Daar dit opstel over hetzelfde onderwerp handelt als het voorafgaande en slechts één dag later geschreven is, mag men aannemen, dat beide opstellen één reactie vormen op stellingen die Coenen in debat met Carry van Bruggen geponeerd had.
Blaricum, Donder[dag] 12/6 1913
Antwoord op het herderlijk schrijven van den Hooggeleerden Heer F.C.
| 1. | Over de Vrijheid van het Individu |
| 2. | Over het Recht (de Plicht) van den Aanstoot |
| 3. | Over het Recht op Zelfbehoud. |
Het Individu is bij zijne geboorte vrij -, en wordt onmiddellijk daarna onvrij. Niemand kan zeggen, dat het moreele plichten heeft jegens een gemeenschap in welke het niet vroeg geboren te worden. De bij is van nature geneigd een ronde honigbuis te bouwen, de ronde honigbuizen van zijn buren drukken aan alle kanten tegen de zijne aan -, daardoor ontstaat de zeskant. Dat drukken is het gevolg van de drang naar zelfbehoud. Zoo doet de bijengemeenschap zich voor als een verzameling zuiver-sluitende zeskanten -, resultaat van gedurig conflict. Een bij, die in zijn wijsheid de gemeenschap wil helpen en op eigen hand een zeskant bouwen, stuurt de boel in den war. Het zuivere passen en sluiten is alleen mogelijk als het individu gehoorzaamt aan zijn instincten en niet de tegennatuurlijke daad begaat gemeenschapsdier te willen wezen. Ziedaar in de bijen-gemeenschap de plicht van den Aanstoot voor de harmonie van het geheel[.]
De Aanstoot in de menschenmaatschappij is noodig om de gemeenschap aan het verstand te brengen, dat er ontevredenheid heerscht. Die heerscht altijd. De Aanstoot die de voorstanders der lijkverbranding met voorbedachten rade willen geven aan de wetten en aan hun Christelijke medeburgers heeft ten doel de

Regeering in te lichten ‘dat het zoo niet gaat’. Het horloge van de gemeenschap is altijd een paar eeuwen achter, de individuen zorgen, dat het van tijd tot tijd gelijk gezet wordt. Kleeren die te nauw worden, moeten - in een zuinig gezin eerst uitgelegd - en dan vervangen worden.
De gemeenschap knot den natuurlijken vrijheidslust van het individu. Het individu stelt paal en perk aan de overheerschingsdrang van de gemeenschap. Het heeft ten opzichte van de andere partij geen rechten -, het leeft zoo goed het kan, het heeft geen plichten, maar het bukt voor machten. Wie in zijn ijver te ver gaat, toont dat hij dit niet begrijpt en doet de gemeenschap kwaad, door een deel van zijn natuurlijke instincten onvervuld te laten. In dit verband mag en moet er niet anders dan tegenstand zijn, het afstooten als van magnetische polen.
Wat de gemeenschap in waarheid schooner en hooger maakt, is redelijkheid, liefde en overgave.
De Gemeenschap, die aanslagen op zichzelf strafbaar stelt, gaat begrijpelijkerwijs uit van de veronderstelling, dat hare instellingen voortreffelijk zijn en dat zij-zelf in hare huidige gedaante eeuwig is. Zij is dat echter niet en om diezelfde reden zijn hare instellingen op z'n best eenigen tijd voortreffelijk. Het is het recht en de plicht van het individu om het te doen blijken als hij vindt, dat de gemeenschap haar boekje te buiten gaat, dat de gemeenschap personen of groepen overlevert aan anderen, dat de (verouderde of verouderende) gemeenschap weigert rekening te houden met zijn inmiddels ontstane behoeften aan vreugde en vrijheid of zijn aesthetische voorkeur. Men kan zeggen, dat de stichters van het nieuwe crematorium geen ‘outcasts’ zijn, ze hebben 't in het algemeen ‘goed’ in deze gemeenschap -, zijn ze nu als ‘tegenbeleefdheid’ verplicht de begrafenis-wet te accepteeren? In geenen deele. Zij bewijzen de gemeenschap met haar ‘aanstoot’ op den duur een dienst -, en toonen haar tegelijk, dat ze alleen dan haar inmenging waardeeren, als, die beteekent: bescherming van zwakken. De sterken hebben haar nimmer gevraagd, hunne geschillen te beslechten -, zij doen dat van nature liever zelf. Maar, zooals ik gister schreef, ieder is ‘de zwakke’ op zijn beurt. Niemand heeft Recht op zelfbehoud. Elk streeft naar zelfbehoud. De Gemeenschap acht deze drang zoodanig natuurlijk en noodzakelijk, dat zij het individu van elke beperking ontslaat, als het gaat om zijn zelfbehoud. Het is dan een zuivere strijd van man tegen man, kracht tegen kracht, waarin de gemeenschap als het nog noodig is, den zwakke beschermt, den onvoorbereid-aangevallene. Bij een duel treedt ze in het geheel niet op. Het is dus hier het algemeen princiep van ‘bescherming der zwakken’ -, niet een bijzonder princiep van ‘recht op Zelf-behoud’. Wie een recht op zelfbehoud erkent, ontkent de wettigheid van de doodstraf en den politieken moord.
Beschaving is orde
F.C.
Neen, Orde-in-slaafschheid is dressuur. Beschaving is: Begrip, is Liefde, is orde in vrijheid, is anarchie.
Elk individu heeft het recht door zijn optreden kenbaar te maken, dat hij slechts ‘met God en zijn Geweten’ wil te rade gaan -, dat hij anarchie begeert. De gemeenschap heeft de macht, hem dit optreden te beletten, als zij den tijd voor die anarchie nog niet gekomen acht. Ik heb dit niet als haar taak, maar als haar machtsmiddel aangetoond.
ACHTER HET BOEK
| 1962 | eerste jaargang, aflevering 1 Marcellus Emants, Brieven aan Frits Smit Kleine Uitgegeven, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Pierre H. Dubois |
| 1962 | eerste jaargang, aflevering 2 en 3 H. Marsman, Vijf versies van ‘Vera’ Ingeleid door Arthur Lehning. Verzorgd door Daisy Wolthers |
| 1963 | tweede jaargang, aflevering 1 Dr. H.W. van Tricht, Over de Tagore-vertalingen van Frederik van Eeden |
| 1963/1964 | tweede jaargang, aflevering 2 en 3/derde jaargang, aflevering 1 Jan ten Brink/Cd. Busken Huet, Brieven aan de uitgever van het tijdschrift Nederland 1873-1886 Uitgegeven, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Dr. L. Brummel |
| 1964 | derde jaargang, aflevering 2 en 3 De briefwisseling tussen P.N. van Eyck en H. Marsman Ingeleid door Dr. H.A. Wage Uitgegeven en van aantekeningen voorzien door A.P. Verburg |
| 1965 | vierde jaargang, aflevering 1, 2 en 3 De briefwisseling tussen Lodewijk van Deyssel en Arnold Ising Jr. 1883-1904 Deel I Uitgegeven, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Harry G.M. Prick |
| 1966 | vijfde jaargang, aflevering 1 en 2 De briefwisseling tussen Lodewijk van Deyssel en Arnold Ising Jr. 1883-1904 Deel II Uitgegeven, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Harry G.M. Prick |
| 1966 | vijfde jaargang, aflevering 3 Willem Kloos, Okeanos-fragmenten Uitgegeven en ingeleid door A.P. Verburg (nog te verschijnen) |
| 1967 | zesde jaargang, aflevering 1 en 2 S. Vestdijk, Brieven uit de oorlogsjaren aan Theun de Vries Uitgegeven, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Theun de Vries |
| 1967 | zesde jaargang, aflevering 3 Carry van Bruggen, Vijf brieven aan Frans Coenen Uitgegeven, ingeleid en van aantekeningen voorzien door J.M.J. Sicking |
| 1968 | zevende jaargang, aflevering 1, 2 en 3 De studietijd van R.C. Bakhuizen van den Brink door brieven toegelicht Met inleiding en aantekeningen uitgegeven door Dr. L. Brummel |
| 1969 | achtste jaargang, aflevering 1, 2 en 3 De briefwisseling tussen Arij Prins en Lodewijk van Deyssel Uitgegeven, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Harry G.M. Prick (verschijnt november 1970) |