terug  begin  verderprepost
[p. 192]

Vijfde hoofdstuk
Economische en sociale denkbeelden in het toenmalige Nederland

Indien de denkbeelden, die de beter gesitueerden koesterden omtrent de arbeidersklasse, slechts licht konden werpen op de geestelijke structuur van eerstgenoemde groep, zou het overtollig mogen heeten ze hier te bespreken. Zoo is het echter niet. Het lot der arbeiders hangt ten nauwste samen met die denkbeelden, omdat deze in de houding van de ondernemers en in die van den wetgever tot uitdrukking kwamen.

Na den revolutietijd heeft de overheid, zoowel uit reactie tegen het overspannen en veelal ook verouderde reglementeerings-systeem der praerevolutionaire periode als uit hoofde van het in den revolutietijd gekoesterde vrijheids- en gelijkheidsideaal, zich van het gebied der arbeidersbescherming langen tijd teruggetrokken; de liberale economie met haar laissez-faire-beginsel versterkte deze tendentie. Toen echter de praktijk uitwees, dat de vrijheid tot ongebondenheid en dus tot de ernstigste misstanden leidde, rijpte het inzicht, dat op de overheid de taak rustte, de zwakkere, onderdrukte individuen door nieuwe verbodsbepalingen en reglementen te steunen. Aldus was de ontwikkelingsgang in de meeste Westeuropeesche staten, met name in Engeland.

In Nederland echter, dat ook in dit opzicht achteraan kwam, verliepen de zaken eenigszins anders. Van een zich terugtrekken van de overheid was tijdens de regeering van Willem I nog weinig te bespeuren. Integendeel, tegen straffe reglementeering zag de koning niet op. Dat er in die tijden voor de arbeidersklasse niets werd gedaan, kan dus niet aan overheersching van het onthoudingsbeginsel worden toegeschreven.

In latere jaren, inzonderheid na 1850, werd dit anders. De overheid trekt zich dan terug en de liberale economie krijgt vat op de

[p. 193]

geesten. Maar tegelijk wast niet alleen de belangstelling voor de arbeidersklasse op, doch gaan ook de roepstemmen om het arbeiderskind door overheidsmacht te beschermen steeds luider klinken. Dat het kinderwetje van Van Houten in 1874 het resultaat was van deze verlangens, is bekend. Het opmerkelijke feit doet zich dus voor, dat de gedachte aan arbeidersbescherming in de periode van vaderlijke staatszorg ontbrak, en dat zij opkwam in de periode van staatsonthouding. Een bespreking van de denkbeelden over het arbeidersvraagstuk, eerst in het tijdvak 1813-1850, dan in het tijdvak 1850-1870, moge de verklaring hiervan geven.

Van de denkbeelden over het arbeidersvraagstuk vóór 1850 kan slechts worden gezegd, dat zij .... niet bestonden. Men kende het arbeidersvraagstuk niet, omdat men de arbeidersklasse als zoodanig niet kende. Wij wezen er in het vorige hoofdstuk op, dat een ondernemersklasse nog niet bestond vóór 1870, daar de ondernemers nog geïncorporeerd waren in de ‘hoogere standen’. Die hoogere standen nu zagen tegenover zich slechts: de ‘armen’, zonder op te merken welk een heterogene massa zij daaronder begrepen. De arbeider werd eveneens onder de ‘armen’ gerekend, waaronder in ruimen zin zij werden verstaan, die in kommervolle, ‘armoedige’ omstandigheden verkeerden1). Met andere woorden: men zag den arbeider slechts als consument, niet als producent. Men nam waar, dat er een talrijke schare personen was die, hoewel valide, niet in hun onderhoud konden voorzien; maar men zag niet, dat in werkplaatsen en in fabrieken kinderen werden afgebeuld, volwassenen aan gevaren voor leven en gezondheid werden blootgesteld.

Uit het bovenstaande volgt, dat weliswaar voor de arbeidersklasse als zoodanig niets werd gedaan, doch dat men den individueelen werkman geenszins aan zijn lot overliet. De hooggeroemde Nederlandsche liefdadigheid, zij moge ietwat bigot van karakter zijn geweest2), zorgde voor weeshuizen, oudeliedengestichten, hofjes; voor spijsuitdeelingen gedurende den winter; voor aanvul-

[p. 194]

lenden onderstand in geld; voor giften en aalmoezen van allerlei slag. Belangstelling voor de armen was er eer te veel dan te weinig, getuige de omvangrijke litteratuur over onderwerpen als het domicilie van onderstand en de armenzorg door de overheid of door de diaconie, cumuleerend in de aan de Armenwet van 1854 voorafgaande jaren. Uit dien tijd dagteekent Vissering's rake opmerking, dat de armoede een rijke materie was1).

Wil men derhalve weten, met welk oog de beter gesitueerden de werklieden beschouwden, dan is het volkomen afdoende na te gaan, hoe in het algemeen werd gedacht over de armen, die grootere groep waarin de arbeiders schuil gingen. Een goede bron daarvoor zijn de jaarlijksche openbare verslagen der stadsarmenscholen te Amsterdam, die telken jare in Maart of April in de Luthersche kerk werden uitgebracht; de leerlingen, meest kinderen uit den werkmansstand, waren daarbij tegenwoordig2). Twee dingen zijn het, die in deze verslagen ten duidelijkste aan den dag komen: de gedachte, dat de ‘standen’ door God zijn gewild en dat den armen dus tevredenheid met hun lot past; en de vrees, dat de armen zich boven hun stand zullen verheffen. Het is merkwaardig, met hoeveel uitvoerige nadruk de verschillende sprekers de meening bestrijden, ‘dat de beschaving der min vermogende volksklassen door middel van het verbeterd onderwijs, nadeelig is voor de zedelijkheid en rust der maatschappij’3). Integendeel, het onderwijs kweekt juist ‘maatschappelijke deugden .... die de rust waarborgen, zoo als ondergeschiktheid, overtuiging van de noodzakelijkheid van orde, achting en liefde voor de hoogere standen’4). Den kinderen wordt op het hart gedrukt, dat het vermogen der rijken weldadig op het lot der armen terugwerkt en dat rijkdom veel moeite en zorg baart5). Eén wetenschap is het, die hun op de scholen wordt geleerd: ‘de wetenschap van hunne afhankelijkheid en dienstvaardigheid’6). Als op 28 Maart 1848 Mr. J.A. Jolles de toespraak houdt, vermaant hij zijn jeugdig gehoor: ‘Weest tevreden in den stand, waarin God U plaatste, met Uw

[p. 195]

bescheiden deel’. Er moet vlijtig worden gewerkt en geen onrust worden gemaakt die, naar elders is gebleken, op de welvaart der meergegoeden een slechten invloed heeft en indirect dus ook op de laagste volksklasse1).

De gedachte, dat de verschillen in stand, zooals ze op het moment bestonden, door Goddelijke wijsheid waren ingesteld2), had ten gevolge, dat de aandrang om het lot der lagere standen te verbeteren geremd werd door de vrees, de standsverschillen te verbreken. Van nieuwere opvattingen omtrent aard en oorsprong der standsverschillen3) was nog geen spoor te bekennen. Vandaar, dat zelfs in de 1861 opgerichte Amsterdamsche ambachtsschool niet ontkwam aan de grief, dat zij de jongens aan hun stand ontrukte4). Men gevoelde instinctief, dat de lagere klassen door geldbedeeling beter onder den duim werden gehouden dan door kosteloos onderwijs. Aan de achterlijke onderworpenheid, die wij reeds vroeger bij de arbeiders opmerkten, was het ruime bedeelingsstelsel zeker niet vreemd. Dat bedeelingsstelsel had nog een ander gevolg: dat er zoo iets als een loonvraagstuk niet bestond. Wie niet genoeg loon ontving, kon bij diaconie of armbestuur terecht; wat wilde men meer?

De veelal overmatig lange arbeidsduur, die in fabrieken en werkplaatsen gebruikelijk was, trok vóór 1850 de aandacht der tijdgenooten nog niet. Het vraagstuk van den kinderarbeid ging voor 't eerst omstreeks 1840 de geesten bezig houden, hoewel, zooals wij zullen zien, pas na het midden der eeuw van een werkelijke beweging ten gunste van beschermingsmaatregelen op dit punt kan worden gesproken. Men vond in die dagen den arbeidsdag niet gauw te lang. Als in 1841 B. en W. van Dordrecht rapport indienen omtrent een passementfabriek, waar 16 uur per dag wordt gewerkt (zonder de rusttijden 14 uur), en een pennenfabriek met een eveneens 16-urigen werkdag (zonder de rusttijden 13 uur), merken zij op ‘dat er voor de kinderen in die beide fabrieken eene betame-

[p. 196]

lijke tijd van rusten overblijft en alzoo voor derzelver gezondheid geen schadelijke gevolgen kan hebben’1). Als Willem de Clercq, de bekende letterkundige-improvisator, het vroeger2) vermelde Pesthuys op Feyenoord bezoekt; is hij bijna tot tranen geroerd als hij de kinderen daar zoo ordelijk ziet spinnen; bij het weggaan wenscht hij den exploitant Gods zegen op zijn onderneming toe3). Hoe in 1837 over den kinderarbeid werd gedacht, leert de merkwaardige correspondentie, die in dat jaar ontstond naar aanleiding van een adres aan den Koning van W.H. Warnsinck Bzn., tullefabrikant te Amsterdam4). De adressant vestigt daarin 's Konings aandacht op ‘de groote menigte van behoeftige kinderen, die, zonder werk en in ledigheid, de straten der Hoofdstad bedekt, en die men gelukkig mag noemen, wanneer zij zich niet aan losbandigheid of misdrijf schuldig maakt’. Het had in zijne bedoeling gelegen een groot aantal kinderen, die de school hadden verlaten, in zijne fabriek te werk te stellen, niet alleen om zijne onkosten laag te houden, maar ook - aldus zijne verzekering - met een zedelijk doel: ‘nijverheid bij de lagere volksklasse en de daaruit voortvloeijende vermindering der armoede’. Echter was de medewerking der armbesturen in dezen onvoldoende gebleken, weshalve Warnsinck den Koning verzocht, deze besturen een aansporing in de gewenschte richting te geven. Hoe het kwam, dat het animo om de kinderen naar deze ‘nieuwe bron van volksvlijt en welvaart’, zooals de eigenaar zijn inrichting betitelde, toe te zenden, ontbrak, onthullen B. en W. van Amsterdam in het advies, dat zij op 's Konings last uitbrachten5): de kinderen begonnen de somma van 10 cent per week te verdienen, terwijl het hoogst bereikbare weekloon ƒ3 bedroeg. Zij verklaarden zich dan ook niet van zins op de bedoelde stadsarmen in dit opzicht eenigen druk uit te oefenen; de eigenaar zorge liever, zijn fabriek voor de ouders meer ‘aannemelijk’ te maken.

Tot dusverre schijnt deze geheele geschiedenis weinig opmerkelijk. Men bedenke echter, dat de genoemde Warnsinck niet een willekeurig fabrikant was, die gaarne onder het mom van liefdadigheid goedkoope arbeidskrachten verwierf, maar een man, die

[p. 197]

niet van beschaving en van zedelijke idealen gespeend was: hij een der oprichters van het genootschap tot zedelijke verbetering der gevangenen1). Het is dus denkbaar, dat hij werkelijk in de edelaardigheid van zijn streven geloofde. Maar vooral is het treffend, dat noch Gedeputeerde Staten van Noord-Holland noch de Regeering met het afwijzende advies uit Amsterdam accoord gingen. De Gedeputeerden waren van oordeel, dat het toch wel gewenscht was ‘door adhortatoire middelen den man in zijne loffelijke pogingen .... te ondersteunen en daardoor tegelijk aan lediggang .... afbreuk te doen’2), en de Regeering beval ten slotte het Gemeentebestuur, de armbesturen tot medewerking aan te sporen3), waaraan het in een zeer mat gestelde circulaire schoorvoetend voldeed. Het verdient ten slotte opmerking, dat de verschillende diaconieën blijkens hunne antwoorden geenszins afkeerig van het voorstel waren, al wenschten zij om verschillende redenen niet over te gaan tot directen dwang op hunn gealimenteerden. Het Ned. Israëlietisch armbestuur liet de circulaire van B. en W. in de kerken afkondigen4), en de parnassijns der Portugeesch-Israëlietische gemeente achtten het een ‘genoegelijken pligt’ mede te deelen, dat zij 25 meisjes naar de tullefabriek hadden gezonden5). Kortom, uit de geheele zaak blijkt, dat in die dagen hij, die tegen absurd lage loonen kinderen fabrieksarbeid deed verrichten, als een weldoener der armen werd beschouwd en niet als een uitbuiter. Het was deze welvoldane standsopvatting, die belette, dat er voor het arbeiderskind iets werd gedaan, niet een doctrine van staatsonthouding. Dit laatste blijkt uit de antwoorden van de provinciale gouverneurs op de kinderarbeid-enquête van 1841. Al gaven de meesten te kennen, dat de misstanden nog niet ernstig waren, toch stonden zij het nemen van wettelijke maatregelen voor. Geen staatsopvatting, geen economisch leerstuk bleek hier een beletsel te zijn.

Slechts op één punt zagen de hoogere standen iets van de ellende, waaronder de arbeidersklasse als zoodanig gebukt ging; zij

[p. 198]

namen waar, dat door de invoering van machines tal van arbeiders broodeloos werden. In het ‘Magazijn voor het Armwezen’ ontstond in 1817 en volgende jaren een levendige discussie, die geopend werd met een artikel ‘over het gebruik der werktuigen in de Fabrijken’, waarin de schrijver het als een plicht der Regeering bleek te beschouwen, bestaansmiddelen te zoeken voor de arbeiders, die door de machine buiten werk waren geraakt1). Een andere inzender, van meening dat de machine alle werklieden tot ‘arme slaven’ maakte, achtte de gouvernementen zelfs geroepen ‘het gebruik dezer uitvindingen .... te matigen’ door een belasting erop te leggen, evenredig aan het aantal ontslagen arbeiders2). De zaak gaf de Hollandsche maatschappij van wetenschappen aanleiding, een prijsvraag uit te schrijven, die door den hoogleeraar H.W. Tydeman werd beantwoord3). Hij erkent, dat in de practijk in Nederland de invoering van machines met afdanking van het werkvolk gepaard is gegaan, maar acht overigens de nadeelen niet groot; het bezwaar van den geestdoodenden invloed rust meer op de arbeidsverdeeling dan op de machine, meent hij. Doch de overheid neme maatregelen, om de nadeelen van het overgangs tijdperk te verzachten: invoering van plaatselijke fondsen voor het afgedankte werkvolk; geleidelijke openstelling der grenzen voor buitenlandsche fabriekswaren, opdat deze niet plotseling de binnenlandsche markt overstroomen; werkverschaffing; emigratiebevordering naar het platteland4). Overigens dient te worden bedacht, dat de invoering van machines de industrie als instituut van armverzorging ongeschikt maakte, zoodat zelfs een breeddenkend man als De Clercq het handwerk bleef prefereeren5).

Er waren enkelen, die de gevolgen van de industrieele evolutie met breeder blik zagen. Willem van Hogendorp, de zoon van Gysbert Karel, wees in 1824 op den arbeider in de fabriekssteden ‘die nauwlijks meer genoeg verdient om zijn bekomst aan aardappelen te eten’, maar ook op het feit, dat de toenemende rijkdom-

[p. 199]

men in handen van weinigen bleven: zij ‘concentreeren zich meer en meer in de handen van al minder individus’1). Moeten wij hier onwillekeurig aan Marx denken, bij zijne beschouwingen over de machine hooren wij klanken, die op Simonde de Sismondi gelijken2). Willem's vriend Da Costa was evenmin blind voor de ‘ongelijke drukking van 't machtig raderwerk’ zooals hij dat in zijn tijdzang ‘Vijf en twintig jaren’ uitdrukte; ook hij zag de tegenstelling, eenerzijds de rijkdom, anderzijds

 
‘gemor bij d'arbeid die geen brood geeft, jokdierbanden
 
geworpen om den hals van vrijen, waar de wanden
 
van hitte blaakren dag en nacht, en eeuwge rook
 
desteden zwart verwt, en de ziel verstikt in smook’3).

Dit werd geschreven in 1840. Nederland was toen nog niet met het roet der fabrieksschoorsteenen overdekt, doch de beweging in die richting had reeds ingezet en werd door den dichter gezien. Uit denzelfden kring schreef, in 1848, Groen van Prinsterer over de vrije concurrentie en de wegneming der natuurlijke verhouding tusschen werkbaas en werkman, die ‘de maatschappelijke banden verscheurt, op de overmagt der bankiershuizen uitloopt, aan de handwerkslieden regelmatig onderhoud ontneemt, de zamenleving in twee vijandige heirlegers deelt....’4). Evenals Willem van Hogendorp en andere mannen van het Réveil, welke richting terecht de Nederlandsch-Protestantsche vorm van de Romantiek is genoemd5), liet hij zijn sympathie naar de lagere klassen uitgaan. Het Réveil immers had, uit hoofde van zijn maatschappijbeschouwing, meer oog voor de armen en misdeelden dan de heerschende geestesrichting, waartegen het een reactie was geweest. Anders dan de gewone optimistische leer, dat het kwaad slechts iets voorbijgaands, een onrijpheid was, hield het Réveil de maatschappij voor doodelijk ziek6). Opmerkelijk is echter, dat Da Costa geen

[p. 200]

middelen aangeeft, om het euvel te keeren. In zijn tijdzang 1648-1848 eischte hij ‘Toenaadring .... van arm en rijk, van standen en belangen’, doch niet meer. Ook de weinige anderen, die in deze dagen - wij bespreken nog steeds de periode vóór 1850 - iets van de ellende der arbeiders-producenten zagen1), onthouden zich van het aangeven van maatregelen ter verbetering. De meesten zagen die ellende echter niet. Niet Da Costa is representatief voor zijn tijd, maar Staring, die in zijn lied van het Stoomtuig wel veel pathos, maar weinig erbarmen voor de door de mechaniseering werkloos gemaakte arbeiders aan den dag legde2). ‘In dit gemis aan wat wij sociaal gevoel zouden noemen, is Staring een kind van zijn tijd’ zegt Kalff terecht3).

Men zie in het bovenstaande niet een, zelfs summier, overzicht van de sociale denkbeelden in Nederland in de eerste helft der 19e eeuw. Het was voor ons doel voldoende de oorzaken op te sporen, die, in een periode waarin de landsvaderlijke zorg de burgerij koesterend beschermde, iedere zorg voor de arbeidersklasse zoo geheel deden ontbreken. Onder die oorzaken bleken de heerschende standsopvattingen een belangrijke plaats in te nemen. Het lag buiten ons bestek, weder van die opvattingen de ontstaansgronden na te speuren.

 

***

 

In Nederland, waar in de eerste helft der 19e eeuw alles in trekschuit-tempo ging, is de liberale economie, zooals die door Adam Smith was gegrondvest, eerst laat doorgedrongen. Hogendorp was, óók in zijn staathuishoudkundige opvattingen, zijn tijd vooruit. Het eerste Nederlandsche leerboek verscheen eerst in 1850; het was dat van De Bruyn Kops. Meer nog dan door zijn leerboek wist Kops door zijn sedert 1851 verschijnend tijdschrift De Economist, dat ‘voor alle standen’ bedoeld was, de nieuwe denkbeelden ingang te doen vinden. Daar naast stond het van 1841 dateerende Tijdschrift voor Staathuishoudkunde en Statistiek, onder

[p. 201]

leiding van Mr. B.W.A.E. Sloet tot Oldhuis1). Sinds Kops de rij had geopend, nam de economische litteratuur snel toe; wij herinneren aan Vissering's Handboek van practische staathuishoudkunde (1860/1), aan de kleinere werken van Van Rees, Buys, Tellegen, aan de studiën van Mr. W.R. Boer over Bastiat, aan de vertalingen van belangrijke buitenlandsche auteurs. Op grond van dit alles kan worden gezegd, dat van een bepaalde economische school of richting, van een positieven invloed ook der economische leerstellingen, eerst na 1850 kan worden gesproken. Het gevolg was, dat de wetenschap, zooals zij hier te lande veld won, hoewel ook hier eenzijdig en apologetisch, vrij is gebleven van die excessen, welke zij elders in haar jonge jaren had te zien gegeven en die Carlyle aanleiding waren geweest tot het uitspreken van zijn bekenden banvloek: a dismal science. Gaan wij na, welke opvattingen de genoemde economen ten aanzien van de arbeiders huldigden.

De theorie omtrent het arbeidsloon is bij de liberale school kort gezegd deze, dat de arbeid een koopwaar is, die door den arbeider bij gedeelten wordt verkocht. De prijs dier koopwaar wordt door vraag en aanbod bepaald. De Bruyn Kops, die natuurlijk deze leer eveneens huldigt, geeft echter toe, dat de meester in deze ruilverhouding in voordeeliger positie verkeert: hij kan wachten, de arbeider niet; ook constateert hij, dat bij vrije concurrentie het loon zal dalen tot wat een ongehuwd arbeider behoeft2). De overheid kan hier niets aan veranderen, evenmin aan den duur van den werktijd. Bij den kinderarbeid is het echter anders gesteld; hier heeft de vrijheid noodlottige bezwaren: het onderwijs wordt verzuimd, de zedelijkheid loopt gevaar3).

Bij Vissering is eveneens de liberale theorie vrij van vele dier elementen, die haar elders de qualificatie van patroonswetenschap bezorgden. In het algemeen onthoude de overheid zich, aldus Vissering, van regeling der werkloonen of der werkuren, omdat patroons en arbeiders geacht kunnen worden voldoende hunne belangen te kunnen waarnemen. Doch bij de kinderen, die in fabrieken en werkplaatsen arbeiden, is dit niet het geval; hier zal de

[p. 202]

overheid b.v. den werktijd moeten reglementeeren en tot schoolbezoek moeten verplichten1). Vissering gaat in zooverre nog verder dan Kops, dat hij een open oog blijkt te hebben voor de nadeelen van het ‘groote fabriekswezen’: opeenhooping van personen uit de laagste volksklasse in de steden, overspannen arbeid door vrouwen en kinderen, schade aan de gezondheid, schade voor de zedelijkheid2).

Uit het bovenstaande blijkt, dat de geconstateerde incongruentie: het opklinken van den roep om bescherming van het fabriekskind tegelijk met het doordringen van de liberale staathuishoudkunde, bij nadere beschouwing is verdwenen. Men heeft niet het oor geleend aan mannen als Bastiat, voor wien de bestaande ellende slechts een bewijs was van de nog niet ten volle bestaande vrijheid, doch heeft de noodzaak van beschermingsmaatregelen erkend3).

Ook de loontheorie heeft ten onzent nimmer de scherpe kanten vertoond, die zij in Engeland wel te zien had gegeven. Daar vond een tijd lang de loonfondstheorie ingang, volgens welke het loon niets anders was dan het quotiënt van het voor loon beschikbare fonds en het aantal arbeiders, en dus alle actie van werknemerszijde tot onvruchtbaarheid was gedoemd. In Nederland heeft deze leer nimmer aanhangers gehad. Men stelde eenvoudig vast, dat vraag en aanbod het loon bepaalden, en rekende met Sloet tot Oldhuis, ‘elke regeling van de dagloonen door het openbaar gezag tot de gevaarlijke hersenschimmen’4). De theoretische onmogelijkheid van loonsverhooging door pressie op de patroons is hier nimmer gedoceerd; Kops en Vissering zwijgen erover, maar Van Rees noemt onder de factoren, die bij de vraag naar en het aanbod van arbeidskracht een rol spelen, de machtsposities van de eene partij tegenover de andere5). Dat het arbeidsloon niet werd beschouwd als een resultante van natuurkrachten,

[p. 203]

waarbij menschenoordeel niets vermag, blijkt ook uit de vele discussie over de vraag, of hooge dan wel lage loonen verkieselijk zijn. In het algemeen waren de economen voor hooge loonen geporteerd. Vissering1) zoowel als Sloet2) en Buys3) betoogen, dat hoog loon de arbeidsprestatie ten goede komt, en ook Thorbecke is doordrongen van de ‘economy of high wages’4). Buys ziet bovendien als voordeelen van behoorlijk loon, dat de spaarzaamheid wordt bevorderd en dat de vraag naar allerlei goederen zal toenemen; voorts - men kon in die dagen openhartig zijn - meer rust en veiligheid.

Wilden dus de patroons de loonen laag houden, dan hadden zij aan de staathuishoudkunde weinig steun. Beter konden zij zich erop beroepen, dat de arbeider het meer verdiende geld slechts in sterken drank zou omzetten5); ook spraken zij wel de vrees uit, dat loonsverhooging tot prijsverhooging zou aanleiding geven en dus den werkman toch niet zou baten6). Een brief als in 1827 die van Paul van Vlissingen, directeur van de Amsterdamsche fabriek van stoom- en andere werktuigen, waarin hij ‘redelijke dagloonen .... bevorderlijk tot de welvaart der werklieden’ verklaart, en bij het stadsbestuur aandringt om maatregelen te nemen tegen de ongezondheid van het eiland Kattenburg, opdat ‘onze natuurgenooten eene gelijke gezondheid met ons zullen mogen genieten’ is uniek7). Andere fabrikanten uit dien tijd klagen wel somtijds over de hooge loonen, die de mededinging bemoeilijken; dat echter een meer welvarende arbeidersklasse beter werk zou presteeren, kwam bij niemand in de gedachte. Trouwens, reeds in den tijd van Pieter de la Court heerschte de gedachte, dat het volk slechts werkt omdat en zoolang als het arm is8).

Een enkel woord over de toenmaals heerschende staatsopvatting, die voor ons onderwerp in zooverre van belang is, dat zij het streven naar wettelijk ingrijpen zou kunnen hebben bevorderd of

[p. 204]

gedwarsboomd. In de regeeringsjaren van Willem I bekreunde men zich om wezen en doel van den staat niet. De Koning deed eenvoudig, wat noodig en nuttig scheen en niemand dacht er aan, zijn theoretische bevoegdheid daartoe te betwisten. Als nadien het liberalisme opkomt, dat in 1848 de teugels in handen neemt, wordt dit anders. De liberalen hadden een zeer wel omlijnde staatsidee: het doel van de regeering en de wetten is slechts ‘de hinderpalen weg te nemen, welke de vrije ontwikkeling in haren loop konde ontmoeten’1). De staat heeft slechts te zorgen voor veiligheid van personen en goederen; zij mag, om de welvaart der burgers te bevorderen, rechtszekerheid geven, onderwijs verstrekken, het munt-, maten- en gewichtsstelsel regelen, communicatiemiddelen als vaarten, wegen en ook posterijen verzorgen, maar op alle andere punten is de tusschenkomst van de overheid ‘niet zelden zeer nadeelig geweest’2). Wederom rijst de vraag, hoe deze opvatting te rijmen is met den roep om bescherming van het fabriekskind. Het antwoord moet luiden, dat de staatstheorie evenzeer als de economische theorie zich van extremen heeft weten te vrijwaren. In de litteratuur over het armwezen uit de jaren vóór 1854 komt dit duidelijk aan den dag. Zeker, er was een partij, die alle staatsarmenzorg uit den booze achtte, die met Alstorphius Grevelink van inzicht was, dat de armoede slechts het gevolg was van een nog niet volledig doorgevoerd laisser-faire3); doch zij vormde eene minderheid. De meeste liberale economen erkenden het als taak van de overheid om aan de armen, die geen steun van kerk of particulieren konden krijgen, het voor levensonderhoud strikt noodzakelijke uit te reiken, hetzij met De Bruyn Kops deze hulp als overgangsmaatregel aanvaardend4), hetzij van oordeel, dat de armoede een historisch-permanent maatschappijverschijnsel was5). De brug tusschen staatsonthoudingsleer en staatsarmenzorg werd aldus geslagen, dat rust en veiligheid verzorging der armen noodig maakten6).

[p. 205]

Van deze houding tegenover de ‘armen’ kwam men gemakkelijk tot de stelling, dat het (arme) fabriekskind moest worden beschermd. Al waren sommigen nog huiverig voor dit ingrijpen van de overheid - zeide niet Thorbecke nog in 1871: ‘zoolang niet beslist is of de sociale kracht in staat zij te voorzien, mag de wetgever niet opkomen voor eene taak, die eigenlijk de zijne niet is’?1) - toen het in 1874 op stemming over Van Houten's initiatief-voorstel aankwam, stemden de liberalen er vóór. Het moge waar zijn, dat de strekking van dit voorstel individualistisch van karakter was en geenszins de eerste schrede was op den weg naar regeling van den arbeid door den wetgever2), toch moet deze liberale concessie als symptoom worden beschouwd van eene nieuwe opvatting omtrent staat en maatschappij. Waar Van Houten in zijne memorie van antwoord te kennen gaf, dat hij beoogde, ‘eene verkeerde rigting van het oekonomische leven te bestrijden en de schaduwzijden van het stelsel van vrije mededinging te temperen’ ging hij verder dan met zuiver liberale opvatting overeen kwam. De nieuwe richting kondigt zich hier al aan, die wat later haar welsprekende uitdrukking zou vinden in Kappeyne's woorden3), gesproken bij de beraadslagingen over de staatsbegrooting voor 1875: ‘Als wij vijf en twintig jaren terugblikken, dan zien wij dat de algemeene opvatting deze was, dat de Staat niets anders is dan eene groote politiemagt, die slechts te zorgen had voor de veiligheid van de personen en goederen .... Maar die redeneering gaat niet meer op. Onze moderne levensbeschouwing leert ons inzien, dat die oude opvatting der natuurlijke vrijheid een klank zonder inhoud is .... dat de Staat van zijne ingezetenen kan vergen al wat tot zelfbehoud der vereeniging noodzakelijk is, maar dat hij ook aan hen alles moet verschaffen wat vereischt wordt om hun het volle genot der beschaving te verzekeren’.

Wij hebben in het voorafgaande alleen gesproken over de liberalen; met voordacht. Immers het was niet onze bedoeling na te gaan, door welke partijgroepeering Van Houten's wetsontwerp, hoe verminkt ook, het Staatsblad wist te bereiken; wij verlangden alleen te onderzoeken, hoe de staats- en maatschappijopvatting, die in den lande overheerschend was, tot wettelijke bescherming

[p. 206]

van het fabriekskind wist te komen. Dat mannen als Wintgens en andere conservatieven, die nog een goede herinnering hadden bewaard aan de staatsvoogdij van vóór 1850, tegen Van Houten's voorstel geen bezwaar maakten, behoeft geen betoog.

Ofschoon dus het liberalisme zich niet alleen tegen wetshulp aan jeugdige arbeiders niet verzette, doch ook er met eenige aarzelende voorzichtigheid voor pleitte, is het na 1850 steeds luider sprekende inzicht, dat aan de uitbuiting van het fabriekskind paal en perk moest worden gesteld, hiermede nog geenszins verklaard; evenmin de belangstelling, die in het algemeen na het midden der eeuw zich voor het welzijn der arbeidende klasse openbaart. Andere factoren werkten hier mede.

Vooreerst begon men de arbeiders te zien als een afzonderlijke klasse, die eigen problemen opleverde. Niet langer rekende men, zooals vóór dien, de arbeiders eenvoudig tot de armen. De in dezelfde jaren opkomende liberale staathuishoudkunde droeg belangrijk tot dit inzicht bij. Zij toch moest, bij systematische bestudeering van het productiestelsel, vanzelf tot de groot schare komen, die in loondienst aan de productie medewerkte; vanzelf stuitte zij op het loonvraagstuk, op het vraagstuk der inkomensverdeeling. Zij leerde de armoede kennen als een geheel afzonderlijk verschijnsel, dat eigen vraagstelling en eigen remedie met zich bracht. Echter niet alleen door deze gezuiverde probleemstelling was het, dat deze nieuwe wetenschap de belangstelling in de arbeidersklasse wist te wekken. Aan den eenen kant afkeerig van overheidsingrijpen in de vrije ruilverhoudingen, drong zij anderzijds met nadruk op opvoeding en onderwijs aan. Van de vrees, die een vorig geslacht had gekweld dat ‘verlichting’ van de lagere klassen de standsverschillen zou uitwisschen, is bij geen liberaal econoom iets te bespeuren. Onverdachte liberalen als De Bruyn Kops, Tellegen e.a. betoogen, dat niets méér kan bijdragen tot verbetering van het lot der werklieden dan: onderwijs1), en een man als Mr. W. de Sitter, die van oordeel was, dat in de ellendigen hygienischen toestand en de korte gemiddelde levensduur van den arbeider geen verbetering zou intreden, zoolang het laisser-faire niet was doorgevoerd, spreekt - in hetzelfde artikel! - als zijne meening uit, dat leerplicht nood-

[p. 207]

zakelijk is1). Sproot deze roep om onderwijs inzonderheid voort uit het streven, de voortbrengende kracht van de natie te verhoogen, het meer directe eigenbelang van de hoogere standen speelde hier ook een rol. Zie b.v. de argumenten, waarmede Sloet tot Oldhuis2) zijn pleidooi voor meer beschaving van de arbeiders wil versterken: ‘zij zijn onze natuurgenooten, en de honigbijen in de maatschappij die den honig vergaderen’. Zeer schoon, doch onmiddellijk daarna: ‘Geen rentenier zou de coupons van zijne effecten betaald krijgen, als niet duizende werklieden bij verschillende volken onophoudelijk bezig waren, om door het scheppen van rijkdom in de interesten van de staatsschulden te voorzien’. Verhef den arbeider, opdat de couponschaar blijve knippen - mogen wij in de openhartige uiting van dit wachtwoord niet de erkenning zien, dat deze opvatting algemeen gebruikelijk was?

Niet alleen langs den weg der liberale economie kwamen de hoogere klassen tot inzicht in en belangstelling voor het arbeidersvraagstuk. Met de opkomende industrieële ontwikkeling ging men in fabrikantenkringen begrijpen, dat een beter gevoede, beter onderlegde en minder afgebeulde arbeidersklasse ook een ondernemersbelang was. In het tijdschrift van de Maatschappij van nijverheid en in de verslagen van de Vereeniging ter bevordering van fabriek- en handwerksnijverheid komt na het midden der eeuw eenige aandacht voor de arbeiders en speciaal het arbeiderskind tot uiting. Fabrikanten, kamers van koophandel e.d. gaan zich met rekesten tot de landsregeering wenden. De onbetwiste leiding had hier de Leidsche textielondernemer Mr. Samuel Le Poole, die sedert 1859 talrijke artikelen in de Economist schreef, en niet alleen over den kinderarbeid. Door zijne reizen in Engeland was hij tot het inzicht gekomen, dat een al te lange werktijd voor den ondernemer geen voordeel opleverde, omdat de mensch nu eenmaal geen machine is en dus vermoeid wordt3); dat de patroons ook reeds uit eigenbelang voor de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling hunner ondergeschikten moeten zorgen, omdat dit de arbeidsprestatie ten goede zal komen4); dat een arbeidersonge-

[p. 208]

vallenverzekering wenschelijk is1). Hij wenscht, dat de wetgever zijn beschermende hand over de fabriekskinderen zal uitstrekken tot hun 18-jarigen leeftijd2). Men beschouwe al deze uitingen niet als louter door eigenbelang ingegeven. Wij moeten in Le Poole wel degelijk den voorlooper zien van den sociaal voelenden fabrikant, zooals die omstreeks 1870 in Nederlands economisch leven zijn intree doet. Men denke hier aan mannen als Stork en Van Marken. Wat Stork in 1874 in zijn dagboek schrijft ‘Als wij geld genoeg hebben, moeten wij nog wat meer voor de opvoeding der arbeiders doen. Geen mooier en dankbaarder taak dan deze’3), dan is dit een nieuwe klank, die te voren in Nederland nimmer was vernomen. Ook Van Marken, die in 1874 in zijn fabriek het premiestelsel invoerde4) en het stelsel der fabriekskernen in ons land introduceerde5), was een werkgever, die ten deze in ons land geen voorganger bezat.

Naast de staathuishoudkundigen en de werkgevers was er een derde groep, waarin, al weder sedert omstreeks 1850, belangstelling in het lot der arbeiders aan den dag komt: de medici. De natuurwetenschap, die hoog in aanzien stond en veel invloed had, vestigde de aandacht op de stoffelijke invloeden, die de gezondheid der menschen kunnen benadeelen; zij ging behoorlijke waterverversching en rioleering eischen6) en ging letten op den schadelijken invloed van sommige fabrieken op de gezondheid7). Langs dien weg kwam men er toe - de cholera-epidemieën versterkten deze tendens in niet geringe mate - den hygiënischen kant van het woningvraagstuk te onderzoeken8); wij beschreven in hoofdstuk III reeds, hoe na 1850 de woningbouwvereenigingen voor arbeiders tot stand kwamen. In tijdschriften als De Economist en de Schat der Gezondheid, in het Staatkundig en Staathuishoudkundig Jaarboekje, worden statistische gegevens opgenomen omtrent den gezondheidstoestand van verschillende stadsbevol-

[p. 209]

kingen. De artikelen, door Van Hengel eenige jaren achtereen over den gezondheidstoestand te Hilversum gepubliceerd in de Schat der Gezondheid, doen zien hoe de medische statistiek als van zelf tot een bespreking van den gezondheidstoestand der arbeidende bevolking leidde.

Is van de schoone litteratuur ook een invloed ten gunste van de arbeidende klasse uitgegaan? Hoewel het dikwijls moeilijk is te meten, op geestelijk gebied, waar de grens ligt tusschen oorzaak en gevolg, kan hier met zekerheid worden verklaard, dat de Nederlandsche dichters en prozaïsten niets hebben bijgedragen tot de belangstelling in het arbeidersvraagstuk, die met de tweede helft der 19e eeuw haar intree deed. Bij de mannen, die bezield waren van den ‘Kopiëerlust des dagelijkschen levens’, en dus het leven wilden weergeven ‘in zijn uitwendigheid en zijn innerlijk, zijn licht en schaduw, den rijkdom van zijne tegenstellingen en détails’1), bleef de arbeidersklasse nog buiten het gezichtsveld. Beets stelt zijne Camera obscura op dit deel van de maatschappij niet in; in 1867 vraagt hij zich, in zijn gedicht ‘Wat wil men toch?’ verwonderd af, wat er voor het Nederlandsche volk eigenlijk nog te wenschen overblijft, en stempelt hij de pogingen der ontevredenen, die nog iets willen verbeteren, tot ‘bedilzucht die met buskruit speelt’2). Hasebroek liet het bij een lief schetsje uit 1840 van een Zeeuwsch arbeider3), die alle dagen een lekker gastmaal heeft: ‘aardappelen door eigen hand geteeld, overgoten met een saus die honger heet’ en een groot feest: ‘rust na arbeid’. De Rotterdamsche zakkendrager, die later door hem wordt beschreven, is al evenzeer blij te moê, want ‘hoe zwaarder last op de schouders, des te lichter last op 't hart’.

Het sterkst klinkt in dezen kring de sociale toon bij Van Koetsveld. Hij ging een tijdlang onder polderjongens leven om hun levenswijze te leeren kennen. Hij mist de optimistische maatschappijbeschouwing, die de meesten zijner tijdgenooten kenmerkt4), getuige de passage, waarin hij de samenleving fraaielijk vergelijkt

[p. 210]

met een vrouw, ‘bij wie door de scheuren van 't satijnen kleed henen, het vuil en rafelig ondergoed zich verraadt’1). Blijkens zijne novellen is het de armoede, die deze vlek op de menschen-maatschappij werpt. Door prediking en bekeering kan, meent hij, hierin verbetering worden gebracht, want de ‘standen’ op zichzelf zijn niet een onrecht, doch eene noodzakelijkheid2). Karakteristiek is in dit verband de teekening, die hij in zijn bundel ‘Ideaal en werkelijkheid’ van een idealen fabrikant geeft: deze beschouwt zijne werklieden als zijne kinderen en houdt Zondags in de eetzaal van de fabriek godsdienstoefening3). Dat Van Koetsveld wel iets verder ging dan de meeste zijner tijdgenooten, blijkt uit zijne preeken over de Internationale en de Commune, in 1872 gehouden. Hij spreekt daarin van de ‘waarlijk edele figuur van Karl Marx’ en acht de Internationale ‘altijd een grootsch en geniaal denkbeeld’, al is natuurlijk zijn hoofdbezwaar, dat de nieuwe beweging niet in godsdienstig-zedelijken bodem wortelt. Hij erkent zelfs, dat het socialisme eenige bruikbare denkbeelden in praktijk heeft gebracht: winstdeeling, winkelcoöperatie e.d.4). Doch het is duidelijk, dat hij, die in zedelijke verheffing alle heil zag, niet tot ingrijpen kon aansporen. De krachtige interventionistische stoot, die van Dickens' romans uitging, moest daardoor bij Van Koetsveld uitblijven.

Potgieter, de behoefte aan een sociale romankunst gevoelend, eischte van de litteratuur een ‘zich verdiepen in de ellende van 't volk’5). Doch om zelf dien eisch te verwezenlijken miste hij het orgaan; in dat opzicht stond de predikant Van Koetsveld dichter bij de werkelijkheid dan hij, de beursman. Van de ontstane klove tusschen arbeiders- en burgerklasse bespeurde hij niets6). Als hij in 1861 op Twikkel zijn gedicht ‘Aan Twenthe’7) schrijft, blijkt hij voor de arbeiders en hunne problemen weinig oog te hebben. Wel pleit hij voor ontwikkeling der arbeiders, wel voor licht en lucht in de fabrieken, maar hoofdzaak is voor hem - begrijpelijk bij den man, die zoozeer den jansaliegeest van zijn tijd had be-

[p. 211]

jammerd - de energie en de ondernemingszin, die uit het groote fabriekswezen hier aan den dag komt:

 
‘Zoo waag, wat dolle drift er raas,
 
U in 't gesis, gegons, geblaas,
 
Waarvan de koenste zou ontzetten,
 
Bleek, bij den fakkel van 't genie,
 
Die bajert niet beheerscht door wetten ....
 
O helsche, o heerlijke industrie!’

Wat de overige litteratuur uit deze jaren betreft, deze is in het algemeen blijven staan op het oude standpunt van vóór 1850. Zij kent alleen: armen. Zij kent zelfs de armoede als maatschappelijk vraagstuk niet, doch ziet alleen: behoeftige personen. De omstandigheid, dat de predikanten in de schoone letteren de boventoon voerden, verklaart hier veel. Immers de taak van den predikant is juist: individueelen nood lenigen, opbeuren uit ellende, opwekken tot steunverleening; hij komt in de krotten, niet in de werkplaatsen. De litteratuur doet dan ook minder een beroep op het hart dan op de beurs der rijken; nog veel minder op de macht van den wetgever. Zoo ontstond de eigenaardige liefdadigheidspoëzie, waarvan, naar Huet1) aantoonde, Tollens de meest karakteristieke vertegenwoordiger is (denk aan zijn ‘Bedelbrief in den langen winter van 1844 en '45’). Geen beter kijk op de mentaliteit van dit geslacht dan door het gedicht van Bernard ter Haar op de winterpels, die hij van zijne vrouw ten geschenke kreeg (1858)2). Hij trekt die pels aan, en:

 
‘Komt mij thans op 's Heeren wegen
 
Soms een arme stumperd tegen,
 
Tandenklapp'rend van de kou:
 
Wee mij, zoo ik niets aan de armen,
 
Om zich ook den rug te warmen,
 
Licht bewogen tot erbarmen,
 
Met dien pels aan, geven zou!’

Men gevoelt, hoe mijlen ver deze zelfgenoegzame aalmoesgeverij af staat van het streven, de afbeuling van kinderen en volwasse-

[p. 212]

nen in fabrieken door doelmatige bepalingen tegen te gaan, en door verschaffing van goede woningen en goed onderwijs de positie der arbeiders te verbeteren1). Ook in ander opzicht is Ter Haar karakteristiek voor zijn tijd: in zijn houding tegenover het socialisme en communisme. Hij betuigt natuurlijk zijn afgrijzen voor de nieuwe beweging, die het ‘Babel der gelijkheid’ wil stichten, en vraagt zich vol bekommernis af, of de tweede helft der 19e eeuw ‘een krans van goudenregen’ dan wel ‘de pestdoos van Pandoor’ zal blijken mede te voeren; maar den ondergrond van deze bewegingen, en daar gaat het om, doorschouwde hij niet. Alles is ‘zinloos wraakgeschreeuw’, meer niet, meent hij. Wederom blijkt hier - wij citeerden uit zijn gedicht van 1850 ‘Het Communisme onzer dagen’2) - dat de interventionistische wind niet uit dezen hoek woei.

De eerste en de eenige in onze periode, die gepoogd heeft om door letterkundig werk de maatschappelijke verhoudingen te beinvloeden, is Jacobus Jan Cremer geweest. Niet om zijn reeds vroeger geciteerd werkje ‘Fabriekskinderen’ van 1863, nog minder om zijn ‘Openbare brief aan Z.Ex. den minister van binnenlandsche zaken’ uit 1870. Immers de bedoeling van deze werken was rechtstreeksche invloeduitoefening; het waren pleitredes, zij het in litterairen vorm, geen kunstwerken met tendens3). Het was met zijn roman ‘Hanne de Freule’ (1873), dat Cremer den socialen roman, die de verhouding tusschen ondernemers en patroons beschreef, in ons land introduceerde. Men merke allereerst op: twee decennia nadat de beweging ten gunste van de arbeiders had ingezet. De sociale romankunst heeft die beweging dus niet mee veroorzaakt. Trouwens, wat bepleit Cremer in dezen roman? Hoogstens slechts dit, dat de ondernemers hart voor hunne werklieden moeten hebben. Tegenover den harteloozen fabrikant Degen, voorzien van een tooneelmatige schurkachtigheid, stelt hij diens compagnon Bronsberg, die, als hij de macht alleen heeft gekregen, onmiddellijk winstdeeling invoert, een school en een spaarbank opricht enz.; ten slotte komt een dijkbreuk, die de katoenfabriek verwoest, Bronsberg's plan om in het oude gebouw verbeteringen

[p. 213]

aan te brengen verhaasten. Van de ellende der arbeiders, die loonsverhooging verlangen, hooren wij soms iets, maar wij zien er niets van. Kinderarbeid, arbeid in ongezonde fabriekslokalen, schijnt bekend te zijn, maar wordt ons niet getoond. Naar zijn inhoud was dus deze roman weinig geschikt om bij het Nederlandsche volk het besef te wekken dat een breede volkslaag, die onderdrukt werd, bescherming behoefde; veeleer kon Cremer's boek aanleiding geven tot de opmerking, dat in de praktijk de meeste patroons wel minder bruut en gemeen zouden zijn dan Degen1).

Hoe weinig Cremer gepraedisponeerd was, de Dickens van Nederland te worden, toont zijn zonderlinge ‘Brief van Jan Stukadoor’. De metselaar, dien hij daarin ten tooneele voert, waarschuwt in zijn ‘brief’ zijne kameraden tegen de Internationale, die absolute gelijkheid wil, met argumenten als: dan zouden de bestaande steden eerst moeten worden afgebroken, en ieder zou vervolgens van de afbraak zijn eigen huisje moeten opbouwen; graaf X zou dus, stel je voor, ook aan 't steenenbikken moeten gaan.... ‘Nee jongens, de standen .... dat zit hem in de verscheidenheid van hersens en het maaksel van de menschen’2). Men vergelijke hiermede nog eens de boven beschreven houding van Van Koetsveld tegenover de Internationale.

En Multatuli? Hij heeft met scherpe oogen den gedrukten toestand der lagere volksklassen gezien; hij sprak zijn ceterum ce[illis.]seo uit: ‘dat de ellende des volks moet worden uitgeroeid’3). Hij betoogde, dat de Nederlandsche werkman onvoldoende was gevoed - men denke aan het budget van den Amsterdamschen zaagmolenknecht - en dat drie vierden van Amsterdams bevolking slechter was gehuisvest dan een rechtgeaarde Noordhollandsche koe zou verdragen4). De slaven in de koloniën hebben het, meent hij, beter dan onze werklieden ‘De werkman in onze maatschappij is slaaf. Z'n maag levert hem gebonden over aan ieder die hem 'n

[p. 214]

maal aardappelen met azijn betaalt. Hij is slaaf, minus 't regt op onderstand, minus registratiekosten, minus gezegelden koopbrief, minus rente en risico’1). Een regeering zooals de Nederlandsche, die op dit alles geen acht sloeg, stond gelijk met een spoorwegmaatschappij, die ijverig conducteurs benoemde maar geen treinen liet loopen2). Doch wat de regeering in concreto zou moeten verrichten, gaf hij niet aan. Tot een Carlyle voor Nederland is hij niet kunnen worden3).

 

***

 

Wij hebben in het bovenstaande met algemeene omtrekken weergegeven, welke denkbeelden omtrent de arbeidende klasse in onze periode werden gehuldigd, en speciaal nagegaan, uit welke bronnen omstreeks het midden der eeuw de belangstelling in den toestand der werklieden opwelde. Thans zou het dus onze taak zijn, de concrete uitingen van die belangstelling te beschrijven. De jaren tusschen 1850 en 1870 kenmerken zich echter door een wijziging in de economische verhoudingen, een wijziging ook van denkbeelden in het algemeen, die te voren een bespreking verdient. Zij zal in het volgende hoofdstuk een plaats vinden.

1)Dat deze opvatting niet tot Nederland beperkt was, leert het artikel van P. Mombert in Grünberg's Archiv, Dl. IX. Voor Engeland denke men aan het bekende werk van Eden ‘The state of the poor’ (1797).
2)Lees b.v. de dithyrambe van Jo. de Vries (Tijdgenoot 1844, kol. 430): ‘Noem mij eene uitspanning die den dorst naar volmaking en verheffing tot hemelsche bestemming zoo zeer voldoet, als die van het bieden van lafenis aan den behoeftige, die op het krankbed zucht; het schaften van arbeid aan den wel willenden, maar nooddruftigen natuurgenoot....’ enz.
1)Gids 1852, II, p. 318.
2)De verslagen van de jaren 1822 tot 1857 zijn aanwezig op het A'damsche Gemeentearchief; verschillende jaren ontbreken.
3)Mr. W.D. Cramer in zijn verslag over 1825, p. 6.
4)Ibid., p. 14.
5)Mr. Jeronimo de Vries in verslag over 1831, p. 8.
6)Ibid., p. 12/3.
1)Verslag over 1847, p. 40.
2)Zij was zeer algemeen verbreid; cf. nog: Tijdgenoot 1842, kol. 173; Tijdschr. v.h. Armwezen I (1852), p. 94; Da Costa in zijn gedicht ‘1648 en 1848’: ‘God wilde 't onderscheid van gaven, rijkdom, rangen’; Van Koetsveld in ‘De schoone onbekende’ (Godsd. en zedel. novellen III). Dat die gedachte van Middeleeuwschen oorsprong is, kan blijken uit W.J. Ashley, English economic history and theory, II (1893), p. 389-390.
3)Hierover H. Cunow in Jahrbuch für Soziologie II (1926), p. 338 sqq.
4)S.S.J. 1872, p. 293.
1)E.H.J., VIII, p. 170.
2)p. 78.
3)W. de Clercq, Dagboek (z.j.), p. 54-55.
4)Afschrift in G.A.A., Armwezen 1837, no. 1398.
5)Ibid.
1)Cf. J.F. van Bemmelen, Van zedelijke verbetering tot reclasseering (1923), p. 7 sqq.
2)Armwezen 1838, no. 247.
3)Id. no. 433.
4)Id. no. 1994.
5)Id. no. 2043. Zie voor de andere antwoorden nrs. 1925, 1939, 1952, 1982, 1989, 2008, 2009, 2062 en 2111.
1)Magazijn, Dl. I (1817), p. 177.
2)Id. IV, p. 217, 237, 260. Cf. Sneller in Bijdr. Vad. gesch. 6e R. III, p. 160.
3)Het bekroonde antwoord is te vinden in: Natuurk. Verhand. van de Holl. Mij. der wetenschappen te Haarlem, X, 1e stuk (1820) onder den titel ‘Verhandelingen over het gebruik van werktuigen in de fabrieken’.
4)L.c., p. 47, 56, 112 sqq. Een pleidooi tegen de machines bij F. von Sorge, Over den invloed der machines op de welvaart der volken, 1842 (Knuttel, Cat. pamfl., no. 27930).
5)Mansvelt, l.c. II, p. 97, 237/8.
1)W.v.H. aan zijn vader, 30 Dec. 1824 (Colenbrander, Gedenkst. VIII, 2e stuk, p.317).
2)Z.W. Sneller, Economische en sociale denkbeelden in Nederland in den aanvang der 19e eeuw, 1814-1830 (1922), p. 19.
3)Deze bekende passage o.a. geciteerd door C.G.N. de Vooys, De sociale roman en de sociale novelle in 't midden van de 19e eeuw (1912), p. 44 noot 6.
4)Geciteerd door R. Fruin, Verspr. Geschr. X, p. 216.
5)Henr. Roland Holst, l.c. p. 145. Ook reeds door A. Pierson. Oudere tijdgenooten (1888), p. 189.
6)Cf. Pierson, l.c., p. 48/9.
1)D.J. van Lennep, die in Vaderl. Letteroeffeningen 1817, Mengelwerk, p. 58 sqq. de Leidsche wevers beschreef in hun eentonig bestaan; G. Wttewaal in zijn Bijdragen tot de Staatshuishoudkunde en Statistiek (1836), p. 114 sqq. ‘over het nadeelige van het werken van kinderen en getrouwde vrouwen in de Fabryken’. Zie ook nog: Brieven en dagboek van den Utrechtschen vrijwilligen jager Pieter Jacob Costerus (ed. De Boeren Costerus, 1917), p. 144/5.
2)Sneller, l.c., p. 14.
3)L.c., p. 35.
1)De in 1836 door Mr. G. Wttewaall opgerichte ‘Bijdragen tot de Staatshuishoudkunde en statistiek’ zijn door het overlijden van den redacteur in 1838 gestaakt.
2)J.L. de Bruyn Kops, Beginselen van Staathuishoudkunde (1e druk 1850), p. 239/40.
3)Ibid., p. 242 noot.
1)S. Vissering, Handboek van practische staathuishoudkunde (1e druk 1860/1), p. 115.
2)L.c., p. 111. De kritiek van Marx (Das Kapital I, p. 443 in de Volksausg. van Kautzky) op dezen passus is niet geheel billijk
3)Men vergelijke J.S. Mill, Principles of political economy II (1848), p. 524/6.
4)Tijdschrift Dl. XI (1855), p. 18. Vandaar, dat het Amsterdamsche gemeentebestuur, toen in 1872 om vaststelling van minimumloonen in de besteksbepalingen werd gevraagd, het verzoek afwees onder opmerking, dat het loon door vraag en aanbod werd bepaald. (G.A.A., P.W. 1872, no. 4759).
5)O. van Rees, Overzigt der staathuishoudkunde (1861), p. 37.
1)Handboek, p. 402, 411.
2)Tijdschr. XI, p. 258 sqq.
3)Over arbeidsloonen (Economist 1853, p. 374/5).
4)‘Druk den arbeider, dwing hem zich met het meest onmisbare te vergenoegen, en gij zult zijn ijver .... uitdooven; stel hem daarentegen tot genietingen boven zijne volstrekte behoefte in staat, en gij zult zijne kracht verhoogen, zijn vlijt verdubbelen’. (geciteerd door Van Welderen Rengers, l.c. I, p. 109).
5)Hudig, l.c., p 173.
6)Ibid., p. 87.
7)G.A.A., A.Z. 1828, no. 362 Bijl. D.
8)Max Weber, Die protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus (in Ges. Aufs. zur Religionssoziologie I2 (1922), p. 45, 199.
1)De B. Kops, l.c., Voorrede.
2)B.D.H. Tellegen, Beginselen der volkshuishoudkunde (1853), p. 43.
3)P.W. Alstorphius Grevelink, Gedachten over armverzorging (1850), p. 7. Tot zijne medestanders moeten worden gerekend: Boer, De Sitter, Mackay, Elink Sterk.
4)J.L. de Bruyn Kops, Korte beschouwingen over het armwezen (1851), p. 19.
5)Tot deze richting behoorden Blaupot ten Cate, Heemskerk en de beide Tydemans Het zou ons te ver voeren, zelfs de titels der werken van alle genoemde auteurs op te geven.
6)De Bruyn Kops, Beginselen, p. 298. Van Rees, l.c., p. 45. Zoo ook minister Fock in 1870 (E.H.J. VIII, p. 30).
1)Hand. 2e K. 1871/2, p. 337.
2)Uitvoeriger E.H.J. VIII, p. 58 sqq.
3)Geciteerd door Van Welderen Rengers, l.c., II, p. 140/1.
1)Cf. b.v. Kops, Beginselen, p. 247; I.J. Blaupot ten Cate, Verhandeling over het domicilie van onderstand (1860), p. 21.
1)W. de Sitter, Hygiëne en economie (Tijdschr. voor het Armwezen IV (1856), p. 33, 28).
2)In zijn Tijdschrift, Dl. XI, p. 137.
3)Economist 1859, p. 391.
4)Id. 1860, p. 247.
1)Id. 1865, p. 449 sqq.
2)Ibid. 1866, p. 101. Zie ook het onderschrift bij zijn artikel van De Bruyn Kops.
3)C.T. Stork in zijn leven en werken geschetst, 1822-1895 (1918), p. 56.
4)Cf. zijne mededeelingen in S.S.J. 1879, p. LVI.
5)Centraal Verslag der arbeidsinspectie over 1922, p. 258.
6)Cf. J.W. Schick, Over den gezondheidstoestand van 's-Gravenhage (1852); A. Caland, Beschouwingen over den gezondheidstoestand van Nederland en bijzonder van Middelburg (1857).
7)Cf. L. Ali Cohen, Algemeene Gezondheid en Fabrieknijverheid (1860); Handboek der openbare gezondheidsregeling (1873).
8)Cf. A. Luyten, Een woord over de woningen der werklieden (1855).
1)Kalff, l.c., p. 313.
2)Kalff, l.c., p. 541.
3)Jonathan, Waarheid en Droomen: Nederlandsche typen I.
4)Vooral Tollens, die alle rijken als hardvochtig en ongelukkig, de armen als braaf en tevreden voorstelt. Cf. Cd. Busken Huet, Litt. Fant. en Krit. VI, p. 116 sqq. Uit de na '70 opkomende arbeiderslitteratuur blijkt dan ook weerzin tegen deze gebruikelijke tegenstelling, zie b.v. O. Rommerts, Een stem uit het volk (z.j.), p. 39.
1)Godsdienstige en zedelijke novellen, III, no. 12, geciteerd bij De Vooys, l.c., p. 23.
2)Ibid.
3)C.E.v. Koetsveld, De oude Jonas (Ideaal en werkelijkheid, 1868).
4)C.E. van Koetsveld, De Internationale en de Commune. Twee tijdperken (1872), p. 11, 26, 32.
5)E.J. Potgieter, Studiën en Schetsen I, p. 297.
6)C.G.N. de Vooys, Potgieter en het liberalisme (Beweging 1906, I, p. 300).
7)Potgieter, Poezij I (1868), p. 115 sqq.
1)Litt. Fant. en Kritieken VI, p. 176 sqq.
2)B. ter Haar, Gedichten, Dl. II, p. 241.
1)Zie ook uit Tollens' Winteravondliedje, hoe de dichter, bij ‘warmen wijn en pons’ of bij wafels en slemp, tot deernis met de armen wordt opgewekt.
2)L.c. Dl. I, p. 321 sqq.
3)Deze beide werken vinden daarom een bespreking in hst. VII, waar de beweging ten gunste van een kinderwet wordt behandeld.
1)Dat Cremer's fantasie in dezen roman niet kon steunen op de Nederlandsche werkelijkheid, zooals De Vooys (De sociale roman enz., p. 31) meent, is niet geheel juist: de stakingstijd had in '73, naar wij zullen zien, reeds ingezet. Specifiek Nederlandsch, en niet uit Engelsche romans overgeloopen, is de domheid en de onkunde, die Cremer's arbeiders kenmerkt. Iets wat op organisatie lijkt missen ze totaal en de meesten kunnen lezen noch schrijven.
2)Brief aan alle Nederlandsche werklieden, leden en geen leden van de Internationale, door Jan Stukadoor, metselaar (1871), p. 10, 11, 23.
3)Ideeën, 2e Bundel, passim.
4)Ibid. p. 90 sqq, 118.
1)Ibid. p. 97. Deze gedachte ook reeds in Linguet's Théorie des lois civiles van 1767; cf. H. Cunow, Die Marxsche Geschichts-, Gesellschafts- und Staatstheorie I (1920), p. 117/8.
2)Ibid. p. 109.
3)Cf. C.G.N. de Vooys in Hand. van de Maatsch. der Ned. Letterkunde 1909/10, p. 51.
prepostterug  begin  verder