilica ad Dei Omnipotentis, & S. Ioannis Baptistae honorem. Puteumque huic caemeterio adiacentem, ab eâdem Sanctâ Virgine sumpsisse nomen & virtutem, hodieque dici S. Gertrudis puteum, ex quo populares innumeri cum firmâ spe recuperandae sospitatis bibunt, eiusdem S. Gertrudis opem implorantes: quibus vt plurimùm obtingit optata salus. Vnde laus & honor Deo bonorum omnium fonti.’ Het paneel bestond nog, volgens A Ryckel, zestig jaar vóór hij schreef, dat wil zeggen in 1577. Verbesselt (1965, 172) citeert deze tekst naar Van Gestel (1725, II, 98), die zich echter op zijn beurt baseerde (zonder bronvermelding) op A Ryckel.
51De minnedronk op Sint Gertrudis was wijd verbreid. In de Sint-Gertrudisabdij te Nijvel werd deze dronk echter ook ‘binnen de kerkmuren’ gecultiveerd, getuige de interessante rekeningpost uit 1398 die door Meder (1991b, 323) wordt aangehaald en waaruit blijkt dat Willem van Oostervant (de latere Hollandse graaf Willem VI) naar de Nijvelse abdij reed om er uit handen van een priester de dronk aan te nemen.
52Van Herwaarden 1978, 689-703. Voor Brussel: aldaar, 692. Blijkens een tekening van Pieter Brueghel de Oude (woonachtig te Brussel) heeft Sint-Jans-Molenbeek tot in de zestiende eeuw bekendheid gehouden als plaats waar epileptici eenmaal per jaar al dansend heen werden geleid, zodat zij voor een jaar genezen zouden zijn (Bergmans 1972).
53Verbesselt (1965, 174) haalt het zeventiende-eeuwse getuigenis van de pastoor van Molenbeek aan waarin sprake is van een grote belangstelling voor de ommegang op Sint-Jansdag.
54Verbesselt (1965, 199) signaleert wel het gebruik dat bij de processie op Allerzielen men driemaal rond de kerk ging in een steeds breder wordende kring, maar bekent de oorsprong er niet van te kennen. Het is echter zeer waarschijnlijk dat dit gebruik herleid moet worden tot het eerste mirakel van 1399.

55Zie over hem Van Parijs 1957-1971, 515-516. Marie van Coeckelbergh (weduwe van Hendrik Fraeybaert) was dochter van Wouter van Coeckelbergh junior (Van Parijs 1957-1971, 502). Nu is een Wouter van Coeckelbergh in de jaren 1346 en 1348 bekend als voogd van het Rijke-Clarenklooster. In dezelfde periode (en nog in 1364) was een familielid van hem, Elisabeth van Héverlé (weduwe van ridder Gerard van Coeckelbergh) claris in dit dan nog jonge klooster (Juvyns 1964, 129-132). De Baere, Fraeters en Willaert (1992, 77-78) suggereerden reeds dat het gedicht Vanden bogaert die ene Clare maecte (nr. 111) in het Brusselse clarissenklooster zou zijn ontstaan. De familiale contacten tussen dit klooster en Koekelberg zouden de aanwezigheid van het gedicht in het handschrift-Van Hulthem wellicht verklaren.
56Jan van den Heetvelde bezat onder meer de borch Treutinghen te Lennik, het hof te Malesijn te Gooik en het huis Leeuwenberch te Brussel (Van Parijs 1957-1971, 502).
57Jan van den Heetvelde wordt als meier genoemd vanaf 1404.
58De dochter uit het huwelijk met Symoen SerSanders, Catharina SerSanders, werd de volgende vrouwe van Koekelberg.
59Het huwelijk van de dochter Van den Heetvelde met SerSanders is begrijpelijk uit politiek oogpunt, aangezien deze man behalve onroerend goed in Gent ook grond daarbuiten bezat, waaronder gebieden ten westen van de heerlijkheid Koekelberg (Erembodegem en Denderhoutem; zie Wynant 1985, 359 nr. 4959). Koekelberg lag aan de Vlaamse steenweg die voerde naar Gent. Wie uit Gent naar Brussel reisde passeerde dus, voor hij in Brussel aankwam, dit dorp. Dit zal ook de aanwezigheid in de zeventiende eeuw verklaren van een herberg in Koekelberg genaamd de Maeght van Gent (Wauters I, 344).
60Zie ook Demuynck 1951, 317. Symoen SerSanders wordt door Demuynck gerekend tot de vertegenwoordigers van de meest aanzienlijke Gentse families die een actieve rol hebben gehad in het verzet tegen de graaf. Een schepenbrief, gedateerd 28 juli 1405, doet vermoeden dat hij ook één van de financiers van de opstand was. Uit die akte blijkt namelijk dat het stadsbestuur van Gent op 13 augustus 1380 heeft verklaard aan SerSanders en aan twee anderen het bedrag van 250 pond parisis schuldig te zijn (Van de Wiele 1981, 178 nr. 1395).
61Men leze de verzen 96-98, 128-131 en 236-242.
62Wynant 1985, 359 nr. 4959.

63Het graf van Filips vermeldt als sterfjaar 1375, maar de juistheid van dit jaartal wordt betwijfeld (Van Parijs 1957-1971, 514).
64Zie over Zweder van Abcoude Vennekens 1935, De Groot 1959, Vercruysse 1963, Gumbert 1974 en De Win 1981.
65De Groot 1959, 60.
66Hogenelst 1997, I, 154; Meder 1991a, 568. Zie ook de volgende noot.
67Tijdens de vastenavondviering in 1389 aan het hof in Den Haag traden beide sprekers op (Meder 1991a, 548) en in 1385 is een gezamenlijk optreden geregistreerd van Willem van Hildegaersbergh, de heraut Abcoude en Hannekin de zanger van Abcoude (Lingbeek-Schalekamp 1984, 166). Waarschijnlijk gaat het bij de laatste om de spreker. Meester Jan wordt afwisselend aangeduid als ‘meester Jan de dichter die bi den heer van Apcoude plach te wesen’, ‘meester Jan des heren spreker van Gaesbeke’ en ‘meester Jan des heren sangher van Gaesbeke’ (Lingbeek-Schalekamp 1984, 177-179; zie ook Janse 1992, 126). In de rekeningen van Blois is sprake van ‘des heren hyraut ende senger van Gaesbeke’ (Pinksteren 1388; Jonckbloet 1855, 652). Ook het optreden met Pasen te Middelburg van Willem van Hildegaersberch en een ‘meester Jan den zangher’ betreft waarschijnlijk het tweetal (Lingbeek-Schalekamp 1984, 176). In verband met de dubbele hoedanigheid spreker/zanger van meester Jan, merken we op dat er behalve liedteksten ook muzieknotatie voorkomt in het handschrift-Van Hulthem. Het is zelfs waarschijnlijk dat de ontbrekende slotbladen muzieknotatie hebben bevat. Een optreden van ‘sgreven spreker van Lyninge’ voor het Bloise hof in 1388 (Jonckbloet 1855, 652) verdient vermelding vanwege het huwelijk van Zweder met Anna van Leyningen (De Groot 1959, 388).
68Adam & Collon 1959, 179 nr. 293.
69Ernsting & Winsemius 1969, 72, nr. 289.
70Vennekens 1935, 38.
71Zie Dickstein-Bernard 1977, 338 n. 548; De Raadt 1897, I, 159; Vennekens & Coppens 1948, 308. Deze Zeger van den Heetvelde stichtte in 1384 de kapel van het H. Kruis in de Sint-Nicolaaskerk (Van Parijs 1957-1971, 501).
72Wauters 1855, I, 146.
73Vennekens & Coppens 1948, 321.
74De Via Turonensis is één van de vier routes die beschreven worden in de twaalfde-eeuwse reisgids welke wordt bewaard in de Codex Calixtinus. Deze gids is eeuwenlang het vademecum geweest voor pelgrims, die aan de hand daarvan alle belangrijke heiligdommen onderweg bezochten (Lambert 1956, I, 145-149, 152 en Bottineau 1964, 86-87).
75Dit blijkt uit een onvolledig overgeleverde akte uit de periode 1400-1407, waarin kwesties worden geregeld ten aanzien van de door Zweder nagelaten schulden en de inkomsten van de weduwe (Vennekens & Coppens 1948, 322-323). Zie ook Wauters 1855, 149.
76Zie voor Zweder van Abcoude als belangrijke geldschieter van het hertogelijk paar Martens (1952, 160 n.3) en Vennekens (1935, 47).
77Zie de kaart in Van der Gouw 1980, XVI. Jonckbloet vermoedt dat het gedicht kort na 1358 geschreven is (Jonckbloet 1889, 243). Zweder werd in 1361 heer van Putten en Strijen; Augustijnken leefde nog in 1370 (Meder 1991a, 191). Zweder onderhield ook betrekkingen met Dordrecht, zoals blijkt uit zijn rol als bemiddelaar tussen de graaf van Holland en de stad in 1385 (Vercruysse 1963, 386). Toen hij in 1390 ziek werd, liet hij zijn medicijnen halen bij een apotheker in Dordrecht (Van der Gouw 1972).
78Voor Zweder zie De Groot 1959, 54; voor Augustijnken Jonckbloet 1855, 642 en Van Anrooij 1990, 31.

79Zie over Filips Jozef Hubert Helman: Lindemans 1957, 255 en Duerloo & Janssens 1992, 310-312. F.J.H. Helman, zoon van Jan Frans Jozef Helman, baron van Willebroek, was gehuwd met Marie-Christine van Overstraeten. Zij stamde rechtstreeks af van grondbezitters en pachters in het kerngebied van het Land van Gaasbeek (Lindemans 1957, passim). De overdracht van Koekelberg betrof overigens alle goederen die behoorden tot de heerlijkheid. Het kasteelgebouw maakte er geen deel van uit (Van den Haute 1980, 29-30). Zie ook Wauters 1855, I, 342.
80Brinkman & Schenkel 1999, 47 en tabel 5.
81Bij het overlijden van Zweder in 1400 was Jacob van Abcoude nog minderjarig. Zijn oom Willem van Abcoude hield de voogdijschap over Zweders nagelaten bezittingen tot aan zijn dood in 1407 (zie voorts De Win 1981).
82Vanderstichele 1856.

prepost  begin