De wereld van ‘Margriet Weet Raad’ is de wereld van het alledaagse. De Franse filosoof Lefebvre beschreef deze wereld als een domein van ‘des drames étouffés, des situations inexpressives et inexprimées, des événements et des histoires hors de l'Histoire. Le banal côtoyant le dramatique, ou au coeur même du dramatique. L'insignifiant plein de significations inaperçues...’ (Lefebvre, 1961). De geschiedenis vormt echter noch een ‘hoofdstroom’ noch een ‘achtergrond’ of ‘voorgrond’ naast welke het dagelijks leven van de mensen zich zou afspelen. Deze dagelijkse geschiedenis van miljoenen mensen is de geschiedenis. Abstracties en aggregaten van al die levenslopen onderkennen we als economische, politieke, demografische, en andere sociale processen.
In de veranderingen in ‘Margriet Weet Raad’ in de periode 1938-1978 worden enkele processen zichtbaar, die zich gedurende die jaren hebben afgespeeld: economische groei, daling van het kindertal, democratisering, secularisering, en meer in het bijzonder de uitbreiding van de psycho-sociale hulpverlening. Op elk van die ontwikkelingen zullen we hieronder kort ingaan.1.
Na de Tweede Wereldoorlog heeft Nederland een snelle economische groei doorgemaakt. Het nationale inkomen per hoofd van de bevolking heeft tussen 1938 en 1978 een ruime verdubbeling ondergaan. Het grootste deel van deze groei vond plaats tussen 1952 en 1969 toen de meeste indices van welvaartsstijging een jaarlijkse gemiddelde groei vertoonden van meer dan 4%. Een gevolg hiervan was een zeer snelle stijging van het vrij besteedbaar inkomen per hoofd van de bevolking vanaf het midden van de jaren vijftig2. (Zeventig jaren statistiek in tijdreeksen). Zoals we later zullen beschrijven vond tegelijkertijd een proces van inkomensnivellering plaats zodat deze gemiddelde welvaartsstijging in ieder geval directe gevolgen had voor het leven van degenen die vroeger aan de rand van het bestaansminimum leefden.
De spectaculaire uitbreiding van produktie en van consumptie in Nederland heeft geen einde gemaakt aan getob over materiële kwesties zoals we die in de adviesrubriek van Margriet
[herhaling noot 2.]

konden tegenkomen. De manier waarop men over geldzorgen klaagde en de wijze waarop advies over die zorgen werd uitgebracht laat wel opmerkelijke verschillen zien met de jaren vlak voor en na de oorlog. Soberheid en Zuinigheid werden tot in de jaren vijftig niet slechts als bittere noodzaak gezien, maar vooral ook als belangrijke deugden. Deze goede eigenschappen ondergingen een opmerkelijke ‘devaluatie’ door de snelle toename van consumptiemogelijkheden. Herhaaldelijk kwam vroeger in de rubriek de klacht voor over de spilzucht van vrouwen ‘die ettelijke kwartjes per week zouden sparen als zij niet toegaven aan de lekkere honger’, die bezwijken voor ‘modesnufjes’ terwijl ze die best konden ontberen. Klachten over dergelijke ‘luxeneigingen’ zijn vanaf het begin van de jaren zestig nauwelijks meer in de rubriek te vinden.
De beanwudheid voor welvaart, de identificatie van massale stijging van consumptie met gevaar, de gedachte dat luxe op zich een verwerpelijke zaak is, komen we ook tegen buiten de op persoonlijke problemen gerichte wereld van ‘Margriet Weet Raad’. Deze opvatting maakte ook deel uit van de publieke levenshouding in Nederland die jaren. Kenmerkend in dit opzicht is de uitdrukking die in 1960 door de toenmalige minister van financiën Zijlstra werd gebruikt ter verdediging van maatregelen die de overheid tegen overbesteding wilde nemen: ‘welvaartspsychose’.3. Zo'n uitdrukking is in Nederland na die tijd niet meer goed denkbaar in politieke uitspraken. Toen bijvoorbeeld vanaf het begin van de jaren zeventig de gedachte aan een fundamentele begrenzing van economische mogelijkheden in een nieuwe vorm was teruggekeerd, werd deze gedachte niet meer vertaald naar het niveau van individuele deugden maar naar dat van collectieve verantwoordelijkheid.
De welvaartsvergroting maakte voorts een uitbreiding mogelijk van het stelsel van sociale verzekeringen en voorzieningen dat de hele bevolking beschermt tegen de ergste gevolgen van werkeloosheid, armoede en ziekte.4. Het waren vooral de lagere klassen in de samenleving die op deze wijze een waarborg voor een bestaansminimum verkregen.5. De ongekende welvaartsvergroting van na de Tweede Wereldoorlog betekende vooral voor die onderliggende groeperingen een verlichting van de last rond te moeten komen. Voor hen was de schaarste tot de jaren vijftig een dagelijks voelbare werkelijkheid en waren de marges waarbinnen men zich kon bewegen zonder gevaar voor afdaling naar een niveau van directe fysieke ontbering

zeer smal. Maar ook voor ‘het brede maatschappelijk midden’ waarop Margriet zich vooral lijkt te richten had de welvaartstoename gevolgen. Mensen uit die sociale lagen konden het zich permitteren om elkaar en zichzelf minder rigide gedragsvoorschriften op te leggen: de angst om af te zakken was voor hen minder beknellend geworden. De ruimte voor ‘zelfontplooiing’, het opkomen van de ideologie van de ‘bewustwording’, die in de plaats kwam van de vooral ‘beheersing’ en ‘intoming’ benadrukkende gedragsvoorschriften, hangen samen met de vermindering van angst voor sociale deklassering. Deze vergroting van de veiligheidsmarges tussen de gemiddelde levensstandaard en het bestaansminimum had naast het bevorderen van een psychologiserende (ten koste van een moraliserende) definiëring van levensproblemen ook directe gevolgen voor de machtsverhouding tussen ouders en kinderen, tussen mannen en vrouwen en tussen sociale klassen. De afhankelijkheid van kinderen van hun ouders wordt voor een groot deel bepaald door de mate waarin kinderen aangewezen zijn op hun ouders voor hun levensonderhoud. De sancties tegen het verbreken van banden met het ouderlijk huis, de sancties tegen het trouwen op jonge leeftijd worden als minder fataal ervaren wanneer de hiermee gepaard gaande daling van levensstandaard de getroffenen toch nog enige ruimte biedt om een bestaan zonder directe fysieke ontbering te leiden. Deze mogelijkheid was voor de meeste jonge mensen, zoals duidelijk bleek in ‘Margriet Weet Raad’, tot het begin van de jaren zestig nagenoeg afwezig.
Zoals gezinsrelaties veranderden door een vermindering van de afschrikwekkende werking van de bestaande sancties, zo veranderden de gezagsverhoudingen in arbeidssituaties, toen ontslag voor werknemers minder rampzalige gevolgen met zich meebracht dan onmiddellijke verpaupering; bovendien werd het voor werkgevers moeilijker om werknemers te ontslaan.
Een ander proces dat deze periode plaatsvond - de daling van het kindertal - heeft belangrijke gevolgen gehad voor de verhouding tussen mannen en vrouwen en tussen sociale klassen.6. In de jaren dertig (de gegevens hebben betrekking op 1930) was het gemiddelde (uiteindelijke) aantal kinderen per gezin iets minder dan vijf (bij bouwvakkers en boeren bedroeg dit getal zes kinderen terwijl het laagste gemiddelde aantal bij leraren werd bereikt: drie). Veertig jaar later (de cijfers hebben betrekking op de periode 1970-1974) is het gemiddelde (verwachte)
De netto vervangingsfactor van 1,5 omstreeks 1960 daalde in 1978 tot een niveau van minder dan 0,8 (dit betekent dat 20% minder kinderen werden geboren dan nodig is om in Nederland over ongeveer dertig jaar bevolkingsafname te voorkomen.9.)
De daling van het gemiddelde kindertal ging gepaard met een nagenoeg verdwijnen van de differentiële vruchtbaarheid, dat wil zeggen (in de door ons beschouwde Nederlandse situatie) het verschijnsel dat arme gezinnen vroeger over het algemeen kinderrijker waren dan rijke gezinnen. Dit betekent dat de vermindering van inkomensverschillen geresulteerd heeft in een nog grotere nivellering van consumptie per hoofd van de bevolking.10.
De samenhangen in de hierboven beschreven processen komen het beste naar voren in de verhouding tussen mannen en vrouwen. De daling van het gemiddeld kindertal betekende voor getrouwde vrouwen een vermindering van de tijd die aan het voortbrengen en opvoeden van kinderen besteed hoefde te worden.11. De snelle uitbreiding van huishoudelijke apparaten bracht in principe een verdere verlichting van huishoudelijke taken met zich mee. De verminderde gebondenheid aan ‘huis’ heeft vrouwen een grotere bewegingsvrijheid gegeven. Van deze mogelijkheden tot lastenverlichting werd overigens lang niet altijd gebruik gemaakt (zie Friedan, 1963).
Het aantal gehuwde vrouwen dat buitenshuis werkt is in de jaren zestig sterk toegenomen.12. De grote stijging van de hoeveelheid (absoluut en relatief) werkende jonge gehuwde vrouwen hangt samen met het tegelijkertijd toegenomen ‘uitstel’ van de geboorte van een kind in de eerste huwelijksjaren.13.
De verruiming van de gedragsmogelijkheden heeft geleid tot andere verwachtingen van het huwelijk, tot andere eisen aan de (huwelijks) partner, en daarmee ook tot nieuwe omgangs- en belevingsproblemen. Deze veranderingen komen goed tot uiting in ‘Margriet Weet Raad’. Brievenschrijfsters uit eind jaren zestig en jaren zeventig klagen over depressiviteit, over moeheid zonder duidelijke aanleiding, over gebrek aan contact en eenzaamheid. Moederschap en huwelijk zijn minder levensvullend en bestaansbepalend geworden. Veel problemen van vrouwen uit de laatste tien jaar in ‘Margriet Weet Raad’ gaan over het gevoel dat ze hun identiteit niet meer kunnen ontlenen aan hun echtgenoot. Ze moeten ‘zelf iets zijn’, en dat betekent dan
meestal dat voor het ontwikkelen van gevoelens van eigenwaarde andere bezigheden nodig worden geacht dan de taken die de positie van echtgenote en moeder met zich meebrengt.
De nadruk op het belang van ‘zelfontplooiing’ hangt ongetwijfeld - zoals we al eerder in dit hoofdstuk in andere bewoordingen opmerkten - samen met de welvaartsvergroting die vooral gedurende de laatste twintig jaar heeft plaatsgevonden. Pas dan houdt de zorg om rond te komen op de voornaamste bekommernis te zijn, en wordt ruimte geschapen voor andere mogelijkheden. De nadruk op zelfontplooiing voor vrouwen hangt tevens samen met de verkleining van machtsverschillen tussen mannen en vrouwen: vrouwen worden in ‘Margriet Weet Raad’ aangespoord om ‘uit de hoek te komen waarin ze altijd zijn gedrukt’ en meer een ‘eigen leven’ te gaan leiden. Deze verkleining van machtsverschillen hangt, zoals gezegd, ook samen met de vergroting van economische veiligheidsmarges. Sancties tegen het plegen van overspel door een getrouwde vrouw, tegen het uitvechten van ruzies, tegen echtscheiding,14. verloren hun afschrikwekkende werking door hogere en beter afdwingbare alimentatiebedragen, stijgende bijstandsuitkeringen en toegenomen mogelijkheden om een eigen werkkring te combineren met zorg voor kinderen. Naast deze verbetering van de machtspositie van de getrouwde vrouw ten opzichte van haar echtgenoot vond in de door ons beschreven periode een uitbreiding plaats van de mogelijkheden voor jonge meisjes om op andere manieren dan via een huwelijk economische zelfstandigheid tegenover hun ouders te bereiken. Over de vraag in hoeverre van deze mogelijkheden gebruik is gemaakt zijn echter geen duidelijke statistische gegevens voorhanden.15.
In de door ons bestreken periode voltrok zich in Nederland op tal van gebieden een proces van democratisering. Er is geen systematisch onderzoek gedaan naar de vraag in hoeverre en op welke wijze organisaties op verschillende gebieden zijn gedemocratiseerd gedurende de laatste decennia in Nederland. In een rede van 8 februari 1978 vatte de Leidse hoogleraar in de sociologie Lammers enkele indrukken over deze democratisering samen (Lammers, 1978). Volgens Lammers is sprake van een duidelijke democratisering zowel wat betreft opvattingen en normen als de (bestuurs) praktijk van zulke uiteenlopende organisaties als ondernemingen, poli-
tieke partijen, vakbonden, krijgsmacht en universiteiten.16. De conclusie over het veranderd ‘normbesef’ trekt hij onder meer op grond van een vergelijking van huidige verkiezingsprogramma's van politieke partijen met die van 20 jaar geleden. In de vroegere programma's kwamen voorstellen voor democratisering (regeling van medezeggenschap) minder voor, gingen minder ver, en hadden uitsluitend betrekking op het bedrijfsleven. Andere indicatoren voor democratisering in normen en opvattingen - wetgeving en opinieonderzoek - kwamen in hoofdstuk 4 reeds aan de orde. Ook in de praktijk is er volgens Lammers sprake van democratisering. In veel organisaties - onderwijs, welzijnswerk, leger, kerk - zijn overlegorganen ingesteld, of zou - in geval van ondernemingen - de mogelijkheid tot invloed van deze organen zijn uitgebreid.17.
Ondanks de veel gehoorde mening dat er van een feitelijke democratisering geen sprake is, concludeert Lammers tot een zekere ‘invloedswinst’ van ondergeschikten: het zou voor de leiding van een organisatie lastiger zijn geworden om maatregelen door te voeren welke bij een belangrijk deel van de organisatieleden op verzet stuiten. Deze ontwikkeling is goed zichtbaar in de relatie tussen hoogleraren en studenten, tussen bestuurders en bestuurden. Minder duidelijk is deze toename van ‘hinderkracht’ (ondanks de uitbreiding van wettelijke regels over medezeggenschap) in geval van arbeiders tegenover ondernamers.
Als een andere aanwijzing voor de verkleining van machtsverschillen kan de daling van inkomensverschillen beschouwd worden. Hoewel economische ongelijkheid zeker niet samenvalt met machtsongelijkheid, kunnen we verschillen in economische privileges wel beschouwen als aanwijzing voor verschillen in macht, en verkleining van inkomensverschillen tussen sociale klassen als aanwijzing voor democratisering. Al is de precieze grootte van de inkomensnivellering door de onvolledigheid van de gegevens en de onzekerheid over wat ‘de beste’ maatstaf voor ongelijkheid zou moeten zijn een punt van controverse, toch blijkt op grond van zeer verschillende criteria dat de inkomensverschillen sinds 1938, het beginpunt van ons onderzoek, aanzienlijk zijn verminderd.18.
De verkleining van machtsverschillen betekent dat mensen op een andere manier dan vroeger rekening met elkaar moeten houden. Vele, met hiërarchische relaties samenhangende gedragsvoorschriften, waarbij een vanzelfsprekende gehoorzaam-
heid van ‘lageren’ aan ‘hogeren’ werd verondersteld, kunnen hierdoor niet meer als richtlijn voor gedrag worden gehanteerd. Dit brengt problemen met zich mee voor de omgang met anderen, die in een vroegere periode niet naar voren kwamen. Deze nieuwe problemen kwamen vooral wat betreft de verhouding tussen mannen en vrouwen in ‘Margriet Weet Raad’ goed tot uiting. Ook zagen we in Margriet dat een aantal met democratisering samengaande idealen tot problemen kunnen leiden. Zo brengt het samengaan van een gelijkheidsethos en het ideaal van zelfontplooiing19. (‘het is een gezond egoïsme als je nu en in je huwelijk het recht vraagt jezelf zo volledig mogelijk te ontplooien.’ (‘Margriet Weet Raad’, 1977)) moeilijkheden met zich mee bij het bepalen van eigen grenzen. (‘Margriet Weet Raad’, 1977).20.
De afname van sociale ongelijkheid maakt de nog aanwezige sociale ongelijkheid niet voor iedereen gemakkelijker te verdragen. Het voortbestaan van ongelijkheid terwijl sociale barrières minder ondoordringbaar worden, kan deze ongelijkheid zelfs voor de sociaal ‘lageren’ veel onverdragelijker maken.21. In Nederland is in nieuwe stadswijken met een sociaal gemengde bevolking de ongelijkheid dichter bij de dagelijkse ervaringswereld van de bewoners van die wijken gekomen. Hoewel het moeilijker is dan vroeger om aan mensen te zien uit welke sociale klasse ze afkomstig zijn, is de ‘zichtbaarheid’ van sociale ongelijkheid tevens toegenomen door vergroting van mobiliteit, en door de invloed van de televisie. Voor vele Nederlanders die op deze wijze pijnlijk geconfronteerd worden met eigen achterstand op gebied van kennis, macht en inkomen, kan dit - zoals blijkt uit ‘Margriet Weet Raad’ - aanleiding geven tot gevoelens van minderwaardigheid en woede.
Een ander belangrijk proces dat zich gedurende de door ons beschreven tijd in Nederland heeft voltrokken is de secularisering.
De cijfers laten tot 1970 een ondubbelzinnig beeld zien van een voortgaande ontkerkelijking; na 170 wordt de ontwikkeling minder duidelijk. Tussen 1930 en 1947 nam het percentage mensen dat bij de volkstelling gevraagd naar kerkelijke gezindheid ‘geen’ opgaf, toe van 14,4 naar 17,1, van 1947 tot 1960 naar 18,1, en de daarop volgende tien jaar naar 23,6 (Statistisch Zakboek, 1977).22.
De deconfessionalisering is ook duidelijk te zien in de verkie-

| 1937 | 1946 | 1956 | 1967 | 1970 | 1974 | 1977 | 1978 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 58,5 | 53,6 | 52,9 | 47,4 | 44,7 | 35,0 | 35,4 | 38,8 |
| (2e Kamer verkiezingen) | (Prov. Staten) | (2eK) | (Prov. Staten) | ||||
zingsuitslagen over deze jaren. De ontwikkeling van de aanhang van de confessionele partijen23. is in tabel 6 weergegeven. Secularisering valt ook op te maken uit andere verschijnselen dan kerkbezoek en stemgedrag. Bij omroepen en sportbeoefening vond een groei van de ‘neutrale’ organisaties plaats. Het midden van de jaren zestig wordt gezien als een ‘kentering’ in dit ontzuilingsproces. Zo wordt in 1965 de formele band tussen PvdA en Het Vrije Volk opgeheven en verdwijnt het adjectief katholiek uit de ondertitel van de Volkskrant (Lijphart, 1967). Enkele gegevens uit de laatste jaren lijken te wijzen op een hernieuwde belangstelling voor confessionaliteit als grondslag voor een aantal instituties, maar slechts in een enkel geval (lager onderwijs) lijkt deze stijging van waardering voor confessionaliteit de tussen 1966 en 1970 opgetreden daling te hebben overtroffen.24.
De secularisering droeg ertoe bij dat vele geboden en verboden, vooral op het gebied van de omgang tussen mannen en vrouwen, minder strikt werden. Dit betekende, zoals we in vele passages uit ‘Margriet Weet Raad’ zagen, een verruiming van de gedragsmogelijkheden. Met het voortschrijden van secularisering, en vooral van ontzuiling, verminderde een sterke vorm van sociale controle, namelijk de controle van kerk en geloofsgemeenschap.
Niet alleen de ontzuiling leidde ertoe dat de levenssfeer van een groot aantal mensen zich verruimde. Via de televisie kregen steeds meer Nederlanders25. mensen onder ogen die een andere levenswijze vertoonden, en een andere moraal. Ook de sterk toegenomen mobiliteit26. bracht een uitbreiding van contacten met zich mee. Deze uitbreiding heeft wellicht bijgedragen tot een minder rigide worden van de gedragsreegels. Maar om nog een andere reden lijkt ons de toegenomen mobiliteit van invloed geweest op de versoepeling van de regels: mensen konden zich gemakkelijker onttrekken aan de controle van familie, buurt- en geloofsgenoten.

De vermindering van de strenge sociale controle die mensen op elkaar uitoefenden, hangt ook samen met een andere ontwikkeling: de verdwijning van de hechte dorpsgemeenschap, waarin zich vroeger het leven afspeelde van een groot deel van de Nederlandse bevolking. Er was gedurende deze jaren sprake van een sterke verstedelijking van het platteland.27. Veel grote verschillen in levensstandaard, ontwikkeling en ‘levensstijl’ tussen stad en platteland zijn zowel door toename van welvaart en ontwikkeling bij de oorspronkelijke plattelandsbevolking als door de komst van stedelingen naar het platteland (hetzij als forensen hetzij als recreanten), praktisch verdwenen.28. Zowel het ontzag en de afkeer waarmee mensen van het platteland ‘de grote wereld’ van de stad bekeken, als de minachting van de stedelingen voor de beperktheid van de dorpse samenleving, verkeerden daarbij vaak in hun tegendeel. Deze verandering in waardering is ook in ‘Margriet Weet Raad’ te merken: brieven waarin geklaagd werd dat stedelingen zo neerkeken op mensen ‘van buiten’ komen sinds de jaren zestig niet meer in de rubriek voor.
In veel van de door ons beschreven verschuivingen - de vervanging van voorschriften en veroordelingen door psychologische overwegingen, het serieus nemen van vage klachten die niet overstemd hoeven te worden door een houding van ‘flink zijn en aanpakken’, de verschuiving van een opvatting van ongeluk als een lot dat moedig gedragen moet worden naar een probleem waar wat aan te doen valt - in al deze veranderingen is de invloed merkbaar van een zich snel uitbreidend beroep, de psychotherapie. Het is het doordringen van benadering, idioom en ideologie van dit beroep dat in adviezen en brieven naar voren komt.
Het feit dat mensen hun eigen en andermans problemen steeds meer gaan herkennen als ‘psychisch’ is voor een deel gevolg van de vormende en wervende werking van het psychotherapeutisch beroep.29. Maar het zijn veranderingen in de samenleving geweest - onder meer de processen van welvaartsvergroting en secularisering - waardoor mensen met andere problemen te maken kregen. Het zijn mede deze veranderingen die geleid hebben tot de ontwikkeling van het psychotherapeutisch beroep.
De popularisering van de psychotherapie is in ‘Margriet Weet Raad’ het eenvoudigst te zien aan de grote toename van ver-

wijzingen naar psychotherapeuten en naar instellingen op het gebied van de psychosociale zorg. Een psychiater wordt niet meer gezien als iemand voor ernstig gestoorden. Problemen die men vroeger beschouwde als deel van het menselijk bestaan, worden, zoals in ‘Margriet Weet Raad’ duidelijk blijkt, nu beoordeeld als ‘iets voor een behandeling’.
Het duurt bij een nieuwe professie enige tijd voordat mensen weten met welke wensen of problemen ze daar terecht kunnen. Er vindt een proces van gebiedsafbakening plaats met verwante beroepen, en er komt een proces van clientèlevorming op gang. Mensen leren geleidelijk wat iets is voor de advocaat, de dokter, de maatschappelijk werker, de psychotherapeut, de politie. De grenzen, en ook de overlappingen tussen die verschillende beroepsgebieden liggen niet vast maar zijn aan voortdurende veranderingen onderhevig. Dit is vooral het geval op een gebied als de psychosociale zorg, waar een groot aantal beroepen nog jong en niet gevestigd zijn. Met name psychotherapie, een vak dat tien jaar geleden buiten de kring van direct betrokkenen vrijwel onbekend was, heeft vage en sterk uitdijende grenzen. Veel meer situaties dan vroeger komen in aanmerking voor psychotherapie, en het moet de mensen verteld worden dat zij met allerlei klachten naar zo'n ‘deskundige’ kunnen gaan. Een van die instanties die uitlegt met welke problemen je waar terecht kunt, is ‘Margriet Weet Raad’.
De toename van de verwijzingen naar psychotherapie in de rubriek is een van de indicatoren voor de groeiende invloed van dit beroep. Een andere aanwijzing hiervoor is, zoals gezegd, de verandering van de toon van de adviezen zelf. Deze adviezen zijn gaan lijken op psychotherapeutische hulp30.. Ze zijn minder richtinggevend en gedragsvoorschrijvend geworden. Mensen worden aangezet tot zelfonderzoek, en Margriet tracht hun het eigen aandeel te tonen in de problemen waarover ze schrijven. De afbakening tussen goed en kwaad wordt niet meer ‘van buitenaf’ gesteld: mensen moeten hun eigen grenzen leren kennen en die als richtlijn nemen.31.
Veel van de eisen die nu aan gedrag en gevoel worden gesteld - het beroep op eigen verstand en eigen verantwoordelijkheidsgevoel, het zelf beoordelen van de ‘baten en de kosten’ van verschillende handelswijzen, het toelaten van emoties die in strijd kunnen zijn met wat als betamelijk wordt beschouwd - geven voor een groot aantal mensen aanleiding tot problemen die door psychotherapeutische beroepsbeoefenaren omschre-
ven worden als ‘iets voor psychotherapie’. Het oogmerk van veel psychotherapieën - versterking van het ‘zelfgevoel’, het leren bepalen wat je wilt, het leren kennen, en vervolgens uitkomen en opkomen voor je gevoelens - betreft voor een deel gedragingen en gevoelens die mensen in een eerdere periode niet van elkaar verlangden.

| Aantal kinderen | 1960 | 1965 | 1971 | 1972 | 1973 |
|---|---|---|---|---|---|
| geen | 2% | 3% | 6% | 5% | 4% |
| een | 2% | 2% | 6% | 4% | 3% |
| twee | 31% | 30% | 44% | 51% | 58% |
| drie | 22% | 30% | 26% | 21% | 22% |
| vier | 23% | 17% | 10% | 10% | 8% |
(Uit: NIPO, bericht no. 1073, 11-10-1965; bericht no. 1405, 19-2-1971; bericht no. 1507, 19-6-1972; bericht no. 1542, 23-1-1973).
| Voorstanders van meer inspraak van: | 1970 | 1975 |
|---|---|---|
| arbeiders | 67,6% | 59,9% |
| burgers | 82,9% | 69,8% |
| studenten | 64,5% | 31,8% |
wijst bovendien naar f.c.b. van wijmen. Het Ziekenhuis: democratisering en bestuursstructuur, Lochem 1975, hfdst. 1, alsmede naar h.f. van dongen, ‘Over gebieden van medezeggenschap’, Mens en Onderneming, 24 (1970), pp. 217-232.
| 1966 | 1970 | 1975 | |
|---|---|---|---|
| school | |||
| ja | 54,8 | 40,8 | 62,6 |
| omroep | |||
| ja | 41,8 | 23,2 | 41,1 |
| sport | |||
| ja | 23,3 | 9,4 | 12,9 |
| vakvereniging | |||
| ja | 32,8 | 18,6 | 32,2 |
| jeugdvereniging | |||
| ja | 55,1 | 32,8 | 42,9 |
| politieke partijen | |||
| ja | 35,6 | 23,3 | 29,9 |
| Het autobezit nam als volgt toe: | De cijfers over het privévervoer (excl. fiets) vertonen het volgende beeld: | ||
|---|---|---|---|
| 1938 | 94 000 | 1948 | 4,8 miljard km |
| 1948 | 86 000 | 1960 | 21,3 miljard km |
| 1960 | 522 000 | 1970 | 82,3 miljard km |
| 1970 | 2 258 000 | 1973 | 101,3 miljard km |
| 1976 | 3 768 000 | ||
| (Bronnen:Zeventig jaar statistiek in tijdreeksen; Vijfenzeventig jaar statistiek van Nederland; Statistisch Zakboek 1977) | |||