‘Er zijn zeker weinig onderdeelen van onze economische geschiedenis, van welke onze kennis zoo onbevredigend is, als het tijdperk volgende op het herstel van onze onafhankelijkheid’ schreef een aantal jaren geleden een bekend historicus terecht. Toch - of, als men wil, juist daarom - moet aan een beschrijving van de arbeidende klasse in Nederland tot 1870 een vluchtige schets voorafgaan van het economisch milieu, waarin deze klasse verkeerde. Niet omdat de ontwikkelingsgang welke zij doormaakte uitsluitend van dit milieu afhankelijk zou zijn, en zonder rest hieruit zou kunnen worden verklaard; doch wel omdat, waar kennis van het geheel ontbreekt, inzicht in de onderdeelen nimmer kan worden verkregen.
In zijn welvaartsleven is de moderne mensch - en dit geldt dus ook voor den arbeider - niet in gelijke mate sociaal gebonden. Als consument is hij, welk stempel der gemeenschap hij ook moge dragen, in zijne beslissingen souverein. Als producent daarentegen is hij een klein onderdeel in het ingewikkelde mechanisme der behoeftenbevrediging1). Zoo is het noodzakelijk, dat in de hier volgende schets vooral de productieverhoudingen naar voren komen, omdat deze op den toestand van den arbeider als voortbrenger, als werker, zulk een overheerschenden invloed hebben uitgeoefend. Voorts is het duidelijk, dat bij deze productieverhoudingen de industrieele op den voorgrond staan, daar het aantal arbeiders in landbouw- en transportbedrijven tegenover dat van hen, die in de nijverheid hun brood verdienden, betrekkelijk gering was.
Bij het beoordeelen van de economische phase, die Nederland van 1813 tot 1870 doorliep, komen drieërlei factoren in aanmerking. Allereerst technisch-economische. Onderzocht zal moeten worden, of en in hoeverre het grootbedrijf tegenover het kleinbedrijf de overhand kreeg; in hoeverre het gebruik van mechanische kracht, met name stoomkracht in zwang is gekomen. Daarnevens zullen eenige andere verschijnselen worden nagegaan, die licht kunnen werpen op de vraag, of het ‘handwerk’-stadium reeds plaats moest maken voor dat der ‘fabriek’; te noemen zijn de grootte van het afzetgebied en het werken op bestelling. Naast de genoemde factoren zijn er andere van meer sociologisch-economischen aard, op de klassescheiding tusschen ondernemers en arbeiders betrekking hebbende. Hier komt inzonderheid het vraagstuk aan de orde, of, zoo al niet het grootbedrijf, dan toch de grootondernemer reeds zijn intrede in het economisch leven had gedaan. Grootondernemers nl. kunnen ook voorkomen zonder dat zij eigenaar zijn van grootbedrijven, o.a. als zij een aanzienlijk aantal arbeiders in den vorm van huisindustrie exploiteeren; in verband daarmede zal deze laatste bedrijfsvorm tevens worden beschreven. Ten slotte zijn het de economisch-psychologische feiten, die het karakter van onze periode bepalen. Op voetspoor van Sombart aannemend, dat een ongebreideld winststreven en een rationalistische levenshouding voor de moderne productiewijze karakteristiek zijn, zullen wij trachten na te gaan, of deze trekken ook reeds eigen waren aan de geslachten, die tusschen 1813 en 1870 leefden.
Als uitgangspunt van het onderzoek zullen de enquêtes van 1816 en 1819 worden genomen, die in de Inleiding uitvoerig zijn besproken. Zij geven op de meeste vragen, die hierboven werden uiteengezet, een voldoende antwoord. Wij zullen de provinciesgewijze verdeeling van de enquêtes moeten volgen, daar de gegevens uit het eene gewest soms belangrijk uitvoeriger zijn dan uit het andere.
De ‘fabrijkstaat’ biedt een overzicht van de grootte der verschillende nijverheidsondernemingen, die op 31 December 1819 bestonden, daar van elke soort van onderneming in elke gemeente het totale aantal arbeiders vermeld wordt. Al moge nu
het aantal arbeiders van elke onderneming afzonderlijk niet nauwkeurig bekend zijn, toch geven deze opgaven tot houdbare conclusies aanleiding. Vooraf nog de opmerking, dat wij onder grootbedrijven de bedrijven rekenen met 40 of meer arbeiders, onder kleinbedrijven die met minder dan 10 arbeiders. Deze grenzen zijn niet alleen betrekkelijk willekeurig1), zij doen den bedrijfsomvang - die zich in nog zooveel andere factoren als omvang van het afzetgebied, grootte van het geïnvesteerde kapitaal, waarde der omgezette productie e.d. uit - slechts onvoldoende tot zijn recht komen. Wij gebruiken het arbeiderscriterium dus slechts, omdat het het eenige is waarover gegevens beschikbaar zijn; hiertegen is in zooverre minder bezwaar, dat de statistiek alleen de nijverheid omvat en niet ook de handels- en verkeers-ondernemingen2).
Wanneer wij thans de provincie Friesland in oogenschouw nemen, dan blijkt dat in 1819 in Friesland grootbedrijf niet voorkwam; het klein- en dwergbedrijf nam een overheerschende positie in. Het overgroote deel der bedrijven heeft minder dan 10 arbeiders in dienst. Voor niet alle echter is dit feit van even groote beteekenis. Er zijn er, die naar hun aard voor grootbedrijf minder geschikt zijn, en die tot op den huidigen dag van geringen omvang zijn gebleven. Zoo geeft het feit, dat de 372 ‘timmerwinkels’ in de geheele provincie 1113 werklieden benevens 133 kinderen in dienst hadden, weinig reliëf. Wel echter is van belang, dat talrijke industrietakken, die thans in het groot worden uitgeoefend, in 1819 nog volkomen het karakter van kleinbedrijf hadden. De 24 bierbrouwerijen bijv. hadden slechts 28 arbeiders; in de 494 broodbakkerijen werkten 442 arbeiders en 42 kinderen; in de 69 leerlooierijen zijn 93 arbeiders en 2 kinderen werkzaam. Voorts is het aantal arbeiders uit den aard der zaak klein bij alle bedrijven, die den wind als beweegkracht gebruiken. De voor het Nederlandsche landschap zoo in hooge mate karakteristieke windmolen, is, voor zoover zij voor industrieele doeleinden wordt gebruikt, naar den aard aangewezen op kleinbedrijf. Meer dan 4 arbeiders kunnen
als regel in een molen niet worden gebezigd. De windmolens werden voornamelijk voor de navolgende takken van nijverheid gebruikt: houtzagerij, gerst- en rijstpellerij (‘grutmolens’), koren-malerij, trasmalerij, run- of schorsmalerij, olie- en papierfabricage1). Nagenoeg al deze takken van nijverheid worden thans fabriekmatig uitgeoefend.
Slechts één industrie was er in 1819 in Friesland, die grootere proportiën had aangenomen. Het was de klei-industrie. Dat deze een uitzondering maakte vindt een verklaring in den aard van het bedrijf, dat aan het voorkomen van bepaalde kleisoorten gebonden is en dus op ruimere afzetgebieden berekend moest zijn; bovendien speelt deze industrie zich grootendeels in de open lucht af en staat zij in de wintermaanden stil. In de 19 pannenbakkerijen, die op 31 December 1819 in de provincie aanwezig waren, waren 163 volwassenen en 145 kinderen werkzaam. Er zijn onder deze 19 zuivere kleinbedrijven (Oostdongeradeel heeft er b.v. 2 met samen slechts 6 arbeiders); maar de 2 pannenbakkerijen te Franeker telden 51 arbeiders, de 5 te Harlingen 50 volwassenen en 90 kinderen. Niet anders was het in de steenbakkerijen; ze waren 17 in getal en gaven werk aan 432 arbeiders en 13 kinderen. De grootste etablissementen vond men in Franeker (2 fabrieken met samen 60 arbeiders) en in de gemeente Oostdongeradeel (1 fabriek met 30 arbeiders). De beide plateelbakkerijen en de tegelbakkerij, die worden vermeld, hadden elk omstreeks 20 arbeiders in dienst.
Naast de klei-industrie verdient de textielnijverheid de aandacht. Ook voor deze worden in sommige gemeenten fabrieken vermeld met een opmerkelijk groot aantal werklieden. De hennepspinnerij te Harlingen bezigt 20 arbeiders en 20 kinderen, die te Stavoren 20 arbeiders. In Harlingen zijn bovendien 2 katoenweverijen, die samen 55 arbeiders tellen. Te Sneek werken in een katoenspinnerij 30 personen, waaronder 20 kinderen. Groote getallen worden ook in Leeuwarden vermeld; de 11 wolkammerijen aldaar bezigen 300 arbeiders ‘bestaande meest in kinderen’; de 7 te Franeker geven werk aan 14 arbeiders benevens 200 spinsters. Toch is het waarschijnlijk dat in deze gevallen van middel- of grootbedrijf geen sprake is, omdat het meerendeel der arbeiders
thuis heeft gewerkt. Bij de Leeuwarder wolkammerijen blijkt dit ten duidelijkste en in de andere gevallen zal het niet anders zijn geweest.
Behalve de reeds genoemde komen nog eenige op zichzelf staande middelbedrijven voor. De 6 cichoreifabrieken te Leeuwarden, die slechts 3 kwartalen per jaar werken, bezigen tezamen 100 volwassen arbeiders en 50 kinderen. In de gemeente Wonseradeel wordt een papiermakerij met 27 arbeiders, waaronder 4 kinderen, vermeld; de gemeente Barradeel heeft 2 touwslagerijen met 33 arbeiders. Ten slotte tellen de veenderijen in het Zuid-Oosten van de provincie elk circa 20 arbeiders. Hiermede zijn alle bedrijven opgenoemd, die 10 of meer arbeiders in dienst hadden. In alle overige takken van nijverheid was het kleinbedrijf alleen-heerscher.
Tot nog toe hebben wij alleen den omvang van het bedrijf in oogenschouw genomen. Thans iets over de inrichting daarvan. De in het klein georganiseerde industrie pleegt met den naam ‘handwerk’ te worden aangeduid, wanneer de patroon in het technisch productieproces nog medewerkt, als hulpmiddelen slechts eenvoudige werktuigen worden gebruikt en de afzet slechts in de naaste omgeving en in hoofdzaak op bestelling geschiedt. Voor zoover de fabriekstaat beoordeeling toelaat, was de Friesche industrie in 1819 nog geheel in de handwerkperiode. Van stoom als beweegkracht was nog geen sprake. Over de windkracht is boven reeds gesproken; daarnaast werden in enkele gevallen paarden als beweegkracht gebezigd. Eenmaal wordt melding gemaakt van een molen die door handkracht wordt bewogen. In al deze gevallen waren het kleinbedrijven, die van deze beweegkrachten gebruik maakten. Van fabrieken1) in eigenlijken zin was dus geen sprake.
Belangrijke aanwijzingen voor het handwerkkarakter der Friesche nijverheid in 1819 leveren de opgaven aangaande de grootte van het afzetgebied. Weliswaar behoeven handwerk en locale afzet evenmin samen te gaan als fabriek met ‘Fernabsatz’, getuige de vele als handwerk uitgeoefende luxe-industrieën met geografisch zeer extensieven afzet. Voorts bedenke men, dat talrijke bedrijfstakken naar hun aard zich tot plaatselijken afzet
beperken en dat de mate waarin export naar het buitenland plaats vindt, belangrijk door de tariefpolitiek der omliggende staten wordt beïnvloed. Niettemin bevestigen de opgaven omtrent het afzetgebied1) onze opvatting dat Friesland toentertijd nog in de handwerkperiode verkeerde. Immers bij talrijke soorten van nijverheid, die thans voor een uitgebreide markt produceeren, was de afzet nog zuiver plaatselijk en dus ook in quantiteit gering. Naast de takken van bedrijf, die naar hun aard op plaatselijken afzet zijn aangewezen (broodbakkerijen, smederijen, slagerijen en in het algemeen de zgn. ambachtsnijverheid) wordt ook een locale afzet vermeld voor: alle bierbrouwerijen, mouterijen, bedden-makerijen, mandenmakerijen, zwartververijen, goud- en zilversmederijen, korenmolens; nagenoeg alle blauwververijen, hoedenmakerijen, jeneverstokerijen, grutterijen, pelmolens, touwslagerijen, kaarsenmakerijen, linnenweverijen, mosterdfabrieken, olieslagerijen. Natuurlijk komt daarnaast bij menig bedrijf het geheele land als afzetgebied in aanmerking. Opmerkelijk is, dat export naar vreemde landen zelden voorkomt; geenszins toevallig is het, dat onder deze weinige juist ook de klei-industrie behoort, die, zooals boven werd aangetoond, het stadium van kleinbedrijf was ontgroeid.
Op de positie van de patroons wordt een duidelijk licht geworpen door de omstandigheid, dat zij veelal zelf medearbeiden te midden van hun knechts. Veelvuldig nl. wordt achter het aantal arbeiders de opmerking gevoegd ‘benevens de werkmeesters’2), zoodat blijkbaar de patroon zich eigenlijk niet van den werkman onderscheidde. Een enkel maal echter komt het voor, dat de eigenaar niet medearbeider was. Zoo werkten in de 2 scheepstimmerwerven in de gemeente Achtkarspelen 6 arbeiders ‘benevens de eene meester’. Zou in deze gevallen de ‘baas’ reeds tot ‘ondernemer’ zijn geworden, die calculeert en organiseert, doch buiten het technische productieproces staat? Het is bezwaarlijk aan te nemen als men let op den geringen omvang der bedrijven in kwestie. Dat de ‘meester’ hier geen technischen bedrijfsarbeid ver-
richtte moet andere oorzaken hebben gehad, b.v. ouderdom of het uitoefenen van een nevenbedrijf.
Merkwaardig is, dat de tabel van huisindustrie weinig gewag maakt. In de gemeente Dantumadeel zijn 65 arbeiders ‘aan hunne huizen werkende;’ die heidebezems fabriceeren. Zijn deze lieden afhankelijk geweest van één of meer ondernemers? Het is mogelijk, doch meer aannemelijk is de veronderstelling, dat dit schamele bedrijf door arme daglooners voor eigen rekening werd uitgeoefend om bijverdienste te hebben. Vandaar ook dat de tabel geen loonbedrag vermeldt. Wel daarentegen zijn als echte huisindustrie te beschouwen de ‘breierijen’ te Leeuwarden; in dit bedrijf worden 100 volwassenen en 150 kinderen vermeld, die aan hun huizen werken voor de wolkammerijen. Dat de eigenaars in laatstgenoemde bedrijven hier als ‘Verleger’ optreden blijkt uit het feit dat de breisters een bepaald loon verdienden: 35 cent per dag, de kinderen 15 cent. Daar er 11 wolkammerijen te Leeuwarden waren, had elk dezer dus gemiddeld bijna 10 gezinnen aan het werk. Als huisindustrie wordt voorts nog te Leeuwarden de linnenweverij uitgeoefend; 20 volwassenen zijn werkzaam in dit bedrijf, dat ‘aan de huizen der werklieden verrigt’ wordt. Zij verdienen daarmee als loon 60 cent per dag. In wiens dienst zij waren blijkt niet.
Groningen's aspect in industrieel opzicht verschilde in 1819 niet van dat van Friesland1). Wat allereerst de grootte der bedrijven betreft: het kleinbedrijf heerschte alom. Wij bezitten helaas geen opgaven van elke gemeente afzonderlijk; wij moeten dus met gemiddelden werken, hetgeen de verschijnselen aanzienlijk vervlakt. Toch blijft het kenmerkend, dat het aantal broodbakkerijen grooter was dan het aantal arbeiders daarin werkzaam (442 tegen 383); dat de 35 bierbrouwerijen 50 arbeiders in dienst hadden; dat in 21 kaarsenmakerijen 20 arbeiders geëmployeerd waren; dat het gemiddeld aantal arbeiders in de kalkbranderij nog geen 2 bedroeg. Grootbedrijven kwamen nauwelijks voor. In de stad Groningen was een papierfabriek, waar 40 volwassenen en 6 kinderen werkzaam waren. Eenigszins uitgaande boven het eigenlijke kleinbe-
drijf zijn de steen- en pannebakkerijen, die, 19 in getal, aan 152 volwassenen en 42 kinderen werk verschaften1). Verder was er in de stad Groningen een suikerraffinaderij, die 12 arbeiders telde Maar dat was ook al; het overige was steeds: kleinbedrijf.
Van de beweegkracht die de Groningsche industrie in 1819 gebruikte behoeft weinig te worden gezegd. De stoom was nog onbekend. Naast de talrijke windmolens waren in enkele fabrieken paardenmolens of handmolens in gebruik.
Nagenoeg alle industrieele bedrijven, die in 1819 in Groningen bestonden, werkten - aldus het provinciaal verslag over 1819 -2) voor provinciale behoefte. Weinig bedrijven vonden ook in andere provinciën een afzetgebied. Waar verzending naar het buitenland plaats had, bepaalde die zich tot Oostfriesland, dat van 1807 tot 1813 bij het Koninkrijk Holland, later bij het Fransche Keizerrijk had behoord. Een en ander blijkt tenminste uit de gegevens voor de stad Groningen3). Vermelding verdient, dat onder de weinige bedrijven, wier afzetgebied ruimer dan ‘plaatselijk’ is, de papierfabriek en de suikerraffinaderij voorkomen, dus de grootere bedrijven. De enquête vermeldt bij de papierfabriek - die toen 52 arbeiders in dienst had - nog een typische bijzonderheid omtrent de afzetmarkt: ‘Meestal in de provincie Friesland en Groningen, nu en dan op eigene speculatiën na buitenlands’, waaruit blijkt dat verkoop op bestelling ook bij Groningen's grootste fabriek regel was.
Bij verreweg het grootste aantal bedrijven, dat zich in 1819 in de stad Groningen bevond, werkten de ‘werkmeesters’ zelf mede. Het ontbreken van deze mededeeling wil trouwens niet zeggen, dat de patroon niet medearbeider was. Vermelding verdient slechts, dat bij de kaarsenmakerijen wordt opgegeven ‘de werkmeesters werken somtijds mede.’
Gegevens over de huisindustrie zijn slechts voor de stad Groningen beschikbaar. De enquête van 1816 geeft 40 wolkammerijen ter plaatse op met 80 arbeiders ‘waaronder breiders en spinders niet zijn begrepen, dewelke eenige honderden bedragen’; ongetwijfeld waren deze lieden aan hunne huizen werkzaam. Andere thuisarbeid schijnt toenmaals te Groningen niet te hebben bestaan.
Drente, schaars bevolkt en grootendeels uit woesten heidegrond bestaande, had een zeer geringe industriëele ontwikkeling. Ieder dorp had zijn eigen schoenmakerijen, korenmolens, grofsmederijen enz., die alle voor plaatselijken afzet werkten. Vaak werkte de patroon zonder een enkele knecht. Meppel was de eenige plaats, waar de industrie iets meer beteekende, d.w.z. grooter van omvang was en haar producten over het geheele land verzond. De eenige industrieele onderneming, die meer dan 10 arbeiders in dienst had, was te Meppel gevestigd: een linnenweverij met 50 arbeiders. Voorts hadden enkele veenderijen meer dan 10 arbeiders in dienst. Al het overige was kleinbedrijf, veelal zelfs dwerg-bedrijf.
Misschien meer nog dan bij andere provinciën kan men bij Overijsel betreuren, dat het cijfermateriaal zoo schaarsch is en dat toelichting erbij ontbreekt. Al dadelijk geven de cijfers van de textielnijverheid, die natuurlijk in de eerste plaats de aandacht vraagt, reden tot verbazing. Wij laten ze in tabelvorm op blz. 10 volgen.
Bij het beschouwen van deze opgave herinnert men zich onwillekeurig de waarschuwing, die de Staten van Overijssel tot de Regeering richtten, toen zij den 25sten November 1816 verschillende statistische gegevens inzonden: ‘Men heeft wel is waar sedert eenige jaren meer dan eens Statistieke Tabelle vervaardigd, den Landbouw, Fabrieken en Handel concernerende, dan die eenigsints met de zaak bekend is weet, hoe weinig waarheid in dezelve over het algemeen gevonden wordt’. Het is niet aan twijfel onderhevig dat de huisindustrie, die in 1819 in de Twentsche spin- en weefnijverheid in zwang was - wij komen erop terug - de cijfers heeft gevitieerd; men mag aannemen dat de boer, die in zijn vrije uren weefde of spon, soms als werkman, soms als fabriek, d.i. ondernemer is beschouwd. Onder dit voorbehoud kunnen uit de tabel de volgende conclusies worden getrokken.
In de katoenspinnerij waren gemiddeld per fabriek 19 personen werkzaam. Dit behoeft niet te beteekenen dat deze allen in een fabriekslokaal werkzaam waren; een deel kan thuis hebben gesponnen. Opmerkelijk is, dat in de wolspinnerij het aantal fabrieken niet is ingevuld. Dit is geen toevallige omissie. In zeer vele boerderijen placht de boerin in ledige uren wol te spinnen,
| Aantal Fabrijken | Aantal werklieden | Aantal kinderen | |
|---|---|---|---|
| Katoenindustrie: | |||
| Diemet fabrieken | 2 | 2 | - |
| Siamois fabrieken | 5 | 45 | - |
| Katoenspinnerijen | 51 | 454 | 511 |
| Katoenweverijen | 3 | 3 | - |
| Katoenstoffenfabrieken | 4 | 50 | - |
| Marseillefabrieken | 22 | 408 | - |
| Bombazijnfabrieken | 87 | 4321 | 2020 |
| Linnenindustrie: | |||
| Linnenweverijen | 529 | 132 | - |
| Idem (damast) | 2 | 6 | - |
| Fabrieken van geruit linnen | 1 | 6 | - |
| Fabrieken van linnen servetgoed | 5 | 60 | - |
| Wolindustrie: | |||
| Wollen stoffenfabrieken | 4 | 56 | 10 |
| Wolspinnerijen | - | 120 | 130 |
| Lakenfabrieken | 1 | 10 | - |
deels voor eigen gebruik, deels voor derden; dat de arbeid vooral door vrouwen verricht werd, wordt ook bevestigd door het lage loon dat hier door volwassenen werd verdiend: 40 cent per dag. Dat de katoenspinnerij al ten deele fabriekmatig werd uitgeoefend, de wolspinnerij nog niet, zal uit den aard der grondstof verklaard moeten worden: de wol kon de boer zich, als hij schapen hield, rechtstreeks toeëigenen of kon althans in de omgeving worden verkregen, terwijl de katoen uit vreemde streken moest komen.
Wat de weefnijverheid betreft, de fabricage van laken en andere wollen stoffen had weinig te beteekenen. Niet de wol-, maar de katoenindustrie was in Twente, evenals thans, hoofdzaak. Echter werden niet zuivere katoenen weefsels vervaardigd, doch een weefsel, dat katoenen inslag, linnen kettingdraden had: bombazijn.
Volgens de tabel waren er in de bombazijnfabricage gemiddeld 73 arbeiders per fabriek, of liever per onderneming, want de huisindustrie was ook hier veelvuldig overheerschend. Dit blijkt uit de
opgave van Oldenzaal uit 18201); de zes fabrieken aldaar hadden 11 werklieden in eigenlijken loondienst, daarnaast echter 288 volwassenen en 95 kinderen, die thuis arbeidden. Na 1830 moest het bombazijn voor het geheel katoenen weefsel wijken.
Vermelding verdient, dat het verven, bleeken en drukken in bedrijfjes geschiedde van geringen omvang; ze waren trouwens gering in getal. Er waren, om een voorbeeld te geven, 24 blauwververijen met 3 en 1 garenververij met 7 arbeiders, voorts 4 linnenververijen en 1 wolververij zonder personeel.
Andere grootbedrijven dan de in het voorafgaande genoemde waren er in 1819 in Overijsel niet, behoudens een tapijtfabriek (te Deventer), waar ruim 200 personen werkzaam waren. Zelfs middelbedrijven zijn schaarsch; te noemen zijn slechts de 10 steenbakkerijen, die aan 158 personen een kostwinning opleverden, 12 kalkbranderijen met 162 en een ijzersmelterij (Deventer) met 23 arbeiders. Alle andere bedrijven hebben een gemiddeld aantal arbeiders van nog geen 10 in dienst.
Naar verwacht mocht worden in een provincie als deze, die toch altijd meer industrieel ontwikkeld was, was de afzet der producten van nijverheid minder lokaal beperkt dan in de reeds behandelde provinciën. De meeste industrieën, die hiervoor in aanmerking kwamen, hadden het binnenland als afzetgebied; opvallend is echter dat de bierbrouwerijen, katoenweverijen, linnendrukkerijen en -ververijen, pannebakkerijen, suikerbakkerijen en wolspinnerijen hunne producten alleen plaatselijk sleten. Verzending naar het buitenland kwam weinig voor. De voornaamste uitvoerartikelen van deze provincie waren boter en run2). Bij de textielindustrie wordt buitenlandsche verzending slechts opgegeven bij de marseillefabrieken en de katoenspinnerijen.
Dank zij de opgaven, die verschillende Geldersche gemeenten in 1817 verzonden ten behoeve van de Commissie ter herziening van het belastingstelsel, vloeien de gegevens voor deze provincie wat rijker. Veranderingen in het beeld, dat het algemeene provinciale overzicht geeft, brengen zij in zooverre, dat thans een enkel grooter bedrijf voor den dag komt, dat in het algemeen gemiddelde
schuil ging. De generale tabel meldt 115 papierfabrieken, waarin 334 werklieden en 132 kinderen arbeidden, of gemiddeld per fabriek 4. In Arnhem bestond echter in 1817 de windpapiermolen De Pannekoek, waar 24 personen werkten1).
Evenals reeds in andere provinciën kon worden geconstateerd, was in Gelderland de steenfabricage een van de weinige bedrijven, die als middel- of grootbedrijf was georganiseerd. Een ‘steenoven’ te Tiel bezigt in 1817's zomers 50 arbeiders2), een dito te Culemborg 253), een te Dalem 504). Verder zijn nog als bedrijven van eenigen omvang te noemen een siroopfabriek te Arnhem met 30 arbeiders (in 1819: 24) en een glasblazerij te Dalem4) met 38 arbeiders. De ijzergieterijen in den Achterhoek zijn ook hierbij te noemen; die te Keppel had in 1817 20 arbeiders in dienst5), die te Gendringen waarschijnlijk meer, daar in 1819 voor de geheele provincie 2 gieterijen met 70 volwassen arbeiders worden opgegeven.
Ten slotte eenige woorden over de textielnijverheid, die nu eenmaal in deze tijden nog alle andere in belang verre overtreft. De Geldersche textielindustrie schijnt meer in 't groot te zijn uitgeoefend dan de Twentsche; de tabel van 1819 vermeldt o.a. 4 baaifabrieken met 68 volwassenen en 91 kinderen; 1 lakenfabriek met 21 mannen en 36 kinderen, 2 wollenstoffenfabrieken met 90 volwassenen en 91 kinderen; 5 weverijen van linnen servetgoed met 180 volwassenen en 25 kinderen; 1 katoengarenfabriek met 76 arbeiders en (in 1817) te Culemborg3) 2 lintfabrieken met resp. 20 en 46 werklieden.
Hoezeer de patroons nog medewerkten in het bedrijf, leert een mededeeling uit Tiel2). In de toelichting op de loonopgaven schrijft het stadsbestuur: ‘In de meeste fabrieken en Ambachten werken de bazen en derzelver zoons mede, welke onder het opgegeven getal (scil. der werklieden, B.) niet begrepen zijn.’ Voor de ambachten nu is dit niets bijzonders, wel echter voor de fabrieken; het waren bierbrouwerijen, zoutmolens, oliemolens, leerlooierijen, lijnbanen, hoedenmakerijen en kaarsenmakerijen.
Omtrent het afzetgebied van de Geldersche industrie kan hetzelfde worden opgemerkt als omtrent de Overijselsche: het omvatte als regel het binnenland, doch de uitvoer naar andere staten was in verhouding gering; zoo exporteerden van de textielindustrie alleen de baai- en wollenstoffenfabrieken. Op zichzelf stonden de kopermolens, die hun waren uitsluitend naar het buitenland verzonden; een in die dagen zeldzaam voorbeeld van een zuivere exportindustrie.
De Utrechtsche fabrieksstaat van 1816, die bewaard is gebleven, geeft een welkome aanvulling bij de tabellen van 1819. Uit de opgaven blijkt, dat behalve de steenbakkerijen en glasblazerijen de textielnijverheid grootbedrijf te zien gaf. Te noemen zijn inzonderheid (in 1816): 1o. een floret- of halfzijdeweverij te Utrecht met 132 ‘oude en jonge’ werklieden; 2o. een katoendrukkerij te Utrecht met 38 werklieden en 16 kinderen; 3o. de 6 katoengaren-spinnerijen te Amersfoort, emplooieerend 300 werklieden, grootendeels thuis werkende; 4o. kousen-, sajet-, handschoenenfabricage te Utrecht; 18 ondernemingen met 2500 arbeiders, waarvan ‘de vaste knechts.... 40 in getal zijn’ (onder deze vaste knechts moeten de fabrieksarbeiders worden verstaan, de rest werkte thuis); 5o. een lijnbaan te IJsselstein met 60 arbeiders; 6o. een garen en lintfabriek te Zeist met ‘omtrent 100 oude en jonge’ arbeiders; 7o. een lakenfabriek te Utrecht met 90 arbeiders en kinderen.
Voegt men hier aan toe, dat er nog te Utrecht een kunstcementfabriek bestond met een aantal werklieden ‘tot 100 naar het saisoen’, dan schijnt het alsof in Utrecht de grootindustrie in het begin van de 19de eeuw reeds een belangrijke rol speelde. Bedenkt men echter, dat de meeste textielarbeiders hun arbeid in hunne woningen verrichtten, dan volgt hieruit, dat wel reeds een aantal grootondernemingen bestonden, doch dat van industrieel grootbedrijf, inzonderheid van fabrieken, nog weinig sprake was. Echte fabrieken waren slechts de 14 steenbakkerijen, de 2 glasblazerijen en de kunstcementfabriek.
Vermelden wij nog, dat de wolindustrie te Veenendaal geheel kleinbedrijf was. Er waren daar 60 wolkammerijen, tevens sajeten wollengarenfabrieken en -ververijen; deze hadden 150 werk-
lieden in dienst ‘behalve een aantal van eenige honderd spinsters: die tehuis werken.’
De Utrechtsche fabrieksstaat leert, dat niet zelden bedrijfsgrootte en territoriale uitgestrektheid van de markt paralle loopen. De 2 Utrechtsche bierbrouwerijen, die grooter van omvang waren dan toenmaals gebruikelijk was - ze hadden samen 45 werklieden -, sleten hun waar ‘binnenslands, somtijds naar buiten’. Van de andere brouwerijen in de provincie, 9 in getal, die 1 à 3 werklieden in dienst hadden, was het afzetgebied slechts ‘in den omtrek’. Ook in andere provinciën hadden de kleine brouwerijen slechts een plaatselijk afzetgebied. De glasblazerijen verzonden vooral flesschen naar de koloniën, terwijl de pannen- en steenbakkerijen eveneens in buitenland en koloniën afnemers hadden. Ook de groote Utrechtsche lakenfabrieken deden zendingen naar het buitenland; overigens beperkte zich de Utrechtsche textielindustrie tot Nederland.
De Noordhollandsche nijverheid concentreerde zich een eeuw geleden om twee plaatsen: Haarlem en de Zaan. Een korte beschouwing van de industrieele ontwikkeling van de Zaanstreek moge voorafgaan. Eén bedrijf was hier, dat in 1816 - wij ontleenen onze gegevens aan de bewaard gebleven enquête van dat jaar - zich tot grootbedrijf had gevormd: de papierfabricage. Opgegeven wordt een witpapiermolen te Zaandijk met 40 werklieden; in Zaandijk zijn er 5 met 300, in Koog twee met 120 à 140 arbeiders, te Wormer zelfs een met 70 à 80; elders in den omtrek zijn kleinere, die gemiddeld toch nog 15 à 25 personen in dienst hebben.
Geheel anders was het met de andere bedrijven, die toenmaals langs de Zaan werden uitgeoefend; hier heerschte het zuivere kleinbedrijf. Men zag er pelmolens en oliemolens met als regel 3 werklieden elk. Een drietal blauwselfabrieken bezigde 14 arbeiders. De zoo belangrijke houtzagerij was eveneens kleinbedrijf; in Zaandam hadden de 82 houtzaagmolens 328 personen in dienst, dus gemiddeld 4. In de 59 oliemolens in dezelfde stad werkten 177 arbeiders. Verder had men in de Zaanstreek de gewone cement-, mosterd-, pel- en andere molens, die met hun 1 à 3 arbeiders zuivere kleinbedrijven waren; benevens eenige stijfselfabriek-jes van geringen omvang. Van beschuit- of meel-, van chocolade-
fabrieken nog geen spoor; de papiermakerijen waren de eenige bedrijven, die werkelijk den naam ‘fabrieken’ verdienden.
Thans Haarlem, het toenmaals zoo belangrijke textielcentrum. Haarlem was in de 18e eeuw vooral beroemd geweest door de fabricatie van zijden en halfzijden stoffen (de zgn. smalreederij) en die van gaas. In 1816 waren er in de stad 4 fabrieken van zijden of garen gaas, waarin 46 arbeiders werkzaam waren; verder waren er 2 fabrieken van zijden stoffen, die samen 40 personen in dienst hadden. Van groote beteekenis was dit bedrijf dus niet meer. Van meer gewicht waren de beide garentwijnderijen; deze hadden 270 arbeiders. Als grootbedrijven waren nog georganiseerd de lint- en koordenfabrieken, vier in getal, die aan 160 werklieden onderhoud verschaften. Wat de andere takken der textielindustrie te Haarlem betreft: deze hadden weinig beteekenis. Er worden vermeld een vijftal ‘zeer kwijnende’ kantfabrieken met 27, een weinig floreerende kousenfabriek met 16, benevens een ‘tamelijk florissant(e)’ wolspinnerij met 20 à 25 arbeiders, terwijl er verder een katoenspinnerij1) als ‘niet zeer favorabel’ wordt opgegeven.
Afzonderlijke vermelding verdient de zeildoekfabricage te Krommenie en Assendelft, die omstreeks 1870 nog aan talrijke gezinnen brood gaf, doch later verviel. De fabrieksstaat van 1816 geeft op: één fabriek te Assendelft met 100 arbeiders en 13 te Krommenie met 525-550. Hier ziet men dus wederom het verschijnsel, dat de grootonderneming gedecentraliseerd optreedt in den vorm van huisindustrie. Ook in Hoorn en Alkmaar waren zeilenmakerijen van gelijken omvang.
Wat Noord-Holland in 1816 aan middel- en grootondernemingen te zien gaf, was in hoofdzaak textiel- of daarmede samenhangende nijverheid. Te wijzen is op een katoendrukkerij te Amsterdam met 73 werknemers en 2 onder Nieuwer-Amstel met 26, resp. 25. Grootbedrijf ziet men ook in de nauw met deze bedrijfstakken samenhangende bleekerijen langs de duinkant; de grootste bleekerij, die te Velzen was, bezigde 41 personen, meest vrouwen. Te Amsterdam waren 3 zijdetwijnderijen met 160 werklieden. Grootondernemingen in huisindustrieelen vorm waren nog - wij willen niet steeds cijfers geven - de koehaarspinnerij te Naarden, als
mede de hennepspinnerijen en -hekelarijen in Graft en de passementfabriek te Amsterdam.
Afgezien van eenige weinig talrijke middelbedrijven - waaronder de beroemde lettergieterij van Enschedé te Haarlem met 32 arbeiders - was in de overige industrie uitsluitend kleinbedrijf. Reeds vermeldden wij de kleinbedrijven in de Zaanstreek; wij zouden daarnaast kunnen opmerken dat de zoutziederijen, buskruitfabrieken, zeepziederijen, cichoreifabrieken, kaarsenmakerijen, leerlooierijen, messenmakerijen, likeurstokerijen, stijfselmakerijen, chocoladefabrieken alle kleine bedrijfjes waren, waarin de eigenaar met slechts enkele knechts, ten hoogste vijf, werkzaam was. De naam ‘fabrieken’ was voor deze veel te weidsch.
Intusschen valt het niet te ontkennen, dat Noord-Holland in den aanvang der 19de eeuw meer industrieel ontwikkeld was dan b.v. Friesland, waar nauwelijks een enkel grootbedrijf kon worden aangewezen. In verband hiermede is het rayon, waarbinnen de nijverheid hare producten verzond, uitgestrekter dan elders. Verscheping naar de koloniën wordt nogal eens vermeld, terwijl ook verzending naar het buitenland vaak voorkomt. Bij de bierbrouwerijen ziet men hetzelfde verschijnsel als reeds in Utrecht werd geconstateerd: ze exporteerden, voornamelijk naar Oost- en West-Indië, en waren in omvang grooter dan de brouwerijen in de landprovinciën. Opmerkelijk is het nog dat de gevallen, waarin het bedrijf slechts in de behoeften van de eigen gemeente voorzag, zeer schaarsch zijn. Ook dit bewijst, dat de industrialisatie hier verder was voortgeschreden dan in de landprovinciën.
Het is merkwaardig, dat in Zuid-Holland de industrieële opbouw van die in Noord-Holland verschilde. Konden in laatstgenoemde provincie een niet onaanzienlijk getal grootbedrijven worden aangewezen, in Zuid-Holland vermeldt de tabel slechts vier bedrijven met (gemiddeld) 40 werklieden of meer. Het zijn een katoendrukkerij met 40 knechts, een knoopenmakerij met hetzelfde aantal, zes lakenfabrieken met 350 en twee vlasspinnerijen met 80 arbeiders. Ten deele is dit het gevolg van het feit, dat voor Noord-Holland een splitsing naar de gemeenten beschikbaar was. Doch ook als men de algemeene opgave van 1819 voor beide provincies vergelijkt, ziet men verschillen.
Eenige voorbeelden:
| Aantal fabr. | Aantal arbeiders | Aantal kinderen | Gemidd. aantal arb. pers. p. fabr. | ||
|---|---|---|---|---|---|
| Bierbrouwerijen | { N.H. | 9 | 153 | - | 17 |
| Bierbrouwerijen | { Z.H. | 25 | 144 | - | 6 |
| Papiermolens | { N.H. | 31 | 722 | 295 | 33 |
| Papiermolens | { Z.H. | 21 | 187 | 38 | 11 |
De verklaring hiervan moet gezocht worden in de omstandigheid, dat juist de Zuidhollandsche industriesteden in ongunstigen toestand verkeerden en vele arbeiders hadden moeten afdanken. In Delft, waar in 1816 de grootste plateelbakkerij nog 50 arbeiders in dienst had1), was in 1819 dit maximum tot 33 geslonken2). Ook de Leidsche industrie was allesbehalve floreerend. Dat hier toch waarlijk wel grootondernemingen zich hadden ontwikkeld in de textielnijverheid, doet de enquête van 1816 zien3), die o.a. vermeldt: 62 fabrieken van baaien, boezels, serge en saai met 2200, 30 à 40 sajetfabrieken met 1000 à 1500, 40 à 50 wollegaren-fabrieken met 2000 werklieden.
Opmerkelijk is nog, dat de Zuidhollandsche nijverheid voor een belangrijk deel op plaatselijken afzet was aangewezen, terwijl, zooals gezegd, in het noorden juist het tegendeel het geval was. Er zijn verschillende bedrijven, die in Noord-Holland hunne waren in binnen- en buitenland of koloniën van de hand doen, en in Zuid-Holland slechts voor de naaste omgeving werken. Zoo de bleekerijen, garentwijnderijen, passementfabrieken, koperslagerijen, kaarsenmakerijen, korenmolens en enkele meer. Het omgekeerde komt nergens voor. Men bedenke hierbij, dat Rotterdam als havenstad toenmaals slechts weinig beteekende.
Zeeland was in 1819 al zeer weinig industrieel ontwikkeld. Grootbedrijf of liever grootondernemingen kwamen alleen bij de wol- en vlasspinnerij voor. Middelbedrijven waren er in het geheel niet. In de meekrapfabricage, die hier van belang was, zul-
len wel enkele ondernemingen zijn geweest met 10 of meer knechts, doch het gemiddelde aantal bleef daar beneden: er worden 41 meestoven opgegeven met 343 arbeiders.
Geheel in overeenstemming hiermede zijn de gegevens omtrent het afzetgebied; dit laatste toch is overwegend lokaal beperkt, ‘plaatselijk’. Export schijnt alleen te hebben plaats gevonden bij de genoemde meestoven, de eenige buskruitfabriek, de vlashekelarijen, de zoutziederijen en de zeilenmakerijen.
Op één enkele papiermolen na, waar niet minder dan 70 volwassenen en 4 kinderen werkzaam waren, vallen alle grootondernemingen, die Noord-Brabant in 1819 te zien gaf, onder de textiel-, speciaal, naar te verwachten was, onder de linnen- en wol-industrie. Bij de 9 fabrieken van geruit linnen zijn 926 personen in dienst, terwijl de 11 wollenstoffenfabrieken 593 personen, waaronder 264 kinderen, onledig houden. Uit de beschrijving van Hogendorp, die juist in dezen tijd door Brabant reisde, blijkt, dat hier inderdaad van fabrieken mag worden gesproken; een deel der arbeiders werkte in lokalen, waar door menschenhanden of paardenkracht bewogen machines waren opgesteld1). In het journaal van een in 1800 gehouden inspectiereis door het land memoreert Goldberg te Tilburg de lakenfabriek van Vreede en Van Marle, waarin de gansche fabricage van de lakens is gecentraliseerd, behalve het vollen2). De bekende lakenfabriek van Diepen, Jellinghaus & Co. aldaar had in 1814 in het geheel 35 weefgetouwen in de fabriek en slechts 6 daarbuiten3).
Nog meer grootondernemingen vallen te vermelden. Twee breierijen bezigen 150, een kantwerkerij 330 personen. Dit waren natuurlijk thuiswerkers, meest vrouwen en kinderen; onder de 330 kantwerksters waren zelfs 180 kinderen. Ook aan de 3 haarkleedenfabrieken (130 arbeiders) en de tapijtfabriek (165 arbeiders waren stellig vele arbeiders verbonden, die hun werk aan huis verrichtten. Nadere gegevens hieromtrent ontbreken.
Wat er aan middelbedrijf in Noord-Brabant voorkwam, behoorde eveneens tot de textielindustrie, op een enkele uitzonde-
ring na. Er waren 26 fabrieken van katoenen stoffen, met een gemiddeld aantal van ruim 30 arbeiders. Kleiner waren de katoenspinnerijen (gemiddeld 9 arbeiders). Bij de linnennijverheid waren de verhoudingen geheel afwijkend. Uit de opgave omtrent de vlasspinnerijen, die 80 in getal waren doch waarin geen enkele werknemer zijn bestaan vond, kan worden opgemaakt, dat deze tak van bedrijf nog door zelfstandige thuiswerkende spinners werd verricht, meest naast het boerenbedrijf. Voor de vlashekelarijen geldt hetzelfde. Het weven van linnen geschiedde er eveneens in het klein: de 839 weverijen telden 933 volwassen werklieden en 20 kinderen. De wolindustrie overtrof echter de beide reeds genoemde in bedrijfsgrootte. Bij de 26 wolspinnerijen waren 480 volwassenen en 90 kinderen werkzaam; de groote wollenstoffenfabrieken memoreerden wij reeds; lakenfabrieken waren er 115, met 1732 volwassen en 605 jeugdige werklieden. Dat het wolweven als afzonderlijk bedrijf zeldzaam was, blijkt uit de tabel, die 5 lakenwevers met 14 knechts en 2 wollenweverijen zonder knechts opgeeft. Afgaande op het voorhanden cijfermateriaal mag men concludeeren, dat de wolindustrie het dichtst bij het stadium ‘fabriek’ was aangeland, en dat de linnenindustrie nog het verst daarvan was verwijderd.
Afgezien van de vele bedrijven, die naar hun aard aangewezen zijn op verkoop in de naaste omgeving, vonden de meeste Noord-brabantsche industrieën hun afnemers in het geheele land. Daartegenover staat, dat export naar andere landen slechts zelden voorkwam, en dan nog niet eens bij de meer belangrijke bedrijven. Zoo wordt bij de geheele textielindustrie alleen buitenlandsche verzending opgegeven bij de 5 lakenweverijtjes en bij de linnenweverijen. Voor een geisoleerd land als Brabant, zonder gunstige ligging aan zee of rivieren, is een en ander begrijpelijk.
De fabrieksstaat van 1819 geeft wel cijfers voor het hertogdom Limburg, doch splitsing naar de gemeenten ontbreekt. Daar de uitgestrektheid van dit land vóór België's losscheuring ongeveer dubbel zoo groot was als de huidige provincie, zijn de gegevens, in de tabel vermeld, voor ons doel dus onbruikbaar. De tabel voor Venlo uit 1816, die bewaard is gebleven1), doet buiten een pijpenfabriek met 65 arbeiders slechts kleinbedrijf zien.
Bij de beschrijving van de economische structuur van Nederland in 1819 is reeds met een enkel woord vermeld, wat wij onder grootbedrijf verstaan (p. 3). Wij namen daar aan als zuiver uiterlijk, doch gemakkelijk te hanteeren criterium, dat bedrijven met meer dan 40 arbeiders als grootbedrijf zijn te beschouwen. In aansluiting daaraan worde opgemerkt, dat grootbedrijf en fabriek niet mogen worden verward. Vooreerst is, terwijl van ‘fabriek’ alleen in de nijverheid wordt gesproken, grootbedrijf ook buiten industrieele productie mogelijk: in den landbouw, in het verkeerswezen, in den handel. Bovendien zijn niet alle industrieele grootbedrijven als fabrieken aan te merken; naast de fabriek toch bestaat de zgn. manufactuur.
Geheel vast staat het verschil tusschen deze beide soorten van industrieel grootbedrijf1) niet. Sombart2) verstaat onder manufacturen ‘die grootbedrijven, waarin de essentieele deelen van het productie-proces met de hand worden verricht’. Indien dit juist was, dan zou Büchers verwijt, dat de onderscheiding tusschen manufactuur en fabriek slechts een ‘willkürliche Begriffsspalterei’ is3), terecht zijn gemaakt; immers de vraag, of in een bepaald bedrijf de handenarbeid al of niet de hoofdrol speelt, is zelfs bij nauwkeurige kennis van de technische inrichting bezwaarlijk te beantwoorden. Voldoende houvast krijgt men pas als men criteria aanlegt, die scherp zijn omlijnd. Als zoodanig komen in aanmerking:
| 1o. | Gebruik van machines of van andere automatische installaties. De manufactuur gebruikt geen machines, doch slechts werktuigen. |
| 2o. | Arbeidssplitsing. Alleen daar willen wij van manufactuur spreken, waar de arbeiders, die zich gezamenlijk in de werkplaats bevinden, onafhankelijk van elkander werken. Als manufacturen zijn dus die grootbedrijven te bestempelen, waarin zoowel de arbeidssplitsing als de automatiseering geheel of grootendeels ontbreken4); dat in zulke bedrijven de werkzaamheid van menschenhanden de hoofdzaak is volgt dan daaruit vanzelf. |
De hier gegeven omschrijving van het begrip ‘manufactuur.’ stemt niet overeen met de sinds Marx gebruikelijke1). Gewoonlijk toch worden als manufacturen beschouwd de ‘fabrieken zonder machines’ ook dus die, waar arbeidssplitsing plaats vindt. In dat geval echter heeft de onderscheiding meer technisch dan economisch belang. Overigens moet worden opgemerkt, dat van een ‘manufactuurperiode’ die aan de periode van de fabriek zou zijn voorafgegaan (Marx) geen sprake kan zijn. Slechts bij enkele industrieën (textiel-, schoenindustrie) kan deze ontwikkelingslijn worden getrokken.
In tegenstelling met het handwerk arbeiden de beide genoemde vormen van industrieel grootbedrijf voor een uitgestrekter markt dan alleen de plaatselijke; ook zullen zij in den regel meer op voorraad dan op bestelling werken. Voorts voltrekt zich hier de scheiding tusschen dirigeerenden en uitvoerenden arbeid; de leider van het bedrijf - al of niet ondernemer - oefent een commercieele taak uit en verricht contrôle en administratie, doch staat buiten het technische productieproces. Het hier volgende overzicht van het grootbedrijf in Nederland in de 19e eeuw zou dus van alle genoemde factoren gewag moeten maken. Echter: de geschiedenis van de Nederlandsche grootindustrie is nog niet geschreven en ook van de afzonderlijke ondernemingen ontbreken veelal gepubliceerde gegevens. Van de interne verhoudingen in het bedrijf, van den omvang der productie, van het afzetgebied, is ongeveer niets bekend. Derhalve zal in de volgende bladzijden nagenoeg uitsluitend de bedrijfsgrootte worden nagegaan, gemeten in het aantal arbeiders.
Bedrijven van eenigszins grooten omvang hebben in geen economisch tijdperk ontbroken. Het feit dus, dat in een volkshuishouding op zeker oogenblik grootbedrijven voorkomen, bewijst niets omtrent de mate, waarin zij economisch is ontwikkeld. Houdbare conclusies kunnen slechts worden getrokken, als men het aantal grootbedrijven kent en dan de verhouding tusschen groot- en kleinbedrijf kan bepalen. Doch, ondanks jarenlangen aandrang, een bedrijfsstatistiek van ons land ontbreekt. De eenig mogelijke methode, die nog overblijft, is dus slechts: na te gaan,
of in een bepaalde periode een sterke toeneming van grootbedrijf te constateeren valt.
Deze toeneming, die wij inderdaad kunnen bespeuren in het door ons behandelde tijdvak, is vooral merkbaar bij nieuwe takkan van bedrijf. Onder deze neemt weer de machineindustrie de eerste plaats in. De bekende fabriek van stoom- en andere werktuigen van Van Vlissingen en Dudok van Heel te Amsterdam ontwikkelde zich in korten tijd tot een bedrijf van zeer grooten omvang. Het aantal arbeiders bedroeg in 1827, bij de oprichting, 261); in 1830 80 à 1002); in 1848 ruim 8001); in 1856 reeds 16003). Een zoo snelle toeneming - die onder den energieken Paul van Vlissingen plaats vond - draagt een volkomen modern karakter4). De andere machinefabrieken te Amsterdam wassen in minder snel tempo, doch ook zij ontwikkelen zich tot respectabele grootte. In de fabriek ‘De Atlas’ werkten in 1856 230, bij Gebr. Schutte 140, bij Weiler & Co. 119 arbeiders3). Te Rotterdam is te wijzen op de bekende scheepswerf te Feyenoord, die door de Nederlandsche Stoomboot Maatschappij in 1825 werd opgericht onder leiding van den bekwamen Roentgen5). In 1852 waren hier circa 650 arbeiders werkzaam6).
Naast deze nieuwe fabrieken staat een uitbreiding der oudere ijzergieterijen, die zich veelal tot machinefabrieken vervormen. De reeds in de 18e eeuw bestaande ijzergieterij te Deventer van Nering Bögel telde in 1841 een personeel van 146 man7). Ook de ijzergieterijen in den Achterhoek, daar ontstaan door de aanwezigheid van ijzeroer, gaan in grootte boven het middelbedrijf uit. In het jaar 1856 had de gieterij te Gendringen 136 arbeiders in dienst, die te Hummelo 858).
Een ander bedrijf, waarvan nog met meer recht kan worden gezegd dat het een nieuwe tak van productie is, ontwikkelde zich eveneens tot grootbedrijf, althans in de grootere gemeenten: de
gasfabricage. In 1854 waren bij de beide gasfabrieken te Amsterdam resp. 240 en ruim 200 arbeiders in dienst1). In andere steden was de ontwikkeling minder snel. In 1864 telde de gemeentelijke gasfabriek te Utrecht 54 werklieden, die te Haarlem 40, te Kralingen 56 arbeiders2).
In het Zuiden des lands, inzonderheid in de provincie Brabant, ontstond omstreeks 1860 een nieuwe industrie, die zich direct van de stoomkracht ging bedienen en in den vorm van grootbedrijf werd geëxploiteerd. Het was de beetwortelsuikerfabricage, die tijdens het continentaalstelsel, toen de verbinding met de koloniën verbroken was en de rietsuiker dus uitbleef, had gebloeid, doch spoedig was verdwenen toen de zee weer open kwam. In 1858 doet deze industrie opnieuw in ons land haar intrede; in dat jaar werd een beetwortelsuikerfabriek te Zevenbergen opgericht3). In 1871 waren er al 32 zulke fabrieken, alle met 100 à 300 arbeiders4). De rietsuikerraffinaderijen bleven echter niet achter; ook zij kwamen in den loop der 19e eeuw van klein- tot grootbedrijf. Het was de stoomkracht, die na 1830 dezen overgang teweeg bracht. De kleine raffinaderijtjes, die dooreengenomen 8 werklieden hadden5) maakten plaats voor groote fabrieken; te Amsterdam werkte reeds in 1847 de fabriek van C. de Bruyn Mzn. met 543 volwassen werklieden6). De Nederlandsche suikerraffinaderij aldaar telde zelfs in 1852 400 à 800 arbeiders7).
Te zelfder tijd dat in het Zuiden de fabricage van beetwortelsuiker opkomt, valt in de provincie Groningen de aanvang van een anderen nieuwen bedrijfstak van groot belang: de aardappelmeelindustrie, waaraan de naam van W.A. Scholten onverbrekelijk is verbonden8). Scholten begon in 1841 met een klein fabriekje van aardappelmeel te Foxhol, dat door een paard werd bewogen. Pas in 1858 verscheen in deze streek een tweede zooda-
nige fabriek te Muntendam. Na 1860 verrijzen ze echter als paddestoelen uit den grond; de vele handen, die door de achteruitgang der scheepsbouw in de veenkoloniën werkloos waren geworden, vonden hier arbeid. In 1871 had Scholten o.a. in exploitatie: een aardappelsiroopfabriek te Hoogezand met 77 arbeiders, een aardappelmoutwijnbranderij te Sappemeer met 60 arbeiders, een aardappelmeersiroop- en sagofabriek te Zuidbroek met 80 arbeiders.
Het waren echter niet alleen de nieuwe bedrijfssoorten, die zich tot grootbedrijven ontwikkelden. Daarnaast ontstonden nieuwe ondernemingen van grooten omvang in reeds lang bestaande takken van bedrijf. Vermeld werden reeds de suikerraffinaderij en de ijzergieterij; gewezen kan nog worden op de broodbakkerij. Dit bedrijf werd tot in het midden der 19e eeuw uitsluitend in het klein uitgeoefend. De bakker kocht niet meel in maar graan, dat hij op de plaatselijke windkorenmolens liet malen; velen van hen waren slechts loonbakkers, die het deeg van den consument kregen1). De eerste groote broodfabriek in ons land was die, welke in 1856 door Dr. S. Sarphati te Amsterdam werd opgericht; zij werd dra door andere gevolgd2). De fabriekmatige productie, wier snelle opkomst verband houdt met de afschaffing van de accijns op het gemaal in 1856, bracht een volslagen ommekeer in de arbeidsverhoudingen te weeg. De vroegere bakkers hadden slechts 1 à 2 gezellen, meestal bij den patroon inwonend, die op den duur zelf patroon konden worden. De bakkersgezellen in de nieuwe inrichtingen waren echte fabrieksarbeiders; hun werk was weinig afwisselend en vereischte geen bijzondere vakkennis3).
Een duidelijke overgang van klein- tot grootbedrijf maakte ook de diamantnijverheid door. In den aanvang der 19e eeuw bestond hier slechts kleinbedrijf. De diamanten werden op zolders geslepen, hetzij bij de arbeiders aan huis, hetzij in gehuurde lokaliteiten, die daarvoor speciaal door de eigenaars waren ingericht. De eerste ‘fabriek’ werd in 1822 gebouwd op het Roeterseiland; zij werd door paarden in beweging gebracht.
Nog grooter werd de bedrijfsomvang, toen de stoom als drijfkracht der molens werd ingevoerd. De fabriek, die door de in 1845 opgerichte Diamantslijperij Maatschappij werd gebouwd, begon
direct met 168 molens1), welk aantal gaandeweg werd uitgebreid.
Hoe ontwikkelde zich de bedrijfsgrootte in de textielnijverheid? Op deze vraag valt het antwoord niet gemakkelijk te geven door de onvolledigheid der gegevens. In geen tak van nijverheid toch is de huisindustrie zoo verbreid geweest als in deze; daardoor is in vele gevallen, waarin van een groot aantal arbeiders sprake is, het vermoeden gewettigd dat een deel van deze thuis werkte; ook al wordt dit er niet uitdrukkelijk bij vermeld. In al deze gevallen zou van grootbedrijf niet mogen worden gesprokers.
Het vereenigen van voorheen thuis werkende spinners en wevers in één groote lokaliteit heeft vooral plaats gehad toen de stoomkracht in gebruik kwam. Doch ook reeds daarvóór. In Twente kwam het in de 17e eeuw voor, dat de wevers in ‘weefhuezen’ werden vereenigd en dat voor vrouwen ‘spinhuezen’ werden opgericht2). De aanleiding daartoe zal gelegen hebben in de verschillende gemakken van contrôle e.d., die een gecentraliseerd bedrijf aan den ondernemer bood. Omvangrijk waren deze lokalen echter niet. Als C.T. Stork in zijn werkje over de Twentsche katoennijverheid de reis van Hogendorp naar Twente in 1819 ter sprake brengt, merkt hij op: ‘Op vele plaatsen zoude de vraag naar den eigenaar der fabriek, een winkelier van achter de toonbank, een bakker van den oven, een smid van het vuur hebben weggeroepen, om den reizenden staatsman te voeren in vertrekken, vochtig en klein, als wij zelf nog in onze jeugd gekend hebben - de schrijver is in 1822 geboren -, die werkplaatsen heetten, maar niet dan vunzige holen waren, waar enkele mannen en vrouwen aan het weefgetouw of aan den spinstoel bezig waren’3). In Oldenzaal, Stork's woonplaats, kwam het eerste grootbedrijf pas na 1830; er werd toen met medewerking van het armbestuur een weverij van koffiezakken opgericht, waar de talrijke bedelaars, 70 à 80 in getal, die vroeger het stadje onveilig maakten, werk vonden4). Als Stork in 1835 in Enschede komt, bewondert hij daar als een opmerkelijke nieuwigheid ‘de nieuwe groote stoomspinnerij van vier verdiepingen met haar
prachtige Engelsche machines’1). De eerste grootbedrijven in de Twentsche textielindustrie komen dus omstreeks 1830 op. Men bedenke, dat de eerste stoomspinnerij van 1829 dateert; die, welke Stork in Enschedé zag, was de tweede van dien aard.
Dat juist na 1830 in Nederland de eerste groote textielbedrijven opkomen, heeft nog een andere oorzaak. De afscheiding van België had ten gevolge, dat de aldaar gevestigde industrie haar afzetgebied in Nederlandsch-Indië verloor, daar hare goederen bij den invoer zwaar werden belast. De ondernemers zagen er dus voordeel in om naar Noord-Nederland te verhuizen2). Aldus werd de spinnerij van De Heyder & Co. van Lier bij Antwerpen naar Leiden verplaatst, de katoendrukkerij en ververij van Th. Prévinaire van Brussel naar Haarlem overgebracht. Deze fabrikanten, komende uit een land, waar het grootbedrijf reeds veel meer was doorgedrongen, introduceerden dezen bedrijfsvorm thans ook in Noord-Nederland. De textielfabrieken te Haarlem werden dra een der grootste in het land. In 1841 waren in de katoenbleekerij, ververij en drukkerij aldaar van Th. Wilson 268 personen werkzaam; in de fabriek van Prévinaire 429. De katoenspinnerij en weverij ‘De Phoenix’, waarvan E.L. Jacobson beheerend vennoot was, had zelfs in dat jaar 647 arbeiders in dienst, die allen in de fabrieksgebouwen werkten3).
In verband met Sombart's stelling4), dat het kapitalisme vooral door vreemdelingen zou zijn gebracht, verdient het opmerking, dat onder de eerste textiel-grootindustrieelen naar verhouding zoovele buitenlanders zijn geweest. Prévinaire en De Heyder waren Belgen, Thomas Wilson was een Engelschman. Jacobson was een Hollander, doch had zijn etablissement van Belgen gekocht5). Meer nog: vele nieuwe procédé's, die bij ons in zwang kwamen, waren door vreemdelingen hier geïntroduceerd. ‘Het is ongelooflijk’ zegt Sloet's tijdschrift in 18556) ‘hoe vele bedrijven en werkmethoden wij aan arme Duitschers te danken hebben, die
zich in ons land voor goed kwamen vestigen of tijdelijk ophouden .... De Veluwe is aan hen zijne papier- en kopermolens verschuldigd, de IJsseloevers hunne worstmakerijen. In Zwolle leerde men voor het eerst van een doortrekkenden Duitscher de kunst om met zwavel, in plaats van met lood, ijzer in steen te bevestigen enz.’ Wij voegen hierbij, dat de aanwezigheid van talrijke buitenlandsche arbeiders ten onzent in de 19e eeuw in dezelfde richting wijst.
De afscheiding van België gaf tot de oprichting van nog een ander grootbedrijf aanleiding, dat zelfs alle andere in omvang ging overtreffen: de fabriek van Petrus Regout te Maastricht. Regout was vóór 1830 een der grootste importeurs van Belgisch glas en aardewerk; toen die invoer sinds de omwenteling werd belemmerd, besloot hij zelf een fabriek op te richten: eerst een van glas en kristal (1834), later een van aardewerk (1836)1). De snelle groei van Regout's onderneming blijkt uit het volgende staatje, waarin het aantal arbeiders voor verschillende jaren is aangegeven2):
| 1841: | 198 | |
| 1851: | 665 | |
| 1852: | 900 | |
| 1853: | 1040 | |
| 1856: | 1400 | |
| 1860: | 1400 | |
| ± | 1865: | 1900 à 2000 |
Opmerkelijk is, dat in de provincie Limburg, ook afgezien van Regout's bedrijven, zich het grootbedrijf spoediger heeft ontwikkeld dan elders. In 1850 bestond te Roermond een papierfabriek, die met 150 werklieden, 2 stoomwerktuigen en 3 stoomketels werkte; in Meersen een papierfabriek met 98, te Maastricht eene met 200 arbeiders3). Vier jaren later was het aantal arbeiders in deze inrichtingen reeds resp. 175, 230 en 280, terwijl terzelfder tijd de grootste papierfabriek in de Zaanstreek, eene te Wormerveer, 70 arbeiders had en in de Veluwsche molens gemiddeld per
onderneming 10 à 20 arbeiders werkzaam waren1). In hetzelfde jaar 1850 worden nog vermeld een wapenfabriek te Maastricht met 150 en een brandkastenfabriek te Roermond met 90 à 100 arbeiders2). Behalve Regout's fabriek kende Maastricht twee aardewerkfabrieken, die in 1857 resp. aan 185 en 67 arbeiders werk gaven3). Nog kan worden gewezen op de beide steenkolenmijnen te Kerkrade, waar in 1857 310 personen werkzaam waren4).
In bovenstaande vluchtige schets is de ontwikkeling nagegaan van de bedrijfsgrootte in eenige afzonderlijke takken van nijverheid, die van bijzonder belang schenen. Wil men thans nog een overzicht hebben over de nijverheid in haar geheel, dan komen de jaren 1857 en 1871 in aanmerking, de eenige jaren, waarvan een min of meer volledig overzicht bestaat5).
De fabrieksstaat over 18576) kent reeds een groote hoeveelheid bedrijven, die 40 arbeiders of meer in dienst hebben en dus als grootbedrijven kunnen worden bestempeld. Van deze zonderen wij dadelijk diegene af, waarin de huisindustrie van overwegende beteekenis kan zijn geweest, zulks om de vroeger vermelde reden; zoo de schoenmakerij, de sigarenfabricage en inzonderheid de textielindustrie. De bedrijven nu, die in 1857 van eenigen omvang waren, zijn in hoofdzaak de volgende:
1. De steenbakkerij, hetgeen na het bij de behandeling der enquête-1819 opgemerkte geen verwondering behoeft te wekken. Het aantal arbeiders schijnt in de provincie Gelderland als regel tusschen de 50 en 100 te hebben bedragen. Bedrijven van kleineren omvang - zooals te Oosterhout, waar 3 bakkerijen 18 arbei-
ders telden - komen daarentegen vooral in de provincie Brabant voor.
2. De metaalindustrie is op p. 22 reeds met enkele woorden besproken, voorzoover de fabricage van machines en de ijzergieterij betreft. Grootbedrijven worden in 1857 ook vermeld in de wapensmederij (Maastricht, Oud-Vroenhoven), ankersmederij (Amsterdam), koper- en loodpletterij (fabriek te 's-Gravenhage met 477 arbeiders!, verder te Utrecht en te Voorst); ten slotte in den bouw van ijzeren schepen (Rotterdam, IJsselmonde, Amsterdam).
3. De glasblazerij, waarbij continu bedrijf en het brandend houden van ovens vereischt wordt, is geheel als grootbedrijf georganiseerd. Behalve te Maastricht wordt zij o.a. vermeld te Nieuwer-Amstel (fabriek van 50 arbeiders), Nieuw Buinen, gemeente Borger (2 fabrieken met 81 arbeiders), Loosdrecht (fabriek met 40 arbeiders), Leerdam (3 fabrieken met 131 arbeiders) en Kralingen (58 arbeiders).
4. Over de gasfabricage is op p. 23 reeds een en ander medegedeeld, alsook over de opkomende aardappelmeelindustrie in de Groningsche veenkoloniën.
5. Van niet alle der 29 suikerraffinaderijen, die te Amsterdam zich bevonden, is het aantal arbeiders bekend. Als groote fabrieken kunnen worden genoemd die van Spakler & Tetterode met 70, die van Beuker & Hulshoff met 115 werklieden, en de Amsterdamsche stoomsuikerraffinaderij, waar er 165 werkzaam waren1).
6. Wagenmakerijen van grooten omvang worden opgegeven te Haarlem (de fabriek van Beynes met 48 werklieden), en De Bilt (46 arbeiders). Hierbij behoort ook genoemd te worden de houten scheepsbouw: in Schiedam was in 1843 reeds een werf met 68 arbeiders2).
7. De fabrieksstaat van 1857 vermeldt te Amsterdam een lettergieterij met 70 arbeiders. In Haarlem waren in 1843 reeds 46 volwassenen en 5 kinderen werkzaam in de bekende gieterij van Enschedé3).
8. Eenige op zich zelf staande bedrijven: de waskaarsenfabriek te Amsterdam (130 arbeiders), een fabriek van blauwsel en lak-
moes te Westzaan (55)1), 3 touwslagerijen te Kralingen (128), benevens een koordslagerij te Groningen (65). De meeste lijnbanen waren echter van geringeren omvang; zoo telden de 29 touwslagerijen te Moordrecht 365 arbeiders, de 13 te Oudewater 215. Herinnerd worde ten slotte aan de talrijke grootbedrijven in Limburg.
Tot zoover de fabrieksstaat van 1857. Wij gaan thans over tot die van 18712). Hadden de beide publicaties grootere volledigheid, dan zou men voor elke bedrijfstak de toe- of afneming hebben kunnen nagaan en de ontwikkeling van het grootbedrijf in het tusschenliggende tijdvak nauwkeurig leeren kennen. Nu dit om de vroeger reeds aangevoerde redenen ondoenlijk is, bepalen wij ons tot het weergeven van den algemeenen indruk, dien de vergelijking achterlaat.
Het meest opvallend is de snelle opkomst van een grootbedrijf dat in 1857 nog niet bestond: de beetwortelsuikerfabricage, waarover reeds op p. 23 een en ander is medegedeeld. De staat vermeldt alleen in Noord-Brabant 15 zulke bedrijven, wat even zoovele grootbedrijven zijn; zij hadden tezamen 2783 arbeiders in dienst, dus per bedrijf gemiddeld 186. Fabrieken van dezelfde grootteklasse worden vermeld in Arnhem, Geldermalsen, Gorinchem, Dordrecht, Rijswijk, Utrecht, Ambt-Ommen en Ulestraten.
Een tweede tak van industrie, die in 1857 eveneens geheel ontbrak, is de vervaardiging van stroocarton, die juist omstreeks 1870 opkomt. Brinckman vermeldt een stroo- en pakpapierfabriek te Tiel met 48, een te Leeuwarden met 68, een te Hoogezand met 48 arbeiders. Daarnaast is te noemen de aardappelmeelfabricage, die in 1857 weliswaar niet geheel onbekend was, doch pas daarna tot wasdom kwam (zie p. 23/4). In 1871 waren in de Groningsche veenkoloniën - immers daar waren deze nieuwe bedrijven geconcentreerd - 16 aardappelmeel- en aardappelsiroopfabrieken; de grootste hiervan was de fabriek van W.A. Scholten te Zuidbroek, waar 80 arbeiders werkten. De toeneming van deze industrie blijkt ook uit de uitvoercijfers van aardappelmeel; het saldo-uitvoer hiervan bedroeg gemiddeld per jaar in de periode
1847-1856: 5, 1857-1866: 95, 1867-1876: 1414 duizend guldens1).
De periode 1857-1871 geeft ongetwijfeld een toeneming van het industrieele grootbedrijf te zien. Nu is uit de ontwikkelingsgeschiedenis van andere landen bekend, dat deze toeneming hand in hand is gegaan met de aanwending van de stoomkracht, of, zooals men vaak minder zuiver zegt: van machines. Gaan wij dus thans na, hoe deze evolutie in Nederland plaats greep.
Onder de factoren, die de opkomst van het fabriekswezen hebben bevorderd, is de aanwending van stoommachines een der belangrijkste. Alvorens echter wordt nagegaan, wanneer en langs welke wegen deze nieuwe beweegkracht in het Nederlandsche bedrijfsleven haar intree deed, dient te worden vastgesteld, wat onder ‘machines’ moet worden verstaan, wat vooral noodig is, omdat de gelijkstelling van machines met stoommachines soms verwarring heeft gesticht. Zoowel de machine als het werktuig of instrument zijn technische hulpmiddelen in het bedrijf; het essentieele verschil tusschen beide is nu, dat het werktuig de menschelijke arbeid bijstaat, de machine daarentegen den menschelijken arbeid vervangt. Sombart geeft een duidelijk voorbeeld, waaruit blijkt, dat ook het spraakgebruik de onderscheiding in acht neemt: een naald is een werktuig, dat den mensch behulpzaam is bij zijn arbeid, doch een naaimachine doet automatisch den arbeid, die anders door een mensch wordt verricht. Uit ditzelfde voorbeeld blijkt tevens, dat ‘machine’ en ‘stoom’ niet noodwendig samengaan; naast de stoom kunnen evenzeer menschen, dieren, wind en water machines in beweging zetten. Intusschen zijn er wel een tweetal belangrijke verschillen tusschen de stoommachine eenerzijds, de overige soorten van beweegkracht anderzijds. Vooreerst werken deze laatste steeds in meer of mindere mate intermitteerend: menschen en paarden worden vermoeid; de wind gaat liggen; de waterloop is van het jaargetijde afhankelijk; meer de stoommachine raast onvermoeid zonder ophouden door. Belangrijker nog is het tweede verschil: de stoommachine, wier gebruik pas loonend is als haar kracht ten volle wordt benuttigd, dwingt tot grootbedrijf, terwijl het gebruik van waterkracht
ook bij kleinbedrijf economisch mogelijk is en de andere soorten van beweegkracht voor grootbedrijf zelfs minder geschikt zijn. De stoommachine heeft dus niet de fabriek doen ontstaan, maar wel haar in sterke mate in de hand gewerkt. Vandaar, dat de verbreiding van de stoommachine voor de economische geschiedenis zulk een groote beteekenis heeft.
Wanneer is in Nederland het eerst voor industrieele doeleinden van de stoomkracht gebruik gemaakt1)? Volgens Van der Vijver, den bekenden beschrijver van Amsterdam, is in het jaar 1807 de eerste in ons land in werking gesteld, n.l. in de koperpletterij van Hendrikus de Heus te Amsterdam2). Dit is echter niet juist. Op zijn inspectiereis door ons land in het jaar 1800 zag Goldberg, toenmaals agent van nationale oeconomie, op het Nieuwerk te Rotterdam een branderij ‘welke tegelijk heeft eene mouterij en graanmolen, die door eene stoommachine wordt bewogen’3). Ook in Den Briel moet in deze jaren een stoommoutmolen hebben bestaan; volgens Nemnich verbood echter het gouvernement eenigen tijd later het gebruik van stoom in dit bedrijf4). Van groot gewicht waren deze losse gevallen trouwens niet.
Anders was het met de vorderingen van het machinewezen in de textielindustrie. De technische uitvindingen in dezen bedrijfstak, die in Engeland het eerst werden toegepast gedurende de 2e helft der 18e eeuw, hebben ver strekkenden invloed gehad op de structuur van het bedrijf en op de sociale positie van de daarin werkzame personen. Kon Hargreaves' spinmachine (de zgn. Jenny) ten huize van de werklieden worden gebruikt, Arkwright's Waterframe, waarmede grove draden konden worden vervaardigd, was veel zwaarder van kaliber en eischte fabrieksbedrijf met water-, weldra stoomkracht bewogen (1768). Crompton's Mule (1779) vereenigde de beginselen, waarop de beide voorafgaande uitvindingen berustten en werd weldra zoozeer geperfectionneerd, dat zij mèt de Jenny de huisindustrie in de spinnerij allengs verdwijnen deed. De mechanische weefstoel kwam pas later. Cartwright's
uitvinding, die eveneens slechts in grootbedrijf aan te wenden is, dateert van 17851).
Van deze veranderingen was in Nederland in de eerste jaren na de Restauratie nog weinig te bespeuren. Hogendorp, die voor economische en speciaal ook bedrijfsverhoudingen een scherp oog had, anders dan zijn tijdgenooten, constateerde op een reis in den nazomer van 1819, dat te Almelo het machinale spinnen nog niet in zwang was gekomen2). Van machinale weverij, die in Engeland pas in een beginstadium verkeerde3), was dus evenmin sprake. In Hengelo daarentegen waren in de katoenspinnerij reeds machines in gebruik, doch primitief: de molentjes, die de machines in beweging zetten, werden door menschenkracht gedreven. Hogendorp constateerde, dat dit tegenover het vroegere spinnen op het wiel een verbetering was, doch een geringe in vergelijking met de kracht der stoomwerktuigen4).
In Helmond blijkt in de spinnerij de machine al haar intrede te hebben gedaan. Hogendorp, die in den zomer van 1818 op zijn reis naar Aken het Brabantsche textielgebied bezoekt, vermeldt, dat de machines al veel werkvolk uit de fabrieken hebben gejaagd5). Van welken aard deze waren, blijkt echter niet. Grooten omvang zal het gebruik van machines niet hebben gehad. In Tilburg althans kwam de eerste in 18096). D'Alphonse schrijft omtrent Holland nog in 1813: ‘L'on ne présume pas que les filatures de coton en Hollande fassent pour la plupart encore usage d'aucun mécanisme; tout le travail se fait par les bras’7).
De eerste stoommachine in de textielnijverheid is, voorzoover kan worden nagegaan, in 1818 in ons land in werking gesteld, en wel te Leiden8). In de groote plattelandscentra kwam zij eerst een tiental jaren later. In Twente was het de Almelosche fabrikant H.E. Hofkes, die in 1829 de eerste stoomspinnerij oprichtte. Zijn
voorbeeld werd in 1833 te Enschede gevolgd1). De Brabantsche spinnijverheid was al twee jaren vóór Twente van de stoomkracht gebruik gaan maken: in 1827 werd daar in de wolspinnerij en -vollerij van Pieter van Dooren een stoomwerktuig geplaatst2).
Had dus omstreeks 1830 de machine zich reeds in de spinindustrie ingeburgerd, bij de weverij was het nog zoover niet. Het weven, dat grootendeels aan huis geschiedde, - hieronder zal dit uitvoeriger worden besproken -, vond nog op dezelfde primitieve wijze plaats als eenige eeuwen terug. De invoering van de snelspoel door den Engelschman Ainsworth, die in overleg met de Nederlandsche Handel Maatschappij te Goor en elders weefscholen stichtte ten einde de wevers met het nieuwe procédé vertrouwd te maken, bracht hierin wel verandering en verbetering, maar geen ommekeer; de wevers toch bleven aan hunne huizen werken. De stoom, die ook hier de groote omwenteling zou geven, kwam in de weverij pas laat in zwang. Eerst in 1852 kreeg Twente haar eerste stoomweverij: het was die, welke door de bekende Almelosche firma G. & H. Salomonson te Nijverdal werd opgericht3).
Wij zijn met het bovenstaande al op de ontwikkeling vooruitgeloopen door de punten, waar de stoom haar intrede deed, in oogen schouw te nemen. Wij willen echter, omdat zij voor de arbeidsverhoudingen van zoo groot belang zijn, ook nagaan welke andere soorten van beweegkracht in zwang waren gedurende onze periode. De toestand in 1819 is vroeger geschilderd; hoe zij in 1841 was, zal thans worden nagegaan4). Al moge het beeld, dat we daarvan krijgen, niet volledig zijn - we bezitten alleen gegevens van die ondernemingen, waarin op eenigszins ruime schaal kinderarbeid voorkwam - toch kan het hier geboden materiaal een inzicht geven in den stand van de techniek op dat tijdstip, daar juist in de textielnijverheid altijd veel kinderarbeid is gebruikt.
In Friesland5) maakte nog geen der textielfabrieken, die in de
enquête worden vermeld, van de stoomkracht gebruik. De ‘spinbaan’ te Stavoren gebruikte, evenals die te Hindeloopen, kinderen (‘draaiers’) die de spinnewielen in beweging brengen. In de vlasspinnerij te Bolsward worden alle werktuigen, nl. 9 weefgetouwen, 70 spinnewielen en een hekelbank, door menschenhanden in beweging gebracht. In de zaklinnenfabriek te Harlingen, waar niet minder dan 210 spinnewielen en 48 weefgetouwen stonden, ontbraken de machines nog geheel. Te Sneek was de ontwikkeling reeds verder; daar was een katoen- en wolspinnerij, waarin een windmolen eenige spin- en kaardmachines1) in beweging brengt. In Leeuwarden wordt een fabriek vermeld, waar de wol- en katoen krassen1) door paarden worden bewogen; in deze fabriek zijn 69 arbeiders werkzaam.
De calicotsfabrieken in de provincie Drente kenden in 1841 het gebruik van machines nog niet; de getouwen werden hier alle ‘door handen en voeten’ bewogen2). Alleen te Veenhuizen, waar een der koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid was gevestigd was een groote ‘stoomfabriek’.
Overijsel3) geeft een verder voortgeschreden ontwikkeling te zien. In de weverijen worden nog slechts handgetouwen gebruikt, al of niet met Ainsworth's snelspoel. In de katoenspinnerijen blijkt de stoom in zwang te zijn gekomen te Stad Almelo, Ambt Almelo, Hellendoorn en Lonneker; de meeste spinmachines werden dus nog door handkracht bewogen. Te Enschede wordt bepaaldelijk vermeld, dat ‘handenarbeid’ de uitsluitende beweegkracht is, niet alleen in de weverijen, maar ook in de katoenspinnerijen, en uit den brief van Burgemeester en Wethouders aan den Gouverneur van Overijsel blijkt duidelijk, dat zij zich in hun opgave niet hebben beperkt tot de fabrieken, waarin kinderarbeid in eenigszins ruime mate voorkwam.
Vermelding verdient nog het bestaan van een stoombleekerij te Goor. Deze, tevens de eerste van dien aard in ons land, was in 1836 door Ainsworth opgericht4).
Over het geheel was dus in 1841 het gebruik van de stoomkracht in Twente nog slechts in een beginstadium .Voor zoover in
de spinnijverheid machines waren ingevoerd, werden deze door menschenhanden, meestal vrouwen1), of kinderen, bewogen. Paarden als beweegkracht schijnen, behalve in een duffel- en dekenfabriek te Kampen, niet te zijn gebezigd.
Voorzoover de onvolledige gegevens een conclusie toelaten geven zij den indruk, dat in het Brabantsche textielgebied2) de stoom meer was doorgedrongen dan in Twente; de nabijheid van het op industrieel gebied meer ontwikkelde België kan hierbij een rol hebben gespeeld. Met name de industrie in Tilburg geeft een technisch hooge ontwikkeling te zien; van de 8 lakenfabrieken worden 7 door stoomwerktuigen gedreven, één door paarden3). Of de grootere omvang der bedrijven hier de aanwending der stoomkracht economisch mogelijk heeft gemaakt, of dat omgekeerd de invoering van den stoom een uitbreiding der bedrijven te weeg heeft gebracht, is bezwaarlijk uit te maken; zeker echter is wel, dat mede de afwijkende aard van de Tilburgsche industrie het verschil met de verhoudingen in Twente heeft veroorzaakt. De Tilburgsche nijverheid fabriceert wollen, en niet, zooals Twente, katoenen stoffen. Nu plachten de Twentsche textielgoederen meestal ongeverfd, niet zelden zelfs ongebleekt, naar de consumenten in warmere streken te worden verzonden4); de Tilburgsche lakens daarentegen, voor andere afnemers bestemd, werden als regel geverfd en moesten bovendien, meer dan bij de katoenen stoffen het geval is, na het weefproces talrijke apprêtise-werkzaamheden ondergaan, die evenals het spinnen en verven in de fabriek geschiedden. Gevolg hiervan was, dat de fabrieksarbeid in de wolindustrie naar verhouding meer beteekenis had dan die in de katoenindustrie.
Een geheel ander beeld geeft Helmond; hier had geen der 8 opgegeven fabrieken, die naast wollen ook katoenen en linnen stoffen vervaardigden, stoomketels; ‘handenarbeid’ was hier nagenoeg uitsluitend werkzaam. De reden van deze afwijking moet hierin gezocht worden, dat de benoodigde garens niet te Helmond
werden gesponnen, doch uit Engeland werden ingevoerd, sinds na 1831 de spinnerijen ter plaatse waren vervallen1). Waar ook hier, zooals overal elders, het weven als huisindustrie werd uitgeoefend, bepaalde zich de fabrieksarbeid tot verf- en apprêtise-werkzaamheden; aan stoomkracht was in zulke bedrijven weinig behoefte.
Eindhoven schijnt, ook wat de technische inrichting betreft, tusschen Helmond en Tilburg in te liggen. Katoen- en wolspinnerijen kwamen hier voor; de meeste machines werden door stoom of water gedreven, maar daarnaast zijn ook groote ‘handmolens’ in gebruik tot het spinnen van wol en katoen. Te Geldrop was één stoomwolspinnerij; in de overige fabrieken, die lakens, duffels, baaien enz. vervaardigden, werden alle machines door menschenkracht in beweging gebracht.
In Zeeland2) wordt slechts van één wolspinnerij gewag gemaakt, waar werktuigen door handenarbeid in beweging worden gebracht. Daarnaast waren er een 9-tal katoenweverijen, waar calicots werden vervaardigd, d.z. ongebleekte katoenen stoffen. Merkwaardig is, dat de weverij hier niet, zooals elders, in de huizen der werklieden plaats vond, doch in groote lokalen. De grootste instelling, die te Middelburg, telde 178 werklieden (w.o. 46) vrouwen), die over 2 gebouwen waren verdeeld. Als uitsluitende beweegkracht, golden hier en elders: handen en voeten. De Zeeuwsche calicotsfabrieken waren dus geen fabrieken in eigenlijken zin, maar typische manufacturen.
De Utrechtsche3) textielindustrie kende in 1841 de stoom nog niet. In Amersfoort waren 7 katoenspinnerijen, die alleen menschenhanden - mannen, vrouwen of kinderen - als beweegkracht gebruikten, behoudens het feit, dat in één fabriek de kaarden voorspinmachines door paarden werden bewogen. Wanneer mannen voor dergelijken mechanischen arbeid werden gebezigd, waren het meestal de bejaarden, die voor hun eigenlijk werk ongeschikt waren geworden4). In de stad Utrecht dienden menschen, paarden of water als beweegkracht; de stoom ontbrak nog.
Wat ten slotte Noord-Holland betreft, hier vragen de groote Haarlemsche fabrieken1) allereerst de aandacht. Dat zoowel in de katoenbleekerij, -drukkerij en -ververij van Th. Wilson als in de drukkerij en ververij van Th. Prévinaire benevens in de katoenspinnerij en -weverij ‘De Phoenix’ de stoom als eenige drijfkracht diende, spreekt voor deze omvangrijke bedrijven vanzelf. In Wilson's fabriek waren 2 stoommachines en 6 ketels; bij Prévinaire werkt een stoommachine van 30 P.K.; de Phoenix heeft zelfs voor de spinnerij en de weverij elk afzonderlijk een stoommachine van resp. 48 en 52 paardenkrachten