De klasse van bezitlooze proletariërs, voor hun levensonderhoud slechts op de kracht hunner handen aangewezen, was in het negentiendeeuwsche Nederland een tamelijk heterogene massa. Ten deele stamden zij af van de loonarbeiders, die in de 18e eeuw in de grootbedrijven-manufakturen hadden gewerkt. Anderen waren vroegere eigenaars van kleinondernemingen voor ambacht of handwerk, die in de troebele tijden van oorlog en revolutie hun nering ten onder hadden zien gaan1); sommigen onder hen hadden, als huisindustrieele arbeiders, nog een rest of een schijn van zelfstandigheid weten te bewaren. Al deze groepen onderscheidden zich echter als werklieden niet van elkaar en zij onttrekken zich dus volkomen aan onze waarneming.
Van een drietal andere groepen kan dit laatste niet worden gezegd; het zijn, om ze met één korten naam aan te duiden: de boeren, de armen en de vreemdelingen.
Dat een belangrijk deel der werklieden in de 19e eeuw uit boeren werd gerecruteerd, blijkt ten duidelijkste, omdat dit proces dan nog in vollen gang is. In het voorafgaande hoofdstuk werd reeds opgemerkt, dat in den aanvang der eeuw een groot deel der zoo belangrijke textielnijverheid in Twente en in Brabant in de boerenwoningen werd uitgeoefend; niet als volledige taak, doch als bijverdienste, vooral in de stille wintermaanden. Doch niet alleen voor de textielindustrie geldt dit; de band tusschen landbouwbedrijf en ambachts- of fabrieksnijverheid bestond eigenlijk overal. Dit blijkt uit het merkwaardige antwoord, dat de Burgemeester van Winterswijk op 22 Augustus 1817 aan den Gouverneur van Gelderland ten behoeve van de Staatscommissie voor de belastin-
gen inzond. Hij vermeldt daarin een 300-tal industrieele arbeiders, o.a. 32 à 36 linnenbleekers, 100 à 120 linnenwevers, 26 timmerlieden, 26 kleermakers, 17 schoenmakers, 9 à 12 steenbakkers, 6 metselaars, 8 à 10 werklieden in kalkovens, 6 in oliemolens enz., maar voegt daarbij de waarschuwing, dat geen dezer werklieden ‘hun hoofdbestaan in die bedrijven vinden, zijnde van alle Boerderij het Hoofdbestaan, en worden de genoemde hand-teringen slechts nu en dan bedreven, zo dat de in de 3de colom genoemde daglonen als geen bestendig verdienst aangemerkt kunnen worden.’ Verder merkt hij op ‘dat de Ambachtslieden veelal bij de menschen alwaar werken de kost genieten, en dan maar half dagloon hebben.’ Een speciale eigenaardigheid van Winterswijk zijn deze verhoudingen niet geweest1). Het aangehaalde bericht doet ons dus een maatschappij zien, waarin zich een afzonderlijke nijverheid of ambacht nog niet uit het landbouwbedrijf had losgemaakt. Wel is het duidelijk, dat hier twee categorieën moeten worden onderscheiden: de landbouwers, die tegelijk rondtrekkende ambachtslieden waren (kleermakers, schoenmakers e.d.) en na het opgeven van hun boerenbedrijf allicht kleine patroons zullen zijn geworden, en zij, die werkzaam waren op de oliemolens, kalkovens, steen- en pannenbakkerijen enz., die voorbestemd waren om in die bedrijven gewone loonarbeiders te worden. De talrijke boeren, die textielnijverheid uitoefenden, vallen eveneens onder laatstgenoemde groep.
De industriëele werkzaamheid, die de boeren naast hun landarbeid uitoefenden, was in hoofdzaak die, welke aan huis kon worden verricht. Allereerst kwamen in aanmerking het spinnen en het weven; het eerste geschiedde als regel door de boerin, het laatste door den boer. Wij zagen reeds, hoe door de bestellingen van de Nederlandsche Handel-Maatschappij na 1830 de calicotsfabricage werd bevorderd; doordat de bestaande fabrieken onmogelijk alle orders konden uitvoeren, besteedden zijn het werk aan tusschenpersonen uit, die het dan weder aan de thuiswevers in de steden en op het land uitgaven2). Zoodoende kwamen vele boeren er toe aan den weefstoel te gaan zitten, die hun een welkome bijver-
dienste kon opleveren. Dit geschiedde niet alleen in Twente, maar ook in den Achterhoek en op de Veluwe, in Zeeland, in Brabant, in Limburg. Leerzaam is in dit verband de klacht uit Roermond in 1849 over gebrek aan werkvolk voor de fabrieken van wollen en katoenen stoffen; dit gebrek ontstaat, zegt het provinciaal verslag, doordat men er niet in slaagt het landvolk tot fabrieksarbeid over te halen1). De benoodigde textielarbeiders werden dus uit de plattelandsbewoners gerecruteerd. Voorloopig plachten deze lieden naast hun weefarbeid het landbouwbedrijf aan te houden - de calicotfabriek te Dinxperlo b.v. werkte in 1853 met 37 werklieden, die tevens hun land bebouwden2) - doch op den duur werden de meesten onder hen gewone fabrieksarbeiders.
Natuurlijk waren niet alle boeren, die als nevenberoep een of anderen tak van nijverheid uitoefenden, voorbestemd om eenmaal fabrieksarbeiders te worden. Waar, zooals in Zeeland in 1835 met het vlasspinnen het geval was3), die nijverheid beperkt was tot het in het boerenhuishouden benoodigde, was voor een overgang naar de fabriek geen aanleiding. Ook werden verschillende werkzaamheden, die de boeren in hun vrijen tijd verrichtten, in 't geheel niet fabriekmatig uitgeoefend, zooals de mattenvervaardiging in den omtrek van Kampen.
Het verschijnsel, dat de boerenstand in omvangrijke mate, vooral des winters, industrieelen arbeid verricht als nevenbedrijf, kan zich alleen voordoen bij weinig intensieve bodemcultuur en in streken, waar de vruchtbaarheid van den grond niet groot is. Als zoodanig kan het worden beschouwd als een teeken van vroegkapitalistische ontwikkeling4); het is een overgangstoestand tusschen de gesloten huishouding, waarin de landbouwer zelf de goederen vervaardigt, die hij behoeft en de volledige verkeershuishouding, waarin hij zich tot de cultuur van den grond beperkt en de industriëele producten door ruiling verkrijgt.
Als tweede groep in het arbeidersleger noemden wij: de armen. In den modernen tijd kan de arbeider, hij moge nog zulk een kommervol bestaan leiden, scherp van den arme worden onderscheiden. Wij verstaan thans onder ‘arbeiders’ hen, die uitsluitend
door het verrichten van handenarbeid in loondienst in hun onderhoud voorzien; onder ‘armen’ hen, die niet in staat zijn den kost te verdienen en dus geholpen, ondersteund moeten worden. Indien deze laatste categorie bij wijze van werkverschaffing industrieelen of anderen arbeid verricht, is die niet commercieel, doch zuiver philanthropisch georiënteerd.
Niet alzoo in het negentiende-eeuwsche Nederland. Men had daar de werkhuizen, waarin aan valide arbeiders onderdak werd verschaft tegen arbeid als contraprestatie1); men had er de werkinrichtingen, die geen onderdak doch slechts werk verschaften, waarvoor loon en dikwijls ook voeding werd verstrekt. Maar daarnaast - en dit is het verschil met tegenwoordig - had men eigenaardige mengvormen tusschen deze weldadigheids-instellingen en de gewone speculatieve ondernemingen, gewoonlijk in dezen vorm, dat de leiding van de ‘armenfabriek’ aan een particulier werd toevertrouwd, die uit de armenkas werd gesubsidieerd en overigens op eigen risico handelde. Met andere woorden: de armbesturen leverden arbeidskrachten aan ondernemers.
Het is voor ons doel niet noodzakelijk, een opsomming te geven van de semi- (of quasi-) philanthropische instellingen van dien aard, die in de 19e eeuw werden aangetroffen. Liever een voorbeeld: de bekende inrichting op Feijenoord bij Rotterdam, die in 1812 in het ‘Pesthuys’ aldaar werd geopend. Hier werden kinderen opgenomen van 8 tot 14 jaar, afkomstig van de godshuizen en liefdadige instellingen, die daarvoor aan den directeur jaarlijks ƒ50.- hadden te betalen, benevens bij de plaatsing een som in eens voor de uitrusting der kinderen (ƒ50 voor een meisje, ƒ40 voor een jongen)2). De arme kinderen moesten daar wol, katoen of zijde fabriceeren en verwerken, met een werktijd van 12 uren per dag. De inrichting verstrekte voeding en nachtverblijf, en betaalde een gering loon uit van 15 stuivers3) per week. Een gewone speculatieve fabriek was het dus niet, wat ook blijkt uit het onderwijs, dat er werd genoten (1 uur per dag), en uit het voorschrift, dat ‘bij gepaste gelegenheden’ formuliergebeden en dankzeg-
gingen zouden worden gereciteerd en stichtelijke gezangen zouden worden gezongen. Toch waren die philanthropische elementen slechts een vernis. Openhartig wordt erkend, dat de kinderen zingen moeten leeren ‘vermits eene vroolijke opgeruimdheid veel toebrengt tot de vereischte vlugheid van een goed werkman’; en in een door Falck onderteekende ‘Memorie betrekkelijk het Instituut en Fabriek ten nutte der Armenjeugd op het eiland Feyenoord bij Rotterdam’1) wordt als voordeel dezer inrichting opgegeven, dat zij dezelfde werkloonen heeft te betalen als de fabrieken in minder kostbare streken en in het buitenland, zoodat zij aan de concurrentie het hoofd kan bieden.
De voordeelen van zulk een etablissement waren tweezijdig; de armbesturen bespaarden een aanzienlijk bedrag aan onderstand2) en de industrie kreeg de beschikking over goedkoope arbeidskrachten. Geen wonder, dat niet alleen Rotterdamsche kinderen naar het heilrijke Pesthuys werden gedirigeerd; er waren er b.v. ook uit Middelburg3). In dit verband worde vermeld, dat bij de uitbesteding van weezen in de provincie Zeeland - elders worden deze klachten niet vernomen - ernstige misbruiken in zwang waren. De ‘armvaders’, die naar zoo goedkoop mogelijke plaatsing streefden, hielden jaarlijks een soort aanbesteding, waarbij de wees aan hem, die met de laagste vergoeding genoegen nam, werd gegund. In enkele dorpen werden de ongelukkige kinderen zelfs ter bezichting gesteld4).
Een tweede type van semi-philanthropische inrichtingen, dat veelvuldiger voorkwam, waren de fabrieken, waarin een particuliere ondernemer overdag armlastige valide arbeiders aan het werk had. Soms kreeg hij daarvoor subsidie van het stadsbestuur, soms bepaalde de bijdrage van de overheid zich tot het verstrekken van een kostelooze lokaliteit. Als voorbeeld van dit type kunnen de calicotsweverijen in Zeeland gelden, wier bevolking in 1861 door Coronel grondig en uitvoerig werd beschreven5). Deze fabrieken - er bestonden in 1861 te Middelburg, Vlissingen, Veere, Domburg, West-Kapelle, Arnemuiden en Zieriksee - waren op-
gericht in 1839, toen de bekende firma Salomonson uit Almelo, op instigatie van het gouvernement, werklieden naar Zeeland zond om weefonderricht te geven aan de behoeftige klassen in eenige steden van die provincie1). De calicotsweverijen, die op deze wijze waren ontstaan, werden onder toezicht gesteld van een commissie onder voorzitterschap van den burgemeester of van een wethouder. De taak van deze commissies was: in overleg met den fabrikant de loonen vast te stellen, geschillen tusschen arbeiders en opzichters te beslechten, zorg voor het onderhoud der gebouwen e.d.m.2). De samenhang met de armenzorg blijkt ook uit de bepaling in het Middelburgsche reglement3) dat hij, die wegens wangedrag uit de fabriek moet worden verwijderd, alle aanspraak op bedeeling verliest. De fabrikanten werkten, afgezien van het vermelde toezicht, voor eigen rekening. Wanneer de zaken slecht gingen en de loonen verlaagd werden, moest het armbestuur bijspringen, zooals in 1842 te Vlissingen gebeurde: door een toelage uit de stadskas werd den wevers toen de vermindering in loon bijgepast4).
Nog een derde vorm van overgang tusschen werkverschaffing en speculatieve ondernemersarbeid kwam voor. De in 1821 te Zwolle opgerichte instelling, die den misleidenden naam van armenfabriek kreeg, beoogde werkverschaffing aan de talrijke bedeelden in de stad. Daartoe werd een overeenkomst gesloten met een ‘aannemer’, die aan alle behoeftigen in hunne woningen spinen breiwerk zou verschaffen tegen een vastgesteld loon; hij ontving subsidie van het stadsbestuur, doch dreef de onderneming, waaraan ook werkscholen voor kinderen waren verbonden, voor eigen rekening. Tot 1897 is de instelling op ongeveer denzelfden voet blijven bestaan5). Hier was dus de armenzorg met den huisindustriëelen ondernemingsvorm samengekoppeld.
Ongetwijfeld bevonden zich onder hen, die in de fabriekmatige of huisindustriëele armenondernemingen werk vonden, vele bedelaars en andere gedeclasseerden, die dus niet tot de arbeidende
klasse mogen worden gerekend; de zoo juist beschreven Zwolsche armenfabriek beoogde b.v. uitdrukkelijk: wering der bedelarij. Maar evenzeer werkten er talrijke buiten betrekking geraakte arbeiders. Dit blijkt uit de omstandigheid, dat in het Regeeringsverslag van het armwezen over 18161) als een voordeel der werkinrichtingen wordt beschouwd, dat bekwame werklieden ter plaatse aanwezig blijven om zoo noodig in de meerdere behoefte aan werkkracht bij de fabrikanten te voorzien; anders zou deze industrieele reservearmee immers naar elders trekken.
Het is niet toevallig, dat in alle drie armenondernemingen, die wij als voorbeeld gebruikten, de arbeid bestond in spinnen, weven, breien en dergelijke. Nagenoeg alle instellingen van deze soort toch hielden zich met dezen arbeid bezig, zoodat men mag zeggen, dat een niet onbelangrijk deel der textielnijverheid in deze dagen door de armen werd uitgeoefend. Wij zagen reeds, dat de geheele Zeeuwsche calicotweverij het karakter van halve armenzorg had; daarnaast worde gewezen op de textielnijverheid in het Gooi. De calicotweverijen van de firma Salomonson te Huizen en te Naarden, die tot 1856 bestonden, waren instellingen van weldadigheid2) en voor vele tapijten- en haardoekfabrieken in die streek gold hetzelfde3).
Onder de loonarbeiders, die in de 19e eeuw in ons land werkzaam waren, wordt een belangrijke plaats ingenomen door de vreemdelingen. Zij vormen de derde groep, die afzonderlijke bespreking verdient, want de berichten toonen met onmiskenbare duidelijkheid aan, dat hun aantal naar verhouding zeer groot is geweest. Wil men echter dit opmerkelijke verschijnsel verklaren, dan dienen verschillende categorieën te worden onderscheiden.
Vreemde arbeidskrachten waren allereerst noodig, waar nieuwe industrieën werden gevestigd, nieuwe procédé's werden ingevoerd. Daar in Nederland zelf, naar wij reeds zagen, nimmer het initiatief tot nieuwigheden werd genomen en men dus in deze gevallen slechts overnam wat het buitenland al kende, ligt het voor de hand, dat althans in de aanvangsjaren buitenlandsche arbeiders in zulke nieuwe bedrijven werden gebruikt. Dat geldt b.v. voor de
fabrieken van stoomwerktuigen, die in het derde decennium der eeuw werden opgericht: zoowel de fabriek op Feyenoord1) als die van Paul van Vlissingen te Amsterdam2) begonnen het bedrijf met Engelsche werklieden. De spoorwegen werden door Engelsche arbeiders aangelegd. De groote Haarlemsche textielondernemers begonnen na 1830 hun bedrijf met Belgisch, Duitsch en Zwitsersch werkvolk3). In 1846 verrrees te Rotterdam een nieuwe suikerraffinaderij, welker eigenaar hoopte, ‘weldra alle buitenlandsche werkkrachten te kunnen ontberen’4). Blijkbaar waren deze laatste noodig geweest om het bedrijf op gang te brengen.
Een tweede groep onder de vreemdelingen vormden de seizoenarbeiders, die inzonderheid in den landbouw en in de venen werkzaam waren, en uit Duitschers bestonden5). Een speciaal negentiendeeuwsch verschijnsel was de komst van deze lieden, die slechts voor een bepaald aantal weken over de grens kwamen en hun woonplaats in hun vaderland behielden, in geenen deele; de eerste berichten over den ‘Hollandsgang’ zijn uit het begin der 17e eeuw6), en ook thans nog zijn in het noorden des lands de ‘hannekemaaiers’ bekend. Oorspronkelijk had deze tijdelijke invasie van West-Duitschers economische oorzaken: terwijl men in Nederland handen te kort kwam, hadden de daglooners en kleine boeren uit Oldenburg, Hannover, later ook Oostfriesland, bijverdienste noodig7). In de 19e eeuw werd dit anders8). De economische toestand ten platten lande in Duitschland werd beter, terwijl voorts de mogelijkheid van emigratie opkwam; anderzijds ontstond in Nederland door de permanente depressie groote werkloosheid9). De trek van Duitsche arbeidskrachten naar Nederland verminderde dan ook, zonder echter geheel tot stilstand te komen. Niet alleen
uit gewoonte bleven vele boeren Duitsche grasmaaiers en hooiers als hulpkracht gebruiken; ook de weinige energie en de geringe physieke kracht van de Hollandsche daglooners noopte hen daartoe1). Een sterke vermindering onderging daarentegen het aantal Duitsche turfgravers. Reeds in 1850 constateerden Gedeputeerde Staten van Drente in hun verslag over 1849, dat het aantal buitenlandsche werkkrachten in de venen steeds geringer werd2), en op het einde der eeuw bestonden de ‘Hollandsgänger’ uitsluitend uit grasmaaiers3). De voortgaande verdringing van de turf door de steenkool was aan dezen ontwikkelingsgang niet vreemd.
Boven de reeds genoemde groepen - de tijdelijke en de seizoenarbeiders - steekt echter in aantal, en ook in belang, verreweg uit de derde categorie: de vreemdelingen, die zich meer permanent in het land hadden nedergezet en in de verschillende ambachten en fabrieken werkzaam waren. In de eerste plaats waren zij in de grensstreken te vinden: Belgische arbeiders in Zeeland4), Pruisische in Limburg5). Doch daarnaast vond men, over het geheele land verspreid, talrijke vreemdelingen, die de inheemsche arbeiders zware concurrentie aandeden. ‘Men stappe’, zoo wordt in 1817 geschreven, ‘onze Branderijen, Brouwerijen, Rafinaderijen, en andere Fabryken binnen, en men zal verre het meeste werk zien verrigten door vreemdelingen, welke uit andere landen gekomen, zich hier hebben nedergezet’6). Pessimistische overdrijving? In geenen deele; de klacht over de vreemdelingen wordt te vaak vernomen, dan dat zij op overdrijving zou berusten. Als in 1825 in handen van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam wordt gesteld een adres aan den Koning, waarin over de vele buitenlandsche ambachtslieden in de stad wordt geklaagd, antwoorden zij o.m.7): ‘Het is niet te ontkennen, dat.... bij broodbakkers, zuikerbakkers brouwers, slagters en vele andere dergelijke de meeste knegts alhier zijn buitenlanders, niet zoozeer des zomers als wel voor een bepaalden tijd en dikwerf voor vast overkomende’. Die klachten over de uitheemsche werkkrachten blijven in de geheele door ons behandelde periode klinken; uit hetzelfde Am-
sterdam komt in 1866 een bericht, dat de metselaars- en schilderspatroons vele Duitschers in dienst hebben1). Uit het bovenstaande blijkt tevens, welke soort van arbeid vooral door vreemdelingen werd verricht. Onder de fabrieksarbeiders waren vooral bij de bakkers, bierbrouwers, branders2) en arbeiders in de suikerraffinaderijen3) vele vreemdelingen, onder de buitenlandsche, meest Duitsche, ambachtslieden vooral vele slachters, schilders4), stukadoors5) en metselaars6).
De vraag rijst, door welke oorzaken deze talrijke schare vreemdelingen in Nederland werk kon vinden, in hetzelfde Nederland, waar armoede en werkloosheid de problemen van den dag waren. De verklaring van dit op het eerste gezicht verwonderlijke verschijnsel is in hoofdzaak te vinden in de luiheid, zwakke lichaamskracht en het gebrek aan vakkennis, die, zooals nader zal worden aangetoond, den Hollandschen arbeider in deze periode kenmerkten. Geen wonder, dat de patroon dan aan een bekwaam Duitscher, die zich aanbood, gaarne werk gaf. Voorts schijnt het stelsel van armenbedeeling, of liever de stelselloosheid hierin, de arbeidsschuwheid bij den Hollandschen werkman te hebben aangewakkerd7). Daarbij kwam, dat de buitenlander veelal met een lager loon dan het gebruikelijke genoegen nam, indien hij, zooals bij vele metselaarsknechts het geval was8), slechts een gedeelte van het jaar in het land bleef; hij kon dan, niet met vrouw en kinderen belast, goedkoop met kameraden in een kosthuis wonen. Ook liet hij zijn loon vaak tot zijn vertrek bij zijn baas staan, zoodat deze van wekelijksche uitbetaling vrij was. Van belastingen en van schuttersplicht was hij vrijgesteld9). Al deze omstandigheden versterkten de voorkeur der patroons voor uitheemsche werkkrachten.
In het voorafgaande zonderden wij uit de groote schare der
loonarbeiders enkele groepen af, wegens hun herkomst of hun positie als producent. Die massa in haar geheel kan echter ook nog in andere groepen worden verdeeld, niet sociale maar statistische; wij bedoelen de verdeeling naar geslacht en leeftijd, en zullen dus den aard en den omvang van den vrouwen- en kinderarbeid speciaal onder de oogen moeten zien.
- Vóór wij een blik slaan in de fabrieken en in de werkplaatsen om na te gaan, of ook in Nederland de misbruiken van kinderexploitatie en -afbeuling waren ingeslopen, die vooral voor Engeland zulk een treurige vermaardheid hebben gekregen, dienen eerst eenige nuchtere feiten te worden vastgesteld: in welke bedrijven vooral de kinderen werkzaam waren, en of tusschen 1813 en 1870 de kinderarbeid al dan niet toenam. Alvorens het misbruik te beschrijven, dient men eerst het gebruik te kennen.
De gegevens omtrent de enquêtes van 1841 en 1860 naar den kinderarbeid, in 1922 door R.A. Gorter en C.W. de Vries nagenoeg volledig gepubliceerd1) leveren, hoe belangwekkend ook, voor een vaststelling van een toe- of afneming van den kinderarbeid geen voldoende basis op. In 1841 vroeg de Regeering enkel opgaven over ‘zoodanige bedrijven van zekeren omvang, waar de arbeid gedeeltelijk en soms geheel of grotendeels door aankomende jongens en meiden en door kinderen verrigt wordt en waar het aangeduide kwaad (d.z. de misbruiken en misstanden bij den kinderarbeid, B)..... reeds in eenige mate kan aanwezig zijn of bij verdere uitbreiding zou kunnen geboren worden en wortel schieten’2) terwijl in 1860 het onderzoek zich beperkte tot die fabrieken en werkplaatsen, waarin het aantal kinderen en aankomende jongens en meisjes meer dan tien bedroeg3). Een volledig overzicht van den kinderarbeid4) geven beide enquêtes dus allerminst, en bovendien zijn de criteria zoo uiteenloopend, dat zij zich voor vergelijking niet leenen. In dat opzicht voldoen beter, eenerzijds de fabrieksstaat van 1819, anderzijds de statistiek van Brinckman over 1871, die tenminste pretendeeren een volledig overzicht van den industrieel en arbeid te geven, al moge practisch aan die volledigheid
wel een en ander ontbreken. Wij kunnen dus, zonder in al te grove fouten te vervallen, een vergelijking tusschen den kinderarbeid van 1819 en dien van 1871 maken. In onderstaande tabel is voor beide jaren het percentage kinderen van het totale aantal arbeidend en berekend voor elk provincie1).
| Friesl. | Gron. | Drente | Overijs. | Geld. | Utr. | N.Holl. | Z.Holl. | Zeel. | N.Br. | Limb. | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 1819 | 11,8 | 11,9 | - | 21,2 | 14,9 | 24,9 | 12,0 | 8,7 | 15,0 | 16,0 | ? |
| 1871 | 21,0 | 19,9 | 14,4 | 24,9 | 23,0 | 23,2 | 22,5 | 20,0 | 5,8 | 37,3 | 14,5 |
Onmiskenbaar blijkt uit deze cijfers, dat de kinderarbeid tusschen 1819 en 1871 een belangrijke toeneming onderging; de groote stijging van het percentage kinderen in de meeste provinciën wordt op verre na niet gecompenseerd door de daling in de kleine provinciën Utrecht en Zeeland. Men is geneigd a priori aan te nemen, dat deze toeneming het gevolg was van de industriëele ontwikkeling; het is bekend genoeg, dat de verbreiding van het machinale grootbedrijf samen is gegaan met een toeneming van vrouwen- en kinderarbeid. Gold voor Nederland dezelfde oorzaak? Een nadere analyse zal het antwoord geven.
In Friesland kwam in 1819 de kinderarbeid vooral voor in de volgende bedrijven: 1o. cichoreifabricage; 2o. textielnijverheid (breierijen - meest huisarbeid -, wolkammerijen); 3o. potten- en pannenbakkerijen; 4o. ambachtsnijverheid: timmerwinkels, grofsmederijen, naaiwinkels, kuiperijen. In 1871 waren het nog dezelfde bedrijfsgroepen, die kinderen gebruikten, al was de textielnijverheid, die zich meer en meer in Twente en Brabant ging concentreeren, achteruitgegaan en al zijn de gegevens omtrent de ambachtsnijverheid zeer onvolledig. De vermeerdering, die de totale kinderarbeid tusschen 1819 en 1871 bleek te hebben onder-
gaan, is te danken aan één bedrijf: de steenbakkerij. Werden in 1819 17 steenbakkerijen opgegeven met 432 arbeiders en 13 kinderen, in 1871 waren er 37, met 750 arbeiders en 310 kinderen. Het aantal kinderen, in dit bedrijf werkzaam, steeg derhalve van 3 op 30% van het totaal voor het bedrijf. Van de 1151 kinderen, die in 1871 in Friesland industriëelen arbeid verrichten, werkten 254 of 22% in de klei-industrie (potten-, steen-, pannen- en plateelbakkerijen).
Het beeld, dat de Groningsche industrie van 1819 ons te zien geeft, is wat de kinderarbeid betreft, minder scherp dan de Friesche. In talrijke takken van bedrijf, vooral in de ambachten, blijkt van den arbeid van kinderen gebruik te zijn gemaakt: blik- en koperslagerijen, mandenmakerijen, blauwververijen, wolkammerijen enz. De steen-, pannen- en pottenbakkerijen, tezamen 33 in getal, bezigden naast 226 volwassenen 42 kinderen. Hoe was nu de toestand in 1871? Laatstgenoemde bedrijven, aangegroeid tot een getal van 53, hebben nu 99 kinderen in dienst; de sterke toeneming, die wij in Friesland zagen, bleef dus hier achterwege. De toeneming van de kinderarbeid is hier voornamelijk1) door andere soorten van nijverheid ontstaan: de aardappelmeel- en -stroopfabricage, de tabaks- en sigarenfabrieken en de vlasindustrie (vlasspinnerijen, -hekelarijen, -klopperijen-, zwingelarijen). Het opmerkelijke van dit resultaat is nu, dat dit alles nieuwe bedrijven zijn. De opkomst van de aardappelmeelindustrie is reeds vroeger geschetst. De fabricage van sigaren was in 1819 eveneens onbekend2), terwijl in dat jaar slechts 4 tabaksfabriekjes met 4 arbeiders bestonden; in 1871 waren er 47 tabaks- en sigarenfabrieken met 101 volwassen en 110 jeugdige arbeiders. Bij de vlasindustrie waren de verhoudingen weer eenigszins anders. Het bewerken van vlas geschiedde in de eerste helft der 19e eeuw uitsluitend door de boeren zelf; een scheiding tusschen vlasbouw en vlasindustrie bestond nog niet3). Die scheiding was in 1871 echter reeds inge-
treden; Brinckman's statistiek noemt 13 inrichtingen tot vlasbereiding met 186 arbeiders en 104 kinderen.
Wij zouden Drente's nijverheid, als van weinig belang, stilzwijgend kunnen voorbijgaan, ware het niet, dat hier één omstandigheid de aandacht trekt: dat volgens de tabel van 1819 kinderarbeid hier in dat jaar niet voorkwam. Dit resultaat moge onaannemelijk zijn - stellig zijn in een of ander ambacht ook kinderen te werk gesteld - dat de kinderarbeid toenmaals weinig verbreid was staat toch wel vast. Het loont derhalve de moeite na te gaan, in welke bedrijven de 148 kinderen werkten, die in 1871 worden opgegeven; het blijkt dan, dat de haard van den kinderarbeid in de gemeente Borger lag, alwaar de 3 glasblazerijen een personeel hadden van 108 volwassenen en 71 jeugdigen; bovendien werkten 11 kinderen in een glasslijperij aldaar. Het eenige grootbedrijf, dat in de provincie voorkwam, had dus meer dan de helft van het aantal loonarbeid verrichtende kinderen in dienst.
Aan welke bedrijven was de toeneming van den kinderarbeid in Overijsel te danken? Niet, anders dan men wellicht vermoeden zou, aan de textielnijverheid. Waren toch in 1819 79% der fabriekskinderen in de spinnerijen en weverijen werkzaam, in 1871 was dit percentage gedaald tot 68. Bij de volwassenen ging de ontwikkeling juist in tegengestelde richting: de textielarbeiders maakten in 1819 48%, in 1871 58% van het totale aantal volwassen werklieden uit. Uit deze cijfers blijkt echter tevens, dat naar verhouding de spin- en weefnijverheid meer van kinderen gebruik maakte dan de andere bedrijven.
De takken van industrie, die het meest ertoe bijdroegen om hier percentsgewijs den kinderarbeid in onze periode te doen stijgen, zijn de sigarenfabrieken en de mattenmakerijen. De sigarenindustrie, die in 1819 nog niet bestond, bezigde in 1871 naast 620 volwassenen 408 kinderen; zij bevond zich voor verreweg het grootste deel te Kampen. De mattenmakerij was in 1819 niet onbekend; er worden dan 8 inrichtingen opgegeven met 11 arbeiders, waarvan 8 kinderen. In den loop der eeuw onderging zij een sterke uitbreiding, zoodat in 1871 deze bedrijfstak 191 volwassen en 111 jeugdige werklieden telde.
In Gelderland waren in 1819 de kinderen vooral werkzaam in de volgende bedrijven: 1o. steenbakkerijen; 2o. papierfabrieken; 3o. spinnerijen en weverijen. Dat, ondanks de vermindering in
laatstgenoemde groep, de kinderarbeid in 1871 bleek te zijn toegenomen, berust op twee oorzaken: de vestiging van een omvangrijke sigarenindustrie en de groote uitbreiding in de steenfabricage. In eerstgenoemde industrie werkten in 1871 402 arbeiders en 251 kinderen. Wat de steenbakkerijen betreft (waaronder enkele pannen- en pottenbakkerijen zijn medegerekend), hun aantal steeg van 49 in 1819 tot 171 in 1871; in sterkere mate nog nam het aantal daarin werkzame personen toe, dat van 689 volwassenen en 217 jeugdige werklieden steeg tot resp. 6067 en 2601. Zoodoende was van de kinderen, die in 1871 loonarbeid verrichtten, 62% in de kleinindustrie werkzaam.
Het aantal jonge arbeidskrachten in de papierindustrie onderging in de behandelde periode een toeneming van 132 op 209.
Wij zagen, dat in Utrecht, in tegenstelling met andere provinciën, de kinderarbeid zich tusschen 1819 en 1871 niet uitbreidde. De oorzaak van dezen teruggang is te zoeken bij de textielindustrie, die zich in 1871 tot Amersfoort en Veenendaal beperkte, doch aan het begin der eeuw voor de geheele provincie beteekenis had. De niet onbeduidende textielindustrie inzonderheid, die toen nog bestond in de hoofdstad, blijkt in 1871 geheel te loor te zijn gegaan. Het aantal kinderen, in katoenspinnerijen werkzaam, daalde in ons tijdvak van 293 op 97. Tegenover dezen algemeenen teruggang - gevolg alweder van het concentratieproces, dat zich hier afspeelde, - nam wel de kinderarbeid in de steenbakkerijen toe, maar niet evenredig. Bovendien bleef de vestiging van nieuwe takken van nijverheid, die dikwijls elders oorzaak werd van de toeneming, in deze provincie achterwege.
De toeneming, die de kinderarbeid in Noord-Holland onderging, is niet op rekening van bepaalde soorten van nijverheid te schrijven; het aantal bedrijven, dat in 1871 iets meer van jeugdige werkkrachten gebruik maakte dan in 18l9, is legio. Ook vindt men voor 1871 kinderarbeid in verschillende ondernemingen, die in 1819 nog niet bestonden (b.v. een waskaarsenfabriek onder Sloten, waar 50 jongens en 100 meisjes werkten), doch een bepaalde bedrijfsgroep, die na 1819 zou zijn opgekomen en veel gebruik van kinderarbeid zou hebben gemaakt, is niet aan te wijzen.
Zuid-Holland vertoont een grootere stijging van het aantal arbeidende kinderen dan de meeste andere provinciën. Ten deele is dit het gevolg van de opkomst van een tweetal nieuwe soorten
van nijverheid, die na 1819 ontstonden: de sigarenfabricage (waarin in 1871 148 kinderen werkten tegen 269 volwassenen) en de machineindustrie (hierin waren, samen met de ijzersmelterijen, 237 kinderen werkzaam). Doch daarnaast zien wij verschillende bedrijven, waarin de kinderarbeid belangrijk toenam. Zij zijn de volgende 1o. de garenfabrieken. Werden in 1819 96 inrichtingen opgegeven met 44 kinderen, in 1871 hadden de 58 fabrieken van dien aard, nagenoeg alle in of bij Gouda gelegen, 408 kinderen in dienst. 2o. de kaarsenfabricage. In 1819 waren er 54 kaarsenmakerijtjes, die 78 werklieden in dienst hadden, en geen kinderen. Sindsdien werd, toen de stearinekaars in zwang kwam1), dit handwerk vervangen door groote fabrieken. Zoodoende waren er in 1871 slechts 9 ondernemingen; het aantal arbeidskrachten was echter gestegen tot 447 volwassenen en 109 kinderen. 3o. de glasblazerijen. Hier was, als men den fabrieksstaat mag gelooven, in 1819 de kinderarbeid onbekend. In 1871 daarentegen waren 109 kinderen in deze industrie werkzaam. 4o. de touwslagerijen. Het aantal kinderen bedroeg in 1871 350 (in 68 ondernemingen) tegen 155 in 1819 (in 87 ondernemingen). Het gemiddeld aantal kinderen, per lijnbaan werkzaam, steeg dus van 1,8 op 5,1.
Zeeland was, naar wij zagen, de eenige provincie, waar een belangrijke teruggang van het percentage kinderen viel te constateeren. Bij nadere vergelijking blijkt echter, dat deze teruggang meer het gevolg is van de onvolledigheid van het materiaal, dan van een verandering in de werkelijke verhoudingen. In de eerste plaats is bij vele bedrijven het aantal arbeiders òf in 't geheel niet, òf alleen in totaal opgegeven. Daardoor kan b.v. niet worden nagegaan, of de kinderarbeid in de schoenmakerijen - in 1819 305 in getal, met 263 arbeiders en 78 kinderen - is toe- of afgenomen. Daar komt echter nog iets anders bij. De tabel van 1819 geeft talrijke bedrijven op met handwerks- of ambachtskarakter, die in de statistiek van 1871 niet voorkomen; zoo vindt men voor 1871 geen enkele broodbakkerij, blikslagerij, kleermakerij, timmerwinkel enz. opgegeven, welke bedrijven in 1819 een niet onaanzienlijk getal kinderen te werk stelden. Daar deze opmerking voor alle provinciën geldt, volgt hieruit, dat de geconstateerde toeneming van den kinderarbeid nog grooter zou zijn gebleken, indien de statistiek van Brinckman dit soort van bedrijven mede had opgenomen.
Onze conclusie, dat de kinderarbeid in de 19e eeuw is toegenomen, wordt dus door de onvolledigheid van het materiaal eer bevestigd dan verzwakt.
In geen enkele provincie is de toeneming van den kinderarbeid zoo groot geweest als in Noord-Brabant. Welke bedrijfssoorten het waren, die vooral aan deze toeneming bijdroegen, blijkt uit onderstaande tabel.
| 1819 | 1871 | |||
|---|---|---|---|---|
| Bedrijven | Aantal ondernemingen | Aantal hierin werkzame kinderen | Aantal ondernemingen | Aantal hierin werkzame kinderen |
| Textielindustrie | ? | 1715 | ? | 2699 |
| Steen en pannenbakkerij | 25 | 6 | 69 | 153 |
| Schoenmakerij | 997 | 163 | 731 | 923 |
| Sigarenindustrie | - | - | 66 | 568 |
| Beetwortelsuikerind | - | - | 15 | 425 |
Wat blijkt uit deze cijfers? Vooreerst dat, anders dan in Overijsel, ook de textielindustrie heeft bijgedragen tot de percentsgewijze toeneming van den kinderarbeid. Terwijl immers het aantal volwassen arbeiders volgens de statistiek1) met 23,7% terugliep, nam het aantal kinderen in de textielindustrie met 57,4% toe, de kinderen in alle bedrijven tezamen zelfs met 81,3%. Verder trekt het de aandacht, dat onder de industrieën, die vooral tot de stijging bijdroegen, wederom twee zijn, die in 1819 niet bestonden: de sigarenfabricage, die als kleinbedrijf was georganiseerd, en de als moderne grootbedrijven optredende beetwortelsuikerfabrieken. Wat tenslotte de schoenmakerij aangaat, die in deze provincie, zooals men weet, niet eenvoudig een voor lokalen afzet fabriceerend ambacht of handwerk was, maar naar andere gewesten hare producten verzond: het aantal volwassen arbeiders rees hier van 1002 in 1819 tot 3189 in 1871, een verdriedubbeling dus tegenover een bijna zesvoudige stijging bij de jeugdige werkkrachten.
Al is bij Limburg een vergelijking met 1819 niet mogelijk, toch worde met een enkel woord vermeld, in welke soorten van onder-
nemingen in 1871 kinderarbeid voorkwam. Het is merkwaardig, dat het telkens weer dezelfde industrieën zijn, die kinderen aanhet werk hebben; ook in Limburg zijn het de steen- en pannenbakkerijen, de textielnijverheid, de papierfabrieken, de metaalnijverheid (w.o. de geweerfabrieken), de tabaks- en sigarennijverheid. In Regout's fabriek te Maastricht is het aantal kinderen naar verhouding niet groot: 110, tegenover 2338 volwassenen. Vermelding verdient tenslotte, dat het aantal kinderen, dat mijnarbeid verrichtte zeer gering was: de 2 steenkolenmijnen onder Kerkrade bezigden naast 141 mannen slechts 7 jongens.
De fabrieksstaat van 1819 onderscheidt de kinderen niet naar het geslacht; die van 1871 doet dit wel. Daarom enkele mededeelingen omtrent het aandeel van jongens en meisjes in den kinderarbeid. Het spreekt van zelf, dat overal het aantal jongens het grootst was. Het percentage meisjes was het hoogst in Overijsel (32,5% van het totale aantal kinderen), het laagst in Friesland (6,9%)1). In het algemeen kan men zeggen, dat ruw genomen 20% der kinderen uit meisjes bestond. In alle bedrijven, waarin wij het voorkomen van kinderarbeid constateerden, hadden de meisjes haar aandeel, met uitzondering van de metaalnijverheid, die zich voor het gebruik van vrouwelijke arbeidskrachten niet leende. Daartegenover was in de spin- en weefnijverheid de arbeid van meisjes meer gebruikelijk dan in de overige bedrijven. Duidelijk blijkt dit uit de cijfers voor Brabant en Twente. In Brabant waren van alle fabriekskinderen 24% meisjes, doch in de textielindustrie waren 32% der kinderen meisjes. Voor Overijsel zijn de verschillen nog grooter: de percentages bedroegen hier resp. 32 en 45.
Wij kennen thans, in ruwe omtrekken, de mate waarin gebruik van kinderen als werkkrachten werd gemaakt; wij zagen een toenemend gebruik in de periode van 50 jaren. Wil dit nu ook zeggen, dat het misbruik van kinderen zich in toenemende mate vertoonde? In geenen deele. Of de arbeid van personen beneden 16 jaar een sociaal nadeel is, hangt van een viertal factoren af: 1o. den aard van den te verrichten arbeid. 2o. den duur van den arbeid en, in verband hiermede, de onderwijsgelegenheid. 3o. den
leeftijd der kinderen. 4o. de omgeving waarin wordt gewerkt. Al deze elementen behooren noodzakelijk bijeen; wanneer wij dus in de volgende bladzijden onderzoeken, of ook hier te lande kinderexploitatie heeft plaats gevonden, zooals die van Engeland berucht is geworden, zullen zij tegelijk onder de oogen worden gezien.
Misbruik van zeer jonge werkkrachten is in de 19e eeuw voorzeker in Nederland gemaakt, doch niet op groote schaal. De opgaven, die de Staatscommissie voor den kinderarbeid van de verschillende fabrikanten ontving1), maken van slechts 3 kinderen beneden 6 jaar melding, nl. 2 jongens en 1 meisje, die allen werkzaam waren in de steen- en pannenbakkerij. Jongens van 6 jaar waren er 3 (1 in de steen- en pannenbakkerij, 1 in de garenfabricage, 1 in de touwslagerij), van 7 jaar 14, van 8 jaar 38. Zesjarige meisjes worden er twee vermeld: 1 op een steenfabriek, 1 in de vlasindustrie. Van de meisjes van 7 jaar (14 in getal) en 8 jaar (19 in getal) werkten de meeste in de katoenindustrie, wat overeenstemt met het reeds geconstateerde feit, dat het getal meisjes naar verhouding in de textielnijverheid het grootst was. De jongens van dezelfde leeftijden zijn meer over diverse bedrijven verdeeld2).
Iets te gunstig zijn deze cijfers echter wel. Als de Commissie zelf op pad gaat en in Moordrecht komt, merkt zij op, dat soms reeds kinderen van 5 jaar naar de lijnbaan worden gebracht, zelfs als ze ziek zijn van ontbering; want zonder de hulp van het kind, dat het wiel draait en behulpzaam is bij het ophaspelen, kan de arbeider niets beginnen. De Commissie treft in Moordrecht - er is ook nog een koord- en lintweverij en een ‘steenplaats’ - 1 jongen van 5 jaar aan, en zelfs 2 kinderen (een jongen en een meisje) van 4 jaar, die loonarbeid verrichten3). Inderdaad schijnt in dit Zuidhollandsche dorp het record van kleine-kinderexploitatie te zijn bereikt; de toestanden ter plaatsen gaven in 1855 aan den onderwijzer G.B. L(alleman) aanleiding, in de Economist van dat jaar een artikel te publiceeren onder den geruchtmakenden titel ‘Slavernij in Nederland’4). Hij beschrijft daar, hoe jonge kinderen, soms slechts 5 of 4½ jaar oud, op de lijnbanen als draaiers moeten op-
treden. 's Winters wordt er van 's ochtends 5 uur tot 's avonds 7 uur, 's zomers zelfs van 5 tot 8, dus 15 uren gewerkt. De arme kleinen moeten dan ook des morgens half slapende naar de werkplaats worden gedragen, waar ze, zittend in een vochtige en koude omgeving, hun werk moeten verrichten1).
De tweede soort van industrie, waarin zeer jeugdige kinderen te werk werden gesteld, was de steenfabricage. Omstreeks 1865 werkten zelfs, volgens de Staatscommissie, in de twee steenbakkerijen te Hendrik-Ido-Ambacht kinderen van 4 jaar oud2). De taak der kinderen bestond in het algemeen uit het opsnijden en afdragen der steenen3). De arbeid geschiedde alleen 's zomers en bovendien in de open lucht. Deze vorm van kinderarbeid moet vooral als hoogst nadeelig worden beschouwd door de overmatig lange werktijden. Werktijden van 12 uren per dag, ook voor de jongste kinderen, waren in 1861 eer regel dan uitzondering4); eenige jaren later constateert zelfs de Staatscommissie te Moordrecht een arbeidsdag van 3 à 4 uur 's morgens vroeg tot 's avonds 8 uur, met rustpoos van 8-8½ en 12-1 en eenige minuten na 3 en 55).
Hoe waren de toestanden in de spin- en weef nijver heid? Het antwoord op deze vraag is niet in een enkele formule te geven. In de weverij waren de verhoudingen anders dan in de spinnerij; in de huizen anders dan in de fabrieken; in Twente anders dan in Brabant. Eén ding blijkt ten duidelijkste: dat het euvel van den kinderarbeid niet met het fabriekswezen is ontstaan; het bestond ook al in de huisindustrie en in de manufactuur. In 1820 rapporteerde de burgemeester van Enschede aan de Regeering, dat kinderen van 7 en 8 jaar oud werk vonden in de textielnijverheid; ‘een jongen of meisje met het 10de of 12de jaar in 't weefgetouw gezet, strekken het ouderlijk gezin niet meer tot overlast; in een paar jaren zijn zij reeds hun eigen meester en winnen het brood’6). Van fabrieken was natuurlijk toenmaals nog geen sprake. Wil men een voorbeeld uit lateren tijd: de Kamer van koophandel te Roermond bericht in 1864 aan de Staatscommissie, dat het kwaad van den kinderarbeid het grootst is in de kleine industrie (huisin-
dustrie)1). Merkwaardiger nog is het, dat de overgang van manufactuur tot fabriek tot vermindering van het kindermisbruik leidde. In Enschede bestonden in 1861 nog naast elkaar de oude spinnerijen, waar alleen de zuiveringsmachines door stoom, de overige (w.o. de spinmachines) echter door menschelijke kracht werden bewogen, en de nieuwe spinnerijen, waar de stoom alle werktuigen in beweging bracht. In de eerste soort nu werden vele kinderen gebruikt, in de nieuwe soort, de wezenlijke fabrieken dus, werden geen kinderen gebezigd, behalve voor werkzaamheden, die niet in een bepaalde lokaliteit werden uitgeoefend2). Wij komen hier een omstandigheid op het spoor, die niet uit het oog mag worden verloren: dat weliswaar in het algemeen het fabriekswezen den kinderarbeid vaak heeft doen toenemen, doordat het te verrichten werk zooveel lichter en eenvoudiger was geworden, maar dat anderzijds in verschillende gevallen de stoommachine arbeid kon verrichten, die vroeger door jeugdige menschenkracht werd gepresteerd.
Volgens de uitgevers der beide enquêtes omtrent den kinderarbeid werden in 1841 in Twente naar verhouding de meeste kinderen gebruikt door de katoenspinnerijen3). Voor de fabrieken, die in de tabel zijn opgenomen, moge dit inderdaad gelden, anders wordt het als men bedenkt, dat juist het weven in deze jaren nog voor een belangrijk deel buiten fabrieksgebouwen geschiedde. Wij vernamen reeds, hoe jonge kinderen in 1819 aan het weefgetouw werden gezet. De invoering van Ainsworth's snelspoel (sedert 1833) vergrootte de mogelijkheid van dezen kinderarbeid, doordat het halen van den inslag door de kettingdraden door deze uitvinding veel eenvoudiger was geworden, en dus het weven door kinderen minder bezwaar opleverde4). De arbeid der zéér jeugdige kinderen bestond uit het zgn. spoelen, d.i. het winden van de gesponnen draad op de spoel, die in het weefgetouw de inslag door de kettingdraden brengt. De huiswever bezigde voor dit werk zijn eigen kinderen; had hij die niet, dan moest hij kin-
deren huren1). In parenthesi worde opgemerkt, dat dit huren van jeugdige hulpkrachten door de arbeiders ook in andere bedrijven voorkwam, o.a. in de katoendrukkerij2).
C.T. Stork beschrijft in zijn werkje over de Twentsche katoennijverheid3), in welk een omgeving de kleine spoelers hadden te werken. De weefkamer, die bij elke arbeiders- of boerenwoning te vinden was, liet in hygiënisch opzicht alles te wenschen over. De zoldering was veelal zoo laag, dat men niet rechtop kon staan; als er 's avonds bij het karige licht van olielampen werd gewerkt, heerschte er een ondragelijke walm. In die dompige en vochtige vertrekken moesten de kleinen vaak van 's ochtens 3 à 4 uur tot 's avonds laat zitten ‘spoelen’. - Stelt men nu hier tegenover, dat in de moderne stoomweverijen de kinderen geen fabrieksarbeid verrichtten, doch slechts boodschappen deden e.d.,4) dan blijkt ook hier het bij de spinnijverheid geconstateerde: dat het nadeel van den kinderarbeid niet met het fabriekswezen is ontstaan, en dat zelfs voor menig kind het binnengaan van de fabriekspoort een verbetering van toestand beteekende. Vooral wat de omgeving betreft, waarin werd gewerkt. Ook waren de werktijden in de huizen in het algemeen langer dan die in de fabrieken, al kwamen ook in de laatste nog abnormaal lange arbeidsdagen voor. Zoo werkten in de groote Enschedesche katoenspinnerij te Lonneker, waar een 13-urige arbeidsdag gold, in 1841 81 kinderen van 7 tot 15 jaar5). In dit opzicht waren de toestanden in Brabant beter. Werden voor Twente in 1841 kinderen vermeld van 5, 6 en 7 jaar oud, in Brabant kwamen in dat jaar, althans volgens de tabellen, geen fabriekskinderen beneden den 8-jarigen leeftijd voor6). Ook de werktijd moet in Brabant korter zijn geweest; het maximum was in 1841 13 uren, terwijl in Overijsel toenmaals werkdagen van 14 uren voorkwamen (Oldenzaal, Hardenberg, Schokland). Men dient echter hierbij te bedenken, dat de enquête van 1841 nergens opgeeft, of de werktijd voor kinderen afweek van die voor volwassenen. Dat dit meermalen het geval moet zijn geweest, blijkt uit de enquête-1860, waarbij uitdrukkelijk naar den
werktijd van elke groep (mannen, vrouwen, jongens, meisjes, kinderen) werd gevraagd. Er blijken dan voor de verschillende groepen veelal uiteenloopende arbeidstijden te bestaan, zoodat men kan aannemen, dat zulk een differentiatie ook al in 1841 gebruikelijk was. Eene vergelijking nu tusschen de Brabantsche en Overijselsche tabellen voor 1860 doet zien, dat ook in dat jaar laatstgenoemde provincie voor kinderen (d.z. personen jonger dan 14 jaar) de langste werktijden had: tegenover een werktijd van 10 of hoogstens 12 uur (soms ook minder) in Brabant, staan voor Overijsel, waar de 12-urige arbeidsdag voor kinderen regel was, ook arbeidsdagen van 13 en 13½ uur vermeld. De werkzaamheid van de Katholieke geestelijkheid was er niet vreemd aan, dat Brabant zich in dezen gunstig onderscheidde. Omstreeks 1870 werkten in Tilburg in de fabrieken geen kinderen beneden 12 jaar, omdat de fabrikanten de wensch der geestelijkheid eerbiedigden, dat geen kind in dienst zou komen alvorens de eerste communie te hebben gedaan1).
De berichten uit Holland doen zien, dat ook hier ernstige misstanden voorkwamen. Te Leiden constateerde de Staatscommissie, dat 7% der ondervraagde arbeiders beneden de 8 jaren aan het werk waren gekomen2). Teekenender nog zijn de mededeelingen, die in 1860 de ingenieur De Vries Robbé deed aan minister Van Heemstra3). Dikwijls worden in Leiden, zoo schrijft hij, kinderen van 8 à 10 jaren op de fabrieken aangenomen zonder dat er op wordt gelet, of ze gezond zijn en of ze onderwijs hebben genoten; zij moeten dan vaak 14 à 15 uren - de schafttijden niet medegerekend - in meestal bedompte lokalen vertoeven. Het waren ook de Leidsche toestanden, die drie jaren later den bekenden romanschrijver J.J. Cremer aanleiding gaven tot zijn vlammende rede4), die tegelijk werd gedrukt onder den titel ‘Fabriekskinderen. Een bede, doch niet om geld.’ Hij laat ons daarin kennis maken met het tienjarig Sandertje Zwarte, die geregeld 13 à 14 uur, soms 15 uur, in een wolfabriek moet ‘lasschen’ Zaterdags moet er zelfs veelal ook 's nachts worden gewerkt5).
De Staatscommissie, die uitvoerige gegevens verzamelde omtrent den leeftijd, waarop de arbeiders met fabrieksarbeid waren aangevangen, vermeldt nergens jongere leeftijden dan te Hilversum. Een groot aantal werklieden in de wol- en katoenfabrieken aldaar bleek op zesjarigen leeftijd in de fabriek te zijn gekomen; van de 378 mannen waren er 45, die zelfs op den 5 of 5½-jarigen leeftijd aanvingen. Onder de vrouwen werd eenmaal 4 jaar, eenmaals 4½ jaar als aanvangsleeftijd bevonden; de meeste onder hen waren, als de mannen, op zesjarigen leeftijd begonnen te werken1).
Omtrent den leeftijd van de kinderen in de Zeeuwsche calicotsweverijen zijn uitvoerige gegevens te vinden in het reeds geciteerde werk van Coronel; hij geeft niet alleen van alle arbeiders den ouderdom op, maar ook de leeftijd, waarop zij in de fabriek kwamen. Vergelijking van beiderlei gegevens doet zien, dat het euvel van den arbeid van zeer jonge kinderen vroeger grooter was dan in den tijd, dat Coronel zijn onderzoek deed (1860). In Middelburg b.v., waar in 1860 de jongste arbeider 13 jaar was, werd als vroegste aanvangsleeftijd 10 jaar bevonden2). Voor Vlissingen waren deze leeftijden resp. 13 en 83), in Arnemuiden 12 en 7 jaar4) enz.
De arbeidsduur in deze etablissementen was, al hadden ze een half philanthropisch karakter van werkverschaffing, nog lang genoeg: 's winters 11 of 11½ uur, 's zomers 12 à 13 uur. Met de lokalen, waarin werd gewerkt, was het treurig gesteld, al waren zij nog wel in den regel door de gemeentebesturen ten gebruike afgestaan. Veelal geschiedde de arbeid op zolders, waar het 's zomers ondragelijk heet, 's winters tochtig en koud was5). In Middelburg lag onder de werkplaats op den Blauwendijk een kelder, die half vol water stond, zoodat de wevers in een bedorven en natte atmosfeer moesten arbeiden6). - De kinderen verrichtten hier denzelfden weefarbeid als de volwassenen, wat voor hun jonge krachten vaak te zwaar was. In de fabriek te Veere zag Coronel een 12-jarige jongen, zeer klein van postuur, die er een jaar werkte doch nimmer onderwijs had genoten; hij ‘teekent in zijn geheel voorkomen
overspanning’1). Een zwak meisje van 10 jaar maakte, onder toezicht van de moeder, drie stuks calicots per week.
Een plaats, waar toestanden werden aangetroffen, die veel geleken op de beruchte Engelsche, is Maastricht geweest, dat, zooals wij zagen, in industrieel opzicht verder was voortgeschreden dan eenige andere stad in Nederland. Van hun negende jaar af werkten hier kinderen in de glasblazerijen en aardewerkfabrieken; een arbeidsdag van 12 uren was geen zeldzaamheid. Wat men hier ook, anders dan elders, aantreft is: nachtarbeid door kinderen. In de genoemde fabrieken gingen de kinderen pas te middernacht of twee uren later naar huis, om dan door anderen van hun leeftijd te worden vervangen. Het is dan ook geen overdrijving, als de hoofdcommissaris van politie te Maastricht in 1861 aan den burgemeester naar aanleiding van de enquête-1860 schrijft2): ‘Met innig leedwezen ziet men hier de jeugdige fabrieksarbeiders als schimmen en in hunne opvoeding veel gelijkende naar redelooze schepselen, langs de straten loopen.’ Omstreeks 1870 werd in de glas- en aardewerkfabriek van Regout in zooverre een verbetering aangebracht, dat de wisseling der ploegen, die elk 12 uren werkten, niet om 12 uur maar om 6 uur plaats vond, zoodat er nu tenminste één werkelijke dagploeg ontstond. Voor de jonge kinderen, die hier geen korteren werktijd hadden, bleef deze arbeid natuurlijk overmatig lang; slapende werden zij soms naar de fabriek gedragen3).
In het begin der 19e eeuw was één der functies, die aan jonge kinderen werden opgelegd, het leveren van beweegkracht zonder meer. Met de ‘draaiers’ op de lijnbanen maakten wij al kennis, zoo ook met de draaiers in de huisspinnerij en in de als manufactuur georganiseerde spinfabrieken. Voordat de stoomkracht algemeen in zwang kwam, werd deze methode nog in vele andere bedrijven toegepast; er was b.v. in 1841 te Amsterdam een wattenfabriek met vijf machines, die grootendeels door meisjes werden voortbewogen4). Het is duidelijk, dat deze vorm van kinder-
exploitatie bij het doordringen van het fabriekssysteem gaandeweg moest verdwijnen.
Ten laatste moet worden vermeld, dat in den landbouw veel gebruik is gemaakt van jeugdige werkkrachten. Het euvel bestond hier niet in de ongezonde omgeving, ook niet in de monotonie van den arbeid, maar in de zwaarte en den zeer langen duur van het werk. In 1860 bleek in Friesland de kinderarbeid nagenoeg uitsluitend voor te komen bij den veldarbeid, niet in de fabrieken1). Tien jaren vroeger rekent een schrijver over den toestand van de landbouwende klasse in Salland, dat algemeen de kinderen te vroeg aan den arbeid worden gezet ‘even als de paarden en koeijen tot gewin’2).
Het schijnt een aantrekkelijke taak na te gaan, of het nadeel van den kinderarbeid ten onzent in omvang heeft afgeweken van wat het buitenland, met name alweer Engeland, te zien gaf. Hoewel exacte vergelijking in dezen onmogelijk is en de gegevens voor Nederland lang niet zoo uitgebreid zijn als die voor Engeland, kan toch aannemelijk worden gemaakt, dat zóó diep als ginds het kwaad in Nederland niet heeft geworteld. In de eerste en voornaamste plaats valt te wijzen op de achterlijkheid van de industrieëele ontwikkeling hier te lande; tot het midden der eeuw was Nederland een landbouwstaat gebleven, en de opleving, die daarna inzette, concentreerde zich veel meer om handel en scheepvaart dan om'de nijverheid. En als dan, sedert 1870, ook het achtergebleven Nederland in den stroom van het moderne kapitalisme wordt medegevoerd, dan is de tijd van de Manchesterleer al weer voorbij en wordt de staatsmacht aangewend om de excessen, welke de nieuwe ontwikkeling dreigt mede te brengen, te breidelen. Er is in Nederland, vooral tot ± 1850, door de lagere klassen veel armoede en gebrek geleden; vele bedelaarskinderen zwierven over den weg. Maar in Engeland werden de kinderen in de fabrieken langzaam vermoord.
Daar komt nog iets anders bij. De ergste excessen van kinderexploitatie zijn in Engeland aangetroffen in de mijnen. Nederland nu had slechts een drietal steenkolenmijnen bij Kerkrade en voor deze weinige was nog altijd geldig - vergeten stukje arbeidersbescherming - het krachtens de mijnwet van 1810 uitgevaardigde
keizerlijke decreet van 3 Januari 1813, waarbij mijnarbeid door kinderen beneden 10 jaar werd verboden1).
In de derde plaats zijn er aanwijzingen, dat de kinderarbeid, hoewel in het algemeen tusschen 1819 en 1871 toegenomen, juist in de lagere leeftijden een vermindering heeft ondergaan. De resultaten van de beide beroepstellingen, die in onze periode werden gehouden, zijn, wat den kinderarbeid in de industrie betreft, de volgende2):
Aantal kinderen, werkzaam in de nijverheid
| Tellingen | Jongens | Meisjes | ||
|---|---|---|---|---|
| Beneden 10 jaar | 10 t/m 15 jaar | Beneden 10 jaar | 10 t/m 15 jaar | |
| 1849 | 388 | 18519 | 322 | 5538 |
| 1859 | 350 | 24072 | 167 | 5618 |
Deze cijfers zijn vooreerst merkwaardig, omdat de geringe omvang eruit blijkt van den arbeid van zeer jonge kinderen, maar verder ook, omdat men een daling ziet in laatstgenoemde groep tegenover een stijging bij de 10-15 jarigen. Een en ander stemt overeen met hetgeen bij de Zeeuwsche calicotsweverijen werd opgemerkt, waar in 1860 de aanvangsleeftijd hooger bleek te zijn dan vroeger. Deze teruggang van de jongste leeftijdsgroepen zal te danken zijn geweest aan de toenemende zorg voor het lager onder wijs3), waarover in een volgend hoofdstuk nadere mededeelingen zullen worden gedaan.
Welke motieven de ouders er toe brachten hunne kinderen loonarbeid te laten verrichten, is zonder meer duidelijk: wat het kind inbracht was een welkome, veelal noodzakelijke aanvulling van het gezinsinkomen. Evenzeer ligt het voor de hand, waarom de ondernemers gaarne kinderen te werk stelden; zij konden met
minder loon volstaan en kregen gewillige werkkrachten, die gemakkelijker aanleerden. Een andere vraag is echter, hoe de kinderarbeid oorspronkelijk is ontstaan. De gezinsarbeid (in Bücher's terminologie: ‘Hauswerk’) is via de huisindustrie stellig in vele gevallen de bron van fabrieksarbeid door kinderen geweest. Daarnaast moet menigmaal de kinderarbeid worden beschouwd als een verwording van de leerlingverhouding1): het kind, oorspronkelijk naar de werkplaats of de fabriek gezonden om er een vak te leeren, gaat er nu heen om geld te verdienen. In Nederland was in de 19e eeuw deze overgang nog op enkele punten zichtbaar door de omstandigheid, dat de kinderen soms in 't geheel niets verdienden. Te Groningen b.v. werd in 1819 noch door de kinderen in de schoenmakerijen, noch door die in de kleermakerijen iets verdiend2). Dit waren echte ambachten, kleinbedrijven dus, waar de baas medewerkte en opleiding tot het vak inderdaad mogelijk was. Wanneer wij echter vernemen, dat in 1860 op verschillende Amsterdamsche sigarenfabrieken de kinderen geen loon ontvangen3), dan rijst de twijfel of niet deze ‘leerling’ verhouding tevens werd gebruikt om goedkoop werkkrachten te verkrijgen. Maar als wij in dezelfde stad reeds vroeger een tullefabriek aantreffen met 20 werklieden waaronder ‘het grootst aantal bestaat uit kinderen, die niets verdienen’4) dan zijn wij gerechtigd tot de conclusie, dat ook ten onzent onder het mom van opleiding kinderexploitatie is voorgekomen.
- Onder de volwassenen (personen boven 16 jaar), die in 1871 loonarbeid verrichtten, waren ongeveer 15% vrouwen. Dit percentage was lager dan dat van de meisjes onder de kinderen, dat, gelijk gezegd, 20% bedroeg. Dit verschil is aldus te verklaren, dat vrouwenarbeid in hoofdzaak slechts op jongen leeftijd werd uitgeoefend; de arbeidster die huwde, zegde vaak de fabriek vaarwel. De Staatscommissie bevond althans in Leiden, dat tot den leeftijd van 24 jaar het aantal vrouwen in de textielindustrie ongeveer even groot was als het aantal mannen, doch dat daarna weinig vrouwen meer voorkwamen, omdat de
huismoeders als regel niet op de fabriek werkten1). Verder valt op te merken, dat blijkens de beroepstellingen het aantal in de industrie werkzame vrouwen van 16 jaar en ouder tusschen 1849 en 1859 van 67 op 60.000 daalde; al zeggen deze cijfers over dit eene decennium niet zoo heel veel, toch leiden zij tot het vermoeden, dat de vrouwenarbeid niet, zooals de kinderarbeid, een toenemende tendens vertoonde in de 19e eeuw.
De arbeid, die door de vrouwen werd verricht, was in den regel een ongequalificeerde. Van vrouwen, die een bepaald vak, dat vakkennis vereischt, uitoefenen, hooren wij weinig. Wij zien de vrouwen dan ook optreden in dezelfde bedrijven, waar kinderarbeid voorkwam, in de eerste plaats in de grootbedrijven dus, waar veel ongeschoolde arbeid te verrichten was. Zoo zien wij haar in de steenbakkerijen ‘opzetten’ (d.i. de drooggeworden steenen op stapels brengen) en ‘walken’, (d.i. kneden van de klei)2); zoo treffen wij vele vrouwen aan in de papierfabrieken en in de beetwortelsuikerfabrieken. Natuurlijk was een groot aantal in de textielnijverheid werkzaam (40% van het totaal); toen deze nog in de boerenwoningen werd uitgeoefend, was de boerin gewoon geweest te spinnen, zoodat velen van haar den overgang naar huisindustrie, manufactuur en fabriek als vanzelf meemaakten. In het fabrieksstadium verrichtten de vrouwen echter de eigenlijke hoofdarbeid niet meer; in de Enschedesche handspinnerijen waren in 1841 de spinners mannen, terwijl de vrouwen garen wonden, de krasmachine draaiden, e.d.3); in de wol- en katoenfabrieken te Eindhoven pluizen zij wol of katoen, noppen en pluizen zij de lakens enz.4).
Een bedrijf, dat een zeer hoog percentage vrouwen gebruikte, was de pijpenfabricage te Gouda; naast 500 mannen waren hier 300 vrouwen werkzaam als tremsters enz.5). Ook thans nog werken in deze industrie vele vrouwen. Naar verhouding nog grooter was hun aantal in de stearinekaarsenfabriek aldaar: 175 vrouwen tegenover 141 mannen.
Aparte vermelding verdienen nog de meekrapstoven in het zuid-westen des lands, omdat hier bij uitzondering vrouwen-
arbeid voorkwam, waarmede geen kinderarbeid gepaard ging.
In menige onderneming gold voor vrouwen een kortere werktijd dan voor de volwassen mannen. Daar echter over deze laatsten in het voorafgaande nog niets is medegedeeld, krijgt deze factor het meeste relief in een algemeene bespreking van den arbeidstijd, die hier moge volgen.
- De zeer verspreide berichten omtrent den duur van den arbeidsdag stellen ons niet in staat na te gaan, of hetzij in het algemeen, hetzij in bepaalde bedrijfssoorten, de arbeidsduur een toe- dan wel afneming heeft vertoond. Eén ding echter doen zij met ontwijfelbare duidelijkheid zien: dat de arbeidsduur veelal zeer lang was en dat zelfs werkdagen van 16 en meer uren niet tot de zeldzaamheden behoorden.
De industrie, die in dit opzicht het record heeft geslagen, is de klei-industrie geweest. Er worden hier werktijden vermeld, die bijna ongelooflijk schijnen. In de Franeker ‘tichelwerken’ wordt in 1841 gewerkt van 's morgens 2 tot 's avonds 10 uren, een arbeidsdag dus, met inbegrip van de schafttijden, van 20 uren. De pannenfabrieken aldaar werken ‘slechts’ 15 uren1). De kinderarbeidenquête van 1860 geeft voor de Franeker steenfabrieken een arbeidsdag van 18 uren, niet slechts voor de volwassen mannen, maar ook voor de jongens tusschen 14 en 18 jaar2); de vrouwen daarentegen werken 12 uur. In andere provinciën zijn de getallen niet zoo exorbitant, maar toch nog hoog genoeg. In de provincie Utrecht zijn in 1860 werktijden van 14 en 15 uren niet ongewoon; in de Geldersche steenbakkerijen daarentegen was de 12-urige arbeidsdag gebruikelijk3). Bij dit alles dient echter in herinnering te worden gebracht, dat de meeste werkzaamheden in dit bedrijf zich tot de zomermaanden beperkten en dat bij slechte weersgesteldheid de arbeid, die grootendeels in de open lucht werd uitgeoefend, stagnatie ondervond. Vandaar dan ook dat, zoodra de omstandigheden gunstig waren, van 's morgens vroeg tot 's avonds laat werd gewerkt.
Bij de textielindustrie was de arbeidsdag van korteren duur, maar de omgeving waarin werd gewerkt veel nadeeliger. In Twen-
te schijnt tusschen 1841 en 1860 de gemiddelde duur van den arbeidsdag te zijn toegenomen. Van de personen althans, die de enquête uit eerstgenoemd jaar als werkzaam in de spinnerijen opgeeft, werken 82% 12 uren of langer; voor de weverijen was dit percentage 57%1). Maar in 1860 werd in geen enkele spinnerij korter dan 12 uren gewerkt en werkten van het personeel in de weverijen 75% 12 of meer uren2). Evenals bij de kinderen kon worden vastgesteld, waren in Brabant de toestanden gunstiger; de 12-urige arbeidsdag was daar in 1860 weliswaar regel, maar langere werktijden kwamen hier niet voor, wel kortere3). Dit alles betrof den fabrieksarbeid. De handwevers buiten de fabrieken werkten in Twente omstreeks 1860 geregeld 14 uren per dag4).
Erger waren de toestanden te Leiden. Mr. Samuel le Poole bericht in 1862, dat ‘dikwijls’ in de Leidsche fabrieken 15, 16 of 17 uren wordt gewerkt, en dat met slechts 1 à 2 uren rust ertusschen5). Hij doet ons enkele mededeelingen omtrent een gesprek met een arbeider op een wolspinnerij, waar het grootste deel van het jaar wordt gewerkt van 's morgens 6 tot 's avonds 11 uur met één uur pauze omstreeks den middag. De man klaagt, dat hij dan veelal zoo moe thuis komt, dat hij pas na een half uur liggens het middagmaal kan nuttigen. Kinderen, die van 12-1 de middagschool bezoeken, hebben een uur meer vrij en werken dus ‘slechts’ 15 uren; zij komen eerst tegen middernacht op bed en moeten vóór half zes weer opstaan6).
Bij een beschouwing van de tabellen van 1841 en 1860 - vrijwel onze eenige bronnen voor dit onderdeel - trekt, tegenover de hierboven genoemde lange werktijden, de korte arbeidsdag in sommige calicotfabrieken en haar- of andere spinnerijen de aandacht. Zoo werd in 1841 in de Harlinger zaklinnenfabriek slechts 7 uren gewerkt7); in 1860 werkten in de koehaarspinnerij te Schijndel de volwassenen 10, jeugdige personen 8, kinderen 7 uren8); in Zeeland treffen wij in dat jaar werkdagen aan van 9
uren1). Al deze instellingen droegen echter, geheel of ten deele, armenzorgkarakter2), zoodat deze gevallen niet zonder meer als gunstige uitzonderingen mogen worden aangemerkt op de elders voorkomende misstanden3). Bovendien werden deze korte werktijden niet zelden overschreden; in de calicotsfabriek te Arnemuiden b.v., die een armeninrichting was, werd bij groote aanvraag 's zomers wel 14 à 15 uur per dag gewerkt4).
Het is niet noodzakelijk alle gevallen op te sommen, waarin zeer langdurige werkdagen worden aangetroffen. Anderzijds echter dienen nog eenige voorbeelden te worden gegeven om te bewijzen, dat dit euvel algemeen verbreid was en niet tot losse gevallen beperkt. Daarom worde gememoreerd, dat omstreeks het midden der 19e eeuw in de Amsterdamsche diamantslijperijen 12 à 15 uur werd gewerkt, doch in de huisindustrie nog langer5); dat in 1860 in de Zaanstreek werkdagen van 14 à 16 uur voorkwamen en een 14-urige arbeidsdag ook voor de kinderen niet ongewoon was6); dat het te Hilversum voorkwam, dat jonge kinderen gedurende 17 uren per dag spinarbeid verrichtten7); dat in de glasfabrieken te Nieuw-Buinen in denzelfden tijd een arbeidsdag van 14 uur gold - ook voor de kinderen8) - doch dat een dokter aan de Staatscommissie verklaarde, dat er ‘vroeger’ wel 16-17 uren werd gearbeid9). Lang was ook de arbeidstijd in de bakkerijen. In de door Sarpháti te Amsterdam opgerichte broodfabriek werd 12 à 14 uren gewerkt10). De Haagsche bakkersknechts werkten in 1870 100 uren per week. Zij vroegen in dat jaar om een verhooging van het uurloon van 8½ op 12½ cent, desnoods met verlenging van den werktijd11); een bewijs, dat 100 uren per week niet eens voor abnormaal hoog gold. Opmerkelijk zijn voorts de talrijke gevallen van excessieve arbeidsdagen, die de Staatscommissie aan-
trof te Rotterdam. Er zijn daar twee bleekerijen, waar tweemaal 's weeks 18 uren wordt gewerkt, nl. van 3 uur 's morgens tot 9 uur 's avonds; de rusttijd is er onbepaald. Een azijnmakerij werkt bij drukte van 4-8, dus 16 uren; er is zelfs een branderij, waar van 's ochtends half vier tot 's avonds 8 uur wordt gewerkt, zonder dat er schafturen zijn1).
Dat de arbeidstijden in den landbouw vaak zeer lang waren, ligt voor de hand. In het agrarische bedrijf is men nu eenmaal sterk aan seizoen en weersgesteldheid gebonden, zoodat op gunstige zomerdagen van zonsopgang tot zonsondergang de arbeid wordt voortgezet. De Utrechtsche landarbeider ging dan ook 's ochtends om 3 uur van huis, om daar niet voor 7 uur 's avonds terug te komen2). In het Gooi werkte een niet-inwonende bouwknecht van 4 uur 's morgens tot 8 uur 's avonds3). De daglooners in Salland verrichtten hun dienst van 6 uur voorm. tot 6 uur nam., doch werkten meestal vóór 6 uur eerst op hun eigen erfje4).
Natuurlijk zijn, tegenover al deze voorbeelden, andere te stellen die humane werktijden te zien geven. In 1860 was b.v. in de papierfabricage te Wormerveer de 9-urige arbeidsdag geen uitzondering5). Ook de ambachtslieden (timmermans-, schilders-, metselaarsknechts enz.) kenden geen abnormaal lange arbeidsdagen. Te Amsterdam werkten zij in 1853 10 uren, 's zomers echter vaak 12½ urr6). In de Limburgsche mijnen werd 9 uren per dag gewerkt7). Meer dan gunstige uitzonderingen waren dit niet. Wel echter zijn er een tweetal andere factoren, die ons in staat stellen den toestand iets minder zwart te zien dan men, met de aangehaalde voorbeelden voor oogen, geneigd zou zijn te doen.
Vooreerst het verschijnsel, dat in den winter korter werd gewerkt dan in den zomer, althans in de eerste helft der eeuw. Het gebrekkige kunstlicht liet in het algemeen niet toe, dat de arbeid tot na zonsondergang werd voortgezet, zoodat 's winters de werktijd 2 à 3 uren korter werd. Blijkens de enquête van 1841 kwamen dan ook in den winter werktijden van 9 à 11 uur veelvuldig voor. Was een dusdanige bekorting ondoenlijk, dan werd de arbeidsdag
tot een zooveel later uur verschoven, dat althans bij daglicht werd aangevangen. In Twente was in 1841 deze handelwijze regel; de ‘groote stoom’ te Enschede b.v., waar in den zomer van 6 uur v.m. tot 8 uur n.m. werd gewerkt, viel 's winters de werkdag van 8 uur v.m. tot 9 à 10 n.m.1). Elders was het gebruikelijk, dat men zich 's winters naar de zon richtte; zelfs in een groote fabriek als die van Prévinaire te Haarlem werd 's winters met het aanbreken van den dag begonnen en gewerkt ‘zoo lang het dag is’2). De fabrieksarbeid had daardoor minder het strenge en strakke automatische karakter van nu, bezat nog een weinig natuurlijkheid. Opmerkelijk is het echter intusschen, dat in 1860 het aantal gevallen, waarin afwijkende werkuren voor zomer en voor winter worden opgegeven, belangrijk geringer is als in 1841. De verklaring van deze verandering zal moeten worden gezocht in de gasverlichting, die omstreeks 1850 in zwang kwam; in de door gas verlichte fabriek bestond geen reden meer, zich aan de zon te storen.
Wij maakten gewag van een tweeden factor, die de hardheid der veelszins al te lange werkdagen verzachtte. Zij was deze, dat voor niet alle categorieën van arbeiders de arbeidsdag even lang was; vaak werd door vrouwen, meisjes, jongens of kleine kinderen korter gewerkt3). Ten deele lag deze differentiatie in de bedrijven zelf besloten, ten deele berustte zij op humaniteitsmotieven. Dat b.v. in de steenbakkerijen door de vrouwen en de meisjes korter, soms belangrijk korter, werd gewerkt dan door de mannen, terwijl in de Brabantsche textielnijverheid4) de werkdag algemeen gelijk was voor allen, vindt zijn oorzaak in de inrichting van het bedrijf: in de textielfabrieken sterk ineengrijpen der verschillende werkzaamheden, zoodat - vooral waar de stoomkracht heerschte - geen arbeider in het ingewikkelde raderwerk kan worden gemist; in de steenfabrieken ieder met een eigen taak, meer onafhankelijk van den ander. Een toestand als in de Geldersche steenbakkerijen, dat de mannen als regel 12, de vrouwen slechts 6 à 7 uur werkten5), zou in een textielfabriek niet bestaanbaar zijn. Dat een kortere werktijd speciaal voor de jonge kinderen veelvuldiger voorkwam,
is uit den aard van den kinderarbeid te verklaren; wij herinneren eraan, dat in de nieuwe Twentsche textielfabrieken de kinderen niet in het eigenlijke bedrijf werkten, doch boodschappen deden en andere losse werkzaamheden verrichtten.
De humaniteitsfactor was beperkter van werking: hij betrof alleen de kinderen. Wij bedoelen hiermede de omstandigheid, dat aan kinderen dikwijls gelegenheid werd gegeven tot het volgen van godsdienst- of ander onderwijs. Daar een en ander echter nauw samenhangt met het instituut der fabrieksscholen en met de veel voorkomende praktijk, dat kinderen, die geen onderwijs hadden genoten, uit de fabriek werden geweerd, wordt deze factor beter in een volgend hoofdstuk behandeld, waarin de geestelijke ontwikkeling der arbeiders in het algemeen wordt besproken. Daarom moge volstaan worden met de waarschuwing, dat het schoolgaan niet voor elk fabriekskind een verlichting beteekende. Soms toch gaf het juist aanleiding tot overmatige arbeidstijden, wanneer de kleinen vóór en na de schooluren industrieelen arbeid te verrichten hadden. De Staatscommissie bevond b.v., dat op een sigarenfabriek te Rotterdam twee jongens waren, 11 en 12 jaar oud, die nog op school gingen; zij werkten er van 6 tot 8½ 's morgens en van 5 tot 9 's avonds1). Een beperking van den arbeidsduur, die weinig toejuiching verdient.
Een enkele maal trad nog een derde omstandigheid op, die op de lange arbeidsweek een bekorting aanbracht: de vrije Zaterdagmiddag. Deze kwam weliswaar weinig voor, maar toch nog vaker dan men zou verwachten. In de Zeeuwsche calicotweverijen werd in 1841 Zaterdags slechts tot 4 in plaats van tot 8 uur gewerkt2); in 1860 bestond te Middelburg de week uit 5½ werkdag3). De vlasarbeiders te Hendrik-Ido-Ambacht, die gemiddeld 11 uren per dag werkten, beëindigden op Zaterdag de werkzaamheden reeds om 9 uur 's morgens4). Zoo zijn nog enkele gevallen meer te noemen5). Enkele malen wordt van Maandaghouden gewag gemaakt: in de Goudsche pijpenfabricage6) en de Hilversumsche textielnijverheid7).
Omtrent de rusttijden der arbeiders, waaromtrent de enquête van 1841 onze eenige bron is, valt weinig te vermelden. Meestal waren 's zomers de schafturen drie in getal: 's morgen van 8-9 voor ontbijt, 's middags van 12-1 voor het middagmaal, 's avonds van 4-5 voor het drinken van koffie of thee. Dikwijls waren de eerst- en laatstgenoemde schafttijden tot een half uur beperkt (8-8½ en 4-4½); de arbeiders bleven dan in elk geval in de fabriek en gingen alleen om 12 uur naar huis1). In den winter, waarin het aanvangsuur meestal later was gesteld, naar wij zagen, kon de rust van 8 uur vervallen en werd dus slechts om 12 en om 4 uur geschaft. Opmerkelijk is, dat in Noord-Brabant de schafttijden nog meer beperkt waren; er schijnt hier als regel slechts van 12-1 of 1½ rust te zijn gegeven, met name in Tilburg en in 's-Hertogenbosch2). Dat op deze wijze de mogelijkheid was geopend voor veel te langdurige werkperioden, ligt voor de hand. Zoo werkten de beide speldenfabrieken in 's-Bosch 's zomers 13½ uur, wat al rijkelijk lang is; ziet men echter, dat er van 6 uur 's morgens tot 9 uur 's avonds werd gearbeid, met als eenige rusttijd van 12-1.30, dan komt de excessiviteit van dezen fabrieksarbeid in nog scheller licht te staan. Het record op dit stuk werd echter geslagen door twee fabrieken van kartonnen doozen te Deventer; daar werd het werk in den zomer om 4 uur aangevangen en eerst om 8 uur 's avonds beëindigd, terwijl slechts van 12 tot 1 uur 's middags werd geschaft3).
Overziet men al hetgeen in het bovenstaande is opgemerkt omtrent den arbeidstijd, dan blijkt wel, dat er geen aanleiding bestaat voor de opvatting, als zou Nederland de roekelooze en hardvochtige exploitatie van menschenkracht minder hebben gekend dan andere staten, al staken de mijnen met haar 9-urigen arbeidsdag gunstig af. Bij den kinderarbeid helde de weegschaal eenigermate in het voordeel van Nederland over; de mate van kinderarbeid toch wordt door de industrieele ontwikkeling bepaald4) (bedrijfsomvang, machinewezen, fabrieks- of huisindustrie enz.). Overmatige arbeidstijden zijn echter mogelijk in elk stadium der
productieverhoudingen, in iederen bedrijfsvorm, zelfs in ieder bedrijf. Voor de verwachting, dat Nederland minder dan zijne buren roofbouw op zijn arbeidskrachten zou hebben gepleegd, behoefde dus a priori geen reden te bestaan. Op één uitzondering na: de nachtarbeid, waarover wij opzettelijk nog niet hebben gesproken.
In het algemeen bestaat in drie gevallen voor een bedrijf de noodzaak, den arbeid ook gedurende den nacht voort te zetten: 1o. seizoenbedrijven, wier productietijd tot een bepaald gedeelte van het jaar is beperkt; 2o. bedrijven, die om technische redenen continubedrijf vereischen; 3o. nachtarbeid als overwerk in tijden van abnormale- of seizoendrukte. Laatstgenoemd geval van nachtarbeid kan in alle bedrijfsvormen en -stadia voorkomen; de beide andere echter veronderstellen groote, technisch ver gevorderde bedrijven. Het kan daarom als een bewijs van Nederlands geringe industriëele ontwikkeling worden aangemerkt, dat nachtarbeid in de door ons behandelde periode zeldzaam is geweest. Als eenig voorbeeld van de eerste soort is de beetwortelsuikerfabricage te vermelden, die tijdens de betrekkelijk korte campagne een groote hoeveelheid product te verwerken heeft. Hier werd, volgens opgaaf van de fabrikanten aan de Staatscommissie1), door de dagploeg gewerkt van 7-9, 9½-1, 2-6½; om 7 uur ving dan de nachtdienst aan. De arbeiders behoorden om de week afwisselend tot de dag- en de nachtploeg. Hoewel men aan de Staatscommissie verzekerde, dat de kinderen nimmer 's nachts in de fabriek waren, trof zij te Zevenbergen op een ochtend om 10 uur een jongen aan, die den ganschen nacht aan 't pulptrappen was geweest van de vorige ochtend 6 uur af. Volgens den meesterknecht was dit door toevallige omstandigheden zoo gekomen2).
Het eenige bedrijf, waarin om technische redenen - het brandend houden der ovens in casu - geregeld nachtarbeid is voorgekomen, is de glasfabricage geweest. Van de Maastrichtsche fabrieken maakten wij reeds gewag, maar ook in de andere glasblazerijen werd 's nachts gewerkt: die te Loosdrecht3), te Nieuwer-Amstel4), te Nieuw-Buinen5). Als regel heerschte ook hier het tweeploegenstelsel, waarbij elke groep met inbegrip van de rust-
tijden 12 uren te arbeiden had. Dat echter deze regeling geen afdoenden waarborg gaf tegen overmatige arbeidstijden, leert het reeds genoemde voorbeeld uit Nieuw-Buinen1).
Dat in de Zeeuwsche meekrapstoven nachtarbeid voorkwam, kan men opmaken uit het feit, dat de hoegrootheid van het ‘nachtloon’ werd opgegeven2). Het stampen van de gedroogde meekrapwortels moest des nachts geschieden, omdat het daglicht de kleur te veel aantastte. Evenzoo was het in de oliemolens aan den Zaan; volgens de berichten werkten deze dag en nacht door3). Dat hier continubedrijf zou hebben geheerscht is niet aannemelijk; vermoedelijk werd hier alleen doorgewerkt als van gunstige wind kon worden geprofiteerd.
Nachtarbeid wegens drukke bestellingen kwam in bedrijven van allerlei aard voor; vaak vernemen wij er echter niet van. In de metaalindustrie schijnt hij nogal eens te zijn voorgekomen4); begrijpelijk, dat men, als het vuur brandde en het werkstuk af moest, bleef doorwerken. Ook onder het mom van ‘overwerk bij drukte’ zijn soms langdurige arbeidstijden voorgekomen; in Tilburg werd, naar de Staatscommissie mededeelt, soms maandenlang 's nachts door volwassenen en kinderen doorgewerkt5).