|
De arbeidende klasse in Nederland in de 19e eeuw (1813-1870)
I.J. Brugmans
bron
I.J. Brugmans, De arbeidende klasse in Nederland in de 19e eeuw
(1813-1870). Martinus Nijhoff, Den Haag 1929 (tweede druk)
codering
DBNL-TEI 1
dbnl-nr brug035arbe01_01
logboek
-
2007-04-20
AS
colofon toegevoegd
verantwoording
gebruikt exemplaar
exemplaar universiteitsbibliotheek Leiden, signatuur: 914 A 19
algemene opmerkingen
Dit bestand biedt, behoudens een aantal hierna te noemen ingrepen, een
diplomatische weergave van de tweede, herziene en bijgewerkte druk van De arbeidende klasse in Nederland in de 19e eeuw (1813-1870)
van I.J. Brugmans uit 1929. De eerste druk dateert uit 1925.
redactionele ingrepen
p. 17, 125, 134: In de digitale versie kunnen accolades die over twee regels
verspreid staan niet weergegeven worden. Daarom is de accolade met eventuele
bijbehorende tekst op elke regel herhaald.
p. 124: De tabel is te breed om in de digitale versie in zijn geheel weergegeven
te worden en is daarom in tweeën gesplitst.
p. 160: In het origineel bevat de tabel een accolade verspreid over twee kolommen. In de digitale versie kan dit niet
weergegeven worden. Daarom is de tabel ook als illustratie opgenomen.
Bij de omzetting van de gebruikte bron naar deze publicatie in de dbnl is een
aantal delen van de tekst niet overgenomen. Hieronder volgen de tekstgedeelten
die wel in het origineel voorkomen maar hier uit de lopende tekst zijn
weggelaten. Ook de blanco pagina's (p. II, III, VI, XII, XIV en 300) zijn niet
opgenomen in de lopende tekst.
[pagina I]
DE ARBEIDENDE KLASSE IN NEDERLAND
IN DE 19e EEUW
(1813-1870)
[pagina IV]
Economisch- en Sociaal-Historische Onderzoekingen
onder redactie van
Prof. Mr. N.W. POSTHUMUS
TWEEDE DEEL
I.J. BRUGMANS
De Arbeidende klasse in Nederland
in de 19e eeuw
(1813-1870)
TWEEDE, HERZIENE EN BIJGEWERKTE DRUK
[vignet]
's-gravenhage
MARTINUS NIJHOFF
1929
[pagina V]
DE
ARBEIDENDE KLASSE
IN NEDERLAND
IN DE 19e EEUW
door
Dr. I.J. BRUGMANS
TWEEDE HERZIENE EN BIJGEWERKTE DRUK
[vignet]
's-gravenhage
MARTINUS NIJHOFF
1929
[pagina VII]
INHOUD
|
|
Blz. |
| |
VOORWOORD BIJ DEN TWEEDEN DRUK |
xiii
|
| |
INLEIDING |
xv
|
| |
EERSTE HOOFDSTUK. de economische structuur van
nederland tot 1870 |
1 |
| 1. |
De economische verhoudingen omstreeks 1819
Bedrijfsgrootte, afzetgebied, positie der patroons en huis-industrie
in 1819 in de provincie Friesland, 3. - in Groningen, 7. - in
Drente, 9. - in Overijsel, 9. - in Gelderland, 11. - in Utrecht, 13.
- in Noord-Holland, 14. - in Zuid-Holland, 16. - in Zeeland, 17. -
in Noord-Brabant, 18. |
2 |
| 2. |
De ontwikkeling van het grootbedrijf
Manufactuur en fabriek, 20. - Opkomst van het grootbedrijf in de
machine-industrie, 22. - in de ijzergieterij, 22. - in de
gasfabricage, 23. - in de beetwortelsuikerfabricage, 23. - in de
aardappelmeelindustrie, 23. - in de broodbakkerij, 24. - in de
diamantnijverheid, 24. - in de textielnijverheid, 25. - in de glas-
en aardewerkindustrie, 27. - Grootbedrijf in de provincie Limburg,
27. - Overzicht van het grootbedrijf in 1857, 28. - en in 1871, 30. |
20 |
| 3. |
De invoering van de stoomkracht
Machine en
werktuig, 31. - De eerste stoommachine in Nederland, 32. - Opkomst
der stoommachine in de textielnijverheid, 32. - Stand van de
mechaniseering der textielnijverheid in 1841 in Friesland, 34. - in
Drente, 35. - in Overijsel, 35. - in Brabant, 36. - in Zeeland, 37.
- in Utrecht, 37. - in Noord-Holland, 38. - Mechaniseering der
textielnijverheid na 1860, 39. - De stoomkracht in de
diamantnijverheid, 40. - in de suikerraffinaderij, 41. - Aantal
stoomtoestellen in 1824, 1837 en 1853, 41. - Oorzaken van de late
verbreiding der stoommachine ten onzent, 42. |
31 |
| 4. |
Grootonderneming en huisindustrie
De
huisindustrie in de textielnijverheid, 44. - speciaal in Twente, 45.
- in Brabant, 46. - in Limburg, 47. - in |
43 |
[pagina VIII]
| |
Zeeland, 47. - in het Gooi, 48. - in Leiden, 48. -
Gedecentraliseerde grootbedrijven in de textielnijverheid, 48. -
Sociale positie der huisindustrieelen, 49. - De boer als
huisindustrieel, 50. - Huisindustrie in de Brabantsche
schoenenfabricage, 52. - in de sigarenfabricage, 53. - in andere
takken van nijverheid, 55. |
|
| 5. |
Het kleinbedrijf
Kleinbedrijf in de
bierbrouwerij, 55. - in de leerlooierij, 56. - De windkorenmolen,
57. |
55 |
| 6. |
Algemeene karakteristiek van het tijdperk
a) Geest van het tijdperk, 58. -
Vroegkapitalistisch karakter van den toenmaligen ondernemer, 59. -
Traditionalisme, 60. - De ondernemer blijft passief, 60. -
Afwezigheid van de naamlooze vennootschap, 62. - Technische
verbeteringen komen uit het buitenland, 63. - b) De
industrie, 64. - Landelijk karakter van de industrie, 64. -
Decentraliseering van de industrie, 65. - c) De
landbouw, 66. - Nederlands overgang van landbouw- tot
industriestaat, 66. - Doordringing van het kapitalisme in den
landbouw, 67. - d) Het verkeer, 69. - Opkomst der
spoorwegen, 69. - De stoomvaart, 69. - Post en telegraaf, 71. - e)
Het bankwezen, 71. - Opkomst der moderne
banken, 72. - f) De bevolking, 73. - Toeneming van
stads- en plattelandsbevolking, 73. - g) De arbeidende
klasse, 74. |
58 |
| |
TWEEDE HOOFDSTUK. de arbeider als producent |
75 |
| |
Herkomst der arbeidende klasse, 75. - Van landbouwer tot
loonarbeider, 75. - De zgn. armenfabrieken, 77. - Overgangsvormen
tusschen speculatieve en philanthropische inrichtingen, 78. -
Vreemdelingen als arbeiders, 81. - Oorzaken van het groote aantal
vreemde arbeiders, 84. - A. De Kinderarbeid, 85. -
Toeneming tusschen 1819 en 1871, 86. - Vergelijking van den
kinderarbeid in 1819 en 1871 in Friesland, 86. - in Groningen, 87. -
in Drente, 88. - in Overijsel, 88. - in Gelderland, 88. - in
Utrecht, 89. - in Noord-Holland, 89. - in Zuid-Holland, 89. - in
Zeeland, 90. - in Noord-Brabant, 91. - in Limburg, 91. - Arbeid door
meisjes, 92. - Arbeid door zeer jonge kinderen, 93. - Toestanden te
Moordrecht, 93. - De kinderarbeid in de textielnijverheid, 94. -
Toestanden te Maastricht, 99. - Vergelijking met Engeland, 100. -
Oorsprong van den kinderarbeid, 101. - B. De
vrouwenarbeid, 102. - C. De arbeidsduur,
104. - in de klei-industrie, 104. - in de textielnijverheid, 105. -
Voorbeelden |
|
[pagina IX]
| |
van overmatig lange arbeidstijden, 106. - Mitigeerende factoren,
107. - seizoenwisseling, 107. - kortere werktijd voor personae
miserabiles, 108. - vrije Zaterdagmiddag, 109. - Rusttijden, 110. -
Nachtarbeid, 111. - D. Het arbeidsloon, 113. - De
loonshoogte in 1819 in Groningen, 114. - in Friesland, 115. - in
Drente, 117. - in Overijsel, 117. - in Gelderland, 118. - in
Utrecht, 119. - in Noord-Holland, 120. - in Zuid-Holland, 121. - in
Zeeland, 121. - in Noord-Brabant, 122. - Loonen der kinderen, 122. -
Loonen in verschillende bedrijven in 1853, 123. - De stijging der
loonen in de textielnijverheid, 125. - in de bouwvakken, 128. - in
de metaalnijverheid, 129. - Overzicht van de bedrijven met naar
verhouding hooge loonen, 129. - idem lage loonen, 130. - De stijging
van het prijsniveau, 133. - Ontoereikendheid der loonen, 135. -
Oorzaken hiervan, 136. - Inwonende arbeiders, 139 - Truckstelsel en
gedwongen winkelnering, 141. - Betaling in vreemde munt, 143. -
Loonvormen: stukloon, 143. - gezinsloon, 144. - winstdeeling en
participatie, 144. - Uitbetalingsdag, 144. - Fabrieksreglementen,
145. - Fabrieksfondsen, 145. - Livretten, 146. - Inrichting der
fabrieken en werkplaatsen, 147. - Werkloosheid, 150. |
|
| |
DERDE HOOFDSTUK. de arbeider als consument |
151 |
| |
Voeding, 151. - Dranken, 153. - Kleeding, 153. - Huisvesting, 154.
- Voorbeelden van ellendige behuizing, 154. - Werkzaamheid der
arbeiderswoning-bouwvereenigingen, 156. - Fabriekswoningen, 158. -
Arbeidersbudgets, 159. - Mogelijkheid van sparen, 162. -
Fondsvorming door arbeiders, 164. |
|
| |
VIERDE HOOFDSTUK. de lichamelijke, geestelijke en
zedelijke toestand van den arbeider |
166 |
| |
Kindersterfte, 166. - Levensduur, 167. - Beroepsziekten, 167. -
Oordeel der ondernemers, 169. - Schoolbezoek, 170. -
Fabrieksscholen, 172. - Ontwikkelingspeil 173. - Gebrek aan
vakonderricht, 174. - en aan vakbekwaamheid, 175. - Sexueele
moraliteit, 177. - Godsdienstig leven, 178. - Karaktereigenschappen,
179. - Houding tegenover de invoering der stoommachines, 181.
Vereenigingsleven, 182. - De gilden, 183. - Werkers voor den handel,
184. - Vereenigingsrecht, 185. - Gezelligheids- en
fondsvereenigingen, 185. - Oorzaken van het gebrek aan
klassebewustzijn, 187. - Afwezigheid van socialisme, 188. -
Gebeurtenissen te Amsterdam in 1848, 189. - De Zwijndrechtsche
nieuwlichters, 190. |
|
[pagina X]
| |
VIJFDE HOOFDSTUK. economische en sociale denkbeelden
in het toenmalig nederland |
192 |
| |
Inleiding, 192. - De denkbeelden over de arbeiders vóór 1850.
Arbeiders en armen, 193. - Armoede een rijke materie, 194. -
Standsopvattingen, 194. - Oordeel over de lange werktijden, 195. -
Een edelaardig kinderexploitant, 196. - Discussies over de invoering
van machines, 198. - Willem van Hogendorp en Da Costa, 199. - Het
Réveil, 199. - Opkomst van de liberale economie ten onzent, 200. -
Theoretische opvattingen omtrent loonshoogte en kinderarbeid, 201. -
Staatsopvatting vóór en na 1850, 203. - Van Houten en Kappeyne, 205.
- Oorzaken van de na 1850 opkomende aandacht voor de arbeidende
klasse, 206. - speciaal bij economen, 206. - bij industrieelen, 207.
- en bij medici, 208. - Houding van de letterkundigen, 209. - Van
Koetsveld, 209. - Potgieter, 210. - Ter Haar, 211. - Cremer, 212. -
Multatuli, 213. |
|
| |
ZESDE HOOFDSTUK. de overgang naar den modernen
tijd |
215 |
| |
1850-1870 als overgangsperiode naar den modern-kapitalistischen
tijd, 215. - Opbloeiende welvaart na 1850, 216. - Doorvoering der
vrijheidsbeginselen, 217. - Uitbreiding der groote steden, 220. -
Evolutie in Twente, 221. - Veranderingen omstreeks 1870 in de
industrie, 221. - in de scheepvaart, 222. - in de betrekkingen met
Indië, 222. - De afschaffing van het dagbladzegel, 223. - Politieke
veranderingen, 223. - Geestelijke veranderingen, 224. |
|
| |
ZEVENDE HOOFDSTUK. maatregelen en voorstellen ten
behoeve der arbeiders |
225 |
| |
A. Kinderarbeid, 225. De eerste stap op het
terrein der bescherming van fabriekskinderen, 225. - Ackersdyck,
227. - Enquête 1841, 227. - Geneigdheid tot ingrijpen, 228. -
Luttenberg, 229. - Oorzaken van het negatieve gevolg der enquête,
230. - Prijsvraag Maatschappij van nijverheid, 231. - Leidsche
commissiën, 233. - Fabrikantenopvattingen, 234. - Andere stemmen ten
gunste van bescherming van het fabriekskind vóór 1860, 235. -
Enquête 1860, 236. - Geringe resultaten, 237. - Nieuwe roepstemmen
ten gunste der kinderen, 237. - Instelling eener staatscommissie,
239. - Kritiek op hare resultaten, 241. - Rekesten na 1863, 242. -
Nieuwe gegevens omtrent kinderexploitatie, 243. - Afzijdigheid der
Regee- |
|
[pagina XI]
| |
ring, 244. - Initiatiefvoorstel van Van Houten, 245. - Waarom de
liberalen er vóór stemden, 247. - Veranderingen, door de Kamer in
het voorstel aangebracht, 248. - Ingekomen adressen, 250. - B. Huisvesting. Aandacht voor de volkshuisvesting na
1850, 250. - Wintgens' initiatiefvoorstel, 251. - C. Inrichting van fabrieken en werkplaatsen, 253. - Groeiende
belangstelling voor veiligheidsproblemen, 253. - Geringe resultaten,
254. - D. Stakingsrecht, 254. Karakter der artt.
414-416 Code Pénal, 254. - Waarom ze zoo lang bleven bestaan, 256. -
De afschaffing, 257. - E. Onderwijs, 258. - De
volksvoordrachten, 258. - Ambachtsscholen, 260. - F. Algemeen, 260. - Vereenigingen, die studie gingen maken
van het arbeidersvraagstuk, 260. - Comité ter bespreking der sociale
quaestie, 261. - Oorzaken van de sinds 1850 toenemende aandacht voor
het arbeidersvraagstuk, 263. |
|
| |
ACHTSTE HOOFDSTUK. het ontwaken der arbeidende
klasse |
264 |
| |
A. De opkomst der vakbeweging, 264. - De oudste
vakvereeniging, 265. - Oprichting van den eersten landelijken
vakbond, 265. - Oorzaken van het overheerschen van het handwerk en
van Amsterdam, 267. - De vrijdenkersbeweging, 268. - De
Internationale in Nederland, 269. - De bestuurdersbonden, 272. - Het
Algemeen Nederlandsch Werkliedenverbond, 273. - Het verbond en de
kinderarbeid, 274. - De Christelijke vakbeweging, 275. -
Samenwerking met de ‘heeren’, 277. - Sint Josephs
gezellenvereenigingen, 278. - Provinciale organisaties, 279. -
Oorzaken van den snellen groei der vakbeweging, 280. -
Werkstakingen, 280. - Actie van de politie, 282. - Houding tegenover
de vakbeweging van de patroons, 284. - de hoogere standen, 285. - de
Regeering, 286. - de couranten, 286. - B. Arbeiderspers, 287. - De oudste tijdschriften en blaadjes,
287. - Opbloei na 1870, 288. - C. Coöperatie, 289.
De eerste arbeiderscoöperatie in Nederland, 289. -
Winkelvereenigingen sedert 1860, 289. - Coöperatieve woningbouw,
292. - Oorzaken der geringe successen, 292. - Productiecoöperaties,
293. - Oorzaken van de opkomst der arbeidersbeweging omstreeks 1870,
294. |
|
|