Volgens een populaire visie was Nederland vroeger een land waar alles vijftig jaar later gebeurde. Revoluties gingen aan dat land voorbij. De vreugdeloze verering van gezag en fatsoen beheerste het sociale leven en zette een domper op uitingen van alle emoties. En toen ineens kwam in de jaren zestig een einde aan al die Oude Vormen en Gedachten ...
Dit beeld van de Grote Verandering vindt men terug in allerlei cultuuruitingen: autobiografische motieven in literatuur, televisiedocumentaires, gesprekken op een reünie van een klas middelbare scholieren, advertenties, interviews met popartiesten, de retoriek van politieke sprekers op verkiezingstournee. De aard en de reikwijdte van de sociale veranderingen waarvan hier sprake is, worden verschillend beoordeeld. Deze variatie in opvattingen wordt weerspiegeld in de terminologie waarmee de veranderingen werden aangeduid. Sommigen vergeleken die veranderingen met een ‘Culturele Revolutie’.11. Anderen hielden het op een belangrijke democratiseringsgolf. Waardering klinkt door in omschrijvingen als ‘de toegenomen mondigheid’ van de mensen, ‘het einde van het regentendom’ en ‘de dekolonisatie van de burger’.2. Wetenschapsbeoefenaren die zich (nogal spaarzaam en incidenteel) met het gebeurde hebben beziggehouden omschreven de ontwikkelingen soms breed en vaag als ‘emancipatie’, soms beperkter als ‘ontzuiling’ of ‘decentralisatie’. Bij deze verschillende benaderingen maakten zij zowel gebruik van vergaande beweringen als die van ‘een overgang van de representatieve naar de participerende democratie’ als van de minder ambitieuze hypothese over een ‘toename van permissiviteit’. De verklaringen die men aanvoert voor deze ontwikkelingen lopen eveneens sterk uiteen. Soms werden de veranderingen in kwestie toegeschreven aan de penetratie in Nederland van de ‘American Way of Life’. Anderen waren van mening dat de veranderingen aangeven dat in Nederland maatschappelijke structuren die door produktie, consumptie en prestatie worden bepaald vervangen worden door minder dwingende organisatievormen van een ‘post-industriële maatschappij’.3. Een variant
hierop vormen de beschrijvingen die deze veranderingen vooral zagen als een historische afrekening met het calvinisme als het dominante cultuureigen van Nederland sinds de Hervorming. Van recenter tijd zijn de verklaringen die de verschijnselen waarvan hier sprake is typeren als een feminisering van onze cultuur.4.
De hierboven geschetste beschouwingen worden meestal gekarakteriseerd door een zeker vooruitgangsoptimisme. Dit optimisme wordt soms getemperd door min of meer stellige uitspraken waarvan de strekking is dat de Woelige Jaren Zestig gevolgd werden door de Matte Jaren Zeventig waarin berusting en behoudzucht, twijfel en cynisme hoogtij vieren.5. In het verlengde hiervan wordt gesproken van ‘het klimaat van de restauratie waarvan de ouverture nog maar nauwelijks is ingezet’.6.
Hoezeer ook al deze hierboven aangehaalde gedachten van elkaar verschillen wat betreft gewicht en kwaliteit van de publikaties waarin ze te vinden zijn, en ook wat betreft hun relevantie, reikwijdte en systematiek, ze ontlopen elkaar minder op het criterium van precisie.7. De mate van nauwkeurigheid die deze beschouwingen karakteriseert wordt misschien wel het beste summier aangeduid door het slot van een artikel in NRC Handelsblad, waarin de Nieuwe Tijden als volgt werden aangekondigd: ‘We leven in een interessante tijd. Na twee eeuwen staan we voor een Tweede Verlichting; een post-rationalisme; een neohumanisme wellicht. Met ruimte voor nieuwe waarden, welke die ook mogen zijn.’8.
De term ‘nieuwe waarden’ in dit citaat verwijst naar culturele veranderingen die in Nederland en vele andere landen hebben plaatsgevonden. Dat die veranderingen hebben plaatsgevonden is een duidelijke zaak. Waaruit die veranderingen precies bestaan, wanneer ze begonnen zijn en van welke sociale processen ze deel uitmaken zijn daarentegen vragen waarop tot nu toe min of meer interessante, maar overwegend speculatieve antwoorden voorhanden zijn.
In dit boek doen we verslag van een poging om veranderingen op het gebied van gevoel, gedrag en moraal gedurende de laatste veertig jaar in Nederland in kaart te brengen. Hoofd-
materiaal bij dit onderzoek bestond uit ingezonden brieven over problemen en adviserende antwoorden, zoals die gepubliceerd werden van 1938 tot 1978 in het weekblad Margriet.
Sinds de oprichting van het blad in 1938 bevat Margriet een vaste, wekelijks afgedrukte rubriek: ‘Margriet Weet Raad’. In deze rubriek wordt antwoord gegeven op verschillende problemen die door brievenschrijvers aan de redactie worden voorgelegd.9. Onderwerpen die in de rubriek aan de orde komen variëren van liefdesverdriet tot gezinsmoeilijkheden, van etiquette-interpretaties tot juridische adviezen.
Dergelijke rubrieken komen in Nederland ook in andere bladen voor, bijvoorbeeld in Libelle, Viva, Club, Story. De rubrieken waarin voornamelijk zogeheten ‘levensproblemen’ aan de orde komen, dienen enerzijds onderscheiden te worden van correspondentierubrieken waarin lezers min of meer direct op de inhoud van hun blad ingaan, zoals die in zeer veel bladen bestaan, en anderzijds van probleemrubrieken waarin advies wordt gevraagd van vaak zeer technische en door de beperkte opzet van het blad aangegeven aard, zoals de adviesrubrieken in De Consumentengids, in Na vijven en Autovisie, in Chick en Sextant. Rubrieken als ‘Margriet Weet Raad’ zijn niet beperkt tot Nederland. In Angelsaksische landen worden ze aangeduid met namen als ‘advice columns’, ‘agony columns’, ‘problem pages’, ‘lonely hearts’-rubrieken, ‘advice to lovelorn’, ‘first aid to wounded hearts’ of ‘Dear Abby’. De laatste benaming is ontleend aan de bekendste van die rubrieken, sinds 1956 geschreven door Abigail van Buren (pseudoniem van Morton Phillips). Deze rubrieken vormen een vast onderdeel van veel kranten en tijdschriften in landen van de Derde Wereld (bijvoorbeeld de rubriek ‘Josephine’ van The Central African Mail in Zambia), en in de communistische landen (bijvoorbeeld in het Poolse blad Przyjaciólka). Ze worden overwegend afgedrukt in vrouwen- en gezinsbladen.10.
Het eerste historisch bekende vrouwenblad, opgericht in 1693 door de Engelse uitgever John Dunton (1659-1733), The Ladies' Mercury, was zelfs in zijn geheel gewijd aan ‘all the most nice and curious questions concerning love, marriage behaviour, dress and humour of the female sex, whether virgins, wives or widows’. (White, 1970, p. 24) The Ladies' Mercury was bedoeld als een op de vrouw georiënteerd tweelingblad van de drie jaar eerder in 1690 begonnen The Athenian Mercury.
In zijn boek The Life and Errors of John Dunton, Late Citizen of
London (Written by Himself in Solitude) geeft Dunton een beschrijving van dit eerste ‘question paper’ dat een groot succes werd: ‘The project being surprizing and unthought of, we were immediately overloaded with letters, and sometimes I have found several hundreds for me at Mr. Smith's Coffee-House in Stock-market, where we usually met to consult matters’ (Dunton, 1974, p. 256); de redactie moest al spoedig met drie man uitgebreid worden. Ondanks concurrentie van de in het kielzog van hun succes opgerichte vergelijkbare tijdschriften werd het blad voortgezet tot het aantal gepubliceerde delen ‘swell'd to Twenty Vol. Folio’. Hieruit werden bloemlezingen samengesteld, of althans gepland.11. Publikaties als die van Dunton waren gericht op een klein deel van de bevolking van de landen waarin ze verschenen. In de 18e eeuw bestond in Frankrijk, Engeland en Nederland een pleïade van publikaties gericht op mensen van betere stand. Het bestaan van die bladen was meestal even levendig als kortstondig. Dit laatste was echter in mindere mate het geval bij de in de 18e eeuw verschijnende ‘Spectatoren’, ‘Musea’, ‘Almanakken’, ‘Magazines’ en ‘Journals’ die op vrouwen uit betere kringen waren gericht. Vele van deze 18e-eeuwse vrouwenpublikaties hadden een adviesrubriek waarin op de door de lezers ingezonden problemen werd ingegaan op een zeer directe, levendige en vaak humoristische wijze. In de loop van de eerste helft van de 19e eeuw veranderde de toon van de adviezen in de tijdschriften. De nadruk kwam steeds meer op deugd en ingetogenheid te liggen. Dit gold in ieder geval voor die bladen die net als vroeger op de ‘upper ten thousand’ van de bevolking waren gericht. Intussen kwamen er vanaf het midden van de 19e eeuw tijdschriften op de markt die op vrouwen uit de middenklasse waren afgestemd. Deze bladen hadden, in tegenstelling tot hun voorgangers uit de 18e eeuw, een lezerskring die niet meer uit enkele honderden of duizenden, maar uit tienduizenden bestond. De explosieve groei van vrouwenbladen begon tegen het einde van de 19e eeuw als gevolg van gelijktijdig optredende factoren als nieuwe drukprocédés, vermindering van analfabetisme, toegenomen belang van de advertentiemarkt, daling van papierprijzen. Het uitgeven van kranten en tijdschriften was, vooral in Amerika, een echte industrie geworden. Vanuit die tijd begon de ‘problem page’, zowel in vrouwenbladen als in grote kranten van Engeland en Amerika, een onderdeel te vormen van de journalistieke ‘formule’. In de inhoud van deze rubrieken is
vooral in Engeland het optreden van het feminisme goed waar te nemen. Veelvuldig waren daarbij verzoeken van jonge vrouwen om informatie over beroepsmogelijkheden, alsmede problemen die optraden bij pogingen van vrouwen en meisjes om zich gedeeltelijk te onttrekken aan de traditionele opeenvolging van afhankelijkheid van vader en van echtgenoot (White, 1970, pp. 85-86).12. Ook in Amerika werden de eerste adviesrubrieken gekenmerkt door een afwijzing van de traditionele opvattingen over de hulpeloze positie van de vrouw (Kane, 1952, pp. 60-61). De eerste adviesrubriek met een massaoplage werd door Dorothy Dix (Elizabeth Gilmer) vanaf 1896 geschreven in Picayune, een lokale krant in New Orleans (Kane, 1952, pp. 67 e.v.). Deze massaoplage werd overigens pas bereikt toen de rubriek overgenomen werd door een aantal kranten van het Hearst-Concern, waaronder de Journal uit New York. In de concurrentieslag om de snel groeiende markt voor kranten en tijdschriften (aan het einde van de 19e eeuw in Amerika vooral gevoerd tussen de concerns van William Randolph Hearst en Joseph Pulitzer) werden de populaire adviesrubrieken als wapen ingezet. De rubrieken van Dorothy Dix (die in 1901 voor de Journal ging werken tegen een salaris dat hoger was dan dat van de gouverneur van Louisiana), Beatrice Fairfax (Marie Manning) en Marion Harland (Laura Jean Libbey) werden een van de vele succesvolle journalistieke instituties waarmee Amerikaanse kranten en tijdschriften probeerden om nieuwe lezers te vinden onder miljoenen vrouwen, nieuwe immigranten en anderen die naar de grote steden van Amerika waren getrokken (Mott, 1950, pp. 598-602). Naast het geven van adviezen aan vertwijfelden, en het bieden van zowel ‘levensrichtlijnen’ als amusement aan de lezers, hadden vele van die rubrieken nog een andere functie (die, zoals in hoofdstuk 2 zal blijken, aanvankelijk ook voor ‘Margriet Weet Raad’ kenmerkend was): die van sociaal werk.13.
De ‘agony colomns’ in Amerika van rond de eeuwwisseling bevatten verder ook al bijna alle elementen die we in de geschiedenis van ‘Margriet Weet Raad’ zullen tegenkomen: nuchterheid en pathetiek, filosofische bespiegelingen en moraliserende waarschuwingen, troost in nood en aanmaning tot flinkheid, adviezen van deskundigen en moederlijke vermaningen, spot en medeleven. Een mengsel van deze elementen vinden wij ook nu nog in de adviesrubrieken van vrouwenbladen over de hele wereld. Een vermenging van deze ele-

menten is ook karakteristiek voor de rest van de inhoud van vrouwenbladen, waarin het verschaffen van verstrooiing en van informatie naast elkaar bestaan. Korte verhalen en reportages over filmsterren en vorstenhuizen geven de lezer verstrooiing.14. Tot de informatieve dienstverlening behoren de praktische adviezen over kleutervoeding, kinderkwaaltjes, kookkunst, kleren en koopjes. In Margriet is deze informatie de laatste jaren
uitgebreid met onderwerpen als knutselen, onderwijs en werk voor vrouwen.
Huishoudelijke adviezen, kookrecepten en informatie over naaien, breien en verstellen vormen in de eerste tien jaar van het bestaan van Margriet, aangevuld met informatie over ‘savoir vivre’ en etiquette, de overgrote meerderheid van de in ‘Margriet Weet Raad’ afgedrukte problemen en adviezen. In de daarop volgende jaren (einde van de jaren veertig, begin van de jaren vijftig) verdwijnen ‘praktische’ problemen geleidelijk uit de rubriek, het aandeel van vragen over ‘goed gedrag’ blijft bij benadering constant, terwijl vragen over gevoelsmoeilijkheden van algemene aard en de problematiek rond liefde, erotiek en seksualiteit de ruimte in gaan nemen die vroeger in de rubriek met praktische advisering werd gevuld. De veranderingen in de problemen en adviezen in ‘Margriet Weet Raad’ geven een boeiend beeld van culturele veranderingen zoals die zich in Nederland vooral na de Tweede Wereldoorlog hebben voltrokken. Dit beeld vertoont overigens belangrijke hiaten. Zo is bijvoorbeeld politiek in ‘Margriet Weet Raad’ niet te vinden. Eén keer vonden wij een verwijzing naar dit onderwerp: ‘Uw inzending komt niet voor plaatsing in aanmerking. Zoals U toch wel uit de hele toon, die ons blad beheerst kunt merken, doen wij niet aan politiek. Het propaganda voeren voor een of andere politieke stelling, laten wij gaarne over aan de dag- en weekbladen van verschillende richting.’ (1954)
Een van de grote methodologische problemen bij bestudering van ‘Margriet Weet Raad’ vormt de vraag in hoeverre de ontwikkelingen die we in de brieven en antwoorden constateren, als representatief beschouwd kunnen worden voor de veranderingen in gevoel, gedrag en moraal in Nederland.
De problemen waarover mensen naar Margriet schrijven kunnen zeker niet zonder meer gezien worden als ‘de problemen die ze hebben’. Dezelfde mensen zullen andere problemen naar voren brengen, of hun problemen anders vertellen, wanneer ze zich richten tot hun dokter, een familielid of een maatschappelijk werker. De inhoud van de brieven moet gezien worden als datgene waarover mensen naar Margriét schrijven. Die inhoud wordt mede bepaald door de indruk die de lezers van de ru-
briek krijgen, van het soort problemen dat daarin aan de orde komt en van datgene wat Margriet voor de lezers vertegenwoordigt (een lieve moeder, een strenge tante, of een team van deskundigen).
Een tweede voorbehoud betreft het feit dat de veranderingen die we op basis van ‘Margriet Weet Raad’ beschrijven niet bij alle groepen in de Nederlandse samenleving op dezelfde wijze zijn verlopen. Tussen sociale klassen bestaan grote verschillen in normen en gedragspatronen. ‘De moraal’ van ‘Margriet Weet Raad’ maakt geen onderscheid tussen deze groepsspecifieke normen en waarden. De adviezen zijn gericht op een ‘breed maatschappelijk midden’ van ‘gewone mensen’ waartoe iedereen geacht wordt te behoren met uitzondering wellicht van de allerrijksten en degenen met een uitzonderlijk lage welstand.15.
Naast deze belangrijke algemene restricties bij de beschouwing van het materiaal moeten we bij de beantwoording van de vraag naar representativiteit twee vragen onderscheiden: wie zijn de schrijvers van brieven naar ‘Margriet Weet Raad’, en hoe was het redactiebeleid van de rubriek sinds de oprichting?
De mensen die schrijven aan ‘Margriet Weet Raad’ zijn, naar we kunnen aannemen, mensen die Margriet geregeld lezen. Die lezers vormen een aanzienlijk deel van de Nederlandse bevolking. De oplage in 1977 was 724 000 exemplaren. Van 50 000 exemplaren in 1938 steeg de oplage in 1948 tot 100 000. Na fusie met Moeder en kind in 1948 werd dit 180 000. In 1950 groeide de oplage als gevolg van een grootscheepse ledenwerfactie tot 570 595 exemplaren.16. De stijging was minder stormachtig in de daarop volgende tijd. Piekjaren waren 1968 en 1969 met een oplage van 780 000, daarna trad een daling in tot 645 000 (1974), die weer gevolgd werd door een stijgende lijn.17. Wekelijks komt Margriet bijna de helft van de Nederlandse vrouwen onder ogen.18. Gegevens over het lezerspubliek van Margriet zijn pas vanaf 1961 beschikbaar. De lezers vormen een populatie waarvan de verdeling op belangrijke kenmerken zoals welstand, regionale spreiding, urbanisatie, kerkelijke gezindheid en leeftijd19., nagenoeg overeenkomt met die van de Nederlandse bevolking als geheel.
| Het gezinshoofd behoort tot: | in alle Margriet-gezinnen | in alle gezinnen in Nederland |
|---|---|---|
| A/B de welgestelden | 9% | 10% |
| C de middengroep | 31% | 29% |
| D1 de minder welgestelden | 47% | 45% |
| D2 de minst welgestelden | 13% | 16% |
De cijfers over andere jaren laten ongeveer hetzelfde beeld zien.21. De gegevens over de kerkelijke gezindheid van het lezerspubliek van Margriet zijn weergegeven in tabel 2.
| Het gezinshoofd is: | in alle Margriet-gezinnen | in alle gezinnen in Nederland |
|---|---|---|
| Nederlands-hervormd | 34% | 31% |
| Rooms-katholiek | 30% | 33% |
| Gereformeerd | 8% | 10% |
| Andere richting | 4% | 4% |
| Geen kerkelijke gezindte | 23% | 21% |
Gegevens over de mensen die ingezonden brieven sturen ontbreken. Er is nooit bij Margriet onderzoek verricht naar de sociale herkomst van de brievenschrijvers. Onze indruk bij lezing van de originelen van brieven, alsmede de indruk van vroegere en huidige redactieleden die we deze vraag voorlegden, is dat het schrijverspubliek naar kenmerken als welstand, leeftijd, kerkelijke gezindheid en woonplaats niet afwijkt van het lezerspubliek, misschien met uitzondering van de laagst opgeleiden (deze zijn al, zij het in geringe mate, ondervertegenwoordigd in het lezerspubliek van Margriet).23.
Slechts een klein gedeelte van alle brieven die naar Margriet

gestuurd worden verschijnt in het blad.24. De overige brieven worden - voor zover geadresseerd - persoonlijk beantwoord. Het is mede daarom belangrijk om na te gaan hoe de redactie van ‘Margriet Weet Raad’ werkte, hoe ze was samengesteld, en wat voor beleid ze voerde.
Het redactiebeleid heeft niet alleen tot gevolg dat bepaalde problemen die door de lezers worden opgestuurd niet afgedrukt worden. Sommige problemen zullen als gevolg van het gevoerde beleid ook niet opgestuurd worden omdat de lezers dergelijke brieven niet in de rubriek vinden, en hun moeilijkheden daarom niet ervaren als probleem waarover men naar Margriet kan schrijven.25. Deze indirecte invloed van het redactiebeleid op de inhoud van de rubriek valt moeilijker te achterhalen dan de directe selectie van ingezonden brieven. Problemen worden, zo werd ons verteld, voor plaatsing gekozen omdat ze naar de mening van de ‘Margriet Weet Raad’-redactie onder een groot aantal mensen ‘leven’. Als tweede argument voor selectie geldt de overweging dat de rubriek afwisselend moet zijn en het nummer van Margriet als geheel niet te somber mag uitvallen. Even belangrijk als de ideeën over wat wél aan de orde moet komen zijn in dit verband de opvattingen over wat niét gepast is in ‘Margriet Weet Raad’. Vergelijking van binnengekomen en geplaatste brieven over de jaren heen zou uitsluitsel kunnen geven wat betreft dit aspect van de selectie. Zo'n vergelijking bleek onuitvoerbaar omdat de oorspronkelijke brieven niet meer voorhanden zijn. We moeten hier volstaan met de informatie die ons door verschillende redactrices van ‘Margriet Weet Raad’ op onze vragen werd verstrekt. Over het jaar 1977 beschikken we over betere gegevens aangaande het redactiebeleid. Niet alleen konden we gedurende dat jaar inzage krijgen in de binnengekomen brieven, we woonden ook de vergaderingen bij van de adviesstaf van ‘Margriet Weet Raad’. Gedurende die zeswekelijkse bijeenkomsten werden de antwoorden besproken op brieven die gekozen zijn als ‘probleem van de week’.
In het huidige redactiebeleid probeert men, naar onze indruk, twee verlangens te verenigen: aan de ene kant de wens om een soort ‘voorhoede’ te zijn inzake kwesties rond vrouwenemancipatie en het doorbreken van taboes, aan de andere kant de noodzaak - mede uit vrees om lezers en adverteerders te verliezen - om de inhoud van het blad af te stemmen op een zo groot mogelijk deel van de Nederlandse bevolking26.; dat
laatste noopt tot voorzichtigheid met het afdrukken van die informatie en meningen waar een groot aantal mensen aanstoot aan zou kunnen nemen.
De wens om een ‘voorhoede’-rol te vervullen was ook kenmerkend voor het beleid van de eerste redactrice van ‘Margriet Weet Raad’, mevrouw van Eysden. Haar speelruimte was overigens kleiner dan die van latere redactrices, omdat tijdens haar ‘bewind’ directe censuur en de daaruit voortvloeiende zelfcensuur geen zeldzaam verschijnsel was. Naar haar zeggen werd ze, zoals in hoofdstuk 2 zal worden beschreven, herhaaldelijk op de vingers getikt omdat ze brieven plaatste over driehoeksverhoudingen en ongehuwde moeders. Een dergelijk ontbreken van onafhankelijkheid behoorde overigens ook in andere Nederlandse massamedia tot het midden van de jaren zestig niet tot de zeldzaamheden.27.
Hoewel Margriet zich niet speciaal richtte op katholieke lezers was het in de beginjaren ons inziens wel een christelijke moraal die richtlijn was voor de adviezen en ook herhaalde malen leidde tot bemoeienis van de (katholieke) uitgever met de inhoud van ‘Margriet Weet Raad’.
Margriet wordt uitgegeven door de Geïllustreerde Pers, die deel uitmaakt van het uitgeversconcern VNU. Verschillende uitgeverijen waaruit het VNU in 1964 is ontstaan, droegen in het verleden een duidelijk katholiek stempel, en hebben dit image van ‘roomsheid’ bij een deel van de publieke opinie tot aan de huidige dag behouden.28. Dit geldt ook voor het Cebemaconcern dat tot de fusie met De Spaarnestad in 1964 de uitgever was van Margriet.
De redactie van Margriet was tot 1948 volledig katholiek. Maar het blad zelf was op een ‘neutrale’ basis opgezet om ook nietkatholieke lezers te bereiken.29.
De ‘kleine Margriet’ uit de begintijd vormde een bijdrage voor de vrouw van het ‘neutrale’ geïllustreerde tijdschrift De Week in Beeld. Als zodanig moest die uitgave een niet-verzuild equivalent vormen van de eveneens in 1938 begonnen uitgave van het vrouwenblad Beatrijs bij de Spaarnestad, dat zich, evenals de bij die laatstgenoemde uitgeverij verschijnende Katholieke Illustratie, expliciet op het katholieke bevolkingsdeel richtte. Voor zover onze gegevens reiken - en dat is vanaf 1961 - waren, zoals uit hiervoor aangehaalde gegevens blijkt, de katholieken zelfs enigszins ondervertegenwoordigd in het lezersbestand van Margriet. Dit gegeven is trouwens niet zo verwonderlijk gezien
het uitsluitend katholieke karakter van andere bladen. In 1948 kwam er - als gevolg van een fusie tussen Margriet en het blad Moeder en Kind - een einde aan de exclusief katholieke samenstelling van de redactie, maar het feit dat de redactie, ook na 1948, voorlopig overwegend katholiek bleef, had ongetwijfeld, hoewel misschien onbedoeld, invloed op de inhoud van het blad. Die invloed is onder meer af te lezen aan uitdrukkingen als ‘apostelwerk’ of ‘het heilige van de huwelijksband’, die tot het begin van de jaren zestig in ‘Margriet Weet Raad’ geregeld voorkwamen. Desondanks zijn we van mening dat de moraal van de rubriek misschien niet zozeer als katholiek maar eerder als ‘algemeen niet-verzuild christelijk’ moet worden getypeerd, in overeenstemming met de markt waarop het blad zich richtte. Deze zienswijze baseren wij niet alleen op deze ‘markt’-overwegingen, maar ook op gesprekken met de redactieleden van ‘toen’ en op een bestudering van de inhoud van ‘Margriet Weet Raad’ vanuit de veronderstelling dat in die rubriek vroeger een specifiek katholieke moraal zou zijn gepropageerd.
Van directe bemoeienis ‘van boven’ met de inhoud van de rubriek was na de jaren vijftig, naar men ons verzekerde, geen sprake meer. Daarmee waren echter niet de beperkingen verdwenen die de redactie zichzelf oplegde. Zowel mevrouw van Eysden als haar opvolgster hadden bijvoorbeeld grote moeite met brieven waarin seksualiteit aan de orde kwam. De adviezen in ‘Margriet Weet Raad’ kregen hierdoor na het midden van de jaren zestig een toon die door de rest van de Margriet-redactie als ‘ouderwets’ werd ervaren. Dit leidde in 1968 tot het besluit om de redactie van de rubriek voortaan niet meer aan één persoon over te laten. De instelling van een team van deskundigen dat vanaf die tijd belast werd met het formuleren van toonaangevende adviezen30. kan beschouwd worden als een fase in de professionalisering van de hulpverlening in ‘Margriet Weet Raad’. (Deze professionalisering heeft zich op het gehele terrein van de psychosociale hulpverlening in Nederland voorgedaan.) Dit proces waarbij ‘Margriet’ steeds minder een moederfiguur werd en steeds meer een ‘deskundige’ was overigens al veel eerder begonnen met het incidenteel inschakelen van psychologen, sociale werkers, opvoedkundigen (Sis Heyster) en juristen bij het formuleren van adviezen. De omslag in adviezen eind jaren zestig weerspiegelt ons inziens voor een groot deel deze veranderingen in redactie en
redactiebeleid. Het feit dat het redactiebeleid veranderde maakt natuurlijk deel uit van de algemene ontwikkelingen die we in dit boek beschrijven, maar de verschuivingen in het redactiebeleid zijn waarschijnlijk meer uitgesproken geweest en zijn verder gegaan dan de veranderingen in gevoel, gedrag en moraal bij grote delen van de Nederlandse bevolking. Het is goed mogelijk dat de huidige redactie een progressiever deel van de bevolking vertegenwoordigt dan vroeger het geval was.31.
Bij een beschouwing van de vraag in hoeverre onze weergave van verschuivingen in ‘Margriet Weet Raad’ representatief is voor de culturele veranderingen in Nederland moeten we ook de mogelijkheid overwegen dat onze selectie van problemen en adviezen een vertekening van de ontwikkelingen met zich mee kan brengen. Het feit dat we bij ons onderzoek nauwelijks enige aandacht schenken aan praktische huishoudelijke tips is een beperking die niet tot vertekening van het beeld van veranderingen in gevoel, gedrag en moraal hoeft te leiden. Wij kunnen dit met minder zekerheid zeggen over de theoretische visie die ons onderzoek heeft beïnvloed.
Directe inspiratiebron van ons onderzoek was het hoofdwerk van de socioloog Norbert Elias Ueber den Prozess der Zivilisation. In dit boek wordt beschreven hoe zich in West-Europa vanaf de Middeleeuwen een ‘beschavingsproces’ voltrokken heeft, in de loop waarvan de manier waarop mensen hun affecten beheersen is veranderd. De zelfbeheersing zou groter, gelijkmatiger en vanzelfsprekender zijn geworden. De veranderingen in de wijze waarop mensen met hun gevoelens omgingen wordt door Elias in verband gebracht met het proces van staatsvorming en geweldsmonopolisering. Psychische processen worden in het werk van Elias gezien als nauw verweven met sociale processen. Beheersing van eigen emoties en driften hangt samen met de afhankelijkheden tussen mensen.
Deze ideeën waren ook leidraad bij ons onderzoek. Dit bepaalde natuurlijk mede datgene wat wij in ‘Margriet Weet Raad’ interessant vonden, datgene waar we naar zochten en datgene wat we buiten beschouwing lieten.32.
Ook de keuze van ons materiaal was geïnspireerd door Ueber den Prozess der Zivilisation. Als bron voor zijn beschrijving
van veranderende gedragsstandaarden gebruikte Elias etiquetteboeken. Onbekendheid met het publiek dat heden ten dage deze handleidingen voor goede manieren raadpleegt deed ons omzien naar andere geschriften die de functie van etiquetteboeken hebben overgenomen: de adviesrubrieken in massatijdschriften zijn een belangrijke nieuwe bron waaraan gedragsvoorschriften kunnen worden ontleend.
Wij kozen Margriet omdat dit het grootste vrouwenblad is, en omdat de lezers een populatie vormen waarvan de verdeling, zoals gezegd, op belangrijke kenmerken nagenoeg overeenkomt met die van de Nederlandse bevolking als geheel.
De volgende jaargangen van ‘Margriet Weet Raad’ werden door ons volledig doorgenomen: 1942, 1946, 1950, 1954, 1958, 1962, 1966, 1970, 1974, 1977. In het oprichtingsjaar 1938 verschenen slechts enkele nummers van de rubriek onder de titel: ‘Margrietje weet raad’. De enige aflevering die we konden achterhalen had geheel betrekking op tips van huishoudelijke aard. Van andere jaargangen namen we telkens kleine steekproeven om te zien of geen plotselinge veranderingen in omvang en inhoud van de rubriek zich tussen de door ons volledig doorgenomen jaargangen hadden voorgedaan. Jaargang 1940 namen we globaal door om te zien of het begin van de bezetting invloed had op de aard van de problemen en adviezen die in de rubriek werden gegeven. Jaargangen 1967, 1968, 1969 en 1971 werden doorgenomen om te onderzoeken of in het tijdperk 1966-1971 opvallende of plotselinge verschuivingen in de adviezen zijn opgetreden. Het totale aantal problemen dat we bestudeerd hebben bedroeg ongeveer 5000.
Om achtergrondinformatie te krijgen over werkwijze en beleid van de verschillende redacties van ‘Margriet Weet Raad’ hadden we uitvoerige gesprekken met redactieleden van vroeger en nu. Gedurende het jaar 1977 waren wij aanwezig bij de vergaderingen van de adviesstaf van ‘Margriet Weet Raad’. Gedurende die zeswekelijkse bijeenkomsten werden enige brieven besproken die gekozen waren voor plaatsing als ‘probleem van de week’. Tijdens die bijeenkomsten werd discussie gevoerd over de algemene strekking van de te geven adviezen.33.
De basisstof van ons onderzoek - de inhoud van de rubriek ‘Margiet Weet Raad’ - kan beschouwd worden als een verzameling bewerkte ‘documents humains’. Het onderzoeken van dergelijke ‘documents humains’ is in sociaal-wetenschappelijk

onderzoek verre van onbekend. Eén van de klassieke werken uit de sociologie, The Polish Peasant in Europe and America van W.I. Thomas en F. Znaniecki, had als basismateriaal 763 brieven tussen Poolse emigranten in Amerika en hun in Polen achtergebleven familieleden. Recente voorbeelden van dergelijk onderzoek in Nederland zijn een onderzoek van 4000 brieven die Mies Bouman en de VARA ontvingen naar aanleiding van het programma ‘Zo is het toevallig ook nog eens een keer’ (dit onderzoek werd verricht door Daudt en Sijes), een onderzoek van 500 brieven ontvangen door de VARA naar aanleiding van een uitzending van ‘Achter het Nieuws’ over oorlogsmisdaden gepleegd tijdens de politionele acties door het Nederlandse leger (het onderzoek werd verricht door medewerkers van het Psychologisch Laboratorium van de Universiteit van Amsterdam), en een analyse van 2000 brieven die enkele Nederlandse politici (1600 van deze brieven waren gericht aan de toenmalige minister an Justitie Van Agt) hebben ontvangen naar aanleiding van de abortuskwestie.34.35.
Alle hierboven aangehaalde onderzoeken zijn voorbeelden van ‘kwalitatieve’ inhoudsanalyse. Ook de wijze waarop wij ons materiaal onderzocht hebben was overwegend kwalitatief.36. Onze eerste onderzoeksactiviteiten waren echter kwantitatief van aard. We categoriseerden twee jaargangen van ‘Margriet Weet Raad’ - 1954 en 1974 - en trachtten zo een cijfermatig beeld te krijgen van de verschuivingen in problemen en antwoorden.37. Daarbij bleek dat van datgene wat voor ons interessant was - woordkeuze, formuleringen, dat wat ongezegd bleef - zeer veel in dit kwantitatieve overzicht verloren ging. Een veel grotere vertrouwdheid met het materiaal leek ons nodig voordat we zinnige categorieën zouden kunnen opstellen en bruikbare operationaliseringen formuleren. Mede daarom besloten we voorlopig van een kwantitatieve inhoudsanalyse af te zien.38.
| Leeftijd gezinshoofd: | In alle Margrietgezinnen: | In alle Nederlandse gezinnen: |
|---|---|---|
| <35 | 20% | 19% |
| 35-49 | 39% | 36% |
| 40 jaar of ouder | 41% | 45% |
Het lezerspubliek van Margriet ‘verjongt’ de laatste jaren: de leeftijdsgroep < 35 is iets oververtegenwoordigd (mededeling van e. visser).
| Indeling in 1961: | Wel- stands- klasse: |
Margriet- leze- ressen: |
Margriet- lezers: |
Neder- landse vrouwen: |
Neder- landse mannen: |
|---|---|---|---|---|---|
| A/B | A | 9,7% | 10,4% | 10% | 11% |
| C | {B1 | 12,5% | 11,7% | 12% | 12% |
| C | {B2 | 24,1% | 24,0% | 22% | 22% |
| D1 | C | 41,5% | 40,0% | 41% | 40% |
| D2 | D | 12,2% | 13,8% | 15% | 16% |
Vergelijking lezerskring Margriet - Nederlandse bevolking 1975:
| Welstands- klasse |
Margriet- lezeressen: |
Margriet- lezers: |
Nederlandse vrouwen: | Nederlandse mannen: |
|---|---|---|---|---|
| A | 8,6% | 8,7% | 9% | 11% |
| B1 | 13,5% | 13,9% | 14% | 13% |
| B2 | 24,6% | 22% | 22% | 20% |
| C | 43,8% | 45,5% | 44% | 43% |
| D | 9,8% | 9,8% | 12% | 13% |
(Nationaal Onderzoek Persmedia, 1972 en 1975)