De periode 1813-1870 was er eene, zooals uit hoofdstuk I bleek, waarin Nederland nog niet was meegenomen in de strooming van het moderne kapitalisme. Wil dit zeggen, dat het van de veranderingen, die elders plaats vonden, onberoerd bleef? Geenszins. Wij zullen in dit hoofdstuk pogen aan te toonen, dat om en bij 1870 voor Nederland het punt van ommekeer ligt; en nu is het duidelijk, dat die ommekeer niet plotseling zich voltrok, doch het gevolg was van de steeds intensievere werking van reeds lang bestaande ontwikkelingsfactoren. De eeuwige stroom der economische geschiedenis kent als regel geen watervallen, doch slechts langzaam verval.
Duidelijke teekenen, die de komst van een nieuwen tijd aankondigden, begonnen omstreeks 1850 waarneembaar te worden1). De periode 1850-1870 is er een van overgang, waarin de oude vormen beginnen af te sterven en de jonge ontkiemen. In 1870 kan dat proces als voltooid worden beschouwd. Inderdaad: het zoo juist gebruikte beeld past voor de jaren tusschen 1850 en 1870, waarin eenerzijds de sedert lang kwijnende welvaart voor vooruitgang plaats maakt, anderzijds de belemmeringen, die een krachtige ontwikkeling remden, worden opgeheven.
De verwachtingen, die men in het herstelde Nederland van 1813 had gekoesterd omtrent de wederopleving van de in den revolutietijd geschokte welvaart, waren volkomen beschaamd. Hogendorp's juichkreet ‘De zee is open, de koophandel herleeft....’ was prematuur gebleken. En wie gehoopt had, dat het na de afscheiding van België, met zijn veelal aan die van het noorden strijdige belangen, beter zou zijn geworden, werd deerlijk teleurgesteld. Van Hall's doortastende maatregelen van 1844 waren
noodig, om den Nederlandschen staat voor den financieelen ondergang te behoeden. De jaren na 1840 kenmerkten zich bovendien door mislukte oogsten en hongeroproertjes1). Een duidelijk beeld van den gedrukten toestand in deze jaren gaf ook Portielje in zijn werk ‘De handel van Nederland in 1844’2), waarin hij gewag maakt van kwijning, niet alleen in den binnenlandschen handel, maar ook in de ‘fabrykmatige nijverheid’. In den scheepsbouw, aldus Portielje, heerscht malaise, evenals in de zeilenmakerijen; te Amsterdam zijn vele suikerraffinaderijen opgebroken; den fabrieken gaat het slecht; te Schiedam staan vele korenwijnstokerijen stil.... en zoo voort3). Talloos velen, die hun broodwinning verloren, vervielen tot volslagen armoede en moesten door de armenkassen worden gesteund. Zoo was de toestand nog in 1844.
Dat wordt na 1850 anders. Sedert het midden der 19e eeuw komt er in de stagneerende Nederlandsche volkshuishouding, waarin de armoede of, zooals men in deze dagen gaarne zeide, het pauperisme tot het vraagstuk van den dag was geworden, nieuwe beweging. De gedrukte toestand maakte plaats voor toenemenden bloei. Speciaal voor den landbouw waren de jaren na 1850 gouden tijden4). De troonrede van 1851 reeds noemde den toestand des vaderlands gunstig; die van 1853 sprak van den ‘bloeienden toestand’ des lands, en in de volgende jaren bleef deze blijmoedige toon5), die niet louter gevolg was van officieel optimisme. De cijfers bewijzen het, met name die van het verbruik van voedingsmiddelen per hoofd der bevolking. Zoo bedroeg het verbruik van tarwe als voedsel per hoofd der bevolking in H.L.:
| 1852-1856 | : | 0.43 |
| 1862-1866 | : | 0.68 |
| 1857-1861 | : | 0.60 |
| 1867-1871 | : | 0.776) |
Dat deze vermeerdering van tarweverbruik niet ten koste van andere granen plaats vond, blijkt uit de cijfers van verbruik van rogge en aardappelen. Een toeneming is ook te constateeren in de
consumptie van rund- en kalfsvleesch, welke in 1867-1871 45% hooger was dan in 1853-18561), en in die van suiker2).
De verandering, die omstreeks het midden der eeuw inzet, gaat gepaard met en wordt voor een belangrijk deel verklaard door de opheffing van de talrijke belemmeringen, die een vrije ontplooiing van de economische krachten in den weg stonden.
De regeering van Koning Willem I, die terecht een verlicht despoot is genoemd3), kenmerkte zich in het economische door een vaderlijke staatszorg in mercantilistischen zin. Door de persoonlijke bemoeiing van den Koning werden kanalen gegraven, spoorwegen aangelegd, de Nederlandsche Bank en de Nederlandsche Handel Maatschappij opgericht, handels- en nijverheidsondernemingen aangemoedigd en gesteund. Doch, eveneens in overeenstemming met de mercantilistische praktijk, als middel werden reglementen en verbodsbepalingen gebezigd. Wij schrijven hier geen economische geschiedenis van Nederland en laten dus een overzicht van de uitgebreide staatsbemoeiing achterwege, die trouwens voldoende aan den dag komt, wanneer wij in de volgende regelen een summiere opsomming geven van de maatregelen, die opheffing van deze beperkingen beoogden.
Vooreerst: de tarieven van in- en uitvoer. De tariefwetgeving van 1816, die zoo ingewikkeld was dat haar bestudeering, naar Gogel's klacht, meer studie kostte ‘dan het Romeinsche recht of de Scheikunde van Lavoisier’4), werd in 1819 en nogmaals in 1822 door een andere vervangen, waardoor het principe van protectie wel iets verzwakt, maar niet verlaten werd5). De tariefwet van 1845 deed wel verschillende concessies in de vrijhandelsrichting, maar liet toch het beginsel van industrieele protectie niet los6). Dat gebeurde pas in 1862, toen Betz, minister van financiën, een wet in het Staatsblad wist te brengen, die op waarlijk vrijzinnige beginselen berustte. Andere maatregelen van dezelfde strekking waren reeds voorafgegaan. De in 1835 ingevoerde schaalrech-
ten, die een bescherming van den landbouw beoogd hadden, welke geen doel had getroffen, werden in 1847 opgeheven om voor een regeling plaats te maken, waarbij de in- en uitvoer van graan grootere vrijheid genoot. Verder worde gewezen op Van Bosse's scheepvaartwetten van 1850, waarbij uitreiking van zeebrieven ook aan buitenslands gebouwde schepen mogelijk werd gemaakt, doorvoerrechten werden afgeschaft, differentieele, de Nederlandsche scheepvaart begunstigende rechten kwamen te vervallen. De scheepvaart ten goede kwamen ook de afschaffing van de Engelsche navigatie-acte in 1849 en de afkoop van de Sonttol, waarin Nederland bijdroeg (1857). De verlaging, weldra afschaffing der differentieele rechten in Indië (wetten van 1865 en 1872) noodzaakten speciaal de Twentsche katoenindustrie met haar tijd mede te gaan en ook op andere markten dan de Indische haar oog te richten. Zooals Tilburg vooral na 1862 opkwam, toen de hooge rechten op wollen stoffen werden afgeschaft, zoo was in Twente, behoudens een ongunstige conjunctuur in de eerste jaren, de vooruitgang het grootst na 1874, toen de preferentieele tarieven kwamen te vervallen1). Ook uit andere feiten bleek, dat aan de periode, waarin de staat een ‘lastige bemoeial’2) was geweest, een eind was gekomen. In 1846 werd het Fonds der nationale nijverheid geliquideerd, dat bestemd was geweest om aan diverse takken van industrie steun te verleenen. Zestien jaren later had de intrekking plaats van het typisch mercantilistische K.B. van 1820 (Stb. 14), opbeuring van de inlandsche wolindustrie beoogend, waarbij aan leveranciers aan leger en marine, aan bestuurders van gesubsidieerde liefdadige instellingen enz. was voorgeschreven, slechts inlandsche wollen stoffen te leveren resp. te doen dragen, en waarbij de Koning zich had verbonden, aan het hof geen andere dan in het binnenland vervaardigde manufacturen te dulden.
Omstreeks 1840 begon ook de periode, waarin met verschillende landen gunstige handelstractaten konden worden gesloten, die menige belemmering, waaronder de Nederlandsche export leed, deden verdwijnen. Te noemen zijn het verdrag met Pruisen van 1839, dat met Frankrijk van 18403).
Ten laatste zij de wetgeving op de zeevisscherijen uit de jaren na '50 vermeld, die een einde maakte aan de talrijke verbodsbepalingen, op dit punt (verbod van deelneming aan vreemde haringvisscherij, verbod de gevangen haring elders dan in Nederland te brengen enz.). Het nieuwe régime, dat volkomen vrijheid tot uitoefening der zeevisscherij liet, heeft aan dit oud-Hollandsche bedrijf nieuw leven ingeblazen1).
Beoogden al deze wetten en besluiten, den producent de noodige vrijheid te geven, de afschaffing van verschillende accijnzen op eerste levensbehoeften verleende aan de consumenten meer ruimte van beweging door de prijsverlaging, die zij te weeg brachten. Naast de afschaffing van het gemaal in 1856 is te noemen de reeds eerder tot stand gekomen opheffing van de accijns op schapen- en varkensvleesch; tijdens Thorbecke's tweede ministerie werd de brandstofaccijns afgeschaft, wat tevens de industrie ten goede kwam. De sluitsteen vormt echter de wet van 1865, waarbij aan de gemeentebesturen de bevoegdheid om plaatselijke accijnzen te heffen werd ontnomen.
Men ziet dus, na 1840 schuchter, na 1850 onbeschroomd, de theorie van de staatsonthouding, zooals de staathuishoudkunde die, naar wij zagen, doceerde, hier te lande in de practijk toegepast. Anderzijds ziet men in de tweede helft der eeuw de overheid een nieuwe taak opvatten: die van steun en voorlichting, welke die van gebod en verbod komt vervangen. Zoo ging b.v. de Regeering het houden van nijverheidstentoonstellingen bevorderen2).
Is het echter wel juist gezien om de twee decennia, waarin de oude beperkende maatregelen verdwenen, daarom als voorboden van den modern-kapitalistischen tijd te beschouwen? Het antwoord hierop kan bevestigend luiden, zij het met deze restrictie, dat niet in de genoemde afschaffingsmaatregelen zelve het moderne element lag opgesloten, doch in de mogelijkheid, die deze maatregelen openden voor nieuwe maatschappelijke vormen. Waar tallooze beperkende bepalingen vigeerden, kon de nieuwe tijd niet tot ontwikkeling komen.
Dat deze inderdaad tot ontwikkeling kwam, deels tengevolge van die vrijzinnige maatregelen, deels als gevolg van den nieuwen tijdgeest, die van deze laissez-faire politiek de drijfkracht was ge-
weest, volgt al dadelijk uit het vele, dat in hoofdstuk I reeds is opgemerkt omtrent de economische structuur des lands tot 1870. Menig feit, dat ginds diende ten betooge, dat de moderne tijd nog niet was aangebroken, kan thans onze opvatting staven, dat de kiemen van de nieuwe aera vooral in de twee voorafgaande decenniën werd gelegd. En dus brengen wij in herinnering, dat tusschen 1850 en 1870 mèt de stoomkracht het industrieele grootbedrijf beteekenis gaat krijgen; post en telegraaf tot ontwikkeling komen; een spoorwegnet begint te worden aangelegd; de eerste moderne banken ontstaan. Al deze elementen maken een geleidelijk groeiproces door; waarom dan 1870 als grensscheiding beschouwd? Dit zal hieronder in het kort worden uiteengezet.
Omstreeks 1870 was in Nederland de tijd gekomen, dat de groote steden, waarin de toenemende bevolking zich meer en meer ging ophoopen, geen voldoende woonruimte meer konden bieden aan de toenemende menschenmassa's. Vandaar, dat in deze jaren de eerste uitbreidingen zich gaan vertoonen bij menige stad, die tot nog toe dezelfde uitgestrektheid had als in de 17e eeuw. Zoo begon men te Amsterdam pas na 1860 te bouwen buiten den vestinggordel, die in 1658 was aangelegd. Andere steden, als Groningen, Nijmegen, Deventer moesten wachten op de Vestingwet van 1874, die hen van de knellende verdedigingswallen zou bevrijden. De ingetreden woningbehoefte gaf tevens het aanzien aan een in vroegere tijdperken onbekend verschijnsel: de speculatiebouw1). Op deze wijze ontstonden de slecht gebouwde menschenpakhuizen die in hun gore doodschheid in alle steden worden aangetroffen, die niet stil zijn blijven staan in ontwikkeling. Wat vóór dien aan arbeiderswoningen werd gebouwd, geschiedde door de vereenigingen van min of meer philanthropischen aard, die wij in hoofdstuk III reeds bespraken.
De industrieele ontwikkeling geschiedde in het algemeen te geleidelijk, dan dat een bepaald jaar als mijlpaal zou kunnen worden aangewezen. Wij merkten reeds eerder2) op, dat Brinckman's statistiek over 1871 niet den indruk maakt, dat in dat jaar de grootindustrie een leidende positie innam. Dat de toestand op dat moment toch reeds bij vroeger veranderd was, leert ons de be-
schrijving van het zoo belangrijke industriecentrum Twente in 1871, waarbij een vergelijking wordt gemaakt met 1857, toen Muller zijn werkje over Twente uitgaf1). Toen, zegt onze beschrijver van 1871, geen spoorwegen, nu wel; toen geen industrieel onderwijs, thans een uitstekende school te Enschede; toen een kleine ijzerfabriek te Borne, thans een groote te Hengelo; toen in hoofdzaak slechts fabricage van calicots en madapollams2), thans vervaardiging van stoffen in de meest denkbare verscheidenheid. En niet in de laatste plaats: de ondernemingsgeest, die in 1857 en ook in 18603) nog afwezig was, bleek in 1871 te zijn ontwaakt4). Van dien ondernemingsgeest was de sterke ontwikkeling van het machinale grootbedrijf, die de jaren tusschen 1860 en 1870 te zien gaven, een uiting.
De landbouwindustrie begon zich al vóór 1870 te ontplooien, inzonderheid de aardappelmeel- en beetwortelsuikerfabricage. Om en bij 1870 kwamen er echter twee belangrijke takken bij: de vervaardiging van stroocarton (eerste fabriek in 1868 te Leeuwarden)5) en die van margarine (eerste fabriek in 1871 te Oss)6). Ter zelfder tijd verviel een andere bedrijfstak, die in Zeeland, West-Brabant en de Zuid-Hollandsche eilanden van groot belang was geweest:de meekrapcultuur, doordat de langs chemischen weg te bereiden alizarine de plantaardige roode verfstof kon vervangen. Zoo verdwenen in korten tijd de talrijke meestoven en garancinefabrieken in deze streken. De snelle val blijkt uit het aantal H.A. met meekrap beteeld, dat van 3217 in 1870 tot 133 in 1880 daalde7).
De jaren om 1870 brachten ook in de kleedingindustrie een belangrijken ommekeer. Vooreerst kwam, wat de bovenkleeding betreft, naast het maatwerk de confectie in zwang. De confectie was er in vroegere tijden ook wel, doch algemeen werd zij pas na 18708). Eveneens van 1870 dateert de bloei der engros-confectie, die vooral te Groningen van belang werd9).
Uit het bovenstaande blijkt, dat er wel reden is op den ontwikkelingsweg der Nederlandsche industrie een mijlpaal te zetten in de buurt van 1870. Het is echter evenzeer duidelijk, dat een en ander geenszins voldoende is om in het bijzonder den aanvang van de modern-kapitalistische periode juist omstreeks 1870 te plaatsen. Daarom moeten nog andere elementen der Nederlandsche volkshuishouding de revue passeeren.
De scheepvaart, dank zij de vrijhandelsmaatregelen na 1850 opbloeiend, kreeg omstreeks 1870 een belangrijken stoot vooruit, eenerzijds in de richting van Duitschland, anderzijds in die van Indië. Nadat met de afschaffing van de Rijnvaarttollen in 1868 het verkeer op die rivier was vergemakkelijkt, kon de Nieuwe Waterweg van Rotterdam naar zee, welke in 1870 werd in gebruik genomen, dadelijk goede diensten bewijzen; want terzelfder tijd ondergingen de handelsbetrekkingen met Duitschland, waar na den oorlog van 1870 zich een koortsachtige ondernemersgeest ontwikkelde, een sterke verlevendiging, De activiteit, die zich in het nieuwe Duitsche rijk ontwikkelde, vond in het nog altijd wat dommelige Nederland weerklank. De toeneming van de totale tonnage der in- en uitgeklaarde schepen (inclusief in ballast varende schepen) was van 1870-1875 grooter dan in de vorige vier quinquennia: zij bedroeg 1850-1855 22%, 1855-1860 20%, 1860-1865 14% en 1870-1875 29% van elke voorafgaande periode1).
Wat Indië betreft: wij vermeldden al vroeger, hoe de opening van het Suezkanaal tot een spoorslag werd voor Nederlands handel met Indië, die langen tijd door het feitelijke monopolie van de Nederlandsche Handel Maatschappij was tegengehouden. Daarbij kwam, dat Indië, hetwelk tusschen 1830 en 1870 de facto een wingewest voor den Nederlandschen staat was geweest, daarna meer voor den particulieren ondernemersgeest open kwam te staan. In dezen tijd verdwenen het cultuurstelsel en de batig-slot politiek goeddeels; De Waal's agrarische wet van 1870 maakte de uitgifte van woeste gronden aan Europeanen mogelijk, zoodat deze de exploitatie van groote ondernemingen konden aanvatten.
Een gewichtige ontwikkelingsfactor van de moderne maatschappij is de periodieke pers. Zij maakt, dat alle nieuwe denkbeelden, uitvindingen, toestanden, onmiddellijk gemeengoed worden van
de sociale groep, waarin zij thuis hooren; zij stelt bovendien de producenten in staat, door advertenties de meest uiteenloopende bevolkingskringen en -lagen te bereiken. Voor de geestelijke evolutie van Nederland nu is van groot belang geweest de afschaffing van het dagbladzegel in 1869, die, mèt de invoering in het volgende de jaar van het uniforme stuiversport voor brieven1), het geestelijk verkeer in hooge mate intensiever heeft gemaakt. De cijfers bewijzen het: het aantal met de post verzonden nieuwsbladen, in 1860 nog slechts 5.107 duizendtallen bedragend, was in 1870 reeds 11.987, in 1873 20.066, in 1880 33.681 duizendtallen2). Belangrijker nog is, dat de groote bladen door hun tariefsverlaging - de abonnementsprijs van het Algemeen Handelsblad werd 1 Juli 1869 van ƒ8.- op ƒ6.- per kwartaal gebracht, terwijl het formaat werd vergroot - thans door sociale groepen konden worden gelezen, die zij vroeger niet bereikten.
Dat de economische verandering, die omstreeks het midden der eeuw optrad, met politieke hervorming samenhing, is zonder meer duidelijk, Sinds 1848 kreeg in plaats van de aristocratie de burgerklasse, de derde stand, de teugels in handen. Zij was het, die de doorvoering der liberale denkbeelden op economisch gebied wist door te zetten. De in 1848 aangevangen staatkundig-parlementaire periode moet omstreeks 1870 als afgesloten worden beschouwd. Drie veranderingen waren het, die toen plaats vonden. Vooreerst trad in de liberale partij de meer radicale, interventionistische richting op, die in het vorige hoofdstuk reeds werd vermeld. In het tijdschrift Vragen des Tijds, in 1874 opgericht, vonden deze elementen een tribune. Voorts vierde in 1868 het parlementaire stelsel in ons staatsbestuur definitief de zege. En ten slotte was ter zelfder tijd een nieuwe groepeering in de politieke partijen in zooverre waarneembaar, dat de katholieken zich van de liberalen afwendden en zich in andere richting orienteerden, terwijl anderzijds de antirevolutionairen gingen inzien, dat zij op de voor hen essentieele punten niets meer van de conservatieven hadden te verwachtten. Het valt buiten ons bestek de oorzaken aan te wijzen van deze veranderingen, die wij slechts vermeldden om in het licht te stellen, hoe economische en politieke nieuwvorming hier samengingen.
Doch er is nog meer, In de tweede helft der 19e eeuw veranderen ten onzent de geestelijke, speciaal godsdienstige stroomingen van richting. Eenerzijds ziet men de opkomst van het modernisme, anderzijds een teruggaan naar de levende orthodoxie, zooals die door het Réveil was voorbereid. De representanten van deze beide richtingen in de Kamer zijn Thorbecke en Groen van Prinsterer. Vooral ten gevolge van dezen strijd, waarbij zich nog een groep van jongeren voegde, die gaarne naar Multatuli luisterde en traditiebrekende boeken als die van Van Houten (God, eigendom en familie) en Feringa (Democratie en wetenschap) las, was omstreeks 1870 een veel krachtiger geestelijk leven merkbaar1). De maatschappelijke ontwaking van de vrouw dateert ook uit dien tijd. De eerste vrouwelijke student (Aletta Jacobs) werd in 1871 ingeschreven; de litteratuur2) toont voor 't eerst in deze jaren aandacht voor het vrouwenvraagstuk.
Over één punt hebben wij in het voorafgaande opzettelijk gezwegen. Van den modernen kapitalistischen tijd is een essentieel kenmerk: het bestaan van een arbeidersklasse, die zich als klasse voelt en als zoodanig duidelijk staat tegenover een andere, die der ondernemers. Het sociale vraagstuk bij uitnemendheid van de moderne maatschappij is het arbeidersvraagstuk. Op geen wijze nu wordt duidelijker het karakter van het tijdperk vóór 1870 gedemonstreerd dan door het feit, dat van optreden eener arbeidersklasse als zoodanig geen sprake nog was. Van een vakbeweging kan pas sedert 1866 worden gesproken. Omstreeks denzelfden tijd hoort men voor het eerst van loonacties en stakingen. Vandaar ook, dat in ons land later dan in eenig ander het socialisme en de sociale wetgeving hun intrede doen (van Houten's kinderwetje van 1874). Over dit alles zal in de beide volgende hoofdstukken uitvoeriger worden gesproken.